Alles is hier nog


De nieuwste dichtbundel van Marc Tritsmans heet Alles is hier nog, en gaat over de tijd die een mens is toebedeeld. Hij is ingedeeld in 4 cycli, Beginnen, Kleine verhalen, Een litanie en een psalm en Eindigen. Inspiratie put de dichter uit de deeltjesfysica. Op zich is daar niets mis mee. Meerdere dichters hebben dat gedaan en het kan leiden tot grootse poëzie, zoals de Four Quartets van T.S. Eliot, die op een ongeëvenaarde wijze de toenmalige nieuwe vindingen in de kwantummechanica als het ware heeft omgezet in poëtische taal. Het omgekeerde is het geval met Alles is hier nog. 

Het openingsgedicht is nochtans veelbelovend: Er is beslist dat ik vanuit de stilte / vanuit het eeuwigdurende niets / vanaf nu zal beginnen met bestaan. Maar gaandeweg verzandt de dichter in zijn zelfgesponnen kwantum-web. Hij vervalt in herhaling en de inhoudelijke trivialiteit wordt groter en groter tot het vervelend wordt. De clichés stapelen zich op: een wereld...die vaak koud is en hard (pagina 14), geurig wuivend gras (pagina 39), De beboste hellingen (pagina 32), Grazige weiden, rivieren en bossen met machtige bomen (pagina 51) en ga zo maar door met een dooddoener als Wie nog wil komt hopeloos te laat. (pagina 55). 

De poëtische zegging verwatert en wordt een soort proza gedrukt in versvorm. Het worden, weliswaar elegant verwoord, kleine anekdotische verhaaltjes, die meestal niet uitstijgen boven het niveau van een laatstejaars humaniora student. Het wordt zondermeer gênant in het gedicht XI van de cyclus Een litanie en een psalm. Het is een tekst die lijkt geplukt uit een populair artikel over de samenstelling van bloed: ...rode bloedcellen waarvan elke cel /  tweehonderdzeventig miljoen moleculen / hemoglobine bevat die elk op hun beurt // zijn opgebouwd uit tienduizend atomen. Het gedicht Het gedrag van kwantumparen lijkt dan weer te komen uit een simplistisch artikeltje over kwantummechanica: Op het exact hetzelfde ogenblik / waarop men de draairichting / van een kwantumdeeltje meet // blijkt de draairichting van het / daarmee verstrengelde deeltje / zich om te keren, ongeacht // hun afstand tot elkaar.   Wat bezielt een toch verdienstelijk dichter als Tritsmans om dit te publiceren als een gedicht, onbegrijpelijk.

Nog ergerlijker zijn de verklarende noten op het einde van de bundel. Hier poogt Tritsmans de context van zijn gedichten te duiden. Het komt erop neer dat hij wil etaleren hoe diepdoordacht zijn gedichten zijn, hoe hij zich bij het schrijven laat inspireren door de muziek van Bach en Brahms, hoe belezen hij is en hoe hij zich heeft verdiept in de deeltjesfysica. Helaas drijft ook hier de oppervlakkigheid boven en toont zich een soort intellectualistische eigenwaan, gelardeerd met een cultureel narcistisch trekje.

Van de 52 gedichten in de bundel zijn er slechts 10 nieuwe. De 42 anderen werden reeds hier en daar in tijdschriften gepubliceerd. Ook daar is niets mis mee maar de vraag stelt zich of de dichter daarvoor een werkbeurs van Literatuur Vlaanderen nodig had.

Om het gedachtenexperiment van Schrödingers kat te parafraseren: Ik heb de bundel geopend en de verzen dood gevonden. Zonde van het papier, de inkt en het belastinggeld.  

Alles is hier nog, Marc Tritsmans, Nieuw Amsterdam, 2020 , ISBN 978 90 468 2771 0

(Richard Foqué)

De week heeft elf dagen


Soms kijkt de aarde me aan
. Zo heet de nieuwe poëziebundel van Jabik Veenbaas (Hijlaard – Friesland – 1959). Het stemt tot overpeinzen. Dat zit hem in het soms. Als de aarde al kan ‘aankijken’ (en in overdrachtelijke zin kan dat natuurlijk) is dit dan niet continu het geval?

Nu komen we gelijk in het domein van het serieuze peinzen terecht, oftewel in de filosofie. Dat Veenbaas behalve dichter ook filosoof is, blijkt behalve uit zijn kleine bio op de achterflap uit de verwijzingen naar wijsbegeerte die we overal in de bundel aantreffen.

Het levert mij een ongewis gevoel op. Ontstaat poëzie uit filosofische bedenkingen of moet poëzie juist afstand nemen van het verantwoord (op z’n wetenschappelijks) denken? Voor mij wankelt deze bundel te vaak tussen het verantwoorde en het onverantwoorde. In het onverantwoorde, dat wil zeggen de ontspoorde gedachte / de ongeleide beweging, vinden we in de poëzie toch de meeste verrassingen.

 

perspectief

 

de schilders weten het

alles is altijd anders

het is geen gezicht

maar een reservoir van licht

het is geen raam

maar een oorsprong van eeuwigheid

verroeste emmers zijn pareloesters

woonhuizen vissenbekken

dieren en naakte vrouwen daarentegen heilig

zij rusten ’s avonds gemoedelijk

in de warme stal van je bloed

ook heeft de week elf dagen

en dat is geen feit

maar alleen als je kijkt

 

Met dit gedicht stapt Veenbaas spontaan uit zijn filosofische bubbel en krijgen we gelijk een ontregeling op poëtisch niveau. Wat mij betreft, zou hij dat vaker moeten doen.

Hoe vaardig Veenbaas ook is in het formuleren, in deze bundel zitten te veel gedichten met een pretentieuze bijsmaak. Een voorbeeld is brief aan seneca, met enige citaten uit diens werk. Een misplaatst geval van ouwe jongens krentenbrood. En brief aan een jonge vrouw die filosofie wil gaan studeren. Ook hier weer iets badinerends/belerends.

Poëzie moet toch in de kern een keuze zijn voor het volstrekt ongebonden gevoel. De ware dichter weet in principe van niks, mag van niks weten. Het onontgonnen terrein, de mist van de geschiedenis, de twijfel: dat zijn gebieden die om dichterlijke aanraking vragen. Als een doorgewinterde filosoof de poëzie bezoekt, dan liggen voor je het weet wijsheden en aforismen op de loer.

In laatste groet, opgedragen aan de nagedachtenis van Wim Brands, weet de dichter een betere, breekbare, toon te treffen:

 

wat moet ik doen?

ik weet het net zomin als jij

dus loop ik door en stamel een excuus

voorwaar een smalle wal van woorden

ik wilde dat je ze hoorde

 

Een andere geslaagde uitstap naar onverdacht, want authentiek, nihilisme vinden we in klein portret van céline.

 

een man die woorden wantrouwde

en ze daarom uitspuwde

tot er niets van overbleef

 

Een pregnante tekening van het fenomeen Louis-Ferdinand Céline, de, wegens sympathie voor het antisemitisme, verguisde Franse schrijver. Veenbaas vangt hier ongeleid het paradoxale dat taal ook kan hebben: benoemen om uit te wissen, creëren om te vernietigen.

Soms kijkt de aarde me aan, Jabik Veenbaas, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2020, ISBN 978-90-468-2671-3

(Erick Kila)

Een kat, een vader en The Beatles


Of het nu met zijn verhalen is, of met een roman als 1q84, in drie vuistdikke delen (2009-2011) of de al even omvangrijke twee delen van De moord op Commendatore (2017, 2018), Murakami bewijst zijn meesterschap keer op keer. Dat is niet anders met de twee boekjes van nog geen 60 bladzijden die hij nu de wereld instuurt en waarin hij terugblikt op zijn verleden. 

Murakami wou al eerder over zijn vader schrijven - als een graatje dat in je keel is blijven steken zeurde het lang in mijn achterhoofd - maar dat leek niet te lukken. Tot hij zich herinnert hoe hij ooit met zijn vader een kat ging achterlaten op het strand en dat bleek de aanzet om een portret op te tekenen van een gerespecteerd man die lesgaf en haiku schreef. Murakami tracht te achterhalen wat zijn vader deed in de oorlog. Hij had twintig jaar lang nauwelijks contact met zijn vader, iets waar hij verder niet op ingaat. En de kat? Wanneer ze thuiskomen, wacht zij hen op aan de voordeur. Verandert er iets of blijft alles zoals het was?

Al doken de Beatles al eerder in zijn werk op en werd een van hun songs zelfs de titel van een roman - Norwegian Wood - Murakami houdt meer van jazz en runde zelfs ooit nog een jazzclub. With the Beatles is dan ook geen ode aan de legendarische popgroep.

In 1964 kruist hij op school een betoverend meisje dat die memorabele hoes met zwart-witfoto’s van de vier Beatles in halfschaduw tegen haar borst geklemd houdt: With the Beatles. Hij zal haar nooit meer terugzien, maar de herinnering is voor eeuwig in zijn geheugen gegrift: Het was een imprint van een unieke gemoedstoestand van dat moment, van die plek, van die periode. 

En het leven gaat verder. Murakami heeft een vriendinnetje, Sayoko, die naar burgerlijke muziek luistert - easy listening - en hij komt in contact met haar excentrieke broer die aan een vreemde aandoening leidt: Op die leeftijd weet je toch nog niet veel van jezelf? Alsof je in een ondergrondse buis leeft. Als daar nog eens iets beangstigends als geheugenverlies bij komt, is het einde zoek. Ja toch? Hij zal haar broer, die geen last meer blijkt te hebben van geheugenverlies nog één keer ontmoeten. Er zat bijna twintig jaar tussen, en ongeveer zeshonderd kilometer. Het voormalig vriendinnetje is triest aan haar eind gekomen.

Hoe herinneringen nawerken en ons confronteren met het verlangen, het gemis, de doelloosheid, de vergankelijkheid, de zoektocht naar identiteit en menselijk contact heeft twee mooie Haruki Murakami verhalen opgeleverd, verpakt in prachtig vormgegeven en geïllustreerde hardcovers.

Een kat achterlaten, herinneringen aan mijn vader, Haruki Murakami, vertaald uit het Japans door Elbrich Fennema, illustraties Marion Vrijburg, Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2020, ISBN 978 90 254 6607 7

With the Beatles, Haruki Murakami, vertaald uit het Japans door Elbrich Fennema, illustraties Toni Demuro, Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2020, ISBN 978 90 254 6619 0

(Roger Nupie)

Parkplan


Als recensent ontvang ik geregeld bundels uit binnen- en buitenland die ik dan op mijn manier analyseer. Hetzelfde wou ik met Parkplan van Wout Waanders doen, maar het was moeilijk. Dit boek is de soort poëziebundel die je blijft bekijken, onderzoeken, openbladeren en manipuleren. Kortom, je kunt die moeilijk met rust laten. Het gebeurt allemaal in dergelijke mate dat je bijna vergeet om aan de lectuur van de poëzie van Waanders te beginnen en dat moet natuurlijk wel de hoofdreden zijn om tijd in dit werk te steken. Wie Parkplan ter hand neemt, zal niet meteen beginnen lezen. Men zal eerst en vooral alles goed bekijken. En er is veel om te zien. Deze bundel is qua concept een schitterende realisatie. Hier zijn zeer getalenteerde grafisch vormgevers bezig geweest. De dichter vertrekt vanuit een plattegrond van een imaginair attractiepark. Hij is blijkbaar al geruime tijd geobsedeerd door dat thema. Deze afgezonderde wereld wordt de afgebakende ruimte waar zijn muze zich kan uitleven. Het is zijn ontsnappingsroute uit het dagelijks bestaan. Hij wil met zijn lezer graag de geneugten van deze vlucht delen. De start is een detailrijk geïllustreerde en uitvouwbare plattegrond. Daarbij zijn er deelkaarten en vierendertig poëzieattracties. De gedichten werden samengebracht in: Kinderattracties, Familieattracties, Voor sensatiezoekers en tenslotte Horeca & Shops. Het is de bedoeling dat de bezoeker via Parkplan zijn eigen traject bepaalt en zo de diverse plaatsen en uithoeken van Waanders’ poëtisch universum leert kennen. De eerlijke tekeningen zijn van zijn hand. Uit Horeca & Shops:

 

RABARBERLIMONADE

 

Op een onbewaakt ogenblik

was er een meisje in mijn

rabarberlimonade gesprongen.

 

Het was lastig om te zien of ze

in paniek de kant probeerde te bereiken,

of daar alleen maar wat ronddobberde.

 

Voor de zekerheid heb ik in één keer alle limonade

met een rietje uit het glas gedregd,

haar daarna op mijn arm

te drogen gelegd.

 

Iemand zei later: wist je

dat je heel ziek kan worden

van zo veel limonade in één keer.

Zeker met rabarber.

 

Maar dat was iemand die altijd

dezelfde route naar huis toe rijdt.

Alle vakantiedagen een ontbijtbuffet.

Tomatensoep. Nooit eens een leven redt.

 

De taal van Waanders is bedrieglijk simpel en speels, maar de geconcentreerde lezer zal in de gedichten zeker de vele intelligente doordenkertjes spotten. Hij vermijdt ballast. Zoals in elk attractiepark word je in deze bundel geconfronteerd met nogal wat surprises. En tijdens je zoektocht van attractie naar attractie kom je vooral luchtigheid tegen. Veel van de gedichten bevatten namen van jongens en/of meisjes. Daarnaast ontmoet je gemetamorfoseerde mensen die te voorschijn treden in de vorm van allerlei dieren zoals onder andere: giraffen, kuikens, alpaca’s en beren. Bij Waanders is de knipoog nooit ver weg. Associaties met de absurde humor van Monthy Python’s Flying Circus of de Ierse komiek Spike Milligan worden bijna een vanzelfsprekendheid. Voor de realisatie van deze debuutbundel kreeg Waanders de hulp van zijn collega-dichters Dennis Gaens en Ingmar Heytze.

Parkplan, Wout Waanders, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam,2020, ISBN 978 94 6336 094 4

(Frank Decerf)

 

De oksel van de geliefde


Ricardo Anemaet, geboren te Santiago de Chili, was in een vorig leven danser en tevens actief als choreograaf, theaterauteur, regisseur, dramaturg en scenograaf voor diverse theatergezelschappen. Hij woonde op Curaçao en na omzwervingen in Nederland, Duitsland en Engeland vestigde hij zich op Zurenborg te Antwerpen. Uit het gedicht Thuis: Ik kom nergens vandaan/ ben van een schip gevallen/ op een koude kade. (…) De routebeschrijving/ heb ik weggekrast/overal kan ik leven/ nooit kom ik thuis. 

In 2018 debuteerde hij als dichter met de bundel 33 gedichten. Ook zijn tweede bundel, Straks zal ik de oksel van mijn geliefde kussen, is een uitgave in eigen beheer. De titel springt duidelijk in het oog op de cover van de hand van Gie Claes.

De dichter leeft met zijn Ongedaan verleden: Als we ons verleden ongedaan maken/ de melancholie bijzetten in een zelfgebouwd mausoleum/ de archeologie uit onze gedichten wegkrabben/ antiquiteiten en ruïnes afschaffen/ onze agenda’s en horlogers voorgoed begraven/ wie mag er dan nog blijven. In De laatste tijd… lezen we: Elk moment herbegint en onthoudt de dingen/ voorvallen van de dagen die achter mij liggen/ rangschikken zich in een onbruikbare orde/ herinneringen en gedachten als helemaal nieuw.

Uit het aangrijpende gedicht De krant van zaterdag (Jongens van ver brengen de kranten van de ochtend) spreekt het engagement van de dichter: (…) Deze onzichtbare voorbijrijdende horde wacht/ een wanhopig leven voor een armetierig loon/ ze kloppen aan de versierde deuren van ons mededogen/ hun afkomst is ijl als de ochtend die ze bevoorraden/ speelt zich af tussen zweetplek en leeg conserven blik. (…) hun apocalyps ligt verscholen tussen het nieuws van de dag/ waar wij ons terugtrekken in de warmte van elkaar/ wacht voor hen het gepiep van een leeg bericht.

Teveel ander fraais in deze bundel om er in dit korte bestek uit te citeren: Begraafplaats voor vrienden, St. Vincentius, Zeenacht geworpen, Zwart lichaam, Vijf sterren, liefdesgedichten als Wat we vieren, om er maar enkele te noemen - én de gedichten gewijd aan zijn ouders. Hierbij het moedergedicht:

Moeder// Ik heb je nooit begrepen/ achter een lachje verschool/ jouw dier zich in het struikgewas/ met ogen treuriger dan lood.// Voortvluchtig en ongrijpbaar/ bleef je verleden gesloten/ een gesnoerde keel werd je huis.// Alleen die blik liet soms/ een ogenblik zien wie je was.

Geen 33, maar 44 gedichten deze keer. Anemaet is sterk en overtuigend, zowel in zijn korte gedichten Alles, Lakens, Levend en Mogelijk (vijf- en zesregelig) als in een stevig uitgebouwd, wat barok aandoend, twee pagina’s vullend gedicht als Geheugensporen. Enig hermetisme is hem vreemd en het sterk verhalend karakter van zijn poëzie is overduidelijk.

Een heel leven wil ik jagen op schoonheid lezen we in het gedicht Complete toestand. Als dat in de toekomst leidt tot even knap werk, dan wensen we Ricardo Anemaet nog succesvolle jachtseizoenen toe.

Straks zal ik de oksel van mijn geliefde kussen, Ricardo Anemaet, eigen beheer, ricordoanemaet@hotmail.com, 2021, ISBN 978 94 64 18404 4

(Roger Nupie)

Voetstappen in de sneeuw


Michaël Van Caeneghem debuteerde met de bundel De dans van de waanzin (eigen beheer, 1982), gevolgd door Hoopvol Verse Vis (Edith, 1991). Dan was het wachten tot 2019: Tegentijds (handgemaakt, Kathleen Lemmens).

In Hoopvol verse vis dook Billie Holiday even op. De dans van de waanzin opende met een citaat van Nick Drake; aan deze melancholische singer-songwriter werd ook een gedicht gewijd. In zijn nieuwste bundel, Voetstappen in de sneeuw, laat de dichter zich inspireren door de muziek van de IJslandse celliste-componiste Hildur Ingveldardóttir Guðnadóttirn die experimenteert met computerondersteunde verwerking van cello-klanken.

Al vanaf zijn eerste publicatie was een sober en uitgepuurd taalgebruik het handelsmerk van Michaël Van Caeneghem. Dat wordt ten top gedreven in deze nieuwste bundel. In de cyclus Voetstappen, waar elk gedicht begint met hij denkt: wordt verder geborduurd op tekstfragmenten die herhaald worden in de volgende gedichten:

hij denkt:// zoals voetstappen in de sneeuw/ misschien klinken zo de woorden/ die je uitspreekt in gedachten/ misschien/ klinken ze als voetstappen in de sneeuw/ de woorden/ die je uitspreekt in gedachten

Dit procedé is kenmerkend voor de hele bundel. Uit de cyclus Herinnering: hij herinnert zich/ een deur/ die openging/ een deur/ werd geopend/ iemand opende een deur/ herinnert hij zich

Wat zich Daarbuiten afspeelt levert verstilling op: alles daarbuiten is roerloos/ weet hij/ hij weet/ dat niets daarbuiten beweegt/ dat alles roerloos is/ hij weet/ dat daarbuiten niets beweegt/ dat alles roerloos is/ alles is roerloos daarbuiten/ daarbuiten/ weet hij/ beweegt niets

‘Stappen’ kwamen al eerder in zijn werk aan bod: vlucht hij voor de stappen die met zijn schaduw spelen? (uit Hoopvolle verse vis) komt bijna letterlijk terug in het Nick Drake gedicht in De dans van de waanzin. Uit diezelfde bundel: de trage sleeptred van de waanzin en elke stap klinkt als een vermoeide adem-actie. (Voet)stappen zijn een metafoor voor dingen die geregeld terugkomen.

De gedichten in Voetstappen in de sneeuw krijgen een hypnotiserende kracht en nestelen zich in de geest van de lezer als een soort mantra - een leeservaring die bij ondergetekende herinneringen oproept aan proza als Stemmen en De oever van Claude van de Berge.

Het slotgedicht lijkt met een licht ironische, relativerende ondertoon het dichterschap te belichten:

iemand heeft het ongetwijfeld

allemaal neergeschreven

zo iemand moet er zijn

zo iemand is er ongetwijfeld

iemand die het allemaal

heeft neergeschreven

iemand die zegt

ik heb een antwoord

zo is het

ik heb het neergeschreven

zo iemand

is er zeker

Artistieke duizendpoot Michaël Van Caeneghem is ook actief als zanger, muzikant, acteur en regisseur. Op de website www.hetstillepand.be kan men kennismaken met zijn ‘losse gedichten’ en ‘Poetry in Motion’ (zelfgemaakte filmpjes waarbij hij zijn gedichten inleest) die de veelzijdigheid van zijn literair werk aantonen. Even intrigerend als deze bundel.

Redenen genoeg om zijn creatieve voetstappen te blijven volgen. Of het nu sneeuwt of niet.

Voetstappen in de sneeuw, gedichten bij Hildur Ingveldardóttir Guðnadóttir, Michaël Van Caeneghem, Brave New Books, Amsterdam, 2020, ISBN  978 94 641 8143

(Roger Nupie)

Gevonden voorwerpen


Frans A. Brocatus werd in Wuustwezel geboren maar woont en werkt al geruime tijd in Nederland. Alhoewel hij reeds één roman publiceerde en een bundel kortverhalen is hij vooral een gerenommeerd dichter en poëziedocent. Met zijn pas verschenen Gevonden Voorwerpen heeft hij echter een merkwaardig en uniek werkstuk afgeleverd, dat voor zover ik weet geen voorbeelden kent in de Nederlandse literatuur.

In Gevonden Voorwerpen beschrijft Brocatus een reeks vertrouwelijke dingen, die hij in zijn leefwereld aantreft, gaande van zijn agenda over een stuk chocolade, een lamp, zijn tafel, zijn collectie vulpennen tot een stuk zeep en een zeil. Vijftig voorwerpen, die hij alfabetisch rangschikt in vijftig korte hoofdstukjes, telkens voorafgegaan door een korte definitie, die hij overneemt uit Wikipedia.

Het boek is op het eerste gezicht als het ware een korte encyclopedie van de alledaagsheid, maar hoe bedrieglijk. Telkens opnieuw bij elk ‘gevonden voorwerp’ opent Brocatus een ganse wereld, die hij transcendeert in een persoonlijke intrigerende beleving en inleving maar die ook onmiddellijk herkenbaar is voor de lezer, die hij zo mee indompelt in diens eigen ervaringen met dat ‘voorwerp’ en het zo ook voor de lezer een ‘ontdekking’ wordt: opnieuw gevonden. Het heeft iets Proustiaans en ademt diens madeleine-effect en de nostalgische sfeer van A la recherche du temps perdu.

 

Het verfrissende en verrassende is de herkenbaarheid van de gevoelens, die de schrijver oproept: persoonlijk maar tezelfdertijd universeel en generaties overstijgend, erg poëtisch verwoord maar tezelfdertijd ook zakelijk. Brocatus slaagt erin om ertussen te balanceren. Hij schrijft in de derde persoon en neemt zo afstand van zijn onderwerpen, die eigenlijk zo nauw met hem zijn verbonden. Zo doende kan hij als schrijver buitenstaander worden, die beschouwend kijkt naar dat gevonden voorwerp maar kan hij ook van binnenuit zijn gevoelens en herinneringen, die ze oproepen, verwoorden. Die bipolariteit vertaalt zich ook in de zegging en de stijl, die dan weer zakelijk is, dan weer erg poëtisch. De twintig tekeningen van Laura Zandbergen, die zich liet inspireren door de teksten en hier en daar in het boek opduiken versterken nog deze tekstuele spanning.

Een klein excerpt uit het hoofdstuk Bril als illustratie van bovenstaande: Hij was zeven jaar toen hij zijn eerste bril kreeg. Een brilletje met zogenaamde ‘rattenstaarten’. Op het einde van de pootjes zaten bewegende veertjes met daaraan een bolletje.../...Zijn brillen kenden korte en lange levens. De modellen verschilden naargelang hij groeide in de jaren.../...Van zijn moeder heeft hij de bril van haar vader gekregen.../...Van zijn vader heeft hij de bril van diens moeder gekregen.../...Vier glazen die onthouden hebben wat de ogen erachter gezien hebben. Vier glazen die niet kunnen spreken maar toch een wereld kunnen oproepen.

Gevonden Voorwerpen is een boek dat je mondjesmaat moet savoureren om zo zelf de voorwerpen te vinden en opnieuw te ontdekken, er mijmerend bij stil te staan en je eigen leefwereld met een nieuwe blik te zien. Het is daarenboven een bijzonder mooi uitgegeven boekwerk met stijve kaft, wat niet zo evident meer is tegenwoordig.

Gevonden voorwerpen, Frans August Brocatus & Laura Zandbergen, Ambilicious, Breda, 2020, ISBN 978-94-92551-87-0

(Richard Foqué)

Rijpe velden van vrolijkheid


De titel van het poëziedebuut van Truus Roeygens misleidt. Vrolijkheid roept vermaak en uitbundigheid op. Maar dat gebeurt niet: de gedichten zijn veeleer een zoektocht naar vrolijkheid, naar het terugvinden van het diepgaande vuur van de vrolijkheid. Daarvoor, zoals ze stelt in het openingsgedicht Poort dient eerst angst overwonnen worden. Poëzie kan daarbij helpen: die is een open plaats in de ontkenning. De indruk wordt gewekt dat de hele bundel als een soort rite de passage dienst doet. De vier cycli staan dan voor vier  ‘vuurproeven’ waarbij de dichter elke keer door een herinnerd verleden (jaartallen duiken her en der op) heen moet gaan om het zo af van haar te kunnen schudden. Een verwerkings- en zuiveringsproces totdat: buiten ons hoofd dat openbarst zodat het jong eruit kan. Al dan niet traumatische gebeurtenissen lijken te worden geëvoceerd. Wellicht lezen we verkapte belijdenissen waarbij directe anekdotiek wordt vermeden. De slagen van een vader worden gememoreerd maar er wordt ook om die vader getreurd. (Een pijnlijke vraag wordt gesteld Wat is beter geen vader of een slechte vader?) Het levert beklijvende gedichten op zoals Mijn vader heet Parkinson. En een paar straffe regels zoals Mensen kunnen nooit van elkaar veranderen/we slingeren aan nooit doorgehakte navelstrengen. Net wat hier aan de hand is: de navel doorknippen van het verleden. Meer dan betekenissen dragen de woorden (in de manier waarop ze worden herhaald) verhalen met zich mee, wat (her)lezen tot een expeditie maakt.
In poëzie gaat het vaak over hoe je iets verwoord krijgt - los van de thema’s die in het gedicht liggen ingebed. Poëzie brengt spraak. En dat is altijd een moeilijkheid als je pas dichter bent: mijn tong voelt als een lijkzak. Woorden tot leven ‘spreken’. Sommige dichters zingen (of kreunen of hakkelen) maar iemand als Roeygens doet nog iets meer: ze danst. Stelt u zich daar geen stijldansen bij voor. Maar een sint-vitusdans, een ghostdance. Deze gedichten (die nooit zwaarmoedig zijn) stralen een dwingende ritmiek en dynamiek uit, bewerkstelligd door o.m. het gebruik van anaforen. Wat ze schrijft getuigt subtiel van geestdrift. Hoezeer de structuur van de bundel doordacht lijkt, hier zijn doorleefde gedichten gegroepeerd. Hoezeer ze ook doordrenkt zijn met een particuliere belevingswereld: levens- en wereldvreemd zijn ze niet. Enerzijds: de taal is niet fraai, niet sierlijk maar taai, gehard en bij momenten boos. Anderzijds: de teksten getuigen van een grote (over)gevoeligheid. We hebben te maken met een dichter die tot kinderlijke verwondering in staat is. De verwijzingen naar Disney, Winnie the Pooh en Artemis spreken voor zich. De fantasie wordt beschouwd: als de magische oplossing voor ongeoorloofd verlangen naar vrolijkheid.   

Als er zich vrolijkheid in deze bundel voordoet dan wordt die een wrede vrolijkheid genoemd. De dichter biedt daar haar verontschuldigingen voor aan. Ze concludeert: Eigenlijk ben ik nog altijd niet vrolijker/Straks hoort vrolijkheid niet bij mij./Ligt het puur aan mij.// En ben ik een begrip/in duisterheid.

Rijpe velden van vrolijkheid, Truus Roeygens, Bordeauxreeks nr.59, Uitgeverij Liverse, Dordrecht 2020, ISBN 978 94 92519 63 4

(Alain Delmotte)

Het verdriet van de fluit


Aanvankelijk schreef Saya Yasmine Amores in het Nederlands of het Hindi; vanaf 1982 ook in het Sarnámi, de taal van de Surinaamse Hindostanen. Ze debuteerde onder het pseudoniem Candani in 1990 met de dichtbundel Ghunghru tut gail / De rinkelband is gebroken. Daarna volgden nog vier dichtbundels en twee romans. Ze is tevens plastisch kunstenaar.

De gedichten in Bansuri ke gam / Het verdriet van de fluit schreef ze toen ze 17 en 18 was in het Sarnámi. Ze tekende zelf voor de Nederlandse vertaling.

Haar poëzie is heel direct, vaak onderkoeld, en weet je als lezer meteen vanaf het eerste gedicht te raken: het is mijn leven/ en anderen onder-/ handelen over de prijs/ van mijn kleur en talent// wie zei: vrij als een vogel?

Heel wat herinneringen, vaak niet al te fraai, zoals in Ritueel van het huis: (…) ik ben Assepoester/ en doe al de taken in huis/ toch verdragen ze mijn bestaan niet/ zonder reden laat moeder/ mij slaan en betasten door haar zonen/ ze kijkt de andere kant op en lacht vals/ en doet alsof ze niet weet wat er gaande is// enorm veel spijt heeft ze om mijn geboorte/ ze houdt haar buik vast/ en vervloekt mijn bestaan hartgrondig (…) 

Wat kan ik anders/ dan snikken/ maar met alle geweld/ moet ik zingen. Het krioelt van de vraagtekens in deze bundel: bij wie kan ik gaan?/ op welke deur/ zal ik aankloppen?, maar er is ook Troost in haar zoektocht naar geluk en haar identiteit: ergens ver weg/ zal er wel iemand zijn/ die op mij wacht (…) waar is er eerbied voor mij in deze samenleving?/ wat is de waarde van een alleenstaande vrouw?/ de prijs van zout is hoger. Misschien wachten haar betere tijden in Nederland - twee gedichten kregen de titel Holland mee: er is een ticket uit Holland gekomen/een blanke heeft mijn/ gedichten ontdekt.

Aan het eind van de poëtische tunnel bieden zich betere tijden aan: een vogel zingt en roept/ de zon rijst/ op het gezicht valt licht// vandaag heb ik/ een nieuw leven gekregen.

Met deze bundel rond ik het schrijven in het Sarnámi af, aldus de dichteres. Vanaf nu schrijft ze in het Nederlands, Hindi (waarom zou ik onder het juk/ van anderen/ een slavenbestaan leiden?/ hoe moet ik vergeten dat ik een Hindoestaan ben?) en het Engels. Ik heb geen zielentaal aangezien ik vele bloedlijnen in mij heb, doch, ik koester de talen die ik ken. In 2009 ontdekt ze dat ze niet Hindoestaans is, maar Aziatisch, indiaans en blank bloed in zich heeft.

Met veel verbeelding en fantasie/ met veel diepgaande emoties/ heb ik mijn dromen gesierd - dixit de dichteres. Dat heeft ze ook met haar poëzie gedaan. Laat de lezer deelgenoot worden van deze sterke en aangrijpende bundel.

Bānsuri ke gam / Het verdriet van de fluit, Saya Yasmine Amores, tweetalige poëzie: Sarnámi-Nederlands, voorwoord: ds. Simon van der Lugt, In De Knipscheer, Haarlem, 2020, ISBN 978-94-93214-02-6

(Roger Nupie)

Vissenschild


Er gleed een episch gedicht door mijn brievenbus naar binnen. Een lang episch gedicht vermomd als dichtbundel met op het kaft een dartel beeldje uit de Oudheid.

Op de achterkaft lezen we: … Een kalligrafist vertelt het mysterieuze verhaal van het meisje Elpis, dat op een nacht wordt onteerd door Allesman/Nietsman. Haar lichaam zinkt naar de bodem van de wetering, haar geest stijgt ten hemel. In een magistrale woordenstroom doet de kalligrafist een poging Elpis tot  leven te wekken…

Bij de eerste kennismaking viel het al meteen op dat deze bundel een serieuze trage lezing verplichtte. Lagemaat schrijft in een taal die beladen is en slow reading vraagt. Pas op die manier ontdek je haar eigen nieuwe woordenschat die ze in dit gedicht tot leven brengt. De woordkeuze is rijk en soms vergezocht. Er is een gul gebruik van neologismen. De basis voor dit werk is de sproke van Fiere Margriete, een verhaal uit de 13de eeuw. Het geheel is opgebouwd uit tweeregelige verzen. Lagemaat omarmt aldus het distichon.


DE NACHT ALS VIJAND


Elpis moest zich harnassen tegen de gitten uren,

die niet zouden wijken de hele griffelse zoldertijd lang.

 

Het matras rolde zich strak om haar lijf, het leek wel

of ze in een reusachtige schommelwieg lag ingetuigd,

 

azend naar een korrel adem in die schurkse stee. ”Maak me los!”

mopperde ze, maar niemand had vinders genoeg en zo kleefde

 

pigment aan pigment, druivenranken en vooral doofstomme pony’s

wreven hun schuurdraden tegen de smalle mummie die nog wel

 

leek op een nachtelijk meisje in bed, maar zou zich ooit uit deze

krans van schering- en inslagdraden kunnen ontwarren.

 

Geen mens zou een mummiemens willen vinden op zolder,

wanneer haar dauwkompaan, dat sluipende schirrezusje hier

 

een stap zou zetten, scharrelend naar brokken oude lucht-

de ingerolde Elpis wilde zich wel ontrollen voor die wolkenschim-

 

gestalte, bleef voor de zekerheid toch maar dicht.

En diep in haar hoofd grimde nog een gesjeesde gedachte,

 

tot elke hersenbalans werd lek gestoken en sjjjjjsj daar suisde

wat ze zagwist noch klonterhoorde in het ijle weg. Die ene lamp

 

aan de horizonzolder brokte nog scherven starnakens licht,

in de sleuf tussen laken en hooiig matras zwabberde ze,

 

een flits nog op haar oog, een trilwimper en over was de dag.

De hanenbalken speelden piramide, voor altijd. Ze was haar eigen

 

formule geworden, het onuitgesprokene, wie weet verzwegene.

Zoals een geheim de vorm is van zijn eigen inhouw. Of andersom.

 

Lagemaat vertrekt vanuit een interessant concept en brengt in wezen een goed verhaal. Ze doorspekt haar episch-lyrisch gedicht vol droombeelden. De sterkte van de bundel is haar gecompliceerde eigen taal(vondsten) die zeer ritmisch en klankrijk zijn. De muzikaliteit van de versregels doet denken aan een muziekstuk. Naast een waterval aan beelden lezen we visioenen en vaak wisselende perspectieven omdat diverse figuren aan het woord komen. De auteur is beïnvloed door haar, wellicht, uitgebreide studie van middeleeuwse en klassieke verhalen. Om Vissenschild ten volle te begrijpen en te appreciëren is een zeer geconcentreerde lezing van deze verzen verplicht. Deze poëzie tot zich nemen is een zware oefening en bestemd voor een beperkt publiek.

Vissenschild, Liesbeth Lagemaat, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2020, ISBN 9 789028 450486

(Frank Decerf)

Ik heb u lief tot in de dood


De tiende dichtbundel van Hans Claus, dichter, plastisch kunstenaar en directeur van de gevangenis van Oudenaarde, is een luxe editie van uitgeverij P. Ik heb u lief tot in de dood: 38 gedichten gedrukt op design papier en geïllustreerd met potloodtekeningen op zwarte achtergrond. In de inleiding formuleert Hans Claus zijn doelstellingen: Daar ben ik na al die jaren op uitgekomen: het gaat om mensen. Zij en zij alleen geven zin aan mijn leven. Ik teken ze, met potlood en met woorden… Zelfs als ik me terugtrek in het atelier of in de schrijfkamer, betrap ik er mij op dat ik verbinding zoek. Hans Claus schrijft over mensen die hij ontmoet op het werk, onderweg op de trein, over toevallige voorbijgangers en ook over zijn familie.

De bundel is ingedeeld in zes cycli, met als titels Vluchteling, De gedetineerde en ik, Afstamming, Vanwege je beerie, Wereldburger en Alleen zijn verbindt. De poëzie van Hans Claus is vrij toegankelijk, maar de verzen in het titelloze gedicht uit de cyclus Vluchteling zijn hallucinant: Ergens in Sussex stonden, met het karakter van een sprookjesdier,/ hele weiden vol ingeduffelde hengsten/…– Aan de avond ten prooi bovendien –/ Op het einde van de korte dag, de laatste ooit,/ hield niemand van betekenis zijn handen vast./ Moeder aarde liep blaffend om de hengsten./ Zo bleven zij nog even bijeen. De opgejaagde hengsten stellen een stroom vluchtelingen voor, wanhopig op zoek naar warmte en mededogen. Zij zijn met velen, maar toch alleen. Niemand houdt hun hand vast.

Hans Claus schrijft over de verworpenen der aarde. In zijn werkomgeving nodigt hij elke dag een andere gevangene uit, voor een gesprek:  elke dag ontmoeten wij elkaar/ jij die hier woont/ ik die hier werk/ … wij spelen onze rol/ met wisselende overgave/ in tastend ongemak/  jij aan de schaduwzijde/ van de deur en ik/ in het licht, maar/ telkens in dat ogenblik/ voor de werkdag start/ een groet/ die alle regels tart.

In Afstamming en Vanwege je beerie lezen we tedere ‘bubbel’gedichten over familierelaties. Maar de laatste cyclus Alleen zijn verbindt handelt wonderlijk genoeg over eenzaamheid: ik heb een beeld gehouwen/ dat in de stilte van elk ogenblik/ de vraag zal stellen/ of alleen zijn in de tijd/ vergif is of gegevenheid/ eerlijk keert de vraag terug/ is alleen zijn de negatie/ of de gratie van zijn tegendeel. Kan eenzaamheid als gracieus worden ervaren, is de mens fundamenteel alleen?  De dichter besluit: ik en mijn gedicht alleen/ in een hoek van de kamer/ we overleven de tijd/ geven weerstand aan storm/ en ontiegelijkheid/ en dan/ het nimmer overschat gewicht/ van een lieflijk vergezicht.

Ik heb u lief tot in de dood is een verrukkelijke bundel. Hans Claus ontwierp in tien jaar tijd een uitmuntende poëtica, met herkenbare stijl en thematiek. Hans Claus schrijft humane, fragiele en ook controversiële verzen, maar altijd in liefde bloeiende.

Ik heb u lief tot in de dood, Hans Claus, Uitgeverij P, Leuven, 2020, ISBN 978-94-93138-30-8

(Nicole Van Overstraeten)

 

Het grote roeren


Het grote roeren
van Gert de Jager is het sluitstuk van een drieluik (de vorige titels waren Dieren op schaal en Schitterende, labiele knooppunten). Al vroeg in de bundel lezen we De dag waarop ik geboren werd als confessional poet. De verleiding wordt groot om deze bundel als belijdenispoëzie te lezen. Des te meer omdat het woord ‘ik’ expliciet opduikt. Je komt bedrogen uit als je je afvraagt wie dat ‘ik’ nu eigenlijk is. Het is een ‘ik‘ dat zich wijd vertakt en waarop je geen grip krijgt. Dat ‘ik’ neemt in eenzelfde gedicht soms de vorm aan van een ‘schrijvend ik’, een (Chinees) dichter, een componist, een jij, een jij-ik. Een ‘mij’ en een ‘ikzelf’. Of een ‘wij’. Of zou het ‘ik’ het gedicht zijn? Kortom: belijdenissen van een ‘ik’ zonder specificaties. Een onthecht ‘ik’. Een ‘ik’ dat is, niet een ‘ik’ dat is geweest of zal worden. Een ‘ik’ in het momentane. Een ‘ik’ dat het in het nu is, dat niet tot intieme bekentenissen overgaat. Veeleer een ‘ik’ dat verkent en registreert, dat zich opstelt als een observator. Binnen het domein dat me toebehoort/aanschouw ik. Kijken is een terugkerend motief in de Jagers drieluik. Dat registreren is dubbelzinnig. Duaal. Het ‘ik’ ontwijkt elke vorm van interpretatie van wat het ziet. Wat niet lukt: bevestiging en ontkenning golven in beweging en tegenbeweging. Dit gebeurt op het niveau van de taal: van zodra je iets schrijft reiken woorden illusies aan. Kijken biedt meer zekerheid dan woorden. Vandaar de paradoxen die her en der ontstaan. Zoals deze: Maar dit is/zoals het is:/wereld die binnenkomt/als ik haar buitensluit. De taalwerkelijkheid die hiermee ontstaat is deze van lichaam en niet-lichaam. Ik herken hier een element uit de mystieke ervaring. Het gedicht is een vorm van praktische mystiek/veel beter/dan dit/is er niet. Een houding die alvast prachtige poëzie oplevert waarin ruimte is voor licht, lichtvoetigheid, lichtzinnigheid, diepe adem. Hoezeer de Jager een ‘filosofisch’ dichter wordt genoemd (vele gedichten hebben een flinke metapoëtische gelaagdheid), in sommige gedichten weet hij het beschouwende met het lyrische te combineren zoals in het gedicht Geen stap:

Er groeide een lichtzinnigheid

die ik had met de dagelijkse dingen.

Ik schreef: het licht geeft zich over aan de zinnen,

het woordspel van een middelmatig dichter.

 

De dagen vulden zich met het licht van de dingen,

de lijnen die zich kerven in het hout van de wereld.

Ik overzag de kerven en dacht: dit is het.

Geen stap zal ik nog verzetten,

licht is mijn hart.

Het reflexieve overheerst de gedichten niet. Je moet ze ondergaan. Ook het gedicht verweert zich tegen interpretaties. Het lot van het gedicht voltrekt zich/ in een verbijsterende verscheidenheid/en ongerichtheid. Zoals hij zelf schrijft in het gedicht Misschien geen zaal (waarin Rothko ter sprake komt) brengt de Jager de lezer naar een gebied (…) waar, als je kijkt en kijkt,/zonsopgang en zonsondergang samenkomen/in wat één beweging zou kunnen zijn,/je eigen beweging zou kunnen zijn.

Het grote roeren, Gert de Jager, Gaia Chapbooks, Brantgum, 2020, ISBN 978 1 71665 001 7

(Alain Delmotte)

Kore


Het middelpunt is het vertrekpunt
. En het vertrek- en middelpunt van deze bundel is de mythe van Kore (of Persephone). Is het noodzakelijk om het verhaal van die mythe te kennen? De grote lijnen wel: dan herken je wel een aantal dingen. Het is meer de vraag wat de dichter met dit verhaal aanvangt. Boelsma maakt er iets heel eigens van, integreert het in haar specifieke denkwereld en taalidioom. De bundel biedt een panorama van met elkaar verbonden betekenislagen. De lectuur ervan is niet vanzelfsprekend. Deze gedichten vragen om herlezen te worden. Hoe meer je leest – hoe meer je te lezen krijgt. In deze recensie beperk ik me tot wat mij opviel. Kore staat voor groei. Die groei genereert processen: laten we uitgaan van een voortschrijdend proces. In de taal opent zich voor die Kore een nomenclatuur: woorden geven Kore vorm. De omgeving (de locatie) wordt benoemd, krijgt vorm: ontvouwen is voltooien. Men wordt één, men wordt deel, een generiek onderdeel. Groei impliceert een aantal ‘bewegingen’ (waarbij tegengestelde bewegingen worden meegerekend), die een voortgang teweegbrengen en die, verspreid over de bundel, richtingen en windstreken, verplaatsingen en veranderingen en stuk voor stuk elementen van tijd en ruimte in zich dragen. Die lijken de hele bundel door bezworen te moeten worden. Nog het meest gebeurt dit in de markante cyclus Rituelen om de kamer te bezweren. Deze onvergetelijke reeks is het schitterende hoogtepunt van de bundel. Al is het bij lectuur niet meteen duidelijk waar deze gedichten naar toe willen reiken, toch raak je gefascineerd door de poëtische spanningsvelden die ze oproepen. De kamer is een terugkerend motief (tussen vele andere motieven) en wordt onder meer een 4-dimensionele tijdbox genoemd. Zich proberen aan ruimte te onttrekken, zich clockcounterwise tegenover de tijd opstellen, woorden (…) van hun betekenis ontlasten om ze hun schijngestalten te ontnemen: als ik/een woord uitspreek dwaal ik al. Er wordt gestreefd naar vertraging, naar stilstand die als volgt wordt omschreven: alles is tot leegstand gekomen/niets ontwikkelt nog tot iets anders. Een toestand van louter nu - zoals het zich realiseert in het slotgedicht. Intrigerend is het motief van het oog (retina, pupil, iris). Kijken, zien. De behoefte om het zicht te vernauwen, te versmallen. Inkrimpen om intenser verbindingen (te) zien.  Om tot inzicht te komen en te zijn: wat gebeurt er als ik niet kijk/ bestaan de dingen wel? Kijken is een manier om oog te hebben voor de ander en zichzelf: de ander niet kunnen zien is een gemis van het zelf/ het gemis van het zelf niet kunnen zien zonder de ander. Dat brengt een kentering teweeg, het leidt tot een eindpunt: kunnen zien vanuit je iris vernauwt/een verdwijnpunt. En waar de bundel begon, daar sluit hij ook af: en ik, ik ben tot het midden gekomen/(…)//ik ben buiten de tijd gaan leven en er vanuit het midden/deel van gaan uitmaken. Vurig, sensueel, inventief, intelligent, meditatief: Boelsma wordt met deze publicatie een dichter om mee rekening te houden.

Kore, Estelle Boelsma, Stichting De Kaneelfabriek, Udenhout, 2020, ISBN 9789083011929/NUR 306

(Alain Delmotte)

Ik ben niet mooi


Ton van ’t Hof (Haarlem, 1959) is dichter, poëzie animator, blogger en uitgever. Niet een van de uitsloverige soort (zoals bijvoorbeeld Chrétien Breukers), maar veeleer een stille onderzoekende.

Na het opheffen van zijn interessante uitgeverij Stanza bleek het bloed toch weer te kruipen waar het niet gaan kan en startte hij begin 2019  met de reeks Gaia Chapbooks (gaiachapbooks.com).

Gratis (een te downloaden pdf) of tegen een luttel bedrag (een keurig uitgevoerd boekje) kan de lezer kennis nemen van (voornamelijk) poëzie die de minder gebaande paden volgt. Martin Knaapen, Alain Delmotte en Willem Thies publiceerden onder meer in deze reeks: geen gelikt fonds dus.

Waar tijd al niet goed voor is noemde Ton van ’t Hof zijn eigen nieuwe Chapbook. Die titel geeft perfect de sfeer van de inhoud van deze bundel weer: bijna opgewekte desillusie. In de gedichten vindt een vorm van zelfonderzoek plaats, zonder drama maar met een vleug ironie. Aan het eind van de bundeling staat een soort conclusie in de vorm van een aantal opmerkingen.

Ik ben niet mooi, niet succesvol en heb niet alles op orde.

Ik geloof niet in de maakbaarheid van het leven, heb het te vaak niet

onder controle.

 Ik schrijf dikwijls over wat ik mooi vind, waar ik bang voor ben en

over de dood die niet vermeden kan worden.

Nou, ik geloof dat dit het wel zo’n beetje is

Van ’t Hof doet iets dergelijks vaker. Door de bundel heen komen we aangenaam droog genoteerde ‘opmerkingen’ tegen die het scheppingsproces becommentariëren en het geheel een extra poëtische impuls geven. En zo krijgen we een collectie onderzoekingen die een natuurlijk gevoel voor zuiverheid en voor het experiment uitstraalt.

Uit: Het probleem van aansprakelijkheid

Er zat een vleugje opstandigheid in de lucht,

wat heel opwindend was

en me deed denken: de wereld is aan verandering toe.

De wereld is aan verandering toe.

Ik neem graag mijn verantwoordelijkheid

in mijn gedichten, altijd gedaan.

Aandacht voor wisselwerking is typerend voor een dichter die niet vast wil zitten aan het gebruikelijke en het voorspelbare. In Waar tijd al niet goed voor is bestaat een vloeiende wisselwerking tussen prozaelementen, meer lyrische regels en experimentele uitstapjes. De ingehouden reflecterende toon van de dichter zorgt ervoor dat het resultaat niet geforceerd overkomt.

De Gaia Chapbooks zijn een goed initiatief in een tijd van veel ‘veilige’ (want voorspelbare en hoogst ‘begrijpelijke’) poëzie. In Kandahar Airfield belicht de voormalige beroepsmilitair Van ’t Hof zijn zeer persoonlijke manier van schrijven heel ‘ontwapenend’.

‘Je moet een boek schrijven.’

Maar dat kan ik niet. Als ik begin

blokkeert de toevoer. Er blijft mij niets anders over dan

een ommelands vers, de doedelzakspeler

te midden van een doodstille menigte (…)

Twijfel en onzekerheid kunnen uitstekende drijfveren zijn voor literaire creatie en onderzoek.

Ik heb alle tijd. Ik heb er alle tijd voor.

Tijd om te leren. Van mijn zwakheden & misslagen.

Waar tijd al niet goed voor is, Ton van ’t Hof, Gaia Chapbooks, 2020, ISBN 978-0-244-84263-5

(Erick Kila)