En niet bij machte

 

J.V. Neylen publiceerde haar gedichten in diverse tijdschriften, waaronder De Revisor, Het Liegend Konijn en Hollands Maandblad. In 2017 ontving zij de VOCATIO-beurs voor jong talent. Juni 2020 verscheen haar debuutbundel En niet bij machte, uitgegeven door Atlas Contact. De kartonnen kaft heeft de weldadig sobere uitstraling van een werkcahier, met een lichtbruine voorkant en een grijsblauwe rug en achterzijde. In zijn omslagontwerp speelt Melle Hammer een typografisch spel met de titelwoorden, in luchtige kapitalen, terwijl de naam van de auteur klein, zwart en compact wordt weergegeven. De dichter kiest ervoor om het bij één letter te laten wat haar voornaam betreft; dat zij bijvoorbeeld Jenny of Joke heet is dus niet relevant. Op sociale media zoekt men ook vergeefs naar personalia en biografische gegevens.  In die zelfgekozen anonimiteit ervaar ik een ernst, die zich in haar poëzie blijkt voort te zetten in de vorm van gedrevenheid en compromisloze zelfanalyse.

De bundel bestaat uit achtenveertig gedichten, ondergebracht in drie hoofdstukken, Grondmens, Geometrie en Barok. Geometrie is onderverdeeld in Ochtend, Middag en Nacht. Nacht bevat onder meer twee en vier bij elkaar horende en genummerde gedichten. Barok bestaat uit twee clusters, Harnas en kegelrok en Marionet. Het geheel wordt door een gedicht voorafgegaan en besloten. Het openingsgedicht is voorzien van een cirkel, het slotgedicht van een lemniscaat. Zij moeten symbool staan – vermoed ik – voor het niets, respectievelijk de oneindigheid. Deze ver doorgevoerde ordening interpreteer ik als een poging van JVN om de sluimerende losbandigheid van haar poëzie in het gareel te houden, of op zijn minst tegenwicht te bieden.

Een vrouw met lippen als vlammen,/ bloemen slapen in haar armen. Ze kust// zichzelf tot gloed, een paspop grijnst haar toe.// En jij, met je faraohanden, hoe zwol de wereld/ toen een schaterlach van het fietspad gleed/ recht in de kom van je handen. (Het glanst als een muntstuk)

De gedichten zijn niet van een titel voorzien. In die zin zijn ook zij anoniem. In de index worden zij aangeduid met hun eerste woorden.

Een stijlfiguur die de dichter veelvuldig gebruikt, is het afbreken en laten doorlopen van een zin in de volgende strofe. Een korte leespauze die een momentje van spanning oproept en extra aandacht vestigt op wat komen gaat, zoals bij het omslaan van een bladzijde? Of laten weten: niets is ooit afgerond?

Aangename verrassing: een variant op Het Huwelijk van Willem Elsschot, nu vanuit perspectief van de echtgenote:

Zij zweeg en trok naar binnen toe, waar zij klein/ en overzichtelijk werd. Zij kon niet meer/ naar buiten keren, kon niet meer/begeren en liet de tijd de vonken uit haar ogen doven. // …// En wanneer zij rillend een kop thee naast zijn hart had gezet/keek zij smekend als een stervend paard. De eens rode woede/ in haar gezwollen gelaat was doorschijnend blauw geworden. (Zij zweeg)

Het slotgedicht, aangegeven met die lemniscaat, bevat een slotsom en een voornemen. Zodat we toe kunnen leven naar de volgende bundel! 

En niet bij machte, en niet in staat/ met rechte rug je kromme tijd te belopen. /
…..het oog ziet, het oog zwijgt. Je manier van lachen heb je van hen afgekeken – doe nu maar mee/of niet. Word voor mijn part de nacht//maar begin. En kijk niet met dit oog dat weigert te bestaan. 
(Begin)


En niet bij machte, J.V. Neylen, Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2020, ISBN 978 90 254 5787 7

(Will van Broekhoven)

 

Het stad in Maud


Is het de dichter die bepaalt wanneer een tekst een gedicht kan worden genoemd, of is dat de taak van de lezer? Dat vraagt Maud Vanhauwaert zich af in Het stad in mij, een boek dat bol staat van Maud Vanhauwaert en haar blik op de wereld, haar beleven van poëzie: De poëzie, zij is geen genre / maar een label // het is niet de dichter die haar schrijft / maar de lezer die haar strijkt // voorzichtig op de kraagjes / van wat hij niet kan vatten // maar zo graag aan wil doen.
Onder de mensen die zich te eniger tijd stadsdichter van Antwerpen mochten noemen was zij, na Joke van Leeuwen, pas de tweede vrouw. Haar passage is beslist niet onopgemerkt gebleven. Op diverse plaatsen in Antwerpen liet zij haar werk achter in de openbare ruimte. Nou deden ook haar voorgangers dat. Een gedicht van Tom Lanoye bijvoorbeeld sierde de Boerentoren, en een van Joke van Leeuwen de voetgangerstunnel. Monumentale teksten dus. Vanhauwaert wist ook monumenten in te lijven, naar haar hand te zetten: het Havenhuis van Zaha Hadid, en de toren van de Onze Lieve Vrouwekathedraal (Al eeuwen waak ik over alle daken [….] / stel ik een vraag die niemand kent). En op nog veel meer plaatsen in ’t stad (zoals inwoners Antwerpen noemen) drukte zij haar merkwaardige poëtische stempel.
Het stad in mij is beslist meer dan een overzicht van de verzen die zij als stadsdichter in functie heeft geschreven. Het is een smakelijk bladerboek waarin ook teksten zijn opgenomen die de dichteres eerder debiteerde tijdens bijvoorbeeld performances, of het licht deed zien in bibliofiele uitgaven. Daarenboven zijn er vele, vele illustraties.
Poëtische spring-in-’t-veld Maud Vanhauwaert wist van geen ophouden, en bracht behalve eigen werk ook poëzie van illustere verre voorgangers als Hendrik Conscience en Paul van Ostaijen onder de mensen. Ook actief waren haar voorleessessies op het Conscienceplein, waar ze passanten vroeg of ze hun een gedicht mocht voorlezen.
Je zou gedacht hebben dat een vergelijking met illustere eerdere stadsdichters als de hierboven genoemde en de eveneens niet voor het grote gebaar terugdeinzende Ramsey Nasr en Peter Holvoet-Hanssen gedoemd was om te haren nadele uit te vallen, maar ze kreeg menigwerf bijval, zelfs van lieden van wie men eerder de indruk krijgt dat alle poëzie voor hen identiek is. Haar installaties sprongen in het oog: de opblaasbare en leeglopende ballonletters die de vergankelijkheid van de macht verbeeldden, haar Toren van Babel die stond voor de vele talen (Thuistalen van verre oorden waar wij zelf de zonderling zouden zijn) die in de Scheldestad klinken. Vanhauwaerts stadsdichterschap was een geslaagd, vertolkte […] gaandeweg // de blote ziel van de stad, en verdient het om – mét al die andere woorden die ze voor ons isoleerde – nageslagen te kunnen blijven worden in dit kloeke (dik 350 bladzijden tellende) boekwerk. Een compliment moet er zeker ook af voor Jelle Jespers, die tekende voor de hoogst originele vormgeving ervan.

Het stad in mij, Maud Vanhauwaert, Uitgeverij Das Mag, Amsterdam, 2020, ISBN 9 789493 168091

(Bert Bevers)

De omtrek van water

Op 7 maart jongstleden werd in Bibliotheek Oostende de meest recente gedichtenbundel van Philippe Cailliau ten doop gehouden, De omtrek van water. Bij die gelegenheid gaf Alain Delmotte een zeer doorwrochte beschouwing die ik van harte in uw geconcentreerde aandacht aanbeveel. Hij is integraal te lezen op de site www.dighter.blogspot.com. De bundel werd degelijk en aantrekkelijk vormgegeven door Kleinood & Grootzeer. Het is Cailliau’s elfde en, na Het boek nul, Niets verloren en Tot de stenen wortel schieten, de vierde achtereenvolgende bij deze uitgever.
De gedichten zijn geordend in drie cycli. De eerste, Gulzig water, sluit het meest aan bij de intrigerende titel. In elk van de 25 gedichten handelt het om water in enigerlei vorm: zee, meer, bron, plas, dauw, druppels. Of elementen die bij water horen, zoals eiland, vis, schubben. In alle gedichten, ééntje uitgezonderd vinden we het woord ‘water ’terug. Als antipoden gelden land, vuur, as, droogte, smeulen, rook. Water heeft op zich geen omtrek, alleen datgene waarin water wordt vastgehouden. Water komt in steeds veranderende golvenpartijen aanrollen. Al stromend verandert het voortdurend van gedaante. Tot overmaat van ramp is het ook ons waarnemende bewustzijn dat onophoudelijk stroomt. Valt de werkelijkheid dan nog te vatten, laat staan in woorden uit te drukken? Daar hebben we nu poëzie voor. Onze gangbare ervaringspatronen bevinden zich hier op glad ijs. Ons vertrouwde idioom leent zich slechts voor metaforisch gebruik om een niet vertrouwde en moeilijk te benaderen werkelijkheid te beschrijven.
De cyclus opent niet met het titelgedicht, maar meer basaal: Alles begint bij het water. Ik citeer de veelzeggende slotstrofe: Niets gaat terug en niets is ongewild./ Uiteindelijk wordt alles lichte as./Begint hier water, eindigt land/ waar oude mensen perkament,/ waar mondig kind zichzelf embryonaal/vertelt dat het geboren wordt.
In het titelgedicht lezen we: Waarom heeft water ieder uur een andere/kleur, een nieuwe geur, waarom verschuift/in elk gezicht een nieuwe rimpelkaart?
De tweede cyclus, Niets is argeloos, beslaat acht gedichten, waarvan het tweede drie volle pagina’s lang is. Het heet Onzegbaar koud en beschrijft nu eens een realiteit die ons maar al te vertrouwd voorkomt en toch, in zijn gruwelijkheid namelijk, niet te bevatten is. Een medisch experiment met concentratiekampgevangenen. In het volgende gedicht vindt de gruwel een echo. Brussel 22 drie. Zaventem en metrostation Maalbeek. Het eindigt aldus: Geen mens zichzelf de rug toekeert./Vergeven is de kunst van de tragiek. En niemand,// niet iemand die vergeten wordt. De andere gedichten van de cyclus ademen juist een vredige, contemplatieve sfeer.
De derde cyclus, Topografie van de stilte, is net als de eerste duidelijk thematisch. Hij bestaat uit zes gedichten, die deze keer niet gaan over de ongrijpbare werkelijkheid, maar over het dichten zelf dat evengoed een vorm van zwijgen als van spreken kan zijn. Aldus is hij de Zwijger van zijn taal./ Men hoort hem niet, geluiden/ breken in zijn mond. En: Zelfs als hij stil onhoorbaar/sluipt is hij rebels, is hij/de Zwijger die betekenissen/ in zijn mond ontwerpt.

Omtrek van water, Philippe Cailliau, Uitgeverij Kleinood en Grootzeer, Bergen op Zoom, 2020, ISBN / EAN 978 90 76644 95 0

(Will van Broekhoven)

Graven in het kwetsbare


Zo’n honderdvijftig pagina’s gedichten telt Hemelingen, de nieuwe bundel van Koen Stassijns (Ninove, 1953). De bundeling werd, volgens de flaptekst, lang verwacht. De vorige, Zwijghout, dateert van 2000.
Stassijns’ poëtische productie van de laatste twee decennia haakt aan bij de weinig opwekkende thema’s ‘dood’ en ‘verlies’. Door middel van de herinnering probeert de dichter zijn pijn als het ware te vangen in taal. Het is een poging om wat diep verborgen zit te objectiveren.
Bij het graven in kwetsbare en heftige emoties passen matigheid en soberheid. De lezer moet ruimte krijgen. In Hemelingen pakt het niet goed uit. Stassijns’ palet aan beeldspraak wordt, in combinatie met zijn register aan zintuigelijke gewaarwordingen, al te overvloedig duidelijk. Er is heel veel van hetzelfde. Daar kleeft iets zelfgenoegzaams aan. Wel jammer, want Stassijns kan sterke en ontroerende gedichten schrijven.
Onmatigheid vinden we in de kwantiteit, de weergave van seksuele genietingen, het grijpen naar beeldspraak en het behandelen van persoonlijke trauma’s. ‘Kan het niet een onsje minder’, denk ik dan en ‘Ja, we weten nu wel dat je kunt allitereren en metaforeren’. Het omvangrijke geheel aan zwarte herinneringen, erotische ontspanningsoefeningen en ‘mental cases’ is te particulier. Het dringt zich te zeer op.
Klaarkomen in b&b surplace heet een van de gedichten. Het klaarkomen zal zeker belangrijk zijn voor de vitale senior, maar ik hoef het niet te weten.  
De ‘hemelingen’ uit de titel zijn de doden die in het geestelijk domein van Stassijns een rol spelen. In positieve of negatieve zin zijn ze aanwezig. Sommigen worden door de dichter ongenadig aan het kruis genageld, anderen worden enigszins mild en  met weemoed beschouwd. Achter veel van de hemelingen gaat voelbaar een sfeer van tragiek schuil. In gedichten over de ouders komt deze sfeer ingehouden en overtuigend tot uitdrukking.

Genesis 1

Ik ben verwekt op de koudste dag van het jaar,
en geboren toen de prille najaarszon de laatste
zoetheid stuwde in de druiven. De eerste blaren
bruinden en vielen almaar hulpelozer neer.

Mijn moeder droeg me gelaten en rigoureus.
Ze had geen keus. En ik werd de derde van zeven.
Geen enkele herinnering aan haar draag ik
als een liefdevolle ring rond mijn leven.

Mijn vader vervaagde uit het beeld van elke dag.
Hij loste op, voerde een heroïsch gevecht, roerde
medicijnen in elkaar en trachtte te genezen
terwijl hij ons daarbij vergat. Wij werden wezen.

Het woord ‘zelfmoord’ werd een refrein. Moeder
zong het ieder seizoen, en later aldoor vaker.
Ze sloot zich op en slikte dan de dodelijkste pillen.
Ik hoor haar janken nog, een lamgeslagen hond.

Mijn ouders werden wilde dieren voor elkaar.
Alles wat waar was geweest en klaar, was verkeerd
in een strijd op leven en dood. Ik zag het aan,
en besefte dat ik de liefde nooit heb geleerd.

Waar Koen Stassijns alleen sober verslag doet, overtuigt hij moeiteloos. Zijn ‘hemelingen’ hebben niet meer dan dat nodig om te schrijnen en te intrigeren.

Hemelingen, Koen Stassijns, uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2019, ISBN 978-90-254-5834-8

(Erick Kila)

Juist wat je niet zegt


De poëzie van Margreet Schouwenaar staat borg voor vakmanschap. Actief en productief als schrijver van kinderboeken en dichtbundels, bouwde ze in de loop der jaren een benijdenswaardige reputatie op. Haar laatste bundel De overmaat van ontbreken bevestigt die. 
Verlangen op allerlei fronten (en de daarbij horende antinomie, ‘de overmaat van ontbreken’ die het gemis is), nood aan verwondering, confronterende ontnuchtering, maatschappelijke betrokkenheid, verontwaardiging: motieven die we in dit en ander werk terugvinden. Existentieel getinte poëzie waar geen plaats is voor grote mirakels – die komen pas later (wellicht als het al te laat is).  Poëzie met een lyrische en warmbloedige ijver geschreven. Gedichten die een neiging tot breedvoerigheid vertonen maar die nooit tot langdradigheid of pathos leiden. De verdichting valt op. Dit wil zeggen dat veel voor een groot deel impliciet blijft.
Op het maken van illusie betrappen we deze dichter niet. Ze getuigt van een lucide realiteitszin: De werkelijkheid is zo ver: geen brug leidt/naar feiten, getallen of de lekke waarheid, laat/staan naar het harde bed van verwantschap. Ontbreken maakt deel uit van de werkelijkheid. De werkelijkheid is het ontbreken zelf. Gevoelsmatig neigt ze daarom af en toe naar het melancholische, in geen geval nooit naar het lethargische, al schrijft ze moe van de tijd te zijn. Veel gedichten dragen in hun eb en vloed herinneringen met zich mee. 
Voor Schouwenaar is poëzie een manier om zich naar de wereld toe te schrijven. De woorden duwen haar voort, al stelt ze zich sceptisch op ten aanzien van de woorden.  Ze beseft dat die niet altijd volstaan, vaak zonder bestemming of bereik blijven: Wat een gebrek aan woorden, zwijgend/schuiven zij ontwricht als een gezin/aan tafel. Wil je de betekenis even doorgeven? / Niemand reikt. Heel wat in deze bundel speelt zich op het draagvlak van het spreken versus het zwijgen op. Het mooie van een gedicht is juist wat je niet zegt/juist het zwijgen dat de engte van haast-begrijpen/bepaalt en het reiken Of variërend: Taal is de zin die/we geven, zodat we niet hoeven te begrijpen.
Het betreft een vrij lijvige verzameling met één introgedicht en zeven cycli die evenveel verschillende gezichtspunten en stilistische middelen impliceren maar waarbinnen het geheel zich toch een thematische eenheid aftekent.
Ik sta even stil bij de cyclus Berichten naar. Een knap werkstuk lijkt me. Uit de titel spreekt al de gesignaleerde nood naar ‘bereik’. Vijf gedichten die een soort brieven zijn naar respectievelijk ‘een weg’, ‘de zee’, ‘een minuut’, ‘toen’, ‘een eenzaamheid’ en ‘mijn moeder’. Deze gedichten vertellen verhalen over de tijd al zijn ze niet eenduidig. Al de verhalen hebben hun raakpunten binnen die zes gedichten en culmineren op een fugatische manier in het laatste, mooie gedicht mijn moeder. De verhalen zijn tot één punt terug te brengen: (…)op dat punt waar alles/wordt herhaald en begint, zodat we, we,/bij de weg, de weg naar het huis dat niet/meer bestaat, uitkomen?

De overmaat van ontbreken, Margreet Schouwenaar, In de Knipscheer, Haarlem, 2019, ISBN 9789062657865

(Alain Delmotte)

Tot ze koud is


De dubbelbundel Tot ze koud is van Luc C. Martens en Steven Van Der Heyden ziet er aantrekkelijk uit. De kaft is fraai geïllustreerd door Jesse van Gompel. Voor Luc C Martens is het zijn vierde bundel, na Hoop op stille muren (2012), Tussen Arend & Schildpad (2015) en Stad van alle seizoenen (2019). De laatste bevat gedichten die hij schreef als stadsdichter van Deinze. Steven Van Der Heyden publiceerde in 2014 het dicht- en kunstboek Klein geluk, klanken van een hongerende ziel. In 2017 schreef hij in alliantie met kunstenares Katrin Dekoninck Breath, een ontmoeting tussen woord en beeld. Bij de presentatie van Tot ze koud is, op 1 februari, las Yves T’Sjoen een diepgaande analyse voor, die je kunt lezen op de site luccmartens.be.
 De bundel is zo ingedeeld dat hij de lezer getuige laat zijn van een interactie tussen twee zielsverwante dichters, met elk zijn eigen stijl. Dat creëert een dynamische chemie, die alleen maar verstoord kan worden wanneer je als lezer toegeeft aan een ingebakken neiging om de dichters met elkaar te vergelijken. Ieder deel bevat tien gedichten. Het eerste deel, Tot zij een godin is, bevat tien gedichten van Luc C. Martens. In het tweede deel, Ik ben het die wegsluipt, zijn beide dichters aan het woord, in een ogenschijnlijk willekeurige, maar weloverwogen volgorde. Het derde deel, Wie zal ons bewaren, is helemaal gereserveerd voor Steven Van der Heyden en het vierde, Tot ze koud isn biedt weer plaats aan allebei. Ieder deel is voorzien van een of twee poëtische ‘twoliners’. Luc C. Martens: In jou kan ik niet wonen/er zijn teveel nooduitgangen. Steven Van Der Heide: Dit zijn we geworden: twee mensen die hun best doen,/ een handdruk die een omhelzing had kunnen zijn.
Het werk van Luc C. Martens heeft in deze bundel de liefdesrelatie tot thema. Soms is de toonzetting teder of hartstochtelijk. Maar vaker nog gaat het om gespannen relaties waarin vrouwen worden geprostitueerd, misbruikt, bedrogen. Relaties die hen woedend, verbitterd, wraakzuchtig, angstig maken - of juist zelfbewust. Twee citaten. We waren groen en bang van elkaars lippen,/ de liefde stuwde. In de schaduw van de Driftweg/streek ik je vlasblonde haren één met de duinen (uit We waren groen). En: het bed vol geesten en demonen/ruikt ze nog het duur parfum/dat zij nooit kocht, de rode naaldhak/stevig aan de voet zet ze hem betaald//Zij baalt, hoont hem, kwijlt, krijst luid/ terwijl hij een andere huid bewoont (uit Betaald).
De gedichten van Steven Van der Heyden zijn bespiegelend. Bij hem gaat het over verlies,  verwording en vergeten.  Als verstekelingen in oude aarde graven we/ kille geuren op, willen we afdrukken bewaren/ tasten ons een weg richting vergeten (uit In deze kamer). En: onze bewegingen worden tweedehands/ traag scheurde ons nest uit de lakens/ in onze ogen lazen we elkaar niet meer (uit Wie zal ons bewaren?).

Tot ze koud is, Luc C. Martens en Steven Van Der Heyden, Uitgeverij P, Leuven, 2020, ISBN 978-94-93138-08-7

(Will van Broekhoven)

Schoon


Willem Thies (1973) debuteerde in 2006 met de dichtbundel Toendra, bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel, Na de vlakte (2008), werd genomineerd voor de J.C. Bloemprijs. Daarna verschenen Twee vogels één kogel (2012), Meer mensen dan reddingsvesten (2015), Na het paringsritueel (2018) en nu recentelijk in de Gaia • Chapbooks-reeks Schoon. Gedichten van Willem Thies werden ook opgenomen in tal van bloemlezingen.
Gaia • Chapbooks wil een podium bieden aan kunst, politiek, cultuur, wetenschap, religie, literatuur, poëzie etc. Een lovenswaardig initiatief, dat aantoont dat poëzie niet duur hoeft te zijn, want de publicaties verschijnen als e-book die via lulu.com gratis - uiteraard plus verzendingskosten - aan de lezer beschikbaar worden gesteld. Bij dezelfde webwinkel is voor een habbekrats een paperbackeditie verkrijgbaar. Naast uitgever-initiatiefnemer Ton van ’t Hof publiceerden ook Alain Delmotte, Bob Vanden Broeck, Gert de Jager, Martin Knaapen en Richard Mijnten al in deze reeks.
Na het gedicht Processie volgen twee cycli: Schoon (9 gedichten) en Gift (11 gedichten). Korte en lange teksten wisselen elkaar af, waarbij de parlando-stijl en de dreiging meteen opvallen, zoals in het gedicht Rel: In duister paars licht op de hand klap/ Maak iets kapot en je eigent het toe/ Al die gratis woede gratis verontwaardiging/ Een snel verval. Je zou nog niet dood gevonden/ willen worden in liefde. Een bord, een spreuk/ om achteraan te marcheren. Grofkorrelig geweld./ Ben je bereid? Ben je vrij? Barst. Wapen. Schild.
De dichter drukt de lezer met zijn neus op een realiteit die niet al te fraai is en vaak in een onheilspellende sfeer baadt.

Feodaal: De mensen wonen achter computers, in witte gebouwen met blauwe/ ramen. Ze hebben huisdieren en noemen ze natuur./ De computers werken voor de mensen, de dieren hebben een eed van trouw/ afgelegd, zij dicteren een routine, terwijl/ maniakale paarden op verre steppes draven.

Het is zijn kracht een spanningsveld op te bouwen waar je niet omheen kan.

Machine: De ratten verkozen gezoet boven/ ongezoet drinkwater.// Maar méér nog verkozen de ratten/ de onzekerheid. Het niet weten/ of de machine gezoet of ongezoet drinkwater/ zou toedienen.

Als De Noordpool brandt./ Een scherf op de mossige steppen van Groenland versterkt de zon/ laat gras en dwergstruik smeulen, vlam/ vatten, heeft de dichter nog een waarschuwing achter de hand: Drink voldoende, lever geen uitzonderlijke fysieke inspanning, en laat/ de boomgrens, kustlijn/ oranjegloeien, zwartgloeien, verbrokkelen, met zacht gekraak instorten./ Het zijn maar constructies/ van de natuur. Bouwwerken. Een ritueel offer. Wierook. Laat de kreken/ branden en maak/ laatste aantekeningen.
Deze sterke bundel sluit knap af met een gedicht waarin enige troost doorschemert:
In droom een man wandelde en de bomen helden voorover rondom hem.
Het loof van de bomen lichtte op
als een bergtop boven de grens, het hoofd van de man
verzonken in zichzelf, omsloten, omkranst.

Iets in zijn gang, zijn kin, zijn kaak, zijn kruin. De intimiteit.
De vertrouwdheid van het lichaam van een vriend die men voor het eerst ziet.


Schoon, Willem Thies, Gaia • Chapbooks, Leeuwarden, 2020, ISBN 978-0-244-24012-7

(Roger Nupie)

De man die altijd terugkwam


Onlangs publiceerde Guy van Hoof bij uitgeverij De Vries-Brouwers een bundel jazzgedichten met als titel De man die altijd terugkwam. De titel verwijst naar een gedicht over de blanke Amerikaanse jazztrompettist Chet Baker, die dertig jaar lang (vanaf de jaren ’50 tot 1988) als exponent van de cool jazz aan de Amerikaanse Westkust overrompelend populair was, ondanks zijn verwoestende heroïneverslaving.
De bundel telt vijfendertig gedichten, vanaf Hommage ondergebracht in een reeks van dertig met als titel Queeste. Op de flappen commentaren van Daniël van Hecke en Paul Turkry, achteraan de bundel een verantwoording van de dichter zelf en lovende citaten van bevriende auteurs. Op de achterkant een extra commentaar van Jos Daelman, die Guy van Hoofs gedichten ‘uitbundig’ noemt, met ‘sfeervolle verrassingen’.
Guy van Hoof is sinds zijn vroege jeugd gefascineerd door jazz, hij is een ware kenner en fijnproever. Met zacht-melancholische verzen doet hij een poging om de lezer in te leiden in zijn liefde voor deze muziek: Jazz maakt veel los of wakker./ Beelden van abstracte schilderijen/ en films over Parijs, de jaren vijftig. / Nachten uit je jeugd. En slaat je ook/ met woorden om de oren: de warme praatstijl/ van zwarte muzikanten.
Het leven van jazzmusici blijkt niet altijd gemakkelijk. Zij sterven veel te jong, zegt Guy van Hoof. Sommigen musici kennen een tragisch einde: Chet Baker viel in 1958 door een raam van een hotel in Amsterdam, Lee Morgan werd in 1977 door een jaloerse echtgenote neergeschoten. In het gedicht Chambers en de anderen verzucht de dichter: Paul Chambers lijkt wel honderd jaar te hebben gespeeld….na zijn vijfendertigste was hij uitgeteld/ en uitgespeeld, afgevoerd, grendel op de deur. Dexter Gordon besluit: …. Wie denkt/ dat het gemakkelijk is om 100 dagen per jaar/ op een podium te staan en iets nieuws te scheppen/… het is slepend om altijd gewoonweg opnieuw/ van niets te herbeginnen en iets te creëren/ dat het ideaal dicht op de hielen zit.
Guy van Hoof schrijft in deze bundel meesterlijke esbattementen over jazz als muziekvorm en vermeldt enthousiast haar vertegenwoordigers. Zo eert hij John Coltrane, Miles Davis en Charles Parker, maar ook minder bekende spelers als Roy Hanes en Horace Silver krijgen zijn aandacht. Guy van Hoof heeft goed geluisterd: de manier waarop jazzmusici hun fraseren vormgeven is doorgedrongen in zijn poëzie. Hij vertelt op rustig-swingende toon over de lotgevallen van zijn helden, hun optredens, hun interactie met de leden van de band. Hoe ze elkaar aanvullen en muzikale gesprekken voeren. Telkens met onverwachte accenten en de nodige adempauzes, zoals in de jazz. Maar omdat hij een dichter is schrijft hij over Cannonball Adderly deze tot de verbeelding sprekende tekst:… (ik) zie hem met zijn gewicht en omvang,/ de uitbundigheid van lichamelijke aanwezigheid in de ruimte van het niets… ik zie hem met een vlindernet over hagen springen/ obstakels ontwijken, onheilspellende wolken uiteenjagend/ terwijl ik slaperig Nabokov probeer te lezen.
Nabokov lezen en tegelijk dromen over een springerige Cannonball Adderley… het is Guy van Hoof van harte gegund. Bravo voor deze bundel!

De man die altijd terugkwam, Guy van Hoof, Uitgeverij C.de Vries-Brouwers, Antwerpen Rotterdam. ISBN 978-90-5927-624-6

(Nicole Van Overstraeten)

Benno en de Franse dichteressen


Benno Barnard heeft zich gaandeweg tot een superieure knorpot ontpopt. Zijn knorrigheid is heerlijk om te lezen. Ik hou van zijn vlekkeloos, stijlvol Nederlands, zijn uitgelezen vocabularium, zijn verbaal rijkelijk uitvallende sneren. De man heeft het schrijven ontegensprekelijk in de vingers zitten.
Dit belet niet dat sommige van zijn apodictische uitspraken ergernis in mij opwekken. In zijn nieuwe boek Zingen en creperen lukt hem dat ettelijke keren. Om mij tot één voorbeeld te beperken volgende passus (pagina 193):
Ik realiseerde me opeens dat ik geen Franse dichteres kende. Dat stoorde me, ik vond mezelf ‘seksistisch’. Zoekopdracht in diverse talen: beroemde Franse dichteressen. Internet komt met Marjane Satrapi, Christine de Pisan, Dora Maar, Emmanuelle Riva, Anna de Noailles. Ik ken geen van die namen. Er zijn geen vooraanstaande Franse dichteressen. Moraal: ‘Wat ik niet ken, bestaat niet.’
Dat hij nimmer heeft gehoord van de middeleeuwse Christine de Pisan is bedenkelijk. Evengoed kon hij geschreven hebben dat Hadewijch hem totaal onbekend is. Wat Dora Maar in dit rijtje doet, is mij een raadsel: ze was even de muze, het model en de echtgenote van Picasso. Ze was een uitmuntend fotograaf. Ze schilderde en stelde tentoon. Bij mijn weten heeft ze nooit poëzie gepubliceerd. Emmanuelle Riva is vooral bekend als (film)actrice (Hiroshima mon amour (Resnais) en Amour (Haneke)). Dat ze ook drie dichtbundels heeft geschreven is verdienstelijk. Hiermee werd ze als gelegenheidsdichter niet representatief voor de poëzie van haar tijd. Marjane Satrapi tekent gewaardeerde en succesvolle strips en heeft met poëzie niets te maken. Anna de Noailles daarentegen speelt wel een bijrolletje in het Franse poëtische canon van de twintigste eeuw. We zien haar in gezelschap van bijvoorbeeld Valéry en Cocteau. Eerder iemand van het klassiek-symbolistisch geschoolde, mondaine type. Ze wordt  nog gelezen. Moraal: ‘Hoed je voor het Net, Benno! Verlies je kritische zin niet. En verfijn je zoekopdrachten.’ 
‘Vooraanstaande Franse dichteressen’ staat er. ‘Vooraanstaand’ wat houdt zo’n woord nu precies in? ‘Referentiepunt’ lijkt aannemelijker. Met reputatie of academische erkenning heeft dit niets te maken. Wel met poëtica. Maar goed, laat me niet knorren. Laat me liever een nuance aanbrengen: er zijn inderdaad weinig Franse vrouwelijke dichters die je als ‘vooraanstaand’ kunt beschouwen. In Franse canonieke bloemlezingen krijgen ze nauwelijks een plaats. Als je dat vergelijkt met wat er in de Nederlandstalige poëzie is gebeurd dan heeft Frankrijk serieus wat in te halen. 
Ach, canons worden voortdurend herschreven, wat hun relativiteit bewijst. Tijden veranderen, canons worden op hun kop gezet, het nut ervan in vraag gesteld. Het zou best eens kunnen dat er plots toch ‘vooraanstaande’ vrouwelijke dichters opduiken waarvan we het bestaan niet vermoeden. 
Voor alle duidelijkheid: vandaag vind je ‘vrouwelijke dichters’ op alle mogelijke actieterreinen van de Franse poëzie terug. Je moet het willen zien. De huidige Franse poëzie is voor Barnard gewoonweg geen ‘referentiepunt’. Meer zelfs: heel de hedendaagse poëzie is hem nauwelijks tot referentiepunt. Hij catalogeert die als zijnde ‘vormloos’. (Ai, daar welt alweer een ergernis op.)

Zingen en creperen – Dagboek 2014-2017, Benno Barnard, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen 2019 ISBN 978 90 254 5830 0

(Alain Delmotte)

Moederstad


Steven Van de Putte, afkomstig uit Deinze, vastgoedexpert bij de provincie Oost-Vlaanderen en gewezen ondervoorzitter van Toerisme Leiestreek, gaf in 2018 de POD dichtbundel uit met als titel MOEDERSTAD, bij vzw De Striptomanen. Het werd een lijvige, glanzende bundel.
De dichter presenteert 47 Leiestreekgedichten ondergebracht in 5 cycli: Moederstad, Triptiek van de Kouter, Vaderstad, Overige Leiestreekgedichten en Het nagelaten nu (met een citaat van Leonard Nolens). Het citaat van Lawrence Durell, vlak na de inhoudsopgave, leende Steven Van de Putte van Stefan Hertmans. Achteraan de bundel voegt de dichter twee goed gevulde pagina’s Noten toe en een Verantwoording. De iconische foto op de cover is van Martin De Baerdemaeker en toont de Leiedam in Deinze, met op de achtergrond de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Binnenin de bundel zijn sporadisch ook enige foto’s opgenomen, onder meer op bladzijde 34, waar dezelfde foto van de cover staat bij het gedicht AAN DE OEVER, maar dit keer in zwartwit. Op de achterzijde van het boek een commentaar van Luc C. Martens, gewezen stadsdichter van Deinze: Voor streekgenoten kan deze bundel bekoren en zullen tal van verzen weerklinken als de okselklanken van de Leie.
In zijn verantwoording definieert Steven Van de Putte de termen Vaderstad en Moederstad. Kleinere provinciesteden in Vlaanderen hebben een sterke band met de dichtstbijzijnde metropool, voor Deinze is dat Gent. Deinze is de Vaderstad, Gent de Moederstad. De laatste jaren is er een kentering merkbaar: de eenzijdige schatplichtigheid aan de moederstad maakte plaats voor een meerzijdige wisselwerking. Vele Leiesteden hebben zichzelf heruitgevonden.
In de gedichten van Steven Van de Putte wemelt het van toponiemen, verwijzingen, allusies. Al is het misschien de bedoeling van de dichter aandacht te vragen voor landschapselementen uit zijn geboortestreek, toch creëert hij in een spel van beeld en klank en rijm originele poëzie: Kom, het plein/ verliest zijn stafrijm,/ zijn roestbruine alliteratie/ met het verleden van laffe kussen… Dit is een ommekeer,/ wij zijn geen imker meer./ In ontelbare raten van ratings en korven laten we slechts honing toe… (DE KOUTER, triptiek van de Kouter, deel 1). De eerste drie cycli van de bundel zijn inhoudelijk sterk verbonden met de Leiestreek, maar Het nagelaten nu begint met een reeks liefdesgedichten en wonderlijk genoeg ook poëzie waarin het woord Brussel voorkomt. De dichter creëert links naar historische items uit de klassieke oudheid en de lokale geschiedenis, verwerkt ze handig in verrassende verzen: Ariadne vergat me/ nog terwijl ze bloosde als meeldauw,/ aaibaar blauw, cytoskelet van led en lucht,/ …Zo gonsde zij van zoet vergeten./ Zo ontwaakte de zure Zenne van huisjes gemelkt. Tot ik alle atomen van dit brakke land heb genomen… (THESEUS’ WEDERWOORD, Het kluwen van Brussel).
Steven Van de Putte publiceert in MOEDERSTAD geen eenvormige poëzie. De lay-out van zijn gedichten varieert van breed uitgesponnen versregels tot gevatte, verdichte strofen. Maar deze dichter afkomstig uit de Leiestreek bezit ontegensprekelijk de nodige achtergrond en metier. Zo slaagt hij erin een mooie, omvangrijke bundel samen te stellen. Liefhebbers van het woord zullen in MOEDERSTAD ruimschoots hun hun gading vinden!

MOEDERSTAD, Steven Van de Putte, POD uitgave VZW de Striptomanen, 2018. ISBN 978-94-6266-335-0

(Nicole Van Overstraeten)

Opwellingen in licht, lucht, water


Fotograaf-wereldreiziger Christian Clauwers en dichter-architect Richard Foqué hebben samen een poëtisch-visueel werk tot stand gebracht dat de grootsheid van de natuur en de nietigheid van de mens onderstreept.
Doorheen zijn carrière heeft Clauwers zich ontpopt tot een ware explorateur die, met de camera in aanslag,  alle hoeken van de wereld gaat verkennen en de medemens deelachtig wil maken aan zijn avonturen. Hij wordt daarbij gefascineerd door de grootsheid en schoonheid van golven van licht, lucht en water. Het frêle, ijle en sensueel bewegen en verweven zijn van de elementen.
Het heeft iets tijdloos en filosofisch wanneer we de majestueuze beelden te zien krijgen en het effect die ze op de geest uitoefenen. Het lichtspel in de lijnen van het wiegende water roept oneindigheid op, verlangen naar geborgenheid , strelende zachtheid van leegte, sereniteit.

Wie anders dan de bevlogen Noordpoolreiziger Dixie Dansercoer was bij machte een voorwoord bij dit literair-beeldend werk te schrijven en de lezer mee te nemen naar  deze poëtische en fotografische hommage aan de natuur?
Kunstfilosoof en -historicus Antoon Van den Braembussche legt, in een woord vooraf, de vinger op de existentieel geïnspireerde gedichten van Richard Foqué: Wat gebeurt er wanneer de dichter zichzelf verliest in de adembenemende beelden van deinende golven, in het sprakeloos water van de zee?
Tijdloosheid vult het gezichtsveld, het voelen, het zijn, in de fluisterende woestijnwind en het eindeloze wiegen van het water, als huid van de aarde.
Door het weglaten van de horizon, stelt Van den Braembussche, krijgen de beelden een vreemde soort eindeloosheid/grensloosheid. De tijd staat stil, wordt eeuwigdurend.

II.

Where to begin where to end
where you are is never there.
Worlds drifting eternal waves.

Your fate locked in the only moment
Where life and death are waiting
for the universe to breath.

Directions lost and distance gone
we all are stumbling
on the skin of a wrinkled earth.

De bundel Waves bevat vijfentwintig paginagrote foto’s op de rechterzijde en twaalf  Engelstalige gedichten van Richard Foqué op de linkerzijde, waarbij telkens het eerste vers, als een aparte titel op een afzonderlijke pagina is weergegeven:  I. Dikes in the landscap , II. Where to begin where to end om uiteindelijk uit te monden in de wijdsheid van het  twaalfde gedicht:

XII.
How loud is the sound        
of falling light on frozen sea
praying for the wind to blow

 to bridge the gap between here and there.
Unknown the horizon invincible
the lines drawn to destiny.

                                                                                          So we are sailing into history.
                                   Far away the universe
                                   curving into emptiness.

Om deze lezens- en kijkwaardige bundel wat weerklank te geven,  is er een YouTube-filmpje gemaakt dat een visuele impressie geeft van de bundel. De zeer verzorgde uitgave werd voorgesteld met een tentoonstelling van de foto’s en gedichten in de Antwerpse Gallery Zeberg Fine Art in de maanden november en december 2019.

Waves is een uitgave van (ander)-zijds, 2019, foto’s zijn verkrijgbaar via www.clauwers.com

(Marc Bruynseraede)

Ode aan Rembrandt


Brigitte Spiegeler, dichteres, kunstenaar en advocate, publiceerde in 2019 bij uitgeverij De Knipscheer in Haarlem een fraai vormgegeven tweetalige bundel: Ongeëvenaard/Without equal. Dichter en muzikant Scott Rollins (geboren in New York, sinds 1972 wonend in Nederland) vertaalde de gedichten naar het Engels. De Nederlandstalige versie staat op de rechterpagina, de Engelse op de linker.
Op de cover prijkt een getekend portret van Rembrandt Harmenszoon van Rijn: Zelfportret met de pet. Op de flappen vooraan en achteraan, opnieuw in het Nederlands en het Engels, een introductietekst. Op de achterzijde van het boekje lezen we een fragment uit het gedicht Ongeëvenaard, waarnaar de bundel is vernoemd. Een tweetalig citaat van Simon Schama leidt de bundel in. Achteraan voegt Brigitte Spiegeler nog 21 notities toe, met 17 illustraties in zwart-wit en in kleur: schilderijen, etsen, tekeningen van Rembrandt, kunstwerken die zich niet alleen bevinden in het Rembrandthuis of het Rijksmuseum in Amsterdam, en/of het Mauritshuis in Den Haag, maar ook in belangrijke internationale musea.
Ongeëvenaard/Without equal is een ingenieus opgebouwde bundel. Brigitte Spiegler schrijft een soort biografie, waarbij Rembrandt het woord neemt. Maar ook zijn kat, zijn geliefden en tijdgenoten laten hun stem horen. Zelfs kunstenaars, die eeuwen later het levenslicht zagen, als Vincent Van Gogh en Aat Veldhoen, komen aan bod. De dichteres evoceert in beeldrijke verzen het leven van Nederlands grootste kunstschilder en reflecteert over zijn werk. Haar toon is in direct, helder en toegankelijk. Daarbij schuwt zij humor, emotie en concrete details niet.
Rembrandt noemt zijn zoon Titus een parel die Saskia (zijn eerste echtgenote) achterliet: Titus/ … Zoals je daar nu zit/ guitig en pienter tegelijkertijd/ vertrouwd je zo te zien/ verguld van trots ben ik/ zo’n zoon te hebben/ de parel die Saskia achterliet/ wij zijn aan elkaar gewaagd. Een grappig gedicht vertelt over de jaloezie tussen Geertgen, de babysit en Rembrandts toekomstige bruid Hendrikje: Gekrakeel – wat een man al niet vermag/…Daar kwam Geertgen/ weeuw van en scheepstrompetter/ en het gekrakeel begon/ mijn blinde zucht/ naar troost en warmte/ deed mij alle huisjuwelen schenken aan dit huisverdriet/… gelukkig verscheen Hendrikje/ mijn licht/ aan de horizon van de Breestraat/ Een kattengevecht begon.
Het gedicht Geen ideale vrouw heeft eigentijdse connotaties. Het gaat het hier over het schilderij van de Bijbelse Susanna, gemaakt in 1646: terwijl Susanna een bad neemt, merkt ze dat vanuit de bosjes twee oude mannen haar begluren. Rembrandt realiseerde nog een Susanna in 1647, waarop de twee gluiperds duidelijk te zien zijn. Rembrandt schilderde een vrouw van vlees en bloed, op haar huid zag je nog de afdruk van haar kousen: Ze was het gesprek/ van de dag/ het was toch niet mogelijk/ om een vrouw/ zo lelijk en vlekkig/ te laten zien/ geen perzikhuid prinses/ toch wel verleidelijk… intrigerend erotisch/ in de ogen/ van de mannelijke kijker/ tevens criticus/ en spreekbuis/ anno nu/ zou dat #metoo/  opleveren.

Ongeëvenaard, Without Equal, Brigitte Spiegeler, In de Knipscheer, Haarlem, 2019, ISBN 97890623657827

(Nicole Van Overstraeten)

Het buikje van de kikker


Fraai uitgegeven, met een schilderij van Jus Juchtmans op de omslag. Verlucht met eclectisch beeldmateriaal, van een speels schilderij van William Anthony en foto’s van Cindy Sherman en Jan Landau tot mixed media van Patricia Piccinini - wat inspireerde tot onder meer Engelstalige gedichten in de cyclus Insight. Uitnodigend. Al evenzeer door het motto uit En attendant Godot van Samuel Beckett waar een gezonde ironische zelfrelativering uit spreekt: Vladimir: Tu aurais dû être poète. Estragon: Je l’ai été. Ça ne se voit pas?
René Hooyberghs debuteerde met Rond zijn (De Bladen voor de Poëzie, 1964). Een jaar later verscheen bij dezelfde uitgever Geboren worden. Na een lange stilte vond hij onderdak bij uitgeverij C. de Vries-Brouwers met de bundels Stamboom (2011), Het woord nabij (2016) en zijn recentste publicatie, Het buikje van de kikker (2020), gedichten uit de periode 2017-2019. Net op tijd voor een beroerte me overviel, lezen we in het na- en dankwoord.
De dichter is een observator van de directe Antwerpse omgeving waar hij Uitzicht op heeft: pleintjes, de Pelgrimstraat, café Den Engel, rusthuis Den Oever: De bleke aders nauwelijks/ geborgen in witte sokjes, de stuk/ geslofte pantoffels. God, toon hen/ uw genade, verlos hen van het aardse./ geef hen de geest.
Evengoed verbreedt hij in de cyclus Inzicht de horizon: van het Lago Maggiore, de wilde paarden/ van de Pyreneeën en het grijze strand van Port Soedan tot (…) het land van  de Causse Noir:/ de mensen schaars, stomp als hun vingers,// als hun bomen. Hun honden mager,/ hun schapen dwaas. Slapen doen ze als/ de mistral zwijgt, praten doen zij niet,/ zij snauwen Occitaanse vloeken.
De cyclus werd ingeleid door het gedicht Vogel waar het dichterschap aan bod komt: Het woord is mij ontgaan/ een andere tijdzone tegemoet,/ daar genesteld in een cocon/ van ongrijpbaar welbehagen. Het schemert ook door in het in memoriam gedicht Guy uit de cyclus Afscheid: (…) de dichter kan hoogstens schuim zijn/ aan de oppervlakte van de tijd, het gedicht Paternoster uit de cyclus Schaduw: Ach, natuurlijk, er komt van mij nog/ woord na woord. Ik rijg desnoods/ parels van onzin aan elkaar, een/ paternoster van devoot gebakken lucht en in Afasie (cyclus Licht): Weifelend baant het woord zich een weg/ langs het tumultueuze struikelpad van zelfcensuur.
In het Envoi krijgt de liefde een ereplaats:

JIJ,

die mij beroert in nacht
of nevel of tussen stijf-
gestreken witte lakens,
onbewust als in je droom

je glimlach als een vinger
je beroert, in je wijsheid
al de kracht van je schoonheid.

De gedichten van René Hooyberghs zijn opmerkelijk helder en gebald tegelijkertijd, gegoten in een aanvankelijk vrij klassiek aandoende vorm, waarbinnen hij zijn poëtische kracht strak in de hand weet te houden. Daar is Het buikje van de kikker met zijn 43 gedichten, verdeeld over zeven cycli, eens te meer het hoogstaande bewijs van. 
Een aanrader!

Het buikje van de kikker, René Hooyberghs, Uitgeverij C. De Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2020, ISBN  978 90 5927 438 9

(Roger Nupie)