Voor waar genomen


Beeldend kunstenaar en kunstpsychologe Inge Boulonois schrijft sinds 2000 poëzie. Ze is medewerker van het literaire e-zine Meander en redacteur van Het vrije vers, een platform voor light verse en gebonden poëzie. In 2014 verscheen Heerhugowaardse gedichten, een selectie gedichten uit de periode dat ze Stadsdichter was van Heerhugowaard (2011-2015), een jaar later gevolgd door Lichte en Bonte Gedichten. Na Idioom van geluk (2016) volgde een tweede light verse bundel, Vers gekruid.

Kunstwerken vormden al eerder een inspiratiebron en dat wordt nog eens bevestigd in haar nieuwste publicatie, Voor waar genomen, een bundel met een selectie van dertig gedichten uitsluitend door kunst geïnspireerd. De werken zijn in kleur afgebeeld en daar waar dat eeuwige en ronduit ergerlijk en vervelend gedoe rond auteursrecht roet in het poëtisch eten gooit en de afbeelding daarom niet mocht opgenomen worden, kan het kunstwerk via een QR-code online getraceerd worden.

Na een kunstenaarsatelier op de omslag, anno 1881, opent het beeldend kunstenaaruniversum dat de dichteres inspireerde, heerlijk eclectisch: van de grotschilderijen van Lascaux (ca. 15.000 v. C.) en een mummieportret van de 2de eeuw v. C. tot 21ste eeuwse kunstenaars als Panamarenko, Egon Schiele en Lucian Freud. Van zelfportretten, landschappen en een miniatuur tot stillevens en een compositie van Mondriaan.

De poëtische toon is al even verrassend. Nergens “beschrijft” de dichteres; ze interpreteert, laat haar fantasie botvieren en bezint zich over de kunstwerken. Soms kort en gevat, zoals bij Rembrandts laatste zelfportret (1669): Loodwit/ gele oker/ siena/ omber/ Kasselse aarde/ beenderzwart. en Ready made, Vincent van Gogh (1888): Het is even interessant en even moeilijk/ om iets goed te zeggen als om iets te schilderen.

Het Meisje met de parel van Johannes Vermeer (1665) komt bij Inge Boulonois tot leven in:

Zwijg mij aan. Geef toe/ aan de neiging lang bij mij/ stil te staan. Voor jou kijk ik/ over mijn schouder. Ik ben// schatplichtig aan het licht dat is/ verdeeld als kleur en nimmer opraakt/ aan de luister die het geeft.// Dit ogenblik staan onze pupillen stil,/ zien wij elkaar, elk binnen/ het raam van eigen bestaan./Wie ben jij, wie ik.

Aan de rauwe, vervreemdende sfeer van de vaak genadeloze naakten van Lucian Freud voegt de dichteres de kwetsbaarheid van de naakte man toe:

Naakte man op bed, Lucian Freud (1989)

Wees maar moe, leeg de mailbox
van je hoofd, laat je stoere dag maar
op het eenzaam eenmansbed
uit je vreselijk vleselijke lijf verdampen.

Gegroefd, bestoppeld,
met feestelijke festoenen van ros haar
bepluimd. Bemoedervlekt.

Je lendenen centraal, de liefdesspeer
dommelend. Geen lust
een houding aan te nemen.

Mannetjesputterigheid
verfrommelde tot zwarte sok
die klungelig om je tenen bungelt

in het genadeloze licht
waarvoor jij zelf de ogen hebt bedekt.

Met evenzeer subtiele als gevatte poëtische beschouwingen biedt Inge Boulonois in Voor waar genomen de lezer een boeiende kijk op haar privémuseum. Laat de deuren nu maar opengaan!


Voor waar genomen, Inge Boulonois, Brave New Books, 2021, ISBN 978 94 641 8729 8

(Roger Nupie)

Toen dichters over engelen droomden


Ik hou van korte titels, Karel Wasch blijkbaar niet. Maar dat is eigenlijk niet zo belangrijk, het heeft meer te maken met voorkeuren en die moeten verschillen. Veel van de gedichten zijn gelouterd door een vleugje wanhoop. In een parlandostijl groepeert de dichter 33 gedichten waarin hij vooral filmisch beschrijvend te werk gaat.

Toen dichters over engelen droomden

Marius’ aankomst op mijn stoep, was
wat ik er meestal zo’n beetje van
had verwacht.
Maar ieder ander – bijvoorbeeld de haveloze
schilder Erik – zou geen grotere verrassing zijn dan
wat ik aantrof toen ik
de deur voorzichtig opentrok.
Het was de ongenaakbare dichter
Grotius. Dit maal geheel in het
zwart gehuld, met zelfs een Lavallière
om zijn nek in plaats van een stropdas.
Zijn gedichtbundels
hadden mij de afgelopen jaren – als een wervelwind –
om de oren gevlogen.
We dronken de rode port,
die hij had meegebracht en bedwelmden ons
met deze godendrank.
Jaren ervoor hadden we afgesproken nimmer nog,
nimmer, over iets triviaals of onbeduidends te spreken.
De port werkte nu in ons voordeel.
“Vertel me jouw droom en straks, ben je in de mijne!”
verbrak Grotius de stilte, gevolgd
door die prachtige zachte lach van hem.
Ik vertelde over de grote
toren waar ik plotseling een
sleutel van had en die ik beklom om boven
mijn engel te ontmoeten, die samen met
mij wegvloog hoog boven
de boomgrens, onder het geruis van de zee
en bladerwind.
Hij keek me even stil en
Aandachtig aan.
“Mijn engel raakte mijn voorhoofd aan!” zei
Hij. ”’t Was nog warm toen ik ontwaakte!”
En we zwegen lang in een uitdrukkelijke gelukzaligheid
en verbondenheid, waarna ik hem begeleidde
naar mijn voordeur. zodat ik
hem zag verdwijnen in
het avondlicht, dat karmozijn kleurde.
Liep of zweefde hij? Of was het de rode port?


De nostalgie laat Wasch moeilijk los. Hij herbeleeft wonden en herinnert zich het afzien in al zijn facetten. Bij hem lees ik originele vondsten: een neergestorte piano wordt onderwerp van zijn poëtisch verhaal, idem dito met een zoutvaatje tot zelfs een varken in ontbinding. Of hoe deze schrijver alles in zijn poëzie probeert te betrekken. De gedichten leunen sterk aan bij een soort van miniverhaal. De dood, in al zijn varianten, is in deze bundel sterk aanwezig. Ook de nacht is een geliefkoosd decor. De auteur maakt geregeld bruggen naar zijn persoonlijk verleden. In enkele gedichten zijn de versregels en het rijm wat te geforceerd, jammer. Wasch heeft weinig attentie voor vormvereisten. Hij schrijft ongebonden. Hij houdt er wel van om zijn gedicht te laten groeien tot een pointe. De vraag mag gesteld worden of Karel Wasch nu een dichter is, een verteller of een symbiose van de twee? In elk geval lezen we vaak mooie beelden zoals: De regen was gestopt en druppels dropen nog in zigzagbeekjes langs de vensterruit. Maar wat te doen met: Zelfs van achteren zag hij er hopeloos uit en bedroefd? Toen dichters over engelen droomden is globaal een bundel in evenwicht.

Toen dichters over engelen droomden, Karel Wasch, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2021, 978-94-93214-42-2.

(Frank Decerf)

Sanguines


Slechts kort na het verschijnen van Gevonden Voorwerpen, die ongewone verzameling opstellen rond alledaagse vertrouwelijke dingen, die elk van ons omringen, publiceert Frans August Brocatus zijn zevende dichtbundel Sanguines.

Sanguines heeft in het Frans meerdere betekenissen. Het staat voor een roodkrijttekening maar ook voor bloedsinaasappel, bloedsteen, roodijzererts. Maar alle betekenissen verwijzen naar de kleur van bloed, van leven. Alleen reeds deze meerduidigheid in de titel intrigeert, zeker als je ook nog merkt dat in sanguines het woord ange/engel verborgen ligt, nog eens extra benadrukt in de opmaak van de kaft. Maar er is meer dat deze bundel zo bijzonder maakt. Het is de merkwaardige symbiose tussen inhoud, vorm en structuur.

De indeling bestaat uit vijf cycli, die de totale structuur van de bundel dragen. Vier korte cycli van telkens vier gedichten: 1. Haar lichaam, 2. Engelen, 4. Landschappen, 5. Zijn lichaam. De middelste derde cyclus Sanguines vormt met zijn 24 gedichten de hoofdmoot. Maar eigenlijk vloeien de cycli in elkaar. Bij de bespreking van Gevonden Voorwerpen wees ik reeds op het bipolaire standpunt van de auteur: de buitenstaander, die beschouwend naar binnen kijkt maar tezelfdertijd van binnenuit zijn gevoelens en herinneringen evoceert.

In Sanguines wordt dit extreem doorgetrokken: standpunten wisselen voortdurend, hij vervloeit in zij en wordt één persoon. De dichter benadrukt dat nog in de structuur van zijn gedichten zelf. De derde cyclus, die eigenlijk uit 12 ‘koppel- gedichten’ bestaat is daarvoor exemplarisch. Het eerste gedicht beschrijft telkens een waarneming of handeling, het tweede het gevolg van die handeling als vaststelling. Bijvoorbeeld gedichten III en IV. In III: Hij leest voor haar rozen en tulpen / in een tuinprieel, ziet hoe zij luistert / zoals alleen zij naar tulpen en rozen // kan luisteren. In IV: Er is een tuinprieel op de kanteling // van lente en zomer. Kleuren worden / in lenzen gevangen. Zijn stem wordt // roder en bloost in tulpen en rozen.

Door de herhaling van begrippen en woorden binnen een veranderende context wordt deze bipolariteit nog versterkt. De ganse bundel is op die wijze zeer meticuleus opgebouwd. De dichter voert de lezer door een soort droomlandschap, aaneengeregen geheugenflarden en beelden, die opdoemen, verdwijnen en dan weer samenvloeien met anderen, zoals droombeelden dat doen. Het doet denken aan Le Grand Meaulnes van Alain Fournier. Het nostalgisch terugdenken aan een onbereikbare geliefde, maar die altijd aanwezig is gebleven. De onbestemde en magische sfeer van voorbije tijden en de vergankelijkheid van het leven. Het ongrijpbare en eeuwige vrouwelijke dat de hij-figuur wil vasthouden, maar hem telkens weer ontglipt: Hij kerft met een jongensmes / haar naam op heuphoogte, vraagt / het meisje aan die boom van vroeger // haar naam letter na letter te spellen / in de stam. Hij verjaagt de kraaien, / de buizerds met vonkende ogen.

De permanente juxtapositie tussen de hij en de zij, haar lichaam en zijn lichaam, het wisselende standpunt, de dichter laat het ineenvloeien en in de tweede cyclus bezegelen met het teken van de beschermengel. Je weet als lezer niet meer wie wie is.

Met Sanguines levert Frans A. Brocatus andermaal een klein meesterwerk af, dat zeldzaam uitsteekt in het hedendaagse vaak banale poëtische landschap.


Sanguines, Frans August Brocatus, Poëzie-uitgeverij WEL, Bergen op Zoom, 2021, ISBN 90-6230-103-7

(Richard Foqué)

Geen kleefkruid maar verdwenen verbinding


Duo-dichtbundels waarbij twee dichters met elkaar in dialoog gaan op basis van bijvoorbeeld woord en wederwoord zijn zeldzaam maar niet ongewoon. Dat een dichtende moeder (Astrid Arns) en haar dichtende dochter (Jana Arns) zich daaraan wagen is ongetwijfeld uitzonderlijk. We merken trouwens een  stilistische en inhoudelijke verwantschap tussen deze twee dichters – waarmee ik niet heb gezegd dat er geen verschillen zouden zijn. Uit vorig werk blijkt dat hun gedichten in particuliere (levens)verhalen worden geïmplementeerd. Nooit worden die verhalen expliciet: ze worden versluierd waardoor het anekdotische wat wordt opgeheven. Die verhalen lijken dan spiegels waarin lezers in die verdichte flou eigen trekken en verhalen kunnen herkennen. Typerend voor beiden is dat ze zichzelf niets wijs maken: hun poëzie brengt geen illusies in beeld. Existentieel gesproken houdt hun poëzie de voeten flink op de grond. In hun gezamenlijke publicatie In welke vrouw ik leef is dat niet anders.

De bundel is opgedeeld in zeven cycli, onderbroken door een tiental rudimentaire mails die een idee moeten geven over het ontstaansproces van deze gedichten. Het boek wordt voorafgegaan gegaan door een citaat van Nietzsche: Vallen we niet aan een stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op. Dit omschrijft passend wat er in deze bundel aan de hand is: in de halfslaap van deze gedichten (die zich tijdloos situeren tussen realiteit en verschijning) lijken de (uit een onverwerkt verleden?) opduikende personages (grootouders, vaders, moeders, dochters, partners) door elkaar heen te lopen en samen te vallen. Wie is de moeder? Wie is de dochter? In welk van beiden leeft de vrouw?  Ik lees er een soort verweer tegen opgelegde rolpatronen in. Het heeft geen naam hoe moe ze is luidt een titel (tevens titel van een cyclus). Klinkt in die ‘moe’ niet het woord ‘moeder’ door?

Het is moeilijk om uit de gedichten te citeren omdat deze duo-bundel thematisch veelzijdig uitvalt. Terzijde komen bijvoorbeeld medische zaken ter sprake. Therapeuten, doktersbriefjes, medicatie. Astrid mailt haar dochter: Het is geen gemakkelijk gedicht als je niet weet wat er aan de hand is. Elders noteert Astrid in een gedicht: Taal is geen kleefkruid maar verdwenen verbinding. Dat is een vaststelling die voor de hele verzameling geldt: er is een storing op de lijn. Een bedrading werd slecht gelegd. Er is iets dat onuitgesproken blijft. Omdat het niet kon of mag uitgesproken worden? Het is nu net die ‘verdwenen verbinding’ die sommige gedichten een pregnant karakter verlenen en de eerder benauwende sfeer ervan uitmaken: Ik loop met mijn dochter door de slapende straat? / Het zwart sluit de toegang af  Bij momenten klinkt er zelfs iets elegisch in door. Gedichten met rouwranden. Ook wat zure ironie laat zich aanvoelen. Geen olijke bundel, vind ik. Wel een ijzersterke duo-bundel waarin de deuren slechts op een kier openstaan en die de lezer enkel veel kan doen vermoeden. Wat onscherp blijft, ben ikzelf. 

In welke vrouw ik leef – Astrid & Jana Arns, uitgeverij P, Leuven, 2021 ISBN 978-94-93138-39-1

 (Alain Delmotte)

Het eiland


Michiel van Kempen (1957) is docent Nederlands en bijzonder hoogleraar Nederlands – Caraïbische literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij ontving voor zijn werk onder meer de ANV Visser Neerlandia Prijs. Als schrijver publiceerde hij onder andere bij Uitgeverij In De Knipscheer Landmeten (verhalen, onder het pseudoniem Winston Leeflang, 1992), Plantage Lankmoedigheid (roman, 1997), Het Nirwana is een lege trein (reisverhalen, 2001), Pakistaanse nacht en andere verhalen (2002), en Wat geen teken is maar leeft (gedichten, 2012)

Zijn nieuwe dichtbundel opent met het titelgedicht Het eiland, gevolgd door 5 cycli: Eilanden, Stupor Mundi, Efemeer, Genen en Verzoeke geen rouwbeklag. Hij kiest er voor om al zijn gedichten een titel te geven. Als je die allemaal achter elkaar zet trekt hij je mee in een bijzondere wereld. De proef op de som: Het eiland, Van Tilburg, Röntgen, Germaine in Suriname, Zwart wit, Transmigratie, Ver, Elisabeth Bas, Daar en hier, Kerstklas, Donkere kamer, Verlanglijst, Cement, Basiliek, Boter, Beloken, Rond, Groot Circus H&L I, II, Over spel, Daar sta je dan, Zal ik zal ze, Kortom, Ja dan, Twee huizen, Laatste gang, Strijklicht, Parlemour, Ben zo terug (voor mijn moeder 1922-2011), Krant (voor mijn vader, 1920-2015), Redeloos (voor Orlando Emanuels 1927-2018), Schuimkraag (voor Piet Simons 1923-2018), Meester (voor Erwin de Vries 1929-2018), De boom is gevallen (voor Michael Slory 1935-2018), Tenzij (voor Bhai James Ramhal 1935-2018), Kwatrijn (voor Shrinivasi 1926-2019), Calonia (voor Bea Vianen 1935-2019) en Hè? (voor Eugène Chateau 1926-2019).

Michiel van Kempen is een dichter die je meteen, met huid en haar, in zijn gedichten trekt. Het zijn vaak kolkende, betoverende stromen, die je nauwelijks tijd geven om adem te halen. Geuren, kleuren, mensen, dieren en landschappen wisselen elkaar in een hoog tempo af. Hij maakt spaarzaam gebruik van interpunctie. Stilstand is geen boodschap, zeker niet bij een eerste lezing. Hoe dan ook nopen de gedichten tot lezen, herlezen. Altijd is er iets nieuws, een andere invalshoek te ontdekken. Onder de beschrijvingen gaat een diepere, intrigerende wereld schuil. Soms stelt de dichter heel kort vast:

Röntgen

Door het hoofd van Bonaire heen straalt de vogel
die heel oud-koloniaal hier zijn voedsel haalt.
In samengedrongen zoutkegels is het goed snavelen
en bij al die witheid is zijn rood bijna gewelddagig.
Maar het oud rumoer snatert voort in nieuwe debatten
en in de pannen roeren de smaakmakers zich als vanouds.


In de cyclus Verzoeke geen rouwbeklag bundelt hij acht gedichten gewijd aan gestorven dichters en schrijvers. De cyclus Efemeer die deze cyclus voorafgaat sluit hij af met een in memoriam gedicht voor zijn moeder en één voor zijn vader. Subtiel. Het geeft deze gedichten een andere plek die je (nog) dichter brengt.

Het gedicht Krant (voor mijn vader 1920-2015) sluit op een veelzeggende manier af:

….
En zo heeft hij mij na jaren toch geleerd:
Verdriet verdampt niet,
verdriet legt zich neer in je ziel.

Onderhuids, indringend en onweerlegbaar.



Het eiland en andere gedichten, Michiel van Kempen, In De Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 978 90 6265 796 4 NUR 306

(Frans August Brocatus)

Cijfers liegen niet


Een ver-ruk-ke-lijk boek vind ik Cijfers liegen niet van de Canadees Vaclav Smil, een wetenschapper die lang verbonden was aan de Universiteit van Manitoba. 71 dingen die je over de wereld moet weten luidt de ondertitel. Het boek staat boordevol interessante en leuke lijstjes en wetenswaardigheden. Bijvoorbeeld het wereldrecord levensduur voor mensen. Dat staat op naam van de Française Jeanne Calment, die in 1997 op 122-jarige leeftijd overleed. Twee jaar later stierf de op een na oudste supereeuweling in de leeftijd van 119 jaar en sindsdien is niemand meer ouder geworden dan 117.

De langste mannen leven in Nederland, België, Estland, Letland en Denemarken. Wat ik nu zo vreemd vind is dat de Top 5 van ‘leveranciers’ van de langste vrouwen niet, hetgeen ik verwacht had, dezelfde is. Neen, de langste vrouwen komen uit Letland, Nederland, Estland, Tsjechië en Servië. Ook dat gegeven wist Smil in een lijstje te vatten.

Aardig ook hoe Smil vaststelt hoe het Verenigd Koninkrijk anno nu verder gedeïndustrialiseerd is dan Canada, historisch gezien het minst industriële land in het Westen: in 2018 was de maakindustrie goed voor 9% van het Britse bbp, in Canada voor 10 en in de VS voor 11%. Het lijstje industriële grootmachten bestaat uit de onverwachte koploper Ierland (32%), China (29), Zuid-Korea (27), Duitsland (21) en Japan (19).

Smil tekent ook uit dat Japan in de problemen gaat komen omdat het huidige inwonertal zonder immigratie (waar Japanners tegen zijn) in 2050 nog slechts uit 97 miljoen mensen bestaat, tegen nu nog 127 miljoen. Smil vraagt zich af wie over drie decennia in het land van de Rijzende Zon de uitgebreide en efficiënte transportinfrastructuur gaat onderhouden, of de miljoenen ouderen gaat verzorgen: In 2050 zullen er meer mensen van boven de 80 zijn dan kinderen.

Aardig is ook ’s mans overzichtje van de levensduur van recente (Hij laat hierin Elam, de grote Egyptische koninkrijken en het Romeinse rijk buiten beschouwing) rijken en dynastieën, die hij zo zorgvuldig mogelijk dateert: Het Spaanse Rijk (1492-1810) hield het 318 jaar vol, het Britse (1605-1947) 342, de Qing-dynastie (1644-1911) 267, het Amerikaanse ‘rijk’ (1898-1975) 77, de USSR (1917-1991) 74, het Japanse (1931-1945) 14 en het Derde Rijk (1933-1945) 12. Communistisch China houdt het al 72 jaar vol en lijkt alleen nog maar machtiger te worden.

Interessant is ook Smils terugrekenen. De informatieopslagmogelijkheden zijn vandaag de dag quasi onbeperkt, maar hij herinnert er aan dat er een tijd is geweest dat informatie nog volledig binnen de menselijke hersenen was opgeslagen, een tijd waarin barden urenlang uit hun hoofd konden vertellen over oorlogen en overwinningen. Het begon met het spijkerschrift: een kleitablet bevatte het equivalent van een paar honderd bytes. Een tragedie van Aeschylus omvatte er reeds 300.000 en een grote verzameling tekstrollen in een bibliotheek in het keizerlijke Rome bevatte al gauw 100 megabytes….



Cijfers liegen niet – 71 dingen die je over de wereld moet weten, Vaclav Smil, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2021, ISBN 9 789046 827666

(Bert Bevers)

Wat de poëzie van Yves Namur doet


Hoort het om nog zo oneindig veel
Te zeggen

Om dingen te zeggen die ons helpen

Het oord te betreden
Waar we niets weten te zeggen of bijna?


Tot zover een fragment uit het openingsgedicht van Wat ik mogelijk heb gedaan, de eerste bloemlezing in het Nederlands met werk van de Frans-Belgische arts, uitgever en dichter Yves Namur (geboren in Namen!). Zijn poëzie werd meermaals bekroond, met o.a. de Prix Jean Malrieu (1992); de Prix Tristan Tzara én Prix Littéraire du Parlement de la Communauté Française (respectievelijk 2004 en 2005), de Prix Mallarmé (2012) en voor zijn gehele oeuvre met de Prix International Eugène Guillevic (2008).

Er duiken meermaals vraagtekens op in zijn werk, en veel - soms dubbele - witruimtes tussen de regels. Veel wordt in vraag gesteld in deze ‘denkende poëzie’ en tegelijkertijd gerelativeerd. Maar jij, dichter van het petieterige en het nietige,/ Zul je op een dag waarlijk weten wat te leven is,// Eindelijk te leven buiten het gedicht? Of, uit dezelfde bundel, De droefenis van de vijgenboom: Maar wat kan een eenvoudig man/ Als ik vandaag in de regen doen,// Een man als zoveel anderen,// Die enkel wanhopig kan kijken naar de twijfel/ En de vreselijke schoonheid van de dingen? Niet toevallig kreeg het gedicht dit motto van Fernando Pessoa mee: Het raadsel van de dingen, waar is dat?

De zoektocht naar dat raadsel is het hoofdthema in het werk van Yves Namur, waarbij hij het ik, de ander, de werkelijkheid en de draagsteen van de poëzie, het woord zelf, in vraag stelt: Bestaat het woord waarlijk in de wereld? Of: Misschien is het dat/ Wat we woord noemen,// Een ruimte die bestaat uit grote afwezigheden. En wat is de draagkracht van de stem de dichter in dit alles: de echo van iets van niets?

Wat kun je verlangen van de tijd

Wanneer de tijd niets anders kan zijn
Dan de tijd?

Wat kun je verlangen
Van de spinster van de tijd,

Wanneer ze niets anders kan spinnen
Dan zijde en tijd?


Wat kun je verder verlangen van mijn stem
En de echo van mijn stem,

Wanneer mijn stem niets anders kan zijn
Dan de echo van iets van niets?


De Franstalige poëzie uit België - en misschien wel de Franstalige poëzie tout court - is te weinig bekend bij de Nederlandstalige lezer. Uitgeverij Vleugels is dan ook een welgekomen aanvulling: het fonds van hun ‘Franse reeks’ is bijzonder interessant. We mogen Jan H. Mysjkin - die voor een mooi lopende vertaling zorgde en in zijn boeiende nawoord Namurs dichterschap onder de loep neemt - dankbaar zijn dat we deze schitterende poëzie hebben mogen ontdekken.

Tot slot nog deze bedenking: Ik stel me vragen// En soms vraag ik me af wat te doen/ Als het plotseling zou gaan regenen in het gedicht.


Wat ik mogelijk heb gedaan, Yves Namur, vertaling en nawoord Jan H. Mysjkin, Uitgeverij Vleugels (Franse reeks), Bleiswijk, 2021, ISBN 978 94 93186 29 3

(Roger Nupie)



Een mensenkind in niemandsland


De Surinaamse dichter Jit Narain schrijft in het Sarnámi en het Nederlands. Veel van zijn gedichten zijn door hemzelf in het Nederlands vertaald en andersom. Sarnámi is de taal van de Surinaams-hindostaanse gemeenschap, de nakomelingen van de contractarbeiders die uit het toenmalig Brits-Indië naar Suriname zijn gemigreerd. Ontstaan uit een aantal regionale talen van India werd het lang als een volkstaal zonder prestige beschouwd.

Door het verbod op de slavenhandel (1814) kozen de plantage-eigenaren voor 'contractarbeid'. De immigrant verliet zijn land van herkomst - al dan niet uit vrije wil - om veld- of fabrieksarbeid te verrichten. De manier waarop deze contractarbeiders werden tewerkgesteld en behandeld had maar al te veel gelijkenissen met slavernij.

Dat Jit Narain in het Sarnámi schrijft is geen toeval, maar een bewuste keuze: het is de taal van de contractanten en hun nakomelingen en hij wil die taal voornaam, klassiek maken. Ik wil aan deze taal onvergankelijke waarde verlenen.

(…) denkend aan grootvader/ herinner ik mij zo veel/ wat ik niet kwijt kan raken/ mijn deel is vereeuwigd/ wijst mij de weg// hoeveel van deze oude helden/ zijn gestorven/ hun werk verricht/ zonder taal of teken achter te laten// in het zweet/ van de contractarbeiders/ roeien vandaag/ zovele Surninamers/ in hun stroom/ zonder enig teken/ wat moet ik zeggen/ van hun doen/ en laten/ hun werk/ en hun gedachten

De tweetalige bloemlezing (Sarnámi / Nederlands) Een mensenkind in niemandsland bevat een keuze uit tien bundels die tussen 1977 en 2019 verschenen, voorafgegaan door een verhelderend voorwoord. Iets van de gemengde gevoelens van de dichter die geregeld heen en weer reisde tussen Suriname en Nederland vinden we terug in dit gedicht uit een bundel met een al even veelzeggende titel: Wie wil wonen op de oever waarom koerst hij naar de zee:

contractarbeiders zo talrijk dankzij de ronselaars
wat is u niet overkomen, hoeveel houdt de sluier niet bedekt

het bloed bruist ’t lichaam scheurend omhoog
deze oever is niet goed voor mij, de andere voelt vreemd
soms barst ’t innerlijk soms breekt ’t hart

als een graat in de keel blijf ik in Holland hangen, mijn ziel doolt
wat heb ik door uw geschiedenis geleerd

met het vuil van de Hollanders drijf ik weg
spartelend onder die sluier, neus dicht voor de stank

Narains’ poëzie is veelzijdig: van verhalend en analyserend tot denkend en filosofisch. Terugkerende thema’s zijn de aarde - Narain is naast huisarts ook landbouwer - die al dan niet voor de geboortegrond staat, en het lied. Zijn lyrische en muzikale gedichten lenen zich ertoe om gezongen te worden, wat de dichter ook doet bij optredens.

Tussen de woorden is het stil is de titel van een van zijn bundels. Wij worden als lezer stil van bewondering bij deze kennismaking met het werk van Narain.


Een mensenkind in niemandsland, Jit Narain, samenstelling Michiel van Kempen & Effendi Ketwaru, inleiding Satya Jadoenandansing & Geert Koefoed, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, april 2021, ISBN 978-94-93214-23-1

(Roger Nupie)

Mondjesmaat


Vera Steenput publiceerde onder meer in Het gezeefde Gedicht, Meander, De Schaal van Dighter, Poëziekrant en het kunstboek Hellebosch. Zij bracht in eigen beheer twee bundels uit, Orgelpunt (2017) en Mondjesmaat (2020). De titel van de laatste is voor tweeërlei uitleg vatbaar: ‘in kleine hoeveelheid’ en ‘mondvriendin’, als variatie op ‘hartsvriendin’. De bundel bevat een vijftiental gedichten, die ‘snoep’ tot onderwerp hebben. Vera laat zich daarin zonder omwegen kennen als een onverbeterlijke snoep-fanate.

Je deelt een snoepje en je vijand wordt een vriend/die vanaf nu alleen nog zoete woorden praat/ en samen met het snoepje slechts jouw lippen dient// Een snoepje biedt vertrouwen, troost in overmaat/ ’t Is waarom snoep voor mij een ereplaats verdient/ want ja, een snoepje is de beste mondjesmaat.

Zo luidt het in het openingssonnet. In deze fraai vormgegeven uitgave worden de gedichten afgewisseld door illustraties van allerhande snoepgoed of suikerwerk, waaronder reproducties van oude meesters. De lezer wordt ingewijd in een zoete wereld, die vermag troost te bieden, genot te verschaffen en nostalgische herinneringen op te roepen. En passant wordt zijn vocabulaire uitgebreid met benamingen als: cuberdon, neuzeke, beertjes, guimauve, nonnenscheet, sneeuwbal, napoleon, zure matten, smoelentrekkers, mokatine, arabier en maskesvlees. Onbekommerd laat Vera de term negerzoen vallen. De geneugten van het snoepen wordt ervaringsdeskundig en verleidelijk uit de doeken gedaan.

Loom ontrolt een rode/ loper kleverig zoet, verdooft mijn spreken./ Door deze omhelzing ben ik even van de wereld.

Het gaat in dit geval over de cuberdon, die ik na deze plastische beschrijving onverwijld wilde uitproberen. Soms is de toon een beetje treurig. Zoals in Kolonie 1965. Over een jongetje dat door zijn moeder op kinderkamp wordt gestuurd, geen aansluiting vindt en als enige genieting moet terugvallen op zijn babeluten. Of Beertjes:

Zeven beertjes in een blik/ wachten op een kinderhand.

Iedere dag van de week komt er een beertje aan de beurt om geconsumeerd te worden.

Beertje Zondag zo charmant/ is de laatste in het blik,/ wacht geduldig op de klik/ maar er komt geen kinderhand.

Zelfs in deze wereld van honingzoet genot maakt Vera ruimte voor bitterzure kritische uithalen. Zo speelt zij in Hostie met de dubbelzinnige betekenis van de term, zowel snoepje als het lichaam van Christus, waarop zoals bekend niet gebeten mag worden, op straffe van het hellevuur.

Nu denk ik na over het lot,/ hoe alles is verlopen./ ik breek de hostie open/ en proef een zure god.

Aan staatslieden van slechte wil:

u wandelt koket door de gangen, berekent uw kans/ en speelt met de wetten van dit land// Maar nooit/of nooit/of nooit/rolt u/beschaamd/uw zure matten.

In de Epiloog vinden we een bladzijde uit het Eetdagboek van de dichteres. De hele dag houdt zij zich angstvallig aan haar strenge dieet, om tegen elven, in het zicht van de haven, jammerlijk te stranden.

1 kilo witte pralines van Leonidas mét een noot/ 00u00: gouden doosje in de vuilbak/ morgen opnieuw


Mondjesmaat, Vera Steenput, Uitgever Vera Steenput, Dendermonde, 2020, ISBN 9789464000894

(Will van Broekhoven)


Oplichtend poëtisch universum


Hannie Rouweler debuteerde in 1988 met de dichtbundel Regendruppels op het water (Uitgeverij De Beuk, Amsterdam). Met haar stelregel Poëzie ligt op straat, voor het oprapen zijn er maar weinig onderwerpen die voor de dichteres geen inspiratie bieden. Ze schrijft veel en vaak - Universum / Universe is haar 40ste dichtbundel. En dan zijn er nog enkele andere dichtbundels, vaak in samenwerking met buitenlandse poëten. Ze publiceerde tevens enkele korte thrillers, vertaalt en runt vanuit haar thuisbasis Leusden de uitgeverij Demer Press.

Sinds geruime tijd vertaalt ze haar gedichten meteen ook naar het Engels. Universum / Universe is dan ook een tweetalige uitgave: 32 gedichten in het Nederlands, met de Engelse versie telkens op de rechterpagina. Rouweler schildert ook: op de cover een abstract werk met dezelfde titel als de bundel.

De bundel opent met een knap gedicht opgedragen aan dichter, bloemlezer en vertaler Menno Wigman (1966-2018):

De goden namen je te jong

Je bent dieper in de voetstappen getreden
van je geliefde dichter Baudelaire
dan goed was. Te jong gestorven te midden
van je eigen taalbouwsels en gedachten
vaak clair obscur en relativerend met een ondertoon
die soms een glimlach voorstelde
meestal als verwrongen taal.

Ik mis je. Ik mis je in de taal die overgebleven
is in ons land
de kale oevers ontdaan van hun weelderig gewas.

(voor Menno W, overleden 1 februari 2018)


Universum / Universe bevat een vijftal gedichten waarin de liefde centraal staat: Hij is niet verliefd op de vrouw die hem/ begeert hij is verliefd op de liefde/ tot razernij hem naar het slagveld voerde/ en hij terugkeerde als een gewonde soldaat/ die verzorgd moet worden in een hospitaal/ voor hopeloze verliefden. (De liefde en de razernij). Voor de liefde blijft weinig ruimte over/ dan het bezingen van al wat verloren ging/ en nog een enkel spoor zich laat raden/ in het gekleurde glas van de tijd. (Over liefde). In Valentijnsdag 2021 is de toon milder: Jij zet mij weer op de kaart/als ik door glas naar jou kijk,/ of de foto in de hand neem en de glans/ ervan streel onhoorbaar en onzichtbaar/ voor anderen. Dit alleen tussen jou en mij

Daarnaast zijn de natuur, jeugdherinneringen, reizen, de poëzie zelf ook in deze bundel vaste Rouweler thema’s, evenals de taal: Het is de opening, de onbeschermde vlakte in luwte van hoge bomen die ineens wegvallen. De pijn, het onverwachte, het blinde zien. Dit alles in het teken van de vrijheid: Vrijheid is met losse vingers op een laptop tikken/ waarbij je kunt fantaseren wat je wilt.

De dichteres die wel eens beweert dat ze schrijft met de snelheid van het licht omschrijft haar gedichten als vogels en soms weet je niet meer waar ze zijn... Het is voor de lezer een aangename geruststelling dat ze onderdak hebben gevonden in deze sterke en gevarieerde bundel - een meerstemmigheid die voorbij grenzen gaat.

Universum / Universe, Hannie Rouweler, Demer Press, Leusden, 2021, ISBN 978-1-6671-6407-6

(Roger Nupie)

Geen exit, maar een blijde intrede


De romans en verhalenbundels van Annel de Noré verschenen al eerder bij Uitgeverij In de Knipscheer, en dat ging niet onopgemerkt voorbij. Haar debuutroman De bruine zeemeermin (2000) werd omschreven als het beste Caribische debuut sinds Bea Vianen en Astrid Roemer. De verhalenbundel Vers vlees oud bloed werd genomineerd voor de Halewijnprijs 2017 en ook de 540 pagina’s tellende roman Lambarosa (2019) scoorde niet min: Zo beeldend en weerzienwekkend beschreven dat je het boek niet kan wegleggen. (…) Als lezer word je beloond met een boeiend en complex web van emoties, metaforen en vragen over het leven. (Estefanía Pampín Zuidmeer). Ezra de Haan: Annel de Noré voegt met Lambarosa een schitterende roman toe aan de wereldliteratuur. De verwachtingen voor de Noré’s poëziedebuut zijn dan ook hooggespannen.

Exit bevat 50 gedichten met een sterk verhalend karakter die (vaak) wat klassiek aandoen: strofen van niet alleen evenveel regels maar ook met eenzelfde regellengte en hier en daar ontbreekt ook het rijm niet. Maar laat je als lezer niet misleiden; in een aantal gedichten legt ze dat klassiekerige dan weer naast zich neer. Annel de Noré goochelt met taal die ze probleemloos uit verschillende codes en registers laat opduiken. De muzikaliteit en het woordplezier spat er bij momenten vanaf en dat alles levert intrigerende poëzie op. Dat ze met het gedicht Koudvuur in 2019 de Guido Gezelle gedichtenwedstrijd naar aanleiding van diens 120ste sterfdag won lijkt dan ook geen toeval. De eerste strofe van dit gedicht:

Kano, zeilboot, plezierjacht had hij kunnen zijn
rode, sprankelende wijn in een glas van kristallijn
robijnen om mijn oren te sieren; een feestjurk:
gelaagd decolleté om ’s nachts feest in te vieren
bikini, hotpants, een lot uit de miljoenenloterij
kabbelgolven op de kale dag; mijn lachstimulus
de Klaagmuur voor mijn onuitgesproken klacht
gitaargetokkel in lome stilte; drum in de nacht
brandweer in seizoenen van verzengende kilte.


Het openings- en titelgedicht Uitgang/Afgang/Exit is ogenschijnlijk een van de meer direct toegankelijke uit de bundel. Het geeft meteen een beeld van hoe ze wat ze ziet en hoe ze denkt verwoordt:

Wanneer je straks weer eens weggaat
zal ik je uitwuiven vanachter de tralies
en verblind zien dat de zon ondergaat.

Later als je weerkeert of thuis arriveert
door de deur die je altijd zelf opendoet
ruik ik zonneklaar gelijk een hond haar.

Tot slot nog één gedicht: Als ik dood ben: Je mag me begraven/ of cremeren/ zo je wilt/ mijn familie condoleren/ stuur bloemen/ doe gewoon een krans/ brandnetel, onkruid/ het maakt mij/ dan/ noodgedwongen/ dood en op/ voor het eerst/ niets meer uit. // Geef nu geen woorden/ van je valse verstand/ reik me geen hand/ laat me met rust/ ik ben anders/ te duidelijk/ in de rouw.

Annel de Noré wist al te overtuigen met haar proza; met haar blijde intrede als dichteres doet ze dat evenzeer.


Exit, Annel de Noré, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 978 94 93214 26 2

(Roger Nupie)

Een oude liefde


Een geschiedenis van kat en mens in de Lage Landen
. Dat is de ondertitel van Zat het snor?, het verhaal van de kat in haar omgang met de mens gebaseerd op onderzoek in middeleeuwse bestiaria, dag- en reisboeken, gedichten, filosofische en theologische traktaten, inventarissen, krantenartikelen, romans, beeldende kunst en wetteksten door Erik Aerts, emeritus professor economische geschiedenis aan de KU Leuven.
Het boek is geen gids met tips over de kat als ideale huisgenoot, en evenmin leert de lezer er iets uit over de biologische evolutie van het dier. Vanaf het eind van de zeventiende, maar vooral sedert de achttiende eeuw begonnen filosofen, kunstenaars, wetenschappers en gecultiveerde burgers met andere ogen te kijken huisdieren en dieren in het algemeen en doken er twijfels op over de menselijke superioriteit in de natuur. De Franse mediëvist Robert Delort (met zijn Les animaux ont une histoire) en de Britse cultuurhistoricus Keith Thomas (met Man and the Natural World. Changing Attitudes in England 1500-1800) brachten die ontwikkeling in 1983 al kaart. Aerts doet zulks nu als eerste in het Nederlandse taalgebied.
In het oude Egypte was de kat een quasi heilig dier, dat ernstig werd vereerd. De Romeinen voerden katten mee ter bescherming tegen muizen en ratten die de graanvoorraden aanvraten. Grosso modo is de band tussen kat en mens altijd een warme geweest, al geeft Aerts ook duidelijk aan dat in de middeleeuwen de kat (met name de zwarte) lang een kwalijke reputatie had als een van de gedaanten van de duivel en ook dat onze felis silvestris catus zijn leven niet zeker was in tijden van hongersnood omdat hij dan zelfs werd gegeten.
Het boek omvat vijf hoofdstukken: Nut boven alles. De functionele kat, Duivel en heks. De diabolische kat, De verbeelding aan de macht. De imaginaire kat, Overleven op straat. De gekwelde kat en De warmte binnenskamers. De gekoesterde kat. Een groot compliment dient te gaan naar de moeite die Erik Aerts heeft genomen om zijn boek zo rijk mogelijk te stofferen met relevante emblemata, grafiek, schilderijen en tekeningen.
Wanneer je door deze uitgave bladert wordt het duidelijk dat de kat in de loop der eeuwen welhaast een der vaakst afgebeelde dieren in de kunst is. Door de aandacht die Aerts erop vestigt valt het dier ook in schilderijen die je goed dacht te kennen nu pas voor het eerst echt op, zoals in werken van Jheronimus Bosch, Nicolaas Maes en Jan Steen. Maakte dankzij Aerts’ werk voor het eerst kennis met de fraaie pastel De zwarte kat van ene Louise De Hem, te zien in het Yper Museum in Ieper.
Zat het snor? is om kort te gaan niet alleen een genoegen om te lezen, maar beslist ook een genot om te bekíjken. Uitgeverij Sterck & De Vreese heeft veel aandacht besteed aan de vormgeving en er een wonderschoon boek van gemaakt.

Zat het snor? – Een geschiedenis van kat en mens in de Lage Landen, Erik Aerts, Uitgeverij Sterck & De Vreese, Gorredijk, 2020, ISBN 9 789056 155896

(Bert Bevers)

De roeivlucht van Mark van Tongele


Mark van Tongele studeerde geneeskunde, maar wijdde zich na een ernstig ongeluk aan het schrijven van teksten voor diverse film-, video- en multimediaprojecten en… poëzie. Hij debuteerde in 1980 met de dichtbundel Over leven en dood en besteedde in een Open brief aan een jonge dichter (gepubliceerd in het literaire tijdschrift Yang) als eerste aandacht aan digitale poëzie, en dat in 1984, toen de computertijd nog toekomstmuziek was.

Volgens Paul Demets is van Tongele ‘de componist met het ruimste klankregister onder de Vlaamse dichters’. Yves T’Sjoen is niet minder lovend, hij omschrijft de dichter als ‘de ontwerper van een inmiddels imposant taallichaam dat de afgelopen jaren in een serieel verband is gepresenteerd’. De Nederlandse krant Trouw omschreef hem als een ‘klankmagiër’.

Roeivlucht is de baltsvlucht (bijzondere wijze van vliegen van vogels in de paartijd) van de zwarte stern, waarbij het mannetje zich met een prooi in de snavel uitslooft voor het vrouwtje. Net als de zwarte stern slooft de dichter zich vreugdevol klapwiekend uit in deze bundel. De taalpretmedewerker zorgt voor jou/ en je vertier en ruimt soms je maag-/ inhoud op. Kijk, mijn emmer staat klaar lezen we in het gedicht Alsjemenou. Die taalpret is een constante in deze bundel: Let op/ mijn taalplezier: dit vers staat onder stroom!

Dat taalplezier wordt ten top gedreven in een gedicht als Snoepgoed:

Suikeramandelen een lik
eurpralientje flikjes karma
mellen faveur kiele-kiele o
levellen boterbrokken tof
feeërie babbelaars in peper-
huisjes muntfondants drop z
uurtjes om op te zuigen!
Zoethout. Tong kietelen
dempt warempel oorsuizen.
Loop nog maar eens aan!

Maar het kan evengoed ingetogener:

Handreiking

Wat voor zin eigenlijk heeft het leggen/ van bloemen op een begraafplaats?// Ik ben het leven. Afscheid nemen van mezelf:/ een grotere eenzelvigheid is niet denkbaar.// Hoe zou ik met een ander de ervaring/ van deze eenzaamheid kunnen delen?// Zolang jij mij oprecht aanspreekt,/ wordt mijn alleen zijn opgeschort,// het leed, dat mijn verlatenheid mij/aandoet, verzacht, ternauwernood,/ tot ik weer onhoudbaar in mezelf val,/ steeds weer spontaan om soelaas reik// naar het existentiële vertrouwen in jou/ als voorwaarde voor samenspraak.

De rol van de dichter is niet onbelangrijk: Dichters!// Zonder hen zou de wereld potsierlijk/ een domein zijn vol stilstaande dromen:/ een stoplapzwansattractiepark. Geen navelstaarderij, geen groot leed: Als je het woord leed achterstevoren leest,/ wordt het minder zwaarmoedig om te dragen. In het gedicht Poëzie is geen strafwerk: Donkere materie blijft duister./ Daar helpt geen moederlief aan. Taalplezier gekoppeld aan een positieve levenshouding die door de hele bundel waait: De aarde geeft ieder een kans en (…) wat kunnen wij anders/ dan zo kansrijk en ontvankelijk als het kan/ resonant elkander helpen overleven?

De poëzie van Mark van Tongele is een verademing. Hoezee voor de poëzie! En wat nu, lezer? Genieten! In jubel uitbreken. Doe alsof je thuis was! (…) Veerkrachtig/ op voorspraak van de morgen het zeegat uit.

Roeivlucht, Mark van Tongele, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2021, ISBN 978 90 254 7133 0

(Roger Nupie)

Een Poolse Saga/Een Poolse Liefde


Zoals de titel doet vermoeden is dit een bundel in twee delen. We beginnen met de historische herbeleving door de inzichten, interpretaties en conclusies van de schrijver. Een Poolse Saga biedt ons rauwe beschrijvingen van wat is gebeurd en plaatst ze in een historische context. Het is een vorm van poëzie die meer aan dagboekfragmenten of aan journalistieke reflexen doet denken; lees bijvoorbeeld in dat opzicht: Overleven. Barney Agerbeek brengt de geschiedkundige gebeurtenissen in herinnering in een poging ons niets te laten vergeten. Het is onze plicht. Hij levert informatie voor lezers die hun geschiedenisboeken allang hebben verbrand.

De opstand van Warschau
Ons leven voor een nederlaag
-ook padvinders van vijftien jaar
en oudjes die nog kunnen lopen
met een knuppel of pistool-
we vechten met generaal Monter
tegen tanks en kanonnen

Liever strijdbaar sterven
dan zonder trots te leven
en te hunkeren naar de dood
Geen witte vlag, tot er niets over is

Toch zal Polen
weer herrijzen


De dichter wordt hoofdspeler in deze reconstructies en staat een vorm van nieuw patriotisme voor. De taal van Agerbeek is sober, filmisch, duidelijk. De tragiek van de (vele) fouten uit het verleden wordt geaccentueerd. De schrijver sluit zijn zinnen niet af; een keuze die vragen kan oproepen. Hij creëert wel een taalmelodie en een vlotte toegang tot het geheel. Zijn analyses zijn op hun beurt kritisch. Hij bekijkt de hedendaagse evolutie in Polen met een bang hart en staat verweesd stil bij de houding van de kerk. Hij ziet dat de geschiedenis zich herhaalt. Dreigementen worden reële feiten.

Een Poolse Liefde bevat een serie uiteenlopende thema’s. De term liefde is een vlag die hier vele ladingen dekt. De dichter rekent af met zijn verleden en maakt een balans op van waar hij nu staat. Hij lijkt tevreden en aanvaardt. Hij tast innerlijke perspectieven af.

De terugkeer
overal, de lokroep
van een groter leven

onderweg, met mezelf
het bereikte, overbelicht

naasten kijken toe
laten begaan

plots komt veraf
vlakbij

wat resteert aan tijd
verstrijkt, om het hardst

kantelend, de zoektocht
naar het ware

de kans om ingetogen
naar de oorsprong
terug te keren

in de stilte
van de schemering
op mijn plaats

het is goed
zoals het is

Dit tweede deel vormt een goed tegengewicht. Een Poolse Liefde staat dichter bij hoe het echte leven hem beroert en beroerde. De bundel sluit aan met wat pure liefdespoëzie, maar dan die soort die een bepaalde afstand houdt en daarom niet verleid wordt tot meligheid. De schijnbaar simpele verzen hebben een diepgang waarin je heerlijk kan verdrinken. Daarnaast komen thema’s als vrouwenemancipatie en andere progressieve inzichten om de hoek kijken. Dit boek is een interessante aanvulling aan het nu al indrukwekkend oeuvre van deze schrijver. Zijn debuutroman (2014) Njai Inem liet zich ook al opvallen. De kracht van Agerbeek ligt hem in de kunst van het correct analyseren. Zijn liefde voor geschiedenis helpt hem daarbij.

Een Poolse Saga/Een Poolse Liefde, Barney Agerbeek, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 978-90-6265-765-0

(Frank Decerf)


De eerste persoon enkelvoud


De Japanse schrijver Haruki Murakami, of althans zijn uitgever, laat er geen gras over groeien: onlangs verschenen twee verhalen in aparte, mooi uitgegeven boekjes (Een kat achterlaten, herinneringen aan mijn vader en With the Beatles) en nu is er een bundel met acht verhalen, Eerste persoon enkelvoud. With the beatles is erin opgenomen; Een kat achterlaten niet, en dat is niet verwonderlijk, Murakami gaf al aan dat hij het vaderverhaal als een apart op zich staand iets beschouwde.

Hij hoeft geen vuistdikke romans af te leveren zoals 1q84, in drie delen, of De moord op Commendatore (twee delen); van kortere adem is hij even intrigerend, dat bewees hij al met verhalenbundels als De olifant verdwijnt, Kangoeroecorrespondentie en Blinde wilg, slapende vrouw.

De kern van de verhalen in deze bundel: bevreemdende toevalligheden. Een vriendin waarmee hij verschillende uitvoeringen van Schumann’s Carnaval vergelijkt, tot zij van de aardbol lijkt verdwenen te zijn en hij haar jaren later op tv ziet, aangehouden door een escorte politieagenten vanwege fraude. Zoals altijd bij Murakami is er veel muziek aanwezig in deze verhalen: naast de Beatles, Beethoven, Debussy, Stan Getz en Mahler, doet nu ook Charlie Parker zijn intrede. Hij schreef ooit een recensie over een plaat die Parker nooit heeft opgenomen, tot hij de plaat vindt in een muziekwinkel, even aarzelt om ze te kopen en ze er de volgende dag niet meer is… omdat ze er blijkbaar nooit is geweest, dixit de eigenaar van de zaak. Het verloop is nog vreemder: Parker wandelt zijn droom binnen en speelt een nummer uit die plaat…

Nog meer muziek? Kan het nog vreemder? In Bekentenissen van de Shinagawa-aap heeft hij het met een aap die in een pension werkt over Bruckner en Strauss. De aap vertelt dat hij een boontje heeft voor mensvrouwtjes. Als de begeerte toeslaat steelt hij de naam van de desbetreffende vrouw. Het verdere verloop van dit wonderlijk verhaal laat ik de lezer zelf ontdekken.

Is er een gemeenschappelijk thema in deze verhalen te achterhalen? Nauwelijks. Wel baden ze allemaal in een licht melancholische sfeer: de ouder wordende schrijver die terugblikt op herinneringen, al dan niet (flink) fictief aangezet? Inmiddels zijn er jaren voorbijgegaan. Merkwaardig genoeg (wie weet is het helemaal niet zo merkwaardig) is een mens in een oogwenk oud. (…) Je weet als je je ogen dichtdoet en ze dan weer opent, er allerlei dingen zijn verdwenen. Meegezogen door middernachtelijke wind worden ze - zowel de dingen met een naam als die zonder - spoorloos weggeblazen. Het enige wat daarna is overgebleven, is een magere herinnering. Nee, herinnering dekt de lading eigenlijk niet. Kunnen we met stelligheid bevestigen dat deze dingen ons toen écht zijn overkomen?

Nee, dat kan Murakami niet… en wij als lezer al evenmin. Maar genieten van deze acht verhalen die op een vreemde manier troost bieden kunnen we wel.

Eerste persoon enkelvoud, Haruki Murakami, vertaling: Elbrich Fennema, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2021, ISBN 978 90 254 6809 5.

(Roger Nupie)

De pose en het model

W.A. (Pim) Jonker (1955) debuteerde in 1986 met de gedichtenbundel Schuld. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf en in De Volkskrant. Na afgestudeerd te zijn aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Arnhem koos hij voor een organisatorische loopbaan naast zijn kunstenaarschap. Hij was parttime programmeur bij de Balie, artistiek leider van de Brakke Grond en directeur van het poppodium Het Paard van Troje in Den Haag. Driemaal stelde hij, halverwege de jaren negentig, de geruchtmakende, undergroundtentoonstellingen samen van het festival Triple X. Jarenlang was hij lid van de Amsterdamse Kunstraad en de adviescommissie Cultuur en Cultuurhistorie Noord Holland.
Na lange tijd is er nu de bundel De pose en het model. De dichter opent met een treffend citaat:

rechtopstaande grote vrouw rugzijde
zijkant voorovergebogen zittend
liggend op haar ellebogen leunend
van voren
met dank aan Brigitta Ruven


Is zij het model? Is het haar pose? Is hij het model? Is het zijn pose?

De gedichten in de bundel zijn niet verzameld in verschillende cycli. De dichter neemt je mee in zijn gedachten, bespiegelingen, kanttekeningen. Af en toe worden de woorden onderbroken door een tekening. Witte en zwarte vlakken waarin beweging tot stilstand komt. Het beeldend werk roept de lezer op tot introspectie: wat is, wat zijn de verbanden met de woorden die de afbeelding voorafgaan of volgen?

Jonker maakt geen gebruik van leestekens, hoofdletters zijn in geringe mate aanwezig. Op de flaptekst stelt hij: “In een tijdperk waarin de pose haast vanzelfsprekend is geworden, roept het model vooral vragen op.” Een interessante bewering. De vanzelfsprekendheid valt weg.

De dichter kijkt als een tekenaar. De tekenaar schrijft als een dichter. Jonker stelde het ooit als volgt: “Tekenen en schrijven zijn hetzelfde alleen anders.” Er is een schijnbare en ook een bedrieglijke nonchalance. De dichter haakt zich vast in een beeld, de tekenaar kantelt het. Uit fragmenten, noem ze puzzelstukken, ontstaat er iets wat eerst ongrijpbaar is maar lezende weg tastbaarder wordt.

Filosofische bespiegelingen zoeken een plek in het gedicht. De dichter werpt op. Er zijn meer vragen dan antwoorden. Je wordt op het verkeerde been gezet en je moet terug op zoek naar dat andere, misschien wel juiste been.

De pose en het model is een bundel die noopt tot lezen en herlezen. Fragmentarisch, bladerend, stilstaand bij. Een greep uit de gedichten:


de pose is
een nagebootste houding
er zijn stereotypes
binnen de kunsten

zo ben je speerwerper
zo denkt iemand na
mond beetje open
kan porno zijn

of iemand in extase
wat is het verschil
ongeacht de maker

en wat s de bedoeling
modelbouw
dat gaat over schaal

1 op 1
1 op 100
100 op 1

maximaal zoiets als muziek
tegen de pijngrens aan
tekstueel een stilte

Zo haken de beelden in de woorden en omgekeerd. De pose en het model is een interessante zoektocht met wisselende perspectieven. Het optellen van de details maakt getekende gedichten of gedichte tekeningen.

De pose en het model, W.A.Jonker, In De Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 978 94 93214 30 9

(Frans August Brocatus)

Verkrimpen en terugkeren naar niets


Op twee benen lopen
is de vierde bundel van Yerna Van Den Driessche sinds haar pakkende debuut Reconstructie (2009). Debuut dat van maturiteit en vakkundigheid getuigde. De volgende bundels bevestigden dat. Opvallend is de coherentie van thematiek binnen haar bundels. Het zijn stuk voor stuk doordacht gestructureerde gehelen. Ook de stilistische eenheid van de vier bundels is kenmerkend. Al die bundels zijn overigens met elkaar verstrengeld door een resem terugkerende motieven en taligheid. Soms hebben de bundels iets van een persoonlijk verwerkingsproces waarbij ze allerlei confrontaties met het (of haar of iemands) verleden niet uit de weg gaat. Daarbij blijkt een ‘terre à terre’ houding. Haar poëzie biedt geen zoets, al probeert hier en daar ironie wat te verzachten.

Dat ze de vormgeving van haar bundels goed in het zeel wil houden, komt tot uiting in haar nieuwste bundel. Een zwarte bladzijde gaat aan elk van de tien cycli vooraf waarop een versregel of een citaat vermeld staat. Het is een bewust concept, geen vrijblijvende fioriture. Het geeft op de een of andere manier onuitgesproken betekenissen aan, wat de bundel breder maakt dan hij lijkt.

Het wereldbeeld dat ze verwoordt is existentieel doorkerfd. De bijna onoverkomelijke eenzaamheid van individuen (in dit geval meestal vrouwen) lijkt te domineren tot het uitzichtloze toe: kon ik maar verkrimpen / terugkeren naar niets. Moeders, dochters, foetussen: er is een zoektocht naar verbinding. In sommige gedichten blijft die uit, bijvoorbeeld in de driedelige cyclus Andjela. Het eerste gedicht brengt een verkrachte vrouw in beeld. Het tweede vertelt het verhaal van een moeder (de Andjela van daarnet?) die haar kind te vondeling legt. Het derde is de brief die de moeder haar kind nalaat: ik was jouw schild/meer niet/jouw moedertaal wordt niet die van mij. De dichter weet dit expressief te verwoorden. Je doorvoelt het als de rauwe kreet van levend villen. De cyclus Het meisje met de fles Evian heeft als aanleiding een fait divers in een krant (de zelfdoding van een aan anorexia lijdend meisje). Met de nodige empathie vermenselijkt zij een kort bericht tot een aangrijpend gegeven. Meligheid wordt vermeden, wat de gedichten des te dwingender maakt.

Het hoogtepunt van de bundel vormt de cyclus Relaas van een foetus. Een tweeledige reeks. Enerzijds vertelt de foetus over de moeder. Anderzijds vertelt de foetus gecursiveerd over zichzelf. De moeder wordt ‘een bedrijf dat mannen verzamelt’ genoemd. De foetus ervaart zich als een toevallige ingooi. Het voortbrengsel van een onbestemd feest. ik ben een embryo zonder bestaansrecht. Fraai is het niet: het baren wordt weergegeven als een macabere voorstelling waarbij de moeder de rol van haar leven speelt.

Poëzie die niet probeert te troosten maar die in wezen lucide is tot in het pijnlijke want zonder de minste illusie. Of het moet de illusie van de taal zijn. Gedurfd, dapper en zelfs genadeloos is dit een poëzie die niets wenst te omzeilen. Ze is factueel en recht voor de raap en toch tot in de plooien van deze teksten inlevend, weerbaar, ontvankelijk.


Op twee benen lopen is moeilijk, Yerna Van Den Driessche, Uitgeverij P, Leuven, 2020, ISBN 978-94-93138-28-5

(Alain Delmotte)

Oase


Het menselijk ras kent een oneindige variatie aan verschillen, aan afwijkingen, aan eigen aardigheden. Zo is dat ook bij schrijvers. Je hebt onder meer bananenvliegjes, eendagsvlinders en galapagosschildpadden waarvan niemand de leeftijd nog kent. Je hebt hoogvliegers en laagvliegers, maar allen zijn even waardevol omdat ze elk een reden van bestaan hebben. Sommigen schrijven het volgens hen broodnodige, weer anderen arbeiden dag en nacht en enkelen laten tenslotte een imposant oeuvre achter. Bij wijlen Jos Daelman (1937-2021) kan niemand ontkennen dat deze dichter een weg af heeft gelegd die alle respect verdient. Hij heeft vele pennen versleten. Onsterfelijkheid bereikt een literair mens alleen door toeval, door geluk of door zijn toewijding aan de kunst, door de kracht anderen met zijn woorden te inspireren en daardoor een schoonheid achterlaat dat ons als lezer alleen maar kan belonen. Maar eens loopt de laatste korrel uit de zandloper van elke auteur…

Bij Daelman is die laatste zandkorrel Oase geworden. De bundel is een selectie gedichten uit de periode 2015-2020. Via een gecontroleerde taal en het spaarzaam gebruikt van woorden, deelt de dichter zijn visie op wat komen zal. Hij wordt de visionair. Hij zit in het keurslijf van aftakeling dat dwingt. Het is vooral de menselijke achteruitgang die in dit werk alle aandacht krijgt. En dat parcours vol emotionele obstakels overwint Daelman dankzij zijn afgewogen taal en de strikte controle. Teveel aan emoties is, zoals suiker, te mijden. Hij wordt op zijn eigenste manier de analyticus van de vertraging; de observator van de verre stilstand. Hij weet wat achter de horizon ligt en aanvaardt.

Afwezig

Nu hij het rouwproces
om een vergeefse liefde
achter zich weet,
is de dood dichterbij
dan het einde hem beloofde.

Het uurwerk telt zichzelf terug
naar de tijd van het begin.
Er is geen droom meer
om in te ontwaken,
hij voelt de koude
van het doodslaken niet.

Hij is voorgoed afwezig.

Nuancering en een humoristisch ondertoon zorgen ervoor dat Oase bij momenten luchtig blijft. Lachen met miserie als een antidotum.

(…)Er is een mannetje in komen te wonen/Hij is wie ik ben./Morst met mijn soep./Steekt een boterham in mijn neus. (…)

De dichter aanvaardt de hulpeloosheid die zich opdringt, maar hij blijft kalm en sereen. Bij hem geen nijd of protest. Geen gekwijl of zelfbeklag. Integendeel hij gaat de groeiende onvolmaaktheden omarmen. Als mens leeft hij naast zijn verzen. De dichter wordt zijn eigen buurman. De woorden hebben plannen met de dichter en dat lot bepaalt het langzaam afsluiten van zijn wereld. Elke dageraad is weer dat ietsje anders. Jos Daelman bereidde de ultieme verhuis voor naar zijn nieuwe oase…

(…) Dit is het laatste rustbed/voor roerloos stijfte bezit neemt./Lijkbleek ziet hij vingers/op het laken danspasjes/ naar de overkant wagen. (…)

De bundel is versierd, met een sierlijk omslagontwerp van Jos Daelman zelf en onderverdeeld in: Oase, Bij een schilderij van Francis Bacon, Mr. Parkinson, I presume en Nazomerse gedichten. Ik mag vermoeden dat in de schuif van deze auteur nog ongepubliceerde gedichten liggen. Die poëzie verdient om postuum te worden uitgegeven. Daarvoor is enkel wat durf en diep menselijk respect van een uitgever nodig. Bedankt, Jos!


Oase, Jos Daelman, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2020, ISBN 978 90 5927 050 3

(Frank Decerf)

Beklijvend Kleefkruid


Toen Jean-Baptiste Clément in 1871 zijn lied Le temps des cerises schreef zal hij allerminst de bedoeling hebben gehad een gedicht te schrijven over de natuurverschijnselen of de intense diepte van de kersenkleur. En toch maken de natuurelementen als de nachtegaal, de spottende merel en de opkomende lente in essentie deel uit van dit liefdeslied dat de standaard zou worden van de Parijse Commune en sindsdien door ontelbare zangers en zangeressen is nagezongen.

Waarom heb ik het hier over Le temps des cerises, terwijl ik zit te lezen in de gedichten van Francis De Preters’ jongste bundel Kleefkruid? Omdat het in 2021 de 150ste verjaardag is van de Parijse Commune en omdat ik in dat lijvige essay van Walter Lotens veel gelijkenissen vind met de poëzie van deze onvermoeibare nestor (dit jaar 89 jaar) van de Vlaamse dichtkunst. De opkomst en ondergang van de Communegedachte. Het vitalistische streven naar een betere wereld; het verzet en de opstand tegen de oude, verlepte staatsstructuren en de drang naar volwassenere en menselijkere instellingen; dat heeft wel wat weg van De Preters manier van dichten.

Eigenlijk hebben zijn gedichten voor mij altijd een sensuele kijk op de werkelijkheid en de diepe overtuiging dat alles organisch is. Iets ontstaat, groeit, bloeit, verwelkt en vergaat. Dat is de cyclus van de natuur. Je proeft, je ruikt, je voelt en je hoort de gedichten van Francis De Preter in al hun vlezige présence. Altijd is daar het horen van hemelse muziek; het zien van de melancholieke schoonheid van een bloem, een regenbui, een valavond.

KORENBLOEMEN IN JULI

(bij het lezen van Poppies in July van Sylvia Plath)

Slanke oprecht gekroonde hoofdjes,
hoe staan jullie daar het graan te kussen
nauwelijks verholen tussen
de prinselijke aren ?

Je zou het koren misprijzen
als je al die mooie wachters ziet
(die trouwe hoeders in blauwe livrei)

Maar: jullie daar wegrukken
is ons verboden, laat staan plukken,
gehate ontuig in het rijk der korenaren!

Ik weet dat jullie verbleken van angst
binnenskamers, ver van de zoete korrel,
bang voor natte voeten in een vaas.

Is jullie sap, zoals dat van papavers,
giftig? Zijn blauwe zonnen
in de melkweg wel te vertrouwen ?

Toch zal ik ze plukken. Centaurea cyanus,
sta-in-de-weg van de boeren !

De korenbloemen van De Preter hebben niet de tragische connotatie van Sylvia Plaths’ Poppies in July maar op dezelfde manier gebruikt zij de fladderende rokjes van klaprozen om de intensiteit van haar gevoelens weer te geven, als Francis De Preter doet met zijn korenbloemen.

Steeds is de poëzie van Francis De Preter gekleurd door zijn liefde voor muziek. Dat is ook in Kleefkruid het geval met Arvo Pärt, J.S. Bach en Johannes Brahms. Altijd weer galmen in zijn hoofd de orgeltonen van weggeslikte tranen, doofpot van de dood, troost in brandende rozetten.

Ik wil deze korte bespreking (Mais il est bien court, le temps des cerises) besluiten met een:

NACHTWANDELING

Onder dit vierkant van sterren
kromt het brugje zijn rug,
aarzelt het uitgewiste pad.
De grote wagen draagt zijn vracht
naar de diepste dalen van de kim.
Alles is in rust, vogelhuis incluis.
De zonlantaarns stralen stergewijs
en tasten bleek de perken af.
Halt! Ik loop niet verder in het donker.
Ik wil ze niet ontmoeten,
zielen die de blinde muur betasten
die hen van het daglicht scheidt.


Kleefkruid, Francis De Preter, Demer Uitgeverij, Leusden, 2021, ISBN 978-1-716-12059-6

(Marc Bruynseraede)

Het taaldier mens


Jan Pekelder, hoogleraar taalkunde aan de Sorbonne te Parijs, pendelt al jarenlang tussen Nederland en Frankrijk. Als taalwetenschapper en neerlandicus wijdt hij zich aan onderzoek op het gebied van de taalkunde aan diverse Europese universiteiten en in Indonesië.

Het had een zwaar onderbouwde wetenschappelijke studie kunnen worden, met een imposant arsenaal aan bronvermeldingen en voetnoten, maar het was zijn broer, journalist Willem Pekelder, die hem voorstelde een boek over taal te schrijven voor een groot publiek. Dat resulteerde in bewust populairwetenschappelijke korte teksten, een soort didactisch bedoelde columns voor, dixit de hoogleraar, de geïnteresseerde leek. Wetenschappelijk jargon werd vermeden, en alleen als het echt niet anders kon uitgelegd - wat de toegankelijkheid van deze materie alleen maar ten goede komt. Het zou een erg lastige opgave zijn al de bronnen te vermelden. Daar komt bij dat ik zaken opmerk die voor zover ik weet in geen enkele bron staan.

Pekelder heeft het o.a. over het ontstaan en de evolutie van taal, de geschiedenis van het Nederlands en verschillen tussen het Nederlands en andere talen, het gebruik en misbruik van taal. Het boek krioelt van de interessante weetjes. Ter illustratie hierbij enkele uit het taalvuistje.

Het is aan de taal te danken dat de mens binnen de dierenwereld een overheersende plaats kon innemen: de mens is het enige dier dat taal gebruikt. Taal kan zich ontwikkelen omdat we grotere hersenen hebben dan dieren. De wereld waarin wij leven bestaat dankzij de taal. Er zijn zoveel werelden als talen en elke taal schept haar eigen werkelijkheid....

De Bijbel heeft een belangrijke rol gespeeld in de standaardisering van het Nederlands, vooral in de 17de eeuw. De bijbel verscheen in een gestandaardiseerd Nederlands. Via de kansel kwam deze standaardtaal tot de mens en groeiden streektalen als het Hollands, Vlaams en Brabants uit tot een algemeen Nederlands.

Het Nederlands behoort tot de belangrijkste talen ter wereld: door het aantal sprekers staat het op de veertigste plaats (op zevenduizend), het is de derde Germaanse taal (op tien), de eerste taal van de Benelux met zijn 85 procent Nederlandstaligen, officiële taal in Nederland, de deelstaten Vlaanderen en Brussel-Hoofdstad, Suriname en de Nederlandse Antillen en het is streektaal in delen van Frans-Vlaanderen.

Ooit gehoord van positie-werkwoorden? Blijkbaar typisch voor het Nederlands: ze geven een positie aan van het menselijk lichaam: liggen, zitten, staan en - meer gebruikt voor voorwerpen - hangen. Jan zit op een stoel, een vlieg zit op het plafond, een kussen ligt op het bed. Positie-werkwoorden kunnen ook voor abstracte zaken gebruikt worden: hoe staat het leven? Ik zie het niet meer zitten, ik zit in een echtscheiding.

Ook het Cruijffiaans, verzamelnaam voor de legendarische uitspraken (o.a. Elk nadeel heb se voordeel) van de dito voetbalheld Johan Cruijff, ontbreekt niet.

Een aanrader! Voor de boekenkast en het nachtkastje, omdat we nu eenmaal allen taaldieren zijn.


Het taaldier mens. Over de oorsprong, de geschiedenis en het gebruik van taal, Jan Pekelder, Uitgeverij Lias, Amsterdam, 2020, ISBN 978 90 8803 1083

(Roger Nupie)

Seinpost


Aan de oppervlakte lijkt de poëzie van Rogier de Jong bevallig: ze klinkt netjes, bedaard en onopvallend. Ze is vakkundig en vormelijk doordacht. We bemerken in sommige verwoordingen licht- en luchtigheid. Poëzie die speels binnen de lijntjes blijft? Nee, want poëzie is wat binnen de regels, buiten en tussen de regels moet gezocht worden en op een keer duurzaam gevonden wordt: je merkt hoe de dichter betekenissen uitspeelt en hoe je als lezer begint te twijfelen aan elk van die betekenissen: men tast hulpeloos in het donker. De dichter ziet mogelijks zijn opdracht als volgt: zure bommen leggen onder/kaarsrechte vormen. Hoed je dus bij de eerste lezing van deze gedichten. Want onder de oppervlakte ontwaren zich gelaagde bodems: Dat de kloven en dalen diep/onder onze voeten bedolven/zijn onder een dikke laag grond. Stap die bundel niet binnen, duik en graaf erin.

In deze teksten zorgt een (Zeeuwse) zee (en de daarbij horende woordvelden) op de achtergrond binnen de gedichten onderling voor deining en getijden. Voor ‘storm, sporen, geruchten’ - zoals de titel van een cyclus ons doorseint. Eb en vloed, introspectie en extraversie ordenen de gedichten en cycli. De gedichten zijn seinposten vanuit een ‘ik’ die de hele bundel door aan metamorfoses lijkt blootgesteld. Noch de dichter, noch de lezer krijgt er meteen greep op. In poëzie hoeft dat overigens niet zo. Deze houding of perceptie zorgt ervoor dat de werkelijkheid niet altijd blijkt te zijn wat die lijkt: er worden schijnbewegingen ontmaskerd. (…) Waarheid is een verzinsel. Quasi mythische en archetypes of geografisch- historische elementen worden opgediept in de cyclus Negen Zeeuwse gedichten. Dit land doet in herinneringen:/wie omziet kan de Honte/bedwingen. Maar wie//bodemloos de gespierde rivier/oversteekt zal in het aangezicht/van Atlantis verdrinken.

In vele gedichten vinden we door ironie uitgedragen bestanddelen van vervreemding terug (tenslotte ook een vorm van (negatieve) verwondering): De vraag blijft hoe gek ik/mag zijn om nog gewoon te/worden gevonden. Tegenspoed is van die existentiële vraagstelling het gevolg: (…)pech is een blinde/ roofvogel die zich willekeurig/omlaag stort. Het bestaan: de dichter zit ermee opgezadeld, met soms de overmoed van een galop. In de cyclus Wat ik wilde wordt de identiteitsproblematiek op scherp gesteld. Het ‘ik’ wordt gerelativeerd of zelfs gebanaliseerd: Ik heb een naam en/meestal ook kleren aan./Beide zijn arbitrair. Het is duidelijk: ‘In verhevenheid/vind ik mij niet. Dat is dan ook het soort poëzie dat hem voorstaat. Eén waarin ontnuchterend De goden willen vallen/ze bereiden zich voor op een fluweelzachte landing. We hebben te maken met een dichter die in poëzie kan (...) wonen en die dus ook een poëzielezer is – wat niet altijd vanzelfsprekend voor een dichter is. We lezen vaak intertekstuele knipoogjes. En de dichter kan zonder meer ontroerend overkomen als hij over zijn vader en moeder schrijft.

Mooi uitgedost lag je op bed
je handen vredig gevouwen
de foto van je man dicht bij je gezet
en in het venster het blauwe

februarilicht, scherp als je ogen
die de hemel aftastten
op vreemde vogels die je belogen,
belaagden, belastten.


Seinpost – gedichten, Rogier de Jong, Bordeauxreeks 58, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2020, ISBN 978449519597

(Alain Delmotte)

Van graat tot schub


Etienne Colman (1950) is vooral een dichter. Naast poëzie heeft hij ook twee toneelstukken geschreven. Zijn debuut maakte hij met de bundel Als een schuwe spieder (1989). De laatste jaren heeft hij een stuk van zijn hart verloren aan Laos, waar hij vaak naar toe gaat om er Engels te onderwijzen. Bij C.de Vries-Brouwers verschenen: Facades (2013), Loopgraf (2014), en Laos in spreidstand (2017).

De bundel Blijf van mij – van graat tot schub zou volgens wijlen Jos Daelman ook als ondertitel Archief van een liefde kunnen hebben. En dat is zeer treffend verwoord.

Het is een lijvige verzameling gedichten, onderverdeeld in drie cycli. 

1.hij begint waar zij eindigt               tussen graat

2.hij en zij doen verder                      tussentijds

3.zij begint waar hij eindigt                   tussen schub

In de eerste en de derde cyclus kiest de dichter er voor om de gedichten titels te geven. In het middendeel benoemt de dichter: Pact, In lief en leed, Liturgie, Trait- d’union. Respectievelijk gevolgd door vier gedichten, vier gedichten, zes gedichten en vier gedichten.

Het mag duidelijk zijn dat Etienne Colman houdt van compositie, strakke indeling,. Hij kiest zorgvuldig zijn woorden, weegt en meet. Komma’s en punten komen veel voor. Hij schept adempauzes, rustpunten. Wat schijnbaar achteloos begint blijkt zeer weldoordacht.

De titel komt terug in twee gedichten:

Op blz.12 in de eerste cyclus: “Blijf van mij (tussen graat en schub) (a)

Op blz.62 in de derde cyclus: “Blijf van mij (tussen graat en schub) (b)

Tussen en rond deze gedichten cirkelen de andere gedichten van de bundel. In deze twee gedichten maakt hij een balans van wat was en is:

….

En elke omhelzing daarbij is doodgewoon

en medeplichtig aan vooral het opzeggen van iemand.

…..

waant zich god en breekt zich krom.

Maar duren kon hij niet. Zijn lichaam werd een kraakpand,

losweg nog bewoond, zich vluchtig warmend aan de pulp

der liefde. Was hij niet beter zonder?

In de gedichten is er een voortdurend steekspel tussen hard en zacht, tussen vreugde en verdriet. De grote kracht zit er in dat de woorden hun eigen weg gaan, rechtlijnig, bochtig, de dichter is een voerman. Hij heerst over de paarden, klakt af en toe met de tong, laat de leidsels los. Naast hem op de bok zit zij:

Vrouw o.a. (volgens Van Dale GROOT WOORDENBOEK DER NEDERLANDSE TAAL 1984)

 1.Volwassen mens van het vrouwelijk geslacht

2.Vrouwelijk persoon die geen maagd meer is

3.Echtgenote

4.Meesteres

5.Speelkaart met een vrouwenfiguur

Je moet je op je hoede zijn. Soms haalt de dichter onverwacht uit en brengt je in verwarring, maar als je even wacht klopt er een groot mededogen, een krachtige liefde op de deur: blz.46

 ….

De dagen waren heilig en gewijd.

De nachten heidens, weinig minder dan baldadig.

Soms had hij een touw nodig. Dat kon dienen tot zoveel.

De kruisiging kwam steeds vanzelf.

                             Ooit zou hij haar dood wel wreken.


Blijf van mij – tussen graat en schub, Etienne Colman, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2021, ISBN 978 9059 27 48 08

(Frans August Brocatus)