Bedekte termen


De nieuwste bundel van Bert Bevers is zonder meer een poëtische tour de force. 366 gedichten gebundeld in een voortreffelijk vormgegeven boek. Eén gedicht voor elke dag, zelfs in de schrikkeljaren. Bevers nodigt als het ware de lezer uit om iedere dag een gedicht te lezen. Enkele van deze gedichten zijn eerder verschenen in diverse tijdschriften maar de meeste zijn nieuw. Ze zijn niet geordend in cycli maar alfabetisch gerangschikt op basis van de titels. Nochtans is de structuur van Bedekte termen strikt en doorheen het ganse werk rigoureus volgehouden. Elk gedicht is opgebouwd als een duidelijke compositie, die bestaat uit drie stanza van telkens twee versregels, kort maar bijzonder indringend en geladen met een diepgaande inhoud. De beginverzen vertrekken telkens van een observatie door de dichter, een overdenking of een aanbeveling. Vervolgens wordt dit in de volgende stanza verder uitgediept om dan in de laatste stanza te besluiten. Deze bewust gekozen structuur vergemakkelijkt niet alleen de lezing maar laat ook de diepere betekenis van elk gedicht beter doordringen.

Het, willekeurig gekozen, gedicht Wachtwoorden moge dit illustreren: Niets vermag een ware tong alleen tegen cohorten / van leugenaars, niets. Vermijd dus het gefluister // van hese farizeeërs, hun gestruikel over drempels / in de tempel want de nacht staat open. Brosse // bezwaren houden slecht stand tegen grage ontferming. / Klanken verschuiven. Alles is mogelijk maar niets is echt. Het is meteen een voorbeeld hoe de dichter systematisch het enjambement gebruikt om zo de lezer spontaan naar het volgende vers te leiden. Maar in Bevers geval doet het meer. Het verplicht te lezer na te denken over de betekenis en de gelaagdheid van het vers.

Doorheen zijn oeuvre is de dichter Bert Bevers zijn eigen weg gegaan. Hij heeft daarbij een zeer persoonlijke stijl en zegging ontwikkeld, wars van alle modeverschijnselen. Het is een streven naar tijdloze poëzie, schrijven op basis van een voldragen taalbeheersing. Hij buigt en kneedt de taal in zijn eigen mallen, vermijdt overdadig gebruik van lidwoorden en combineert zelfstandige naamwoorden met ongewone adjectieven. Op die wijze ontstaat een bijzondere zegging, die de directe betekenis van een woord of zin overstijgt en er een bijna metafysische kracht aan toekent. Het resulteert in verbluffende beeldvorming, zoals bijvoorbeeld: Over de einder struikelt zich dageraad (pagina 163) of Vergeet de roerloze diepte van wraak (bladzijde 82). Het gedicht Heterdaad illustreert bovenstaande: Avondgrauwen glijdt over omfloerste bekentenissen / van lijdzame biechtelingen. Op de zolders hunner // zielen zullen berouw noch verwijten verstoffen. Er / klinken vermaningen aan de bedeesde teugels // van de nacht maar er zal, hoe traag ook kousen op / worden getrokken, tegen vroegte geen verweer zijn. Het zijn maar een paar illustraties, maar eigenlijk zou men de volledige bundel kunnen citeren. Een zwakke schakel is nergens te bespeuren.

Deze bundel hoort binnen het leesbereik van elke poëzieliefhebber om zo de dag met een gedicht te beginnen of te eindigen.


Bedekte termen, Bert Bevers, Stabilitas loci, Antwerpen, 2023, ISBN 979-83-97503-03-7

(Richard Foqué)

God bestaat nog niet


Uitgeverij Opwenteling kiest niet voor vertrouwde paden. Het fonds publiceert bundels die van singuliere schrifturen getuigen. De bundel mijn cloud, die de uwe is van Anouk Smies is daarvan het voorbeeld én het bewijs. De lectuur van dit soort poëzie vereist van de lezer een grondige deconditionering: je moet als lezer het aangeleerde alfabet bijstellen. Als, naar het woord van Paul Valéry, poëzie, formeel gesproken, in eerste instantie een zoektocht is naar een taal binnenin de taal, dan gebeurt dit zeker in het werk van Smies. Ze waagt zich verder dan het geschreven woord: in de laatste gedichten van de bundel worden lettertekens in een binair cijferschrift weergegeven. Haar vocabularium en thematiek is eigentijds, wat me wel eens naar het internet deed teruggrijpen.

Ik sta open voor dergelijke uitdrukkingswijzen - waarmee ik niet wil zeggen dat alles voor mij even duidelijk is. Dit boek vraagt om meerdere lezingen vanwege de brede gelaagdheid: wat tijd vergt want onze conditioneringen zijn taai en zitten heel diep in ons wezen vast: je rukt ze er niet zomaar uit.

De bundel telt vier delen. Het eerste deel alles buiten de data was propaganda thematiseert een eindtijd zoals die gezien wordt door de sekte ‘Wachters van de nacht’ die voorspelt dat Nederland door een tsunami overspoeld zal worden. Een sekte bestaande uit een soort ‘wappies’ die sterven zien als een satanisch complot. Het tweede deel de aarde is een agnost waarin een door noodlot, sadisme, projectie, rangorde, doodbloeden en zwaartekracht beschadigde aarde wordt voorgesteld. De oorzaak hiervoor kunnen natuurlijke processen zijn (de Zwitserse Ruinaulta-kloof) of menselijke interventies (de atol Morura waar het Franse leger atoombommen uitprobeerde). In het derde deel komt ‘Raymond Kurzweil’ aan bod. Deze futuroloog orakelt onder meer dat we binnen 20 jaar dingen van het internet zullen kunnen downloaden in onze hersenen. Smies staat daar kritisch tegenover. In het gedicht gebed schrijft ze expliciet: Maak Raymond Kurzweil dood. Het derde deel de cloud is gecentreerd rond het ‘Project west ford’, daterend uit de periode van de koude oorlog. Een mislukt project waarbij Amerika een kunstmaan probeerde te lanceren met 400 miljoen koperen naalden aan boord. De bedoeling was, dat deze naalden zich in de ruimte zouden verspreiden om een wolk te vormen, die radiosignalen zou kunnen weerkaatsten die het leger in staat stelt radioboodschappen over te seinen.

Uit die reeks het titelgedicht: Lieve cloud, / sluipwesp van individuele drift, / mammoetklank van wetenschap, / harde hand zonder onderscheidend vermogen // Lieve cloud, / pooier van goedertierenheid, ballenbak, / hackertje, cosmetische chirurg van gemis // Lieve cloud, / waar niemand uit ontwaakt als ik het mocht bepalen / Niet uit mijn cloud, die de uwe is.

De hele sfeer van de bundel heeft iets verontrustends en bedreigends. Ik las deze bundel als één grote bezwering. Van bijvoorbeeld AI (artificiële intelligentie) zoals in het gedicht nog niet. Met een opvallende beginregel: Als men vraagt of God bestaat zeg ik: Nog niet. Hier en daar duikt een poëticale gelaagdheid op. Zo schrijft ze: schuw bij het fijnproeven van recensies uw vleeslijkheid niet. Zou ik haar nu moeten tegenspreken? In ieder geval is dit is een interessante, de lezer uitdagende en niet alledaagse bundel.

mijn cloud, die de uwe is, Anouk Smies, uitgeverij Opwenteling, Eindhoven, 2023, ISBN 978 90 6338 182 0 nur 306

(Alain Delmotte)

Voor iedereen maandag


In 1989 benoemt Gerrit Kouwenaar in zijn dankwoord bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren zijn oorlogsjaren als een ‘leerschool die mij heeft bijgebracht dat woorden lege hulzen zijn als ze niet gevuld worden met je eigen leven en lichaam, je eigen sterfelijkheid.’

Die leerschool staat centraal in het eerste deel van de biografie van Gerrit Kouwenaar die Wiel Kusters schreef onder de titel Morgen is het voor iedereen maandag. In dit deel staat de ontwikkeling centraal die Kouwenaar doormaakt in zijn opvattingen over poëzie en over het dichterschap.

Gerrit Kouwenaar wist al op jonge leeftijd dat hij dichter wilde worden; hij offerde er zijn middelbare schoolperiode voor op, knoopte vriendschappen aan met gelijkgestemden en vormde langzamerhand zijn uitgangspunt voor dat dichterschap: een is twee. Typerend is het gedicht Twee werelden dat Gerrit begin 1941 schrijft. Daaruit:

Want op ’t schoolplein, werd ik nagewezen!
Men keek me lachend na en vond me idioot!
Een ieder dacht origineel te wezen

vervloekt die bourgeoisie, want ik zal heel mijn leven
zo lang als het mag duren, dichter wezen:
want eens moet de scholier toch dood.


Wat Wiel Kusters in deze biografie helder neerzet is de worsteling van Kouwenaar met een leven in dienst van de poëzie. Aan de hand van brieffragmenten, prozateksten en (aanzetten tot) gedichten brengt Kusters die strijd volledig tot leven.

Cruciaal in dit geheel is de arrestatie van Kouwenaar in mei 1943 en het verblijf in de strafgevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht. Kouwenaar ontmoet daar ‘Opa Schrijver’, een medegevangene met communistische idealen die hem nederigheid bij brengt en rust om te accepteren dat grootsheid schuilt in kleine dingen.

Ook andere relaties die voor Kouwenaars ontwikkeling belangrijk blijken, worden uitgebreid belicht. Wolfgang Frommel is een Duits dichter die Kouwenaar in de jaren ’30 onderwijst in de filosofie, de cultuurgeschiedenis en de poëzie. Dat blijkt goede voedingsstof te zijn voor de ontluikende ideeën van Gerrit Kouwenaar.

Na zijn vrijlating werkt Kouwenaar nog fanatieker aan zijn ideaal om als dichter te leven. Een en ander resulteert in een (overigens nooit gepubliceerde) bundel, getiteld Jong gewas. Sommige gedichten hieruit vonden wel hun weg naar tijdschriften. Ook waagt hij zich aan een (eveneens niet gepubliceerd) essay: Over vernieuwing en de moderne mens (januari 1944).

De bevrijding en de jaren erna zijn voor Kouwenaars ontwikkeling cruciaal. De ontmoeting met zielsverwanten en vakgenoten zoals Lucebert en Jan Elburg leidt tot de oprichting van een Cel Majakowski en een pleidooi voor de vrije, klasseloze maatschappij in de geest van Majakowski.

Kouwenaar werkt in die jaren als journalist/redacteur bij De Waarheid wat naast die periode in gevangenschap opnieuw een leerschool is voor hem. Al zal het nog jaren duren (tot 1953) voordat zijn echte debuutbundel het licht zal zien.

Wiel Kusters heeft met deze ‘oorlogsbiografie’ een indringend en helder beeld geschetst van de ontwikkeling die Gerrit Kouwenaar doormaakte van scholier tot dichter.


Morgen is het voor iedereen maandag, Wiel Kusters, Uitgeverij Cossee, Amsterdam, 2023, ISBN 9789464520767

(Wim van Til)

Liefdevol opmerkzaam


Voormalig stadsdichter van Deinze Luc C. Martens publiceerde onlangs Twee uur per maand kom ik van je houden, zijn vijfde dichtbundel, de derde bij Uitgeverij P. De titel drukt zowel liefde als schuldgevoel uit. Ze heeft betrekking op een verstandelijk beperkte zus die op prille leeftijd slachtoffer werd van een verkeerde medische diagnose. De dichter beschrijft hoe de leden van het kleine gezin daarmee omgingen, elk op zijn of haar eigen manier. Eerst toen ze nog thuis woonde en later toen opname in een tehuis onafwendbaar was.

In de Proloog heet het:

zus, toen je van de hond een kat maakte / sloot vader de letterdoos, op de grond / lag nog een dubbele ee van verkeerd // je werd aas voor witte boorden / en zwarte rokken die gluurden / achter zondagse muren // moeder belde bang aan de poort. Het duurde / niet lang voor je verdween in de zwarte greep // in de mand tot de volgende maandag. Waarmee de gezinsdramatiek en het wrange van de uithuisplaatsing compact en meedogenloos zijn samengevat.

Er volgen negenendertig gedichten, verdeeld over vijf hoofdstukken. Het eerste en langste hoofdstuk Zus bevat persoonlijke herinneringen, vervuld van broederlijke tederheid, naast zelfverwijt en onverholen misprijzen. Hoe vader uithaalde en moeder terugstreed, / hij altijd de arena verliet, zij de scherven opveeegde, / van het gebroken kind.

In Puzzelstukken beschrijft de dichter beeldend en trefzeker medepatiënten die hij tijdens de bezoekuren ontmoet: zijn tong stottert, trilt van en geluk dat ik niet begrijp, of: als een pletwals met defecte remmen dendert hij binnen

Wrakhout is gewijd aan moeder, die haar nadagen doorbrengt in een verzorgingshuis. ze slaapt met gekrompen fierheid, / de mond wijd open als een vogeltje in mei. / opgeschrikt, schudt ze klein het hoofd / in de jaarringen van de opgedroogde hals / ze laat de zon vroeg ondergaan en droomt haar verleden, vingers / vertellen hoe ze de eindjes aan elkaar knoopte. Poëzie van een liefdevol opmerkzame zoon.

Achter vrouwentongen gaat over het wisselen van de seizoenen, zoals beleefd door een man, die zelf zijn nadagen nadert. in september bloedt de zomer leeg / uitverkocht de papieren bloemen. / akkers bevrijd van laatste vruchten / keren zich om, zoeken hun winterslaap. Een onvergetelijk citaat: herfst is een grootmoeder / met trage appelhanden

Ik word slak staat in het teken van terugblik en bezinning. … / van het grote huis neem ik / de warmte, van de tuin het groen en vijf / hortensia's. ik laat een glimmend spoor na / met de wandelstokken uit alle continenten /voor als het elke dag zondag wordt

De dichter besluit met een Envoi:
ik heb het avondrood aanvaard. / met de schaar van mijn geheugen / knip ik stukken uit ons dagboek // ... // ik heb het grijs kostuum / op het gras gelegd, / geef mijn laatste voorraad aan de eekhoorn, / berg mijn stelten op


Twee uur per maand kom ik van je houden, Luc C. Martens, P, Leuven, 2022, ISBN 978-94-93138-86-5

(Will van Broekhoven)

In zeven sloten tegelijk


Lotsverstaan
is de zevende bundel van Eric Hermsen. Na 5 titels bij de onvolprezen uitgeverij De Beuk (1953-2008) heeft Eric Hermsen onderdak gevonden bij uitgeverij IJzer. De vijf ‘Beukbundels’ verschenen in een periode van tien jaar waarna een lange stilte volgde. In 2018 verscheen bij uitgeverij IJzer Onverborgen. En nu dus zijn jongste.

Ik vraag mij af of de pauze van bijna twintig jaar gevolgen heeft gehad voor zijn (opvattingen over) poëzie. Wat mij wel direct opvalt, is dat hij meer woorden gebruikt per gedicht.

De proef op de som: ik lees in Onverborgen het gedicht

Dichten

Zinnen maken
die mensen dichter
tot elkaar brengen

een soort liefde
die de ruimte tussen
hen dicht

en veel letterlijker
moet worden genomen
dan gebruikelijk

die verzoent
wat tegengesteld
en bijeenbrengt wat
gescheiden is

en zoek in zijn vroege werk naar een vergelijkbare titel. Ik vind die in de bundel Verten (1996), Dichten: Het leven openen / met woorden, geboren / uit liefde zo weerloos, dat / woorden haar bewaren moeten. En nog eerder, in zijn debuut Om de woorden heen (1991) Poëzie: Zinnen laten groeien in / Stilte die schrikt van een / ochtend vol aktentassen, zinnen / naar vertrekken leiden waar / het leven is, daar de nacht / zien kruipen in een glas.

Hermsen toont in deze gedichten een consistent beeld over wat hem al zo lang beweegt: dichten is zinnen maken, laten groeien en het leven als het ware vasthouden op papier.

In zijn jongste staat ook een gedicht met de titel Dichten: is beantwoorden aan een roep / het inwilligen van een eis // is vrij van leugens zijn / een met de dingen en hun geheim // is gehoor geven / aan wat niet verklinkt // is je schikken / het laten varen van ieder verzet

Ik zou de dichter Eric Hermsen tekort doen met een conclusie dat hij zich in zijn werk niet ontwikkeld heeft, want dat heeft hij zeker wel. Zijn beelden zijn sprekender geworden, zijn woorden zijn zorgvuldiger gewogen, zijn thema’s worden filosofischer onderbouwd, zijn vragen zijn concreter.

De titel Lotsverstaan is een neologisme, ik vermoed een samentrekking van lotsbestemming en (elkaar) verstaan. Dat laatste in de diverse betekenissen van het woord, dus zowel horen als begrijpen. De opdracht die uit de titel spreekt, is dat men zich moet inspannen om te luisteren naar de omgeving en die zich zo goed mogelijk eigen maken en beheersen.

In die zin verstaat Hermsen zijn vak en bewijst hij dat niet alleen in deze bundel, eigenlijk al vanaf zijn debuut. De dichter groeit met de mens mee in zijn leven en houdt hem op koers, zoals de mens in zijn handelingen en observaties ook de dichter navigeert.

Vijftig

Nu je alles wel zo’n beetje hebt gedacht
de diepten van het leven gepeild

wordt het tijd om in de jaren, maanden, dagen
of uren die je resten op de vlakte te blijven

te wonen bij de dingen zoals ze zijn
onveranderlijk, onomkeerbaar, onbegrijpelijk

je te verheugen in hun tragische schoonheid
en je in stilte te verbazen


Lotsverstaan, Eric Hermsen, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2022, ISBN 9789086842636

(Wim van Til)

Een punt op een blad


Hervé J. Casier publiceerde in de periode 1964-1976 een zestal dichtbundels. Pas in 1988 volgde een nieuwe reeks bundels. De vierde bundel die verschijnt bij Uitgeverij C. de Vries-Brouwers is Een punt op een blad, met als mysterieuze ondertitel Warvingegedichten 2015-2022, maar daar heeft de dichter een verklaring voor: Een warf is een hoogte in het landschap. Warven zijn ook in stilstaand water afgezette sliblaagjes. Het gaat het hier over een landschap met hoogten en laagten: de laagten zijn drassig, in de winter staan ze onder water en daarnaast zijn er de hogere stukken die droog zijn. Een warvinge is een gebied met afwisselend laagten en hoogten, zoals in de weiden het geval kan zijn. De weiden voor mijn deur in mijn straat zien er zo uit. Vandaar: de warvinge. Warvinge is tevens een streek bij Vlissegem (deelgemeente van De Haan), het dorpje waar de dichter woont.

Hervé J. Casier schrijft uitgedunde poëzie, korte en kleine gedichten, zonder titels, leestekens en hoofdletters. Zijn taal is eenvoudig en helder, ontdaan van enige vorm van opsmuk, opvallende beeldspraak en metaforen, zoals ook Jan Arends dat deed, maar daar houdt elke vergelijking op: bij Casier is geen getormenteerd en wrang levensgevoel te bespeuren.

Maar die eenvoud is soms bedrieglijk: in enkele gedichten ligt bijna onopvallend een rijm verscholen.

De dichter reflecteert over de realiteit, waarin hij de tijd en de beweging stilzet. Zoals je een afbeelding uit een video kunt halen, wat dan een still of een grab wordt genoemd, zo lijken de gedichten wel stills uit een film waarin nauwelijks iets gebeurt, maar waar net daardoor de kleinste observatie wordt uitvergroot - iets wat tegelijkertijd evenzeer herkenbaar als bevreemdend overkomt.

Waarover schrijft Casier? Alledaagse dingen als een wandelaar (wanneer hij zijn schaduwbeeld/ kon verstaan zou hij misschien/ bij zichzelf kunnen binnengaan), tuinstoelen, bomen, vlinders, een buizerd, een appelboom, een kat, een hond, een leeuwerik: zoals/ een leeuwerik/ die kwetterend/ omhoog/ vliegt/ steeds/ hoger klimt/ en daarna/ naar beneden/ dwarrelt/ op het gras/ dat er altijd al was

Maar evengoed komen de dood (de/ horizon/ het/ avond-/ rood// stille/wijzers/van/ de dood), de eenzaamheid en ouder worden delicaat aan bod: ik ben/ oud/ geworden// ik wankel/ als/ ik stap// met ijs/ in de/ ogen/ bekijk ik/ de wereld

Het woord zelf is onderwerp van enkele gedichten:

op de velden/ van/ de herinnering// liggen er nog/ wat/ woorden over// ze kijken mij/ almaar/ wezenloos aan// al de andere/ zijn/ ervandoor gegaan

altijd getracht/ zo weinig / mogelijk/ te schrijven/ om straks/ in het / nulpunt/ van de/ woorden/ te verdwijnen

En de dichter? (…) hij denkt en wacht/ tot zonsondergang/ daarna schrijft hij/ niets meer

Een punt op een blad bewijst hoe weinig er nodig is om knappe poëzie te schrijven - als men daar het meesterschap voor heeft. En dat heeft Hervé J. Casier.


Een punt op een blad, Hervé J. Casier, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen, 2022, ISBN 978 90 6174 303 3

(Roger Nupie)

Volstrekt eigenzinnig


Een volstrekt eigenzinnig en oorspronkelijk man. Dat was Herman Dirk van Dodeweerd (1929-2018), beter bekend onder zijn artiestennaam Armando. Hij profileerde zich op diverse terreinen. Wellicht herinnert u zich hem nog uit de VPRO-televisiereeks Herenleed die hij vervaardigde samen met Cherry Duyns en Johnny van Doorn. Je zou hem daarom als acteur kunnen omschrijven. Maar hij was zoveel meer. Zo manifesteerde hij zich als schilder. Hij vervaardigde een indrukwekkend robuust oeuvre, dat hij tot op hoge leeftijd bleef uitbreiden. Hij was ook violist. En dichter, van beklijvende bundels als Dagboek van een dader. Ook zijn essays blijven de moeite waard. Met zijn objectieve journalistiek-zakelijke maar literair o zo prikkelende beschouwingen schreef hij mee de geschiedenis van de late twintigste eeuw.

Het is dan ook een uitstekende gedachte geweest van Uitgeverij Schokland om de drie bundels oorspronkelijk voor NRC/Handelsblad geschreven ‘Gedachten en notities’ Uit Berlijn (voor het eerst in boekvorm verschenen in 1982), Machthebbers (1983) en Krijgsgewoel (1986) opnieuw uit te brengen. De drie titels zijn nu verkrijgbaar in één kloeke band, mét (Hoe onbelangrijk zo’n detail ook mag zijn, ik vind dat immer een plezierige bijkomstigheid) leeslintje. Armando woonde en werkte lang in Berlijn, reeds lang voor het vallen van de Muur. De stad en haar recente geschiedenis zijn hoofdrolspelers.

Armando hanteert een heldere stijl, en zijn pregnante zegging komt voor een deel op het conto van anderen vermits hij er al in de jaren zestig een stijlfiguur van maakte gesprekken die hij opving sec te noteren en mee te nemen in zijn teksten.

Zijn onderkoelde observaties komen soms droogkomisch over. Neem alleen de eerste alinea van Plekken, pal in het begin van de omnibus, al: ‘Als ik m’n huis verlaat en ik sla linksaf, dan kom ik eerst langs een kleine boekwinkel. Als men daar naar een boek vraagt raken de vier of vijf (daar ben ik nog steeds niet achter) bejaarde dames geheel buiten zinnen. Ze lopen elkaar roepend en vragend voor de voeten, woelen in kasten en laden, zoeken zich, alle vier of vijf, een ongeluk. Nee, niet gevonden. Wat nu. Zoudt u het betreffende boek voor me kunnen bestellen. Opnieuw. Oja, o waar is het opschrijfboek, waar is het boek nu toch, weet jij waar het boek is, ik heb geen pen. Hoe moet dat aflopen.’

Armando vraagt zich in deze stukken heel dikwijls af wat de mensen met wie hij te maken krijgt of die onderdeel uitmaken van zijn decor (in restaurants, op de tram, in de winkel) in de – in het begin van de tachtiger jaren nog redelijk nabije – Tweede Wereldoorlog hadden gedaan. Waren zij ‘schuldige vijanden’ of ‘toevallige tijdgenoten’ geweest? Vrijwel iedere plek in Berlijn is in Armando’s ogen beladen, heeft geschiedenis.

Al is Berlijn ondertussen opnieuw de hoofdstad van een weer verenigd Duitsland, dankzij Armando’s scherpe bespiegelingen blijft het recente verleden ervan op een fascinerende wijze klaar in beeld.

Uit Berlijn | Machthebbers | Krijgsgewoel, Armando, Uitgeverij Schokland, De Bilt, 2022, ISBN 978 90 824546 9 7

(Bert Bevers)

Helemaal los op R. de vos


Wie het verhaal van Reynaert de vos kent, heeft zich wellicht ooit afgevraagd wat de diverse dieren die ten tonele worden gevoerd, nu echt bewogen heeft zich tegen de vos te keren. Natuurlijk, zijn daden zijn tot in het gruwelijke toe en hij wordt terecht veroordeeld tot de strop, maar wat speelde er nu allemaal? Het oorspronkelijke verhaal laat dat in het midden. Alle karakters blijven als het ware beperkt tot hun grief en dus tot het slachtoffer dat zij geworden zijn: flat characters.

Yvan De Maesschalck heeft het daar niet bij gelaten. In zijn jongste bundel, Vossenkwaad, verplaatst hij zich in het brein, de afwegingen en de emoties van 25 personages en bereidt ons op die manier een vers maaltje lief en leed. Hij speelt de dieren tegen hun eigenbeeld uit en geeft daarmee een extra dimensie aan het verhaal van ‘Willem die Madocke maecte’. Zo laat hij Hersinde de wolvin verzuchten:

“[…] hij lacht onstilbaar, blafferig,
draait me naar zich toe; onze monden
Klikken in elkaar, er gaat geen tijd
verloren, hij is onwrikbaar en heeft
zijn hete liefde voor me klaar, ik lok
hem naar de verste kamer en geef me
hitsig aan hem over.”

Dat laat een ietwat ander licht schijnen op de aanklacht van Isegrim dat de vos zijn vrouw bruut verkrachtte. De koningin krijgt van Yvan het imago van een ijdeltuit dat wonderwel past bij de beleving van koning Nobel zelf:

“[…] mijn gade zet een
kroon op haar geblankette hoofd en wrijft
de plooien glad van al het af, brokaat en
damast dat om haar lenden zweeft.”

Yvan De Maesschalck is heer en meester van het tafereel en bevestigt dat keer op keer met rake typeringen en tot de verbeelding sprekende overwegingen. Het hele toneel van platte karakters lijkt zo op te leven tot een dynamisch toneelstuk van individuen die om elkaar heen dansen, elkaar niet raken maar de suggestie overeind houden van een menselijk bestaan. Hij heeft zich nauwgezet ingeleefd in de verschillende rollen en onderlinge verhoudingen en daarmee alle personages voorzien van een diepgang die in het oorspronkelijke verhaal ontbreekt.

De Maesschalck is voorzitter van het Reynaertgenootschap en ook schrijver van een boek over Reynaertpersonages en hun fictionele aanverwanten, dat in 2016 verscheen. Daarmee moet hij ongetwijfeld de inspiratie hebben gevoed die nu tot verdieping van het verhaal heeft geleid. In het envoi trommelt Yvan De Maesschalck ook nog Madoc (of Willem?) op met een bijzondere overweging:

“bijna zou ik zeggen: ik ben eeuwen en eeuwen
te vroeg geboren. mijn naam is in de nevel
van de tijd verzwolgen, al lijk ik als een dwaal-
licht weleens op te duiken. wie me nooit gespot
heeft, kent me allang niet meer: een etherisch
wicht waarvan de vacht zo wit is en zo teer
dat ze doorschijnend lijkt.”

Dan lijkt het alsof Madoc het vertellende personage is dat door de dichter tot leven is gebracht, maar het is toch echt Yvan De Maesschalck die alle honneurs verdient.


Vossenkwaad, Yvan De Maesschalck, Reynaertgenootschap, Sint-Niklaas, 2023, ISBN 9789464520767

(Wim van Til)


Schipperen


Met Schipperen heeft Anne Meerbergen een bijzonder poëtisch werkstuk afgeleverd. Het is na Aanmoederen en Zeezuchten haar derde bundel. Hij is ingedeeld in de cycli Aanmonsteren, Bindweefsel en Handleidingen. Meerbergen is duidelijk gefascineerd door de zee. In haar jonge jaren voer ze een aantal jaren mee op een olietanker en dat is duidelijk voelbaar in de cyclus Aanmonsteren. Die fascinatie voor de zee is de inspirerende kracht, die de bundel voortstuwt: het echte leven speelde in dieper / blauw, dat wist je al van toen // je was vier en verdronk bijna / spartelde tussen de verte…/...baadde in de zee, de zee in jou // je haalde adem,…nog wil je ergens anders zijn.

Schipperen heeft weliswaar een beetje de negatieve connotatie van geen kant kiezen, niet erg beginselvast zijn, maar in zeemanstermen staat het ook voor laveren, het tegen de wind in zeilen. Dat is precies wat de dichter in deze bundel doet. Ze laveert door haar leven: het waren maanden van water klieven / je vergaarde afstand // traag op blauw / werd iemand van de overkant.
Ze neemt de lezer mee en monstert hem/haar aan op haar schip varend over zee en oceaan, van de Middellandse Zee rond de kaap De Goede Hoop naar de Pacific en terug, om aan te spoelen in de tweede cyclus Bindweefsel en bij haar gedachten aan haar vader: die dag viel mijn vader / in de eerste sneeuw // misschien op zijn knieën…/…ik herinner me de kou / hoop dat het asfalt // zacht was.

Het zijn erg aangrijpende nostalgische vadergedichten. Tenslotte in de derde cyclus meert de dichter aan in de veilige haven van de liefde: je slaapt, onder mijn vingers / vertrouwde huid, wij // tegenliggers van flanel / zoeken elkaars kanten om dan te eindigen: proef de klank van een woord als lieveling / het klinkt als rinkelend glas. De dichter heeft haar bestemming bereikt. Ze moet niet langer schipperen.

Het is duidelijk dat deze gedichten een autobiografische ondertoon hebben maar ze transcenderen dat persoonlijke tot een universele zoektocht naar menselijk geluk en aanvaarding: ‘handleidingen’ als het ware.

In een lezing over poëzie definieerde ik ooit poëzie als de minimal art in de literatuur; stelde ik dat wat er niet staat even belangrijk is dan wat er geschreven staat. Deze bundel is daarvan een treffende illustratie: korte gedichten met telkens tweeregelige strofen, uitgepuurd en ontbeend van alle franje maar altijd fijngevoelig en met een groot empathisch vermogen neergeschreven. Meerbergen hanteert zo een haast onvatbare taal, die toch moeiteloos, precies en treffend herinneringen opnieuw actueel maakt. Ze slaagt er zo in om de verleden tijd, waarin de gedichten zijn geschreven, toch tegenwoordig te maken: het nu en het vroeger te laten versmelten in een tijdloos ogenblik. Haar stijl kan daarbij gekarakteriseerd worden als impressionistisch, de beleving van het ogenblik als uitgangspunt, maar dan ontdaan van alle adjectieven en andere literaire kunstgrepen.

Deze derde bundel van Anne Meerbergen overtreft haar twee vorige. Het is een kleinood dat je kan koesteren en telkens weer lezen en herlezen om te ‘schipperen’ tussen je eigen gevoelens.


Schipperen, Anne Meerbergen, Uitgeverij P, Leuven, 2023, ISBN 978-94-64757-08-8

(Richard Foqué)

Aardelingen


Wanhoop uitspelen tegen schoonheid / is een eenzaam beroep. / Dichters doen het. / Kamermuzikanten ook. / En jagers op stille rouw en eerste sneeuw. // De echo daarvan is een foto. / Een die zich kromt in de wereld van Tarkovski. [….]
Het waren de eerste regels, van het gedicht Geen dans, die ik bij het willekeurig openslaan van Aardelingen las, en ik was onmiddellijk mee met Geert Jan Beeckman.

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik niet eerder iets las van Geert Jan Beeckman. Hij debuteerde in 2007 met Diep in het seizoen, waarna Hersenneerslag (2011), Bloedgroepen (2015) en Woestijnzucht (2021) volgden. Op mijn werktafel ligt nu dus Aardelingen, een stevig boek in oblongformaat. Het is de weerslag van een creatief samenwerkingsproject waarbij fotograaf Eddy Verloes, musicus Jef Neve en dichter Geert Jan Beeckman zich door elkaars werk lieten inspireren. De foto’s van Verloes zijn zwartwit of dat nagenoeg, en erg – om een hier toepasselijk adjectief te gebruiken – poëtisch. Ik kan me goed voorstellen dat Beeckman zich hierdoor aan de gang liet zetten. Mooi bij het geheel past zeker ook de op een cd bijgevoegde muziek van pianist Jef Neve, wiens werk hier me af en toe aan de kamermuziek van Francis Poulenc doet denken. Ik ga me in dit kader echter beperken tot de bijdrage van Beeckman.

Waarbij ik met graagte een treffend citaat aanhaal, omdat het de nagel op de kop slaat: ‘Je leest best met de cadans van een huifkar op weg naar een zonnige bestemming. De scherpe metaforen en verrassende wendingen verhogen het intellectueel genot tijdens de verwerking van Beeckmans werk. Abstracte begrippen kneedt hij tot gave poëzie. Een schijnbaar makkelijke oefening, maar de realiteit is anders.’ Dat noteerde Frank Decerf beatae memoriae eerder in De Boekhouding over Beeckmans bundel Bloedgroepen. Hij had gelijk. Neem (uit Het heeft mij) de regels Je moet al van nergens komen om / van ergens anders te zijn. Schijnbaar makkelijk inderdaad, maar ga er maar mee aan de slag, hè. Of (uit De binnenkant van het slapen) Zij die in hun slaap spreken melden zich / bij een andere tijd

Met dergelijke ogenschijnlijk eenvoudige ‘constateringen’ weet Beeckman te appelleren aan de leesbeleving van de geoefende poëzielezer maar beslist ook aan die van iemand die een boek als dit eerder per ongeluk openslaat. Beeckman, op ’s mans metriek en prosodie is niets aan te merken, strooit een bundel lang met simpelweg fascinerende regels. Ik pluk er zo maar weer een, uit Voor de tijd die er is: Zeker ik hield van kale kunst. / Maar een steen is thuisloze taal. Natúúrlijk is een steen thuisloze taal denk ik dan, dat ik dat nog niet eerder zo besefte. Goed gedaan Geert Jan. En Eddy. En Jef. Mooi boek. Graag bekeken, beluisterd en gelezen.

Voor ik het vergeet: Armée de Verre tekende voor de werkelijk wonderschone vormgeving waarin de componenten van dit bijzondere samenwerkingsproject elk helemaal tot hun recht komen


Aardelingen, Eddy Verloes (fotografie), Geert Jan Beeckman (poëzie) en Jef Neve (muziek), Uitgeverij Snoeck, Gent, 2022, ISBN 9789461617668

(Bert Bevers)

Regendruppels en hagelbollen


Sarah Peters is theatermaker en schrijver. Ze werkte enkele jaren als cliniclown. Tegenwoordig leidt ze de Theaterbatterij in Gent. Onlangs bracht ze een bundel korte verhalen en gedichten uit, bij Fluxenberg in Gent, in coproductie met haar zoon Janosh Rummens, die de illustraties verzorgt.

De teksten zijn persoonlijk. Ze gaan over liefde en vriendschap, verlies, rouw en loslaten. Haar adoptie-achtergrond speelt een belangrijke rol. Het zijn strofenloze en rijmloze mijmeringen, dromen en fantasieën met een hoog surrealistisch gehalte.

Mijn hoofd staat los op mijn schouders, kantelt zachtjes heen en weer/ en ontkoppelt zich uiteindelijk van mijn romp, /rolt langzaam langs mijn arm naar beneden en valt op de grond. / Maar dat is niet erg. / Ik heb mijn hoofd niet meer nodig want mijn hoofd is leeg, / ik laat het achter in de supermarkt, iemand anders zal mijn hoofd wel kopen. Iemand anders die ook niets wenst te weten. / Daar dient een leeg hoofd voor, uiteindelijk.

De ruwe, ‘primitieve’ potloodschetsen van de twaalfjarige Janosh sluiten perfect aan bij de absurdistische en toch steeds heldere, zelfs alledaagse taal van de gedichten. 

Ik heb mij afgevraagd of de dood ook in potlood getekend kan worden, / zodat er alsnog gegomd kan worden. / Zoiets als voorlopig dood. / Een in potlood getekende dood lijkt mij geen overbodige luxe.

En

Mijn moeder is niet weggegaan, ze is gewoon vertrokken, / ze is vertrokken naar ergens anders en ergens anders dat is elders. / Elders dat is aan de andere kant van de kosmos.

De dichter is, ondanks de verdrietige zaken waarover ze spreekt, nergens larmoyant of pathetisch. Integendeel. Vaak genoeg doet ze de lezer glimlachen.

Geachte heer, ik heb besloten om het grote circus te verlaten. / Ik heb de clown die opgesloten zat in mijn binnenste / losgelaten in deze grote waanzinnige wereld. / Ik hoop dat hij het redt zonder mij.

De bundel sluit af met de trilogie Regendruppels en hagelbollen, waarin Sarah vanuit de armen van haar moeder, op de top van een heuvel, belandt in de armen van haar vader, in de gedaante van Pinokkio, aan de voet van de helling.


Deel 2

Ik keek naar moeder en / haar gezicht was wazig, mijn verbazing was groot want haar / hoofd was een gigantische hagelbol geworden, en in die glazige / bol zag ik de weerspiegeling van mijn gezicht, alsof mijn /moeder mijn hoofd op haar schouders droeg.

Deel 3

En daar stonden wij dan (…) mijn vader en ik. Ik keek naar boven, mijn moeder stond nog / steeds op de berg, maar ze was al voor de helft / weggesmolten, en ze bleef langzaam wegsmelten, / dat zij op een gegeven ogenblik helemaal verdwenen was.

Het knappe van de bundel is dat je je als lezer meteen gewonnen geeft en makkelijk meevloeit met de onwerkelijke associaties en wendingen van de teksten, zonder die ook maar een moment als vervreemdend te ervaren.


Regendruppels en hagelbollen, Sarah Peters, Uitgeverij Fluxenberg, Gent, 2022, ISBN 9789464519143

(Will van Broekhoven)

Nieuw boek van Ludo Noens


Ludo Noens schreef verhalen, novellen en romans in het genre van de literaire fantastiek. Zijn later essayistisch werk (onder meer Het Jeanne d’Arc syndroom, Subliem Licht op de Lijkwade van Turijn, Paranormale Heiligen en Het Verborgen Volk) omschrijft hij zelf als fantastisch realisme, term in 1960 ingevoerd in Le Matin des Magiciens van Louis Pauwels en Jacques Bergier. In Signalen uit een Verzwegen Wereld - Het Mysterie en de ontstolen Dimensie keert Noens zich openlijk tegen het huidig sceptisch-rationalistisch, verre van verblijdend wereldbeeld, dat geen plaats meer laat voor de creatieve, poëtische ‘Gelover’ en voor wat hij zielsverheffende ‘dionysische waanzin’ noemt.

Niet toevallig citeert hij de roman Malpertuis van Jean Ray, waarin de Oud-Griekse goden beginnen uit te sterven omdat de mensen niet langer in hun bestaan geloven. Noens vraagt zich in Signalen uit een Verzwegen Wereld af waarom reëel ervaren, niet-rationele, paranormale en mystieke fenomenen zo hardnekkig gemarginaliseerd blijven. Zoals in al zijn vorige boeken heeft hij zich grondig gedocumenteerd, de referentielijst liegt er niet om. Maar het geheel is nu veel persoonlijker dan in zijn vroeger werk.

Noens vertelt bijvoorbeeld indringend en onbeschroomd waarom het lezen van een zogenaamd pseudowetenschappelijk boek als Waren de Goden Kosmonauten hem als adolescent zo in vervoering bracht. Ernstig neemt hij zijn onderwerp hoe dan ook, getuige onder meer zijn bespreking van de Mundus Imaginalis van de Franse filosoof en islamoloog Henry Corbin, zijnde een feitelijk, reëel bestaand spiritueel zijnsniveau, bereikbaar via creatieve verbeelding en visionaire bewustzijnstoestanden.

Andere fameuze publicaties in zijn pleidooi: De Geheime Leer van de stichtster van de Theosofische Vereniging H.P. Blavatsky, The Varieties of Religious Experiences van de Amerikaanse filosoof William James (vader van de Amerikaanse tak van de Society for Psychical Research), Das Heilige van de Duitse godsdienstwetenschapper Rudolf Otto, en één van Noens’ lievelingsboeken: The Trickster and the Paranormal van de Amerikaanse parapsycholoog George Hansen.

Zoals Ludo Noens het vertelde in een recent interview aan Paravisie, verweert hij zich tegen het exclusief hedendaags rationeel wereldmodel. Hij pleit voor het Primordiaal Ervarend Bewustzijn, door menig academicus recentelijk herontdekt paradigma. Voor een plastische realiteit pleit hij, waarin mogelijk zelfs elfen, natuurgeesten en engelen bestáán. Hij bespreekt de werkelijkheidswaarde van ‘verschijningen’ opgewekt in spiritistische seances. Zoals het ‘Philip’-experiment waarbij (door de Society for Psychical Research geverifieerde) zintuiglijk waarneembare paranormaliteiten, zoals zwevende tafels, lichtflitsen en morse-achtige klopgeluiden, werden uitgelokt. En de (soms gevaarlijke) kracht van Imaginatie en reële Magie die, zoals beschreven in het onthullend hoofdstuk over Loch Ness – Aleister Crowley - Led Zeppelin, wel degelijk uit een fijnstoffelijk zijnsplan stoffelijke materialisaties kan opwekken.

Dat is overigens ook wat Tibetaanse monniken en hedendaagse westerse tulpamancers doen, zo vernemen we hier. Dergelijke experimenten met verbeelding en gedachtevormen zouden de onbestendige aard van alle individuele wezens en materiële dingen openbaren, met als enige duurzame en eeuwige basis het Primordiaal Bewustzijn…


Signalen uit een verzwegen Wereld - Het Mysterie en de ontstolen dimensie, Ludo Noens, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2023, ISBN 9789464629453

(Huguette Sirkens)

Van de luchtogel


De Nederlandse dichter Ton van ’t Hof (1959) richtte na een loopbaan als militair bij de Koninklijke Luchtmacht samen met Chretien Breukers de poëzieweblog De Contrabas op. Hij verwierf bekendheid als flarfdichter. Flarf is een poëziegenre dat overwaaide uit de Verenigde Staten, het is het verwerken van internet-zoekresultaten in of tot een gedicht. Al snel evolueerde hij naar procedurele poëzie. Deze gedichten komen via een van tevoren bedachte methode tot stand.

Als voorbeeld van procedurele poëzie is er het gedicht Kamer, uit de bundel Aan een ster / she argued, een opsomming van alle tekst die van ’t Hof in zijn privévertrek in Afghanistan, aantrof. Hij publiceerde poëzie bij Stanza, De Contrabas en ook non fictie bij Gaia Chapbooks.

In zijn, inmiddels dertiende, dichtbundel Van de luchtogel stelt de dichter in een reeks experimentele gedichten en zeer zeker niet zonder humor het failliet van de wereld centraal. De bundel is deel 25 van de Gaia Chapbookreeks.

De bundel opent met het citaat Ik ben niet dezelfde gebleven. Een regel die zowel een vaststelling kan zijn maar ook een uitnodiging aan de lezer om vast te stellen waarin en hoe de dichter veranderd zou kunnen zijn. Daarna volgt een gedicht:

Als je geen lezers hebt
roep je er eentje in het leven

met nat haar en een regenjas aan
in een verder lege winkel

gebogen over een stapeltje ramsj
waarop jouw bundel

zachtjes wordt teruggelegd


Na deze stichtende woorden komen er een aantal bladzijden met wat poëzie zou moeten zijn. Hierbij provoceert hij vaak de lezer. Soms zou je willen antwoorden dat het klopt, over andere beweringen zou je in discussie willen gaan. Het schuurt en het schaaft maar ook: het stroomt en het streelt. Verder in de bundel komen we ook nog een opsomming tegen die telkens begint met: Ik vind…. Gevolgd door wat hij van de een of andere bevolkingsgroep al dan niet vindt. Ook hier lokt hij de lezer uit zijn of haar tent. Je kunt er niet omheen, je moet er iets van vinden.

Uit de titel-luchtogel zou de v van vogel weggelaten kunnen zijn. Maar wat te denken van de associatie lichtkogel? De dichter nodigt je voortdurend uit in zijn experimenten. Uitspraken over mens en volk, eerlijke, humorvolle, vreemde en bizarre meningen worden uit hun context gehaald. De dichter verwerkt ze in ready-mades die als een weerbarstige draad doorheen de bundel lopen. De bundel is een bijzonder experiment waarvoor je tijd moet nemen en terugnemen. En toen kwam ik dit gedicht tegen:

Ze zeggen dat luchtogels geen vlieg kwaad doen,
maar er zijn schranspartijen waargenomen,
waarbij ze zich te barsten vraten aan zwermende dazen.

We waagden ons leven en stoempten naar het oog
in kwestie, ergens in een bos, maar verdwaalden
als een slecht gemikte kogel.

Op de jachttoren waar we tegenaan fietsten,
zat een gevangene die niet schieten wilde,
ook niet terug naar beneden.


Van de luchtogel, Ton van ’t Hof, Gaia Chapbooks, Leeuwarden, 2023, ISBN 978-1-4477-8971-0

(Frans August Brocatus)

Scheldemond en klauwzeer


Achter de titel van deze gedichtenbundel van Will van Broekhoven, zijn debuutbundel, kan je plekken en gevoelens lezen, en er nieuwsgierig naar worden. Gelukkig, je vindt ze ook.

Een gedicht is een handtekening. Nooit hetzelfde, maar altijd herkenbaar. Er is bij stilgestaan, uitgeprobeerd en goed bevonden. Een dichter als Van Broekhoven wil er eerst zichzelf in vinden en uitdrukken en het dan anderen laten lezen, en zich verwonderen.

Will oefent zijn handtekening op kattenbelletjes die hij met zich meedraagt en waar hij nadien op terugkijkt om een verhaal te vertellen dat pakt. Alsof hij een vogel is die over de werkelijkheid vliegt om materiaal voor een nest te verzamelen of om soms ook een directe prooi te vangen.

Zo is deze bundel verzameld, met een scherp oog en met zorg voor betekenisvolle expressie. Met gedichten die elk op zich staan maar in de bundel onderling natuurlijk schuilen onder hun thema. Er zit veel door de tijd geladen inspiratie in de gedichten: Zeeuws-Vlaamse kindertijd, de jeugdcultuur die is blijven hangen in Elvis en de brede reflectie erop die uitmondt in het gedicht De Tijd.

Van Broekhoven is een intuïtieve dichter die beelden en signalen registreert en laat gisten. Zo dat zijn gedichten verschillende kanten kunnen uitgaan. Soms lyrischer, soms strakker en cryptischer. De taal blijft (schijnbaar) toegankelijk maar haar diepte kan flink verschillen. Hij vraagt van zijn lezers dat ze een dialoog aangaan met zijn gedichten. Scheldemond en klauwzeer kan je lezen als een levenslijn waarover wordt bericht – soms expliciet, soms bijzonder onrechtstreeks – over de plekken die de dichter hebben beroerd of waar hij is langs geschuurd.

Mooi is ook hoe zo ervaringen werken als direct instrument.

De winter is de hogeschool van het onbehagen
waar wij als wrokkige studenten
leraren bij voorbaat vijandig gezind zijn
hogeschool van het onbehagen
waar we lage scores oogsten
en niet op volgende seizoenen
voorbereid zijn


(uit: Wintergedrag)

Je herkent een scherp waarnemer die met zorg interpreteert en de intrigerende tweeslachtigheid ziet van mensen (iets verfoeien en tegelijk opzoeken) en dingen. Met dat soort verdraaiingen en tegenstellingen speelt hij ook graag. Zo laat hij in Odysseus weer veilig thuis een andere kant van Odysseus zien: …komt thuis, verhaal is afgelopen… gaat zich doodvervelen… In zijn gedicht Orpheus verdwijnt Euridice niet, ze blijft hem achtervolgen met haar klachten tot hij grauw wordt van ellende.

Will van Broekhoven is, dat lees je duidelijk aan deze bundel af, uit op mooie evenwichten tussen vorm en inhoud. Daardoor varieert de taal ook van pure beschrijving en precieze, soms heel speelse tekening, naar meer meditatieve insteken die tijd vragen om gehoord te worden. Er zit heel veel samen in deze breed uitgetekende bundel die er daardoor een is om af en toe naar terug te grijpen. Je wordt uitgedaagd om nieuwe dingen te horen. Er je eigen weg in te zoeken, want er zijn veel aanknopingspunten

Scheldemond en klauwzeer, Will van Broekhoven, Uitgeverij Leeuwenhof, Oostburg, 2023, ISBN 978-94-93155-15-2

(Wim Verzelen)

Het zintuiglijk verleiden van Brocatus


Er zullen maar weinig poëzielezers zijn die zich, gewenst of ongewenst, niet ‘bestreeld’ voelen wanneer ze in Littekens van het geheugen afdalen.

Zo geraffineerd maar daarom niet minder indringend roept Frans August Brocatus (º 1957, Gooreind-Wuustwezel) de tastzin op. Zij voelt / zijn verre hartslag onder haar ringvinger. Een verrassend citaat, vooral gezien de voorkeur voor ‘ringvinger’ in plaats van de eerder te verwachten ‘wijsvinger’. Nog treffender, en wat mij betreft een hoogtepunt, is: een duim aarzelend / op de sluiting tussen haar schouderbladen en dan over / het bidsnoer van haar rug.

Ook met de andere zintuigen laat hij zich niet onbetuigd. Dat begint al in de titel, waarbij ‘litteken’ naar zowel het zien als het voelen verwijst en, onderliggend, naar pijn en een in het geheugen hakend verleden.

Alle teksten, veertig stuks (in christendom, judaïsme en islam een nummer dat onder andere een abstracte hoeveelheid en oneindigheid symboliseert), tellen strofen van 3-1-3 regels, wat formeel een coherent geheel oplevert. De cijfers 3 en 7 zijn priemgetallen en dat zal bij deze immer consciëntieus componerende dichter geen toeval zijn.

Om de relatie tussen vorm en inhoud te versterken wordt de titel herhaald in een tekstblok op de pagina naast élk gedicht, maar liefst 63 keer, plus telkens als laatste paginawoord ‘littekens’ gevolgd door drie puntjes. Het gaat dus om 40 x 63 = 2520 herhalingen! Als dít geen cicatrix van formaat is!

De 40 titelblokken zijn visueel weliswaar de grootste ingreep maar er staan in de verzen zelf behalve kleurennamen tal van beklijvende kijkoproepen, onder andere wij stappen uit een spiegel en duwen / schaduwen opzij en het mijns inziens mooiste: hij smelt het wit uit haar mateloos verdriet.

Het horen of luisteren doet daar niet voor onder met nachten vol sissende snijbranders en, op het randje, haar gedachten hebben wielen met zachte banden. Voeg daar nog een soepel lopend ritme en de nodige klankovereenkomst aan toe…

Minder nadrukkelijk wordt het proeven uitgewerkt; de meeste omschrijvingen doen er alleen aan denken, zoals in honden duwen met kwijlende muilen tegen broekspijpen en zijn tong likt van zilveren lepels.

Het ruiken komt er tenslotte ronduit bekaaid van af met alleen: geuren van junkfood en te lang dezelfde kleren. Dit wordt echter deels gecompenseerd door gecombinéérde sensitieve gewaarwordingen.

Voor sommige lezers een intrigerende aanvulling op het toch al rijke betekenisveld, voor andere een storing vormt de tekst De zwarte vlag, die louter een opsomming biedt: Liberator – Fokker – Bloch – Blackburn Skua / De Haviland Mosquito – Flying Fortress … enzovoort. Hoe dan ook is dit een Fremdkörper.

Duidelijker jammer is overdaad hier en daar, vooral in Hij binnenpalmt haar paardenneuzenheupen. Hiermee nauw verbonden is het gevaar van mooischrijverij, waarvan maliënkolders van wolkendraden zich als voorbeeld opwerpt. De positieve aspecten overtreffen echter, verre, de negatieve.

Deze in meerdere opzichten bijzondere bundel aanbevelen? Ik spoor de lezer aan dat zélf te doen, als die tenminste een soortgelijke streelervaring ondergaat als ondergetekende.


Littekens van het geheugen, Frans August Brocatus, Uitgeverij Ambilicious, Kalmthout/Breda, 2023, ISBN 978 949275713

(Albert Hagenaars)

Schatplicht


Als scholier grasduinde criticus en dichter Albert Hagenaars (º1955, Bergen op Zoom) regelmatig nieuwsgierig in delen van de reeks Schrijversprentenboek van het Literatuurmuseum in Den Haag. Zo’n rijkelijk van illustraties en foto’s voorziene uitgave met thematische teksten en bio- en bibliografische gegevens zou hij ooit ook wel willen. Het is 2023 en met Schatplicht heeft hij er een.

Het keurig verzorgde boek biedt de belangstellende lezer een uitgebreide blik op wat Hagenaars van 1977 tot 2022 op creatief vlak zoal uit heeft gespookt. En dat is heel wat. Was hij aanvankelijk vooral actief als schilder en galeriehouder, vanaf 1977 ging zijn energie vooral naar de literatuur. Albert Hagenaars debuteerde (al verscheen zijn eerste gedicht in de catalogus bij een tentoonstelling waaraan hij in 1977 meewerkte) in 1979 met de bundel Stadskoorts. Sindsdien verscheen zijn poëzie ook in onder veel meer Spertijd (1982), Intriges (1986), Tropendrift (2003), Cathedra (2015) en Pelgrimsgrond (2022). Af en toe verscheen er ook proza van zijn hand, zoals Dood tij (1988) en Butijn, het boze oog (1992). Voorts stelde hij enkele bloemlezingen samen, en werkte hij samen met andere kunstenaars aan verschillende multidisciplinaire projecten.

Hagenaars is ook een verwoed globetrotter, en de ervaringen die hij op zijn reizen opdeed zijn logischerwijze door de jaren heen vaak in een of andere vorm (gedicht, dagboekfragment, proza) onderdeel van zijn oeuvre uit gaan maken. Een ander substantieel element daarvan zijn ’s mans dikwijls indringende jeugdherinneringen.

Een stevige naam verwierf Albert Hagenaars zich beslist als poëziecriticus. Voor de Nederlandse Bibliotheek Dienst schreef hij in de afgelopen decennia quasi ontelbare beschouwingen over recent verschenen bundels. Ook verschenen en verschijnen uitgebreidere essays in tijdschriften en op het wereldwijde web, en is hij actief als vertaler. Hij onderhoudt verschillende blogs.

In Schatplicht worden al die activiteiten in het decor van de tijd waarin ze zich ontplooiden geplaatst en toegelicht. Het boek bevat van alle genoemde disciplines representatieve voorbeelden (roman- en dagboekfragmenten), benevens oorspronkelijke en vertaalde gedichten.

Boeiend zijn beslist zijn persoonlijke Top 10 van boeken die zijn leven hebben beïnvloed (als eerste noemt hij Monki op Bali uit 1950, een berijmd verhaal met tekeningen van Bernard Reith: zijn eerste kennismaking met Indonesië, het land waarmee hij een intense band heeft gekregen) en verschillende interviews waarin hij uit de doeken doet welke auteurs en kunstenaars hem na aan het hart liggen. Charles Baudelaire is er daar zeker een van, maar ook Giovanni Descoeurs, Paul De Wispelaere en Jan Fabre zijn belangrijk voor hem geweest.

Verhelderend zijn tevens enkele interviews die integraal werden opgenomen zoals een vraaggesprek dat Meander hem afnam, en de gedachtewisseling die Richard Foqué voor De Auteur met hem had over het schrijven, recenseren, vertalen en promoten van poëzie.

Een keurig overzicht van Hagenaars’ publicaties, op muziek gezette gedichten, video’s en poëzie in de openbare ruimte vervolledigt het geheel.

Schatplicht staat garant voor heel wat kijk- en leesplezier, en legt voor iedereen die belangstelling heeft voor het werk van Albert Hagenaars duidelijke verbanden.


Schatplicht, Albert Hagenaars, Amazon, 2023, ISBN 979-83-75281-445

(Daam Noppe)

Alledag de taal


De nieuwste bundel van Tijs van Bragt, weier, trekt consequent de lijnen door die in zijn eersteling werden uitgestippeld en dat met een steeds grotere spankracht en vakkundigheid. Zijn taalfinesses, waarbij een uitgekiend vocabularium opvalt, lokken meerduidigheid uit. Bijvoorbeeld in de titel van de bundel. weier draagt verschillende betekenissen uit: een eigennaam, een vijver, een kabel (in de context van de visserij) of gewoon ‘wijder’ (weier ploegen luidt het in het eerste gedicht). Zoals in de vorige verzameling vinden we in deze compacte bundeling een nieuwe reeks ‘veldnotities’ terug waarin hij de staat van de velden en de loop van de dieren van het Zeeuwse landschap noteert. Hiermee ontstaat de neiging om hem als een Zeeuws natuurlyricus te beschouwen. Als lyricus gaat deze dichter bijwijlen voluit en klankrijk in de lyrische zang, in een hoogtij van taal zoals bijvoorbeeld in volgende strofe: uit dat torenhoog gehevene/waaien wieren, vleugelen vissen/vallen de wulken tot wees.

Zijn taal lijkt als met een navelstreng aan Zeeuws-Vlaanderen gebonden. Het gedicht mantra dat deels is geschreven in het Zeeuws dialect (dat begint met a koei srij bij ochtend en eindigt met alledag die taol, alledag de taal) bewijst dat. Toch lijkt me dit slechts één aspect van dit dichtwerk te zijn. Zijn poëzie reikt verder.

Zo lees ik er ook een existentiële problematiek in die zich als een innerlijk conflict voordoet: ten hemel! ten hemel!/klinkt het vanuit de koude, feitelijke grond. Het is het conflict tussen het ‘sublieme’ (de symbiose van het gedicht, het ik en de natuurlijke omgeving) en ‘de werkelijkheid’. De dichter wil zijn ego afleggen maar dat lukt hem niet vanwege een onbegonnen rusteloos zoeken naar het systeem dat sluimert in de wieren. Dat rusteloze formuleert zich als een gezang van doornen, of in titels als papierzang (waarin de leegloop in mijn spaties wordt vastgesteld) en het krachtige wildzang (waarin de dichter zich bewust wordt van het armoedige, de onmacht van de poëzie: mijn woorden zijn ontoereikend / ze klinken niet verder dan mijn tuin/halen de bezette steden niet.

De werkelijkheid die als een kanker binnenvalt is als een huis waarin de mensen inwisselbaar zijn. De dichter stelt vast: alles vervliegt, ik ben als veldspaat: kouwelijk wit vergeten en moe, het is een loodgrijze avond/en ik verdraag dit niet meer. Maar komt tot een inzicht: dat eeuwige water van je, die oermoeder/is een troebele poel die zich terugtrekt/als bij een versterven. Het confronteert hem met een diepe eenzaamheid die omschreven wordt als de mot die tegen het raam blijft vliegen. Hij stelt zich de vraag wat is een aards woord voor verlossing. Hij zoekt een ‘alternatief voor losbreken’, hij wil weerbaarheid aanleren. Het gedicht biedt hem die kans. Eén van de gedichten heeft als titel poëzie is een zwezerik. Een zwezerik of thymus, is een orgaan dat afweercellen aanmaakt. Je kunt er de grote vleeshouwer (een metafoor voor de dood) mee bezweren. Poëzie, je moet er op tijd bij zijn voor ze je ontglipt. Subtiel complexe gedichten vaak maar die toch in hun schijnbare eenvoud blijvend aantrekken en intrigeren. Van Bragt is de aandacht van de lezer meer dan waard.

weier, Tijs van Bragt, Stichting De kaneelfabriek, Udenhout, 2022, ISBN 978-90-832654-0-7

(Alain Delmotte)

poging een luchtig gedicht te schrijven


Enig speurwerk bij de uitgever leert dat de Nederlandse auteur Wouter Godijn reeds 7 romans en 9 dichtbundels heeft gepubliceerd en dat zijn werk meermaals werd gelauwerd. De verwachtingen zijn dan ook hooggespannen bij deze nieuwe bundel, die volgens de omslagtekst een zoektocht is door de dichter naar de mogelijkheid om in deze tijden van klimaatverandering, oorlog en corona nog een luchtig gedicht te schrijven.

De vraag stelt zich natuurlijk wat precies een luchtig gedicht zou kunnen zijn. De dichter zelf schijnt zich daar absoluut niet om te bekommeren en gaat maar meteen aan de slag met het toepasselijk openingsgedicht Zo beginnen. Meteen worden we geconfronteerd met een samenraapsel van woorden, onaffe zinnen, doorhalingen, nauwelijks leesbare handgeschreven inlassingen. Je denkt OK, dit is inderdaad wellicht hoe een dichter begint. Mooi dat Godijn ons in zijn schrijverslabo laat binnenkijken. Maar het gaat maar door, 96 bladzijden lang, gespreid over drie cycli: Dagmerries, Niemand weet en Poging om een luchtig gedicht te schrijven.

De lezing wordt snel vervelend dan vermoeiend, vervolgens totaal oninteressant. Is dit geschreven in een dronken bui, onder de invloed van één of andere paddo of is het gewoon ‘dichtwerk’ van iemand die gewild provocerend, chaotisch en de leukste van de hoop poogt te zijn? knal voor se kanus christus nog aan toe / hij-fadurtje Tijd-leg sich nou nog af te fraguh / waar se tanduh en kiesuh ook maar weer naar toe sijn gehuppeldehupst (pagina 64). Het is maar één lukraak gekozen fragment, dat hogergenoemde illustreert: onleesbare, blijkbaar door dialect geïnspireerde zinnen zonder context, inhoud of verband.

Soms wordt het echt platvloers op het randje van het vulgaire: de neukscène aan het begin van de bundel (bladzijden 15-16), de ‘poep en pis’-verzen: ...waarna ik op zoek ging naar mijn vest-dat blauwe-/dat ik in verband met beschijtingsgevaar had afgestroopt (pagina 50). of ik heb het gevoel alsof ik moet poepen (pagina 56). Welke lezer zit hierop te wachten? Voeg daar dan nog de geforceerde, vervelende en bijwijlen naïeve alliteraties bij, zoals bijvoorbeeld (pagina13) krergens in de krakrakamers van zijn kret / onderbreekt kreze krezigheden... de bladverspringingen, de plots wijzigende typografie, de lay-out, die van ver aan Van Ostaijen doet denken, het lukraak gebruik van al dan niet hoofdletters, de doorstreping van woorden. Het wordt bijna tragikomisch ware het niet dat dit door de dichter blijkbaar ernstig bedoeld is in zijn poging om een luchtig gedicht te schrijven.

Naar het einde toe valt als het ware het masker, wanneer de dichter gaat schrijven over zichzelf, Walter Godijn, in de derde persoon notabene. Het wordt warrig therapeutisch geschrijf, waarin hij zichzelf in het middelpunt plaatst: er werd over Wouter Godijn gedropen, hij droop mee / alsof druipen een besmettelijke ziekte was, alsof // zeer binnenkort druipen het enige zou zijn (pagina 80). Wat er werkelijk uitdruipt is dichtwerk van een gefrustreerde, opgefokte en pretentieuze man, een egotripper kortom. Of zoals Mario Molegraaf in zijn recensie in mdln (Maatschappij der Nederlandse Letterkunde) schreef ‘een dichter die zichzelf belangrijker acht dan het gedicht’.

Dit is een bundel zonder enig poëtisch gehalte, die geen sprankel luchtigheid bevat en leeg is aan betekenis. Zonde van het papier en de aan deze bundel gespendeerde projectsubsidie.


poging een luchtig gedicht te schrijven, Wouter Godijn, Atlas Contact, Amsterdam, 2022, ISBN 978 90 254 7376 9

(Richard Foqué)

Hoe je te laten kennen


Ze is in februari jongstleden veertig geworden en ze heeft al vijf (en een halve, samen met haar moeder Astrid) bundels achter haar naam. Ik ben geen statisticus, maar verwacht dat weinigen haar dit nadoen. Al haar bundels ademen de poëzie, zoals dat bij goede dichters het geval is. Dat geldt zeker ook voor deze bundel, Ten minste houdbaar tot.
De vorm die ze kiest werkt zeker mee aan het houdbaarheidsgehalte van haar gedichten: de meeste gedichten, nee alle gedichten zijn opgebouwd uit distichons en/of terzinen. Dat biedt voldoende ruimte voor allerhande associaties, voor de dichter en voor de lezer, zoals in het gedicht Kamer 119

Als een student op kamers
bestudeer je je demonen.

Je hoofd: een plakboek vol witte dagen.
Of ik herinneringen mee kan brengen?

Je draagt een gewei van rookwolken.
Ik moet het met turbulentie stellen.

Een voorbijrazende trein doet de glazen rinkelen.
Aan de toog bestel je een boek.

Ik tap woorden uit de kraan.
Raak je ook van mij ontwend?

(bladzijde 9)

Kamer 119 is een serie van dertien politiethrillers die tussen 1991 en 2000 verschenen, geschreven door Will Simons, die onder meer bekend was als presentator van de televisieserie Opsporing verzocht. De beelden in het gedicht zijn ongetwijfeld verwijzingen naar die thrillers, ze geven in ieder geval voldoende opgebouwde spanning weer.

Ten minste houdbaar tot is opgebouwd uit zes afdelingen die worden ‘ingeleid’ met haiku of eigenlijk senryu. Bij de afdeling Slaapwandelpaden is dat deze:

restless legs syndroom
nachtelijke marathon
van de koekoeksklok

De gedichten spelen zich ook af in nachtelijke sferen: bed, droom, laken, wekker. De taferelen zijn niet aanlokkelijk, er is sprake van ‘een strop in het sleeptouw dat morgen heet’, en ‘Elke nacht sterft daar een droom uit.’
Al zijn de beelden niet de vrolijkste, ze worden wel goed behandeld. Jana Arns kiest haar woorden zorgvuldig. Dan is het weliswaar spijtig dat ze zich bijwijlen laat verleiden tot te opzichtige woordgrapjes. Maar ja, die liggen bij deze associatieve werkwijze natuurlijk op de loer.

Deze afdeling wordt afgesloten met een serie van vijf fotografische zelfportretten: dichter aan het werk. Elk portret wordt gekenmerkt door al dan niet goed herkenbare, leesbare woorden die bijna allemaal verwijzen naar gedichten in de bundel.
Het geeft een andere kijk op de gedichten, deze visuele poëzie.
Zo verwijst het vijfde portret (we zien de dichters rug, haar jurk is voor de helft beschreven met tekst) naar het gedicht Blue notes, het tweede gedicht in de bundel, dat eindigt met de strofe

Ze zwaait nog eens bij vertrek.
Jij schuift aan het aftelraam.

(blzadzijde 8)

waarbij het beeld deze woorden nog eens subtiel benadrukt.

Het sterkst is de dichter als ze beschrijft hoe in relationele zin verhoudingen vergroeid zijn, zoals in de afdeling Lover’s block, in het titelgedicht

Ten minste houdbaar tot

Hoe vaak dringen we met slagwerk binnen
schuiven als drumstokken aan tafel
slaan het laatste vel aan flarden?

Ten minste houdbaar tot is een bundel die ons lang bijblijft. Mij wel.


Ten minste houdbaar tot, Jana Arns, Uitgeverij P, Leuven, 2022, ISBN 978-94-93138-95-7

(Wim van Til)

Wiggelied


Margriet Westervaarder is een beeldend kunstenaar, die in 1990 haar eerste dichtbundel lichaam van water in de zee publiceerde. Ze voegde zo bij het beeld ook het woord als uitdrukkingsvorm. Nu meer dan dertig jaar later verschijnt met wiggelied haar tweede bundel.

De wat duistere titel van haar bundel is zonder twijfel bedoeld door de dichteres als een verwijzing naar de inhoud. Wigge is het verouderde en in onbruik geraakte woord voor wig, het voorwerp dat gebruikt wordt om hout te splijten of iets vast te zetten. Dat pogen ook haar gedichten te doen. Ze willen de gedachten en gevoelens, die ze oproepen bij de lezer, splijten maar tezelfdertijd verankeren en zo een ontregelend gevoel achterlaten. Ze doet dat in een afgemeten taal met een staccato ritme.

Westervaarder gebruikt daarbij de klassieke bekende thema’s, zoals geboorte, afscheid, verlies, dood, man-vrouw relaties, erotiek, afstoting en conflict, als handvaten om door te dringen in het ‘wat daar achter’ ligt. In andere woorden de betekenis ervan splijten tot het binnenste zichtbaar kan worden: zacht gaat ze door het huis / zacht van verdriet : en langzaam kijken /.../doorzichtig porselein / en hoe het smaakte, zijn mond / maar niets dat niet breekt / niets is nog van zichzelf /.../alles ligt onder zwarte aarde (bladzijde 57).

De bundel bevat zeventig op zich staande gedichten zonder een zekere ordening of voortschrijdend patroon. Op zich is daar niets mis mee maar het gebrek daaraan wordt al lezend door de bundel langzaam duidelijk. Het wordt dolen door steeds maar hetzelfde met het gevaar vervelend te worden. Na een kwart van de bundel merk je hoe de dichteres steeds maar weer dezelfde formule blijft hanteren, gebruikmakend van de paradox en de tegenstelling, personificatie van voorwerpen, die je een actie laat ondernemen, herhalingen met context verschuivingen, neologismen, Bijbelse verwijzingen ook zoals: wierook en mirre / slacht het beste stuk vee (bladzijde 28) en geforceerd aandoende beelden zoals: je legt wilde salie / tussen mijn borsten (pagina 16).

Oordeelkundig gebruikt zijn het stuk voor stuk natuurlijk zeer krachtige stijlfiguren, die sterke poëzie kunnen opleveren, maar die als ze zo voorspelbaar en doorzichtig, steeds maar op dezelfde wijze worden gebruikt precies een tegenovergesteld effect teweeg brengen, en soms zelfs cliché worden: de maaltijd staat gereed / hoe botter het mes / hoe scherper (bladzijde 6) of hij nodigt camera’s / met vrienden uit (pagina 70).

Ook het gedicht op de achterkaft is daarvoor exemplarisch: Ik heb een lepel om brood te snijden / roest om een kachel te stoken / grint om een muur te bouwen / rode menie voor mijn lippen /.../ik heb carbonpapier / voor liefdesbrieven. Als lezer krijg je algauw dat frustrerende gevoel van ‘wat moet ik hiermee’.

Eigenlijk is één en ander jammer want het openingsgedicht is veelbelovend en creëert een spanningsboog voor wat gaat volgen: een groot zwaar blok / zwart bekleed met zwart / raak het aan / en het huilt. Helaas het wordt als maar meer van hetzelfde zelfs op het gênante af. Het wiggelied dat volgens de kafttekst angstaanjagend en hartstochtelijk zou moeten zijn en vooral aangrijpend mooi wordt naarmate je verder leest in de bundel een slaaplied.

Margriet Westervaarder heeft duidelijk poëtisch talent maar moet zelf kritischer worden om haar poëzie werkelijk te laten splijten.


Wiggelied, Margriet Westervaarder, In de Knipscheer, Haarlem, 2022, ISBN 978-94-93214 75-0

(Richard Foqué)


Studio Haiku - Een handleiding


Lotte Dodion (1987) is een Vlaamse dichter en performer. Haar debuutgedichtenbundel Kanonnenvlees verscheen in 2016 en werd maar liefst vijf keer herdrukt. Ze stond in de finale van het Belgische en het Nederlandse Kampioenschap ‘Poetry Slam’. Ze was directeur van het Vredescentrum van de Provincie en Stad Antwerpen. Daarnaast was ze ook artistiek en zakelijk coördinator van Vonk en Zonen, een literaire organisatie die experimenteert met vernieuwende poëzieprojecten. Het mag niet vreemd klinken dat ze ook graag met muzikanten samenwerkt.

Het boek is een lijvig boekwerk dat uitnodigt om met de, van oorsprong Japanse, dichtvorm actief aan de slag te gaan. Achterin zijn een kleine twintig pagina’s toegevoegd voor eigen werk en / of notities. Er wordt gebruikt gemaakt van de kleuren zwart, blauw en rood. De pagina’s worden verluchtigd met kleine, fijne tekeningen. Iets wat de haiku of haikoe in feite ook is. De traditionele opbouw van een haiku is : vijf lettergrepen, zeven lettergrepen, vijf lettergrepen. Het omslag refereert naar Japan ( rode zon / maan, bergen in het zwart, water in het blauw). De titel is afgedrukt in een etiket dat doet denken aan de etiketten op schoolboeken. Fraai en fris.

De auteur ontving voor het boek een werkbeurs van Literatuur Vlaanderen en de uitgave kwam mede tot stand met een projectsubsidie van het Nederlands Letterenfonds.

Het boek is opgebouwd als een trektocht door de bergen. Een lange klim vol verrassingen. Eerst heb je de inhoud, gevolgd door basiskamp verkenning, basiskamp verdieping, hoogtekamp vrijheid. Het is naast een prachtig overzicht ook, en vooral, een doe-boek waar je blij van wordt. Lotte Dodion geeft duidelijke schrijfopdrachten en prikkelt de lezer voortdurend om vooral aan de slag te gaan. Ze geeft voorbeelden die ze zelf geschreven heeft of gooit een lijntje naar grote haiku-dichters als Basho, Dakotsu en Shiki. Maar evengoed dichter bij huis: Gust Gils, Bart Mesotten.

De voorbeelden die ze zelf geeft zijn uiterst virtuoze pareltjes. Een paar voorbeelden, een willekeurige greep:


Ik broedde je uit
maar vergat je te voeren
Tamagotchi blues.

Deze haiku kan
sporen van noten dragen
voedingswaarde nul.

Wie zijn die vrouwen
die blauw bloeden zoals in
Always reclame?

Het vuile water
ruilen voor het vrije sop
azuurblauw drijven.

Ik zei het nog zo!
de telefoonstem echoot
de stem in mijn hoofd.

Het boek is een heerlijk doe-boek voor alle leeftijden. In het voorwoord schrijft Lotte zelf, ik citeer:

Welkom bij de haikuprutsclub!
Alle poëzie begint met prutsen.
Met uitproberen. Met spelen.
Precies dat gaan we doen.
….

Het is mijn diepste wens dat dit boek reist op de bodem van rugzakken en handtassen, slingert op nachtkastjes, uitgeleend wordt en nooit meer teruggegeven. Ik hoop dat het smerig wordt, beduimeld en tot uit elkaar vallens toe met je mee op pad mag.
…..

Moge dit boek een estafettestokje zijn dat mijn schrijfplezier aan jou doorgeeft. ….



Studio Haiku – een handleiding voor haiku-avonturiers, Lotte Dodion, Atlas Contact, Amsterdam, 2022, ISBN 978 90 254 7198 9

(Frans August Brocatus)

Letaal


Uitgeverij C. de Vries-Brouwers publiceerde vorig jaar een verzamelbundel van de Brugse dichter Johan Sonneville (1941-1995) onder de titel Letaal. Deze dichter slaagde er niet in tijdens zijn leven een eigen bundel te publiceren: pas in het 14de nummer van het tijdschrift Kruispunt (opgericht in 1959) werd hij als dichter gelanceerd. Maar nu is er eindelijk een dichtbundel, samengesteld en ingeleid door Andreas van Rompaey.

De cover, een witte kaft met een ontwerp van Renaat Ramon op de voorplat. Op de linkerflap een zwart-wit foto van Johan Sonneville als zaakvoerder van uitgeverij De Galge (later Sonneville) en de vermelding van Sonnevilles roman Netsky, die op de Antwerpse boekenbeurs van 1970 de debuutprijs kreeg. Op de rechterflap een foto van Andreas van Rompaey. Guy van Hoof schreef op de achterzijde van de bundel een korte beschouwing over het werk van Johan Sonneville. Twee huldegedichten zijn toegevoegd, Bruges la morte vivante van Willie Verhegghe en Gitan van Renaat Ramon. Achteraan voegt de samensteller aantekeningen toe en een lijst met bronvermeldingen.

Letaal is ingedeeld in twee delen: de Vroege gedichten (1957-1963) en de Latere gedichten (1971-1972, 1987-1994). De Vroege gedichten sluiten aan bij de uitgangspunten van de vijftigers: rijm, metrum en strofen worden overboord gegooid. Weinig leestekens en hoofdletters, de lay out is speels. Deze gedichten geven blijk van jeugdigheid, maar reveleren ook uitzichtloosheid en indolentie:

Mijn hart is als een glimlach/ een roodgeverfde smile/ weerom onder het rood rood/ … smart is mijn leven/ door de jaren werd rood rood/ en ik was mij/ mijn wangen blozen/ mijn glimlach komt uit het hart/ slechts in ’t duister/ zoek ik een verfdoos/ voor het zonlicht/ maar ik glimlach

En:

Wat heb ik anders te doen/ dan te gaan/ langs het water tot aan de brug/ en terug te komen langs het water tot aan de brug/ naar de vlakte/ overspoeld met muziek/ van honderd stemmen/ en de handen weemoedig/ om je eigen schouders leggen

Verzen uit het gedicht Staar door me heen, zijn als een soort motto in Netsky opgenomen:

de hel is kleiner dan je denkt,/ langs vele wegen/ kom je de dromen tegen,/maar staar dan door me heen,/ik ken het oude niet/ het lied der dwaze maagden: de talisman/ doorboord.

De Latere gedichten verwijzen naar de werkelijkheid en gaan de kant op van het nieuw realisme. Het gedicht vrijdag 12 november is indrukwekkend. Het telt bijna zeven volle bladzijden en overloopt de berichtgeving van één dag uit de krant De Standaard. Deze oplijsting sorteert een ironisch en satirisch effect en reveleert de absolute ongerijmdheid en willekeur van veel menselijke activiteiten. Letaal betekent dodelijk, de dood tot gevolg hebbend. Johan Sonneville benam zich in juni 1995 van het leven. De titel blijkt letterlijk van toepassing te zijn geweest! Johan Sonneville worstelde met de tegenstelling tussen droom en realiteit, de absurditeit en het absolute. Toch schreef hij interessante gedichten. Met de bundel Letaal wordt hem een prominentere plaats toegekend in het naoorlogse literaire landschap van Vlaanderen.


Letaal, Johan Sonneville (samenstelling Andreas Van Rompaey), Uitgeverij De Vries-Brouwers, Antwerpen, 2022, ISBN 97890617431

(Nicole Van Overstraeten)