Al dat jij dat ik niet ben


Tijdscapsule
van Francis Cromphout is een ontroerende dichtbundel waarin het verdriet bij de dood van een dochter (en de dood tout court) centraal staat. De driedelige structuur van de bundel is zowel doordacht als doorleefd. De gedichten evoceren een rouwverwerking waarbij de rouw niet wordt overwonnen maar zich eerder bestendigt: rouw verwekt enkel een oneindig gemis. De dichter schrijft: zwaar is je afwezigheid/de leegte van lood/die al de tijd dat ik hier nog rondwaar/mijn stap zal vergezellen.

Beeldspraak, de eerste cyclus, is bespiegelend van aard. Het motief van de spiegel, het sprekende beeld, verspreidt zich over heel de bundel: beeld dat mijn lichaam omspant/met al dat jij dat ik niet ben/ga ik gekleed in je/als in mijn enige spiegel. Elementen als ‘nacht’, ‘droom’, ‘ogen’, ‘blindheid’ doordesemen de cyclus. De dichter motiveert zichzelf: ongezien zie ik toe/hoe de geest in mij/al het stof dat nadert/alles naar binnen zuigt/jij mijn lezer incluis/als je je over deze woorden buigt. Het particuliere verdriet (dat als fantoompijn wordt aangevoeld) wil met een lezer gedeeld worden om op die manier het verdriet om te buigen tot een algemeen-menselijk verdriet: dieper nog dan de droefheid/is er de droom van de droefheid/eindeloze tunnel door de diepzee/naar telkens opnieuw die droom.

Het tweede deel Je bent niet gestorven is ronduit aangrijpend en ontwapenend. We lezen gedichten die vrij van pose zijn. Ze zijn niet larmoyant of zwaar beladen elegisch. Een soort ‘afstandelijkheid’ laat zich aanvoelen. Alsof de dichter niet meer dan een getuige probeert te zijn: vanop een afstand zie ik dit gebeuren/bij de gedachte/dat de dood mij niet kan deren. Maar de wezenlijke betrokkenheid kan uiteraard niet worden weggedacht: het leven gaat oorverdovend verder/wij blijven achter, gestold in de stilte/met jouw beeld gekleefd op ons netvlies. Vergeten of loslaten horen er niet bij: nu je er niet meer bent/ben je er toch weer’ – je bent er reëel/maar ik vat je enkel virtueel. Het gedicht is een tijdscapsule die bewaart wat was, die het verleden doet handhaven in het nu: een verleden zonder toekomst, een verleden louter voor het heden: alles van jou wat onze zintuigen bezocht/flarden van de herinnering/opduikend voortdurend/en weer weggeduwd/door andere gedeelde momenten.

Is de derde cyclus Met het leven bijeen een poging tot een consolidatie van en met het verdriet? Wat blijft er over als het besef groeit dat elke lijn/alleen maar naar haar dood voert en dat de tekening ‘af’ is? Met de tijd sluit je geen compromis: die tikt van ogenblik tot ogenblik verder af. De dichter bevraagt zich met de nodige scherpte: door afgronden bewoond/wat zou mijn huis kunnen zijn? Hij stelt vast: het ogenblik is mijn enige ruimte/onophoudelijk verplaatst. In de eerste cyclus lazen we het al: ogenblik dat je zal bewonen/je hele leven lang. Een balans wordt opgemaakt: liefde of zijn afwezigheid/is het enige wat is. Het laat de mogelijkheid tot kwetsbare spraak open: maar soms spreek ik je uit/als een zeepbel/waarin helderheid woont.

Francis Cromphout toont zich in deze bundel in tere en humane gevoeligheid.

Tijdscapsule, Francis Cromphout, Beefcake Publishing, Gent, 2021, ISBN 978 949 311 17 52

(Alain Delmotte)

Bronzen poëzie


Piet Gerbrandy (1958) geniet grote reputatie. Hij is een gecanoniseerd auteur. Als recensent is hij gevreesd want veeleisend. Als essayist verbluffen zijn visies en eruditie: ik voel er ontzag bij. Hij is een geschoolde classicus en een zelfbewuste didacticus: dat merken we volop aan zijn werk. Onder meer aan zijn poëzie. Als dichter werd hij vaak bekroond. Over zijn poëzie ben ik zelf echter weinig enthousiast, waarmee ik niet wil gezegd hebben dat hij een minderwaardig dichter is. Nee, aan geen kanten: ik zie zijn belang in. Ik waardeer zijn vakmanschap en zijn voldragen engagement voor de poëzie. Ik kan me zelfs vinden in wat in het juryverslag van de Jan Greshoff-prijs als volgt wordt omschreven: Voor hem is het gedicht ‘een oproep om mee te bewegen, de rituele handeling van verklanking te voltrekken, de stem, adem en hartslag van het gedicht over te nemen’, waardoor het gedicht in de allereerste plaats als een ervaring moet worden gezien, een ervaring van een mechaniek waarin ‘de materialiteit van klank en ritme de worsteling aangaat met de spiritualiteit van de betekenis’. Nochtans klikt het tussen mij en zijn poëzie niet – hoe graag ik dat ook zou willen.

Ook zijn recentste bundel Ontbinding dringt niet tot mij door. Gerbrandy schiep ontegensprekelijk een heel eigen taaluniversum en in deze bundel vinden we daar alle ingrediënten van terug. Die mengeling tussen vers en proza (dat beschouwend, narratief, grotesk of poëtisch kan zijn); de typografie; de bijwijlen opborrelende lyrische woordroes; de geslepen ironie; de barokke zegging; die alchemie tussen het (vegetatieve en dierlijke) tellurische en het zowel libidineuze als het cerebrale die zich onder meer laten aanvoelen in het vocabularium, dat zowel plat kan zijn als hooggeschoold. Elementen die stuk voor stuk zijn gedichten stilistisch herkenbaar maken.

Deze teksten lijken tegelijkertijd geschreven te zijn in de vrije natuur (een wolvengebied), in het liefdesbed, in een scriptorium van een klooster en tijdens een pelgrimagetocht (Pol - bos- rag - stro - kaf: dat is de route) op zoek naar wat onontbeerlijk is om gas tot vlam te wekken/en zang te puren uit wat slijtend zinkt. De bundel is geschreven vanuit het gezichtspunt van een ouderwordende persona die de balans en inventaris van het bestaan dat hij achter de rug heeft, opmaakt. Mijn leeftijd heeft zich afgevraagd/wat kutjes ertoe doen en publicaties. Er wordt fysieke neergang gesuggereerd. Er worden vragen gesteld over en naar de toekomst toe, die niet als rooskleurig wordt voorgesteld.

Gerbrandy is zonder meer een virtuoos dichter die vlijtig en weelderig de taal voor zich uitstrooit. Bij lectuur raak ik niet uit dit weliswaar merkwaardig retorische vertoon los. Ik kan het volgen. Ik kan er mij evenwel niet in verliezen. Expressieve poëzie, heel zeker maar het lukt me niet om ze als organisch te ervaren. Waarvan hij ons wil overtuigen blijft naar mijn aanvoelen vast steken in overdadig ornament. Ik voel me er als lezer machteloos tegenover. Ik stoot er mijn hoofd aan en hou er een buil aan over. Want wat niet aangetast kan is van brons.


Ontbinding, Piet Gerbrandy, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2021, ISBN 978 90 254 6468 4

(Alain Delmotte)

Een dichter schildert leven


Het is geen sinecure om een gedicht te schrijven bij een bestaand kunstwerk dat ook volledig op zichzelf staat. Vaak blijft de poging hangen in een illustratie of een beschrijving van. Van dit gevaar is Mark Meekers zich terdege bewust. Niet verwonderlijk natuurlijk, hij is zowel dichter als beeldend kunstenaar.

In zijn jongste bundel, In het oog van de stilte, ontloopt hij deze lastige horde door zich niet te beperken tot één schilderij, maar kiest hij ervoor om leven en werk van een bewonderd kunstenaar centraal te stellen: de schilder Jakob Smits, die leefde van 1855 tot 1928.

Dat Mark Meekers weet waar de valkuilen liggen, geeft hij meteen in het eerste vers, Kijkspel, al aan. Na de introductie van de schilder, zijn werkwijze, zijn thema, besluit hij het gedicht met deze constatering:

soms penseelt hij zichzelf voorbij, schildert
meer dan hij weet, is het doek wijzer dan hijzelf.


Zo is het ook met taal, weet de dichter. Wie de taal volgt in zijn ambachtelijkheid wordt regelmatig geconfronteerd met de eigenzinnigheid van datzelfde materiaal: woorden, zinnen, begrippen die de lading (net) niet dekken.

Mark Meekers weet als geen ander hoe hij kan samenvallen met zijn evenbeeld, hij is de schaduw van zijn hoofdpersoon, hij weet wat hem bezielt, hij kent de wereld die hem omringt:

ze stapt mijn verfdoos uit, mijn werkelijk-
heid binnen, kleurt mijn grijze leven in,
verandert rouw en napijn in jonge wijn


De dichter volgt de schilder op de voet en herbeleeft als het ware diens leven. Niet alles leent zich voor poëzie, ondanks de verwoede pogingen van de dichter. Soms blijft een vers hangen in zijn bedoeling of drukt het bijna te letterlijk uit wat het wil zeggen en blijft daardoor aan het oppervlak van de anekdotiek, zoals in het gedicht waarin de schilder zijn derde vrouw huwt:

dreimaal is scheepsrecht: Anna overboord,
Malvina naar de kelder en nu met Josine
scheep. Ze is mijn reddingssloep, plezier-
jacht, feestvlaggetje en huwelijksboot.


De bundel is verdeeld in 3 delen: Tussen de schaduwen, Oogstrelend en In de greep van het licht. De delen volgen elkaar op in de chronologie van het leven van Jakob Smits. Het geeft tevens de ontwikkeling aan die de schilder doormaakte. Zo bevat de tweede afdeling in beeld en woord vooral portretten en beschrijft de derde de worsteling met het licht op het doek. Het laatste gedicht van de bundel roept het laatste gedicht van een andere dichter in herinnering: Laatste gedicht van Hans Andreus. Andreus dicht:

Hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht
van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in
het onverhoeds onnoemelijk begint


Meekers slotwoorden zijn:

maar wat met al het licht dat in mij kiemde?
wie vergaart het voor de blinden van morgen?


In het oog van de stilte is een aangenaam geschreven levensverhaal dat het leven van de schilder adequaat verwoordt, nergens sentimenteel wordt en toch (of dus) tot de verbeelding spreekt.

Een geslaagde loot aan de stam van de dichter.


In het oog van de stilte, Mark Meekers, Uitgeverij P, Leuven, 2021, ISBN 978 949 318 360

(Wim van Til)

Tekens van het onzichtbare


Antoon Van den Braembussche is cultuurfilosoof, gespecialiseerd in kunstfilosofie en comparatieve filosofie. Recent verscheen Tekens van het onzichtbare, vier essays over kunst en mystiek, waarin hij de mystieke dimensie in het werk van dichters (Rumi en Paul Celan) en beeldende kunstenaars (Paul Klee en Anish Kapoor) belicht. Het boek is een vervolg op zijn vorig essayboek, De stilte en het onuitsprekelijke, over beeldcultuur, kunst en mystiek (Epo, 2016), waarin christelijke mystiek en zenmystiek centraal stonden. In zijn exploratie van het onzegbare in het werk van het viertal dat hij nu onder de loep neemt, biedt hij een ruimere waaier: naast de zenmystiek komen ook het hindoeïsme, het soefisme en de joodse mystiek aan bod - en dat maakt het alleen maar nog interessanter.

Het procedé dat de auteur toepast maakt de thematiek toegankelijk: eerst zet hij het viertal in een historisch en biografisch kader, dan belicht hij de mystieke dimensie in hun werk, gevolgd door een Intermezzo met korte, verhelderende aantekeningen. Zo komt in de mystieke processen die hij hier analyseert het onuitsprekelijke in het werk van de Perzische dichter Rumi aan bod, wiens poëzie maar al te vaak het etiket homo-erotisch krijgt toegedicht, waar het eerder een uiting was van zijn spirituele vriendschap met de mysticus Sjams van Tabriz: Vol hartstocht/ wacht ik in stilte/ op een teken,/ een glimp/ van jou. Volgt het onzichtbare en de stilte in de engelenserie (potloodtekeningen) van Paul Klee. Hedendaags Brits kunstenaar Anish Kapoor, opgegroeid in India, confronteert de kijker met ‘een onpeilbare afgrond, een oneindige leegte, die tegelijk angstaanjagend en ongrijpbaar is’ – ‘onvatbare leegte’. De Duitstalige dichter Paul Celan, wiens gedicht Fuga van de dood (Zwarte melk der vroegte we drinken haar ’s avonds/ we drinken haar ’s middags en ’s morgens we drinken haar ’s nachts// we drinken en drinken/ we graven een graf in de lucht daar lig je niet krap - vertaling Tom Naaijkens) als geen ander de gruwel van de Holocaust verwoordt, wist uit ‘het ondenkbare en onvatbare lijden een poëtische transformatie te creëren’.

Antoon Van den Braembussche is tevens een verdienstelijk dichter. Bij Uitgeverij P verschenen de bundels Kant-tekeningen, Het uur van de wolf en Alles komt terug. Eerder publiceerde hij in de periode 1979-1995 drie bundels onder het pseudoniem Tonko Brem. Als Coda heeft hij in deze publicatie een cyclus eigen gedichten opgenomen, uit Tien dichters voor Celan, gedichten in het kader van het Celanjaar, eerder verschenen in Poëziekrant. Eén fragment:

Sterf voor je sterft,
zegt de mysticus.

Wij hebben in het kamp
en in het hele ongeheelde leven nadien
niets anders gedaan.

In herfst, getijde en het niets.
Ons stuk kauwend
op de tekens van het ongeziene.

De stilte en het onuitsprekelijke was een succes: derde druk in 2019. We wensen het bijzonder interessante Tekens van het onzichtbare terecht een even goede vaart toe.


Tekens van het onzichtbare. Essays over kunst en mystiek, Antoon Van den Braembussche, Uitgeverij Damon, Eindhoven, 2021, ISBN 978 94 6340 295 8.

(Roger Nupie)

Bereisd en belezen


De dichter van De muren van Meknes, Yvan de Maesschalck weet waar hij het over heeft in zijn gedichten en dat ligt niet alleen aan de verantwoording die hij in zijn debuutbundel heeft opgenomen. Daarin maakt hij gewag van zijn literaire en geografische inspiratiebronnen.

In een kleine 40 gedichten voert hij ons langs bezienswaardigheden in uiteenlopende landen als Marokko, Italië, Frankrijk, Noorwegen, Thailand. De gedichten zijn verdeeld over 5 ongelijke afdelingen, de eerste en de vierde tellen 12 gedichten, de tweede 8, de derde telt er 3 en de laatste 1 gedicht dat uit 3 delen bestaat. De afdelingen zijn geklemd tussen een code en een coda. Opvallend is het gebruik van de Duitse komma (/) in die twee gedichten, terwijl in alle andere alle leestekens zijn weggelaten.

Het is geen poëzie die zich gemakkelijk gewonnen geeft, de lezer moet zoeken naar een draad waarmee hij het breiwerk als het ware kan uithalen. Zo’n draad vindt hij bijvoorbeeld in het gedicht hymne (bladzijde 10):

eerst stallen we de wagen dan onszelf
beneden de doorzonde straten van deze
uitgestulpte stad hoog tijd om te verdwalen


De dichter is de gids die ons rondleidt door de straten van zijn gedicht en wijst op details die verbindingen oproepen met een bekende, een herkende wereld. De observaties van deze gids transformeren de buitenwereld naar een ‘binnentuin’, en omgekeerd:

hij huilt nu zonder snikken laat zijn tranen
lopen kijkt naar de bevrijde grond neemt
afscheid van de weemoed en zichzelf
een koninginnenpage landt op zijn hoofd


Het zijn verzen van een afstandelijk dichter, nergens in zijn gedichten laat hij gevoelens een boventoon voeren; wat de dichter beroert, wordt in observaties en beelden beschreven. Hoewel hij in de titelafdeling, De muren van Meknes, zijn gedicht plaza el haouta laat eindigen met ik voel me taalloos nu alle monden zwijgen, kun je twijfelen of je in deze zin met een gevoel te maken hebt of met een constatering.
In de derde afdeling, minderingen, maken we voor het eerst kennis met de directe kring van de dichter als hij in het gedicht strijklicht concludeert

mijn zoon hangt draadloos aan
het strijklicht en geeft geen kik
er is geen tijd meer enkel ogenblik

Er is dus een zoon, al blijft die verborgen in de onbenoemde persoonlijke achtergrond van de dichter. In het derde, tevens laatste gedicht van deze afdeling beschrijft de dichter hoe een gezwel inbreuk pleegt in de omsloten tuin van het lichaam, de invloed die dat heeft op de persoon. Dit alles in een zeer compacte vorm, waardoor de lezer zelf veel in te vullen heeft.
Dit lijkt het procedé dat De Maesschalck volgt in zijn poëzie: snijd emoties en overwegingen weg uit de observaties en leg daarmee vast wat de tijd kan doorstaan. Het levert intrigerende beelden op van een bereisde getuige.
De muren van Meknes is de getuigenis van een dichter die beseft dat zijn observaties, vastgelegd in taal, zijn wereld overeind houden. Een houvast, een baken voor de ziel.


De muren van Meknes, Ivan de Maesschalck, Demer Uitgeverij, Goor, 2020, ISBN 978 0244 821 821

(Wim van Til)


Rectificaties media vita


Aan het begin van de dichtbundel Mijn zoon hij zegt van Willem Thies wordt het beeld geschetst van een dichter die zich onder het strakke regime van de routine dient stand te houden. Hij beschikt enkel over de nacht om zich tegen dat regime te verweren. Hij schrijft dan in het geheim, in het gemis opdat anderen niet weten dat ik zachtmoedig ben zodat hij weer kan zijn wie hij is (maar wie is hij?) met wat dat impliceert aan onzekerheid: ik, losgebroken dierentuindier plots in het opene, schrik/van de wind in het onbeschutte. Het is duidelijk dat de dichter zich van iets heeft te herstellen. Deze bundel las ik als de weergave van de diverse fases van een verwerkingsproces van iemand die zich media vita bevindt. Iemand die een voorlopige levensbalans opmaakt: Er was niets te vergeven. Ik vatte het van aanvang niet persoonlijk op. Ik stond enkel/in de weg. Iemand die op zoek gaat naar een nieuwe en andere samenhang, een vernieuwd lichaam: Zoek je eigen lichaam in de stoet. Wie is de dichter tussen de anderen? Noem het een soort rebooting van het bestaan. De dichter spreekt zelf over een rectificatie.

Deze herpositionering speelt zich op diverse fronten af. Zoals de titel aangeeft is één van die fronten de verhouding vader en zoon, gesitueerd binnen de context van een echtscheiding. Kan een vader een moeder zijn? ik ben een vrouw/voor jou als je dat wilt: het staat te lezen in een pracht van een gedicht Ik wil met jou zijn, met jou vul ik een ruimte. Die vader-thematiek maakt maar een deel van de bundel uit. In andere cycli komen andere zaken aan bod: de existentiële vraagstelling, de dood (met onder meer een hommage aan componist Louis Gauthier), de identiteit, de Anderen, de werkelijkheid, de alledaagse oorlog, het vlees, het begin van leegte... Hier en daar merkte ik religieuze en Bijbelse connotaties op. Er duikt een weinig opmonterende, apocalyptische toekomst op zoals in het slotgedicht Het is opgemerkt: Laat de kreken branden/en maak/laatste aantekeningen.

De bundel biedt ons willens nillens wat in het ironische introgedicht wordt aangeraden te vermijden: stijl. In de eerste instantie is poëzie voor Thies werken met taal. Geen belijdenispoëzie. De dichter intervenieert in het taalproces: de syntaxis wordt verzwikt, éénwoordzinnen, opsommingen, onderbrekingen, associatieve sprongen, intertekstualiteit. Stilistisch wordt het verwerkt tot een idiosyncratische en eigentijdse synthese. Dit resulteert in een zeer gelaagde poëzie waardoor niet alle gedichten me toegang hebben verleend. Hoe dan ook: schitterende gedichten liggen er voor het rapen.

Laat de doden

Laat de doden met rust, laat ze ongemoeid, ze zijn te verknoopt
met de aanraakbare wereld van appels,
tafels, kleden, draden, schrik,
slaapgebrek.
Laat ze ons één dag niet herinneren. Ons één dag niet missen.
Laat ze nog een keer voor het eerst
op de vensterbank zitten, naar buiten in de leegte schouwen
en mistroostig een sigaret roken.
Zonder de noodzaak tot een gesprek.
Zinloze bustickets en visitekaartjes in hun achterzak.



Mijn zoon hij zegt, Willem Thies, Uitgeverij Podium, Amsterdam, 202, ISBN 978 94 6381 079 1

(Alain Delmotte)


Twee soorten adem


Nogal wat dichters worden door de charme van de jazzmuziek en de hele scène daarrond verleid om hun emoties in jazzgedichten te verwerken, juist zoals weer anderen het niet kunnen laten om de wielrennerij in hun poëtisch schild te voeren. Voor elkeen een passie die tot schrijven aanzet. Alleen komt het er dan op aan om rustig het kaf van het koren te scheiden…

Het moet gezegd dat de samenstellers van TWEE SOORTEN ADEM in hun opdracht zijn geslaagd. Voor mij ligt een heel interessant boek dat anders is dan de andere jazzbundels die ik tot nog toe kreeg toegestuurd. De grafische vormgeving door Edwin Smet heeft mij bekoord. Dit boek is een stuk volwassener dan de vorige themabundels die mijn revue passeerden. We krijgen waar voor ons geld. 120 bladzijden vol kleurrijke foto’s van optredende jazzgrootheden, veel interessante interviews met onder anderen Bernlef en het ensemble SilentLive, passende illustraties van bijvoorbeeld Willem Switker, historisch archiefmateriaal, kunstwerken van Paul Turkry, Paolo Steffan, Jef Lambrecht, RoBie van Outryve, Erzsebet Nagy Saar en Louis Joos. De samenstellers gingen in het Nederlands taalgebied op zoek naar dichters die dit boek konden versterken. In die queeste moest überhaupt een strenge keuze gemaakt worden. Volgende namen kregen hun voorkeur: John Schoorl (samensteller), Wilfried de Jong, Mischa Andriessen, Roger de Neef, Fred Papenhove, Barney Agerbeek, Reinold Wideman en Guy van Hoof. Deze dichters serveren in TWEE SOORTEN ADEM een totaal van 43 jazz gerelateerde gedichten.

JAZZ

Het gaat altijd over de rand en de nabijheid
van een grens waar de pijn is, of verder nog
dan de rand, net voorbij de ervaring.
Geboren om de ruimte op te zoeken
is leven te beperkt, een vierkant op stelten
terwijl de tijd zich uitbreidt
zonder beperkingen of grenzen
van het vierkant dat de kamer is, of het podium
of de stad, waar wij de rol spelen van bedelaars
in een donker heelal.
Jazz is geen chaos
maar precies de vrijheid
om ermee om te gaan
de discipline
om niet te ontsporen.
Elke verandering van ritme
elke noot die als een verschrikt dier opspringt
als een bewegend object in de ruimte
is er om de vrijheid mee op te vullen en vorm te geven.


(Guy van Hoof)

Bij elke van de, bovenvermelde, dichters vinden we, en dit is natuurlijk vanzelfsprekend, een individuele insteek, verschillende invalshoeken en affiniteiten die als centrale focus de liefde voor jazzmuziek bewijzen. Door de manier waarop dit boek is samengesteld kun je dit werk als kijk-, lees- en leerboek beschouwen. Het is een interessante uitgave die een breed publiek kan aanspreken. Eenvoudig doorheen het werk bladeren is al genoeg om te genieten en stil te staan bij het werk van de kunstenaars en illustratoren. Het unieke fotomateriaal is zorgvuldig gekozen en de interviews verdiepen het inzicht in deze boeiende wereld.
Bij TWEE SOORTEN ADEM hoort een audioboek, maar dit heb ik niet ontvangen, dus kan ik er niets over zeggen.

TWEE SOORTEN ADEM, Samenstellers Wim Huijser en John Schoorl, Azul Press, Maastricht/Amsterdam, 2021, ISBN 978-94-92401-42-7

(Frank Decerf)

Wees weg als dit woord. Wees als dit.


Poëzie-essayistiek komt in boekvorm weinig aan bod. De vraag ernaar zal niet erg groot zijn. Wat niet belet dat het een genre is waar de poëzie echt nood aan heeft. Toch eerst even duidelijk stellen dat een essay geen recensie (hoe uitgebreid ook) is. En evenmin een academische paper. Het is een persoonlijke creatie waarbij eventueel gebruik kan gemaakt worden van een of andere literaire methodiek (zoals bij een academische paper) maar die het in zekere zin ook overstijgt. Er moet meer zijn dan methodiek of een corsetdragende format. Ik verwacht een persoonlijke, eigenzinnige, verrassende touch: met eruditie, inzicht en sensibiliteit geschreven. Er worden eigen, al dan niet polemische meningen geformuleerd, gestaafd en geëxploreerd. De bedoeling van een essay is niet meteen om een gedicht of een poëtisch oeuvre te ontsluiten maar vooral om het te verdiepen. Het is in die tastende verdieping dat het creatieve gezocht moet worden. Althans in mijn perceptie.

Het essay van Gert de Jager Abakadabra beantwoordt aan mijn persoonlijke verwachting wat een essay betreft. Zeker: we hebben hier te maken met een volleerd literatuurwetenschapper en dat merk je wel in deze tekst. Maar hij is ook een dichter: hij weet best wel welk taalproces het gedicht door moet maken voor het er staat. Hij begrijpt door en door dat het gedicht een meerduidig gegeven is en dat het zo moet blijven.

Hij legt de focus op de debuutbundel van de (ondertussen veel bekroonde) dichter Tonnus Oosterhoff Boerentijger. Hij doet dat vanuit de overtuiging dat er in dit debuut dan toch ‘een verhaallijn’ te exploreren valt. Dit in tegenstelling tot de mening van veel critici die deze bundel niet doorgecomponeerd vonden. Zij misten samenhang. De Jagers interpretatie is een wellicht-verhaal. Dat wil zeggen zonder opdringerige didactiek of gelijkhebberij. De Jager vertrekt vanuit de volgende versregels: ‘Abakadabra: wees weg als dit woord. Wees als dit.’ - waarop vier witregels volgen. Hij stelt zich de vraag wat hier met een toverspreuk verdwijnt? Vanuit die vraagstelling herleest hij elk gedicht uit Boerentijger. Geleidelijk aan wordt zijn stelling duidelijk. Het concept dat geconstrueerd wordt, lijkt op de uitkomst van wat ik een proces van zelfidentificatie noemde of de geschiedenis van een bewustzijn. – Is die constructie eenmaal permanent geworden, dan hebben we dit ego niet meer nodig en kan het (Abakadabra!) weg, zoals een aannemer de steigers weghaalt als het huis staat. Tussendoor verduidelijkt hij het een en ander op het formele niveau en legt hij verbanden naar ander werk van Oosterhoff. Zo wijst hij onder meer op de invloed van Lucebert.

Wat heb je nu als lezer aan dit soort teksten? Dat is voor ieder verschillend maar zelf ben ik geprikkeld geraakt om het werk van Tonnus Oosterhoff wat grondiger te gaan lezen, want ik besef nu pas dat ik niet vrij was van vooroordelen t.a.v. zijn werk. Ik ervaarde hem als onleesbaar.

Waarom er op de cover een brood werd afgebeeld? Ik laat het aan de nieuwsgierigheid van de lezer over.

AbakadabraOver Boerentijger van Tonnus Oosterhoff, Gert de Jager, Gaia chapbooks, 2021, ISBN 978 1257-90675-8

(Alain Delmotte)


Volkomen heldere raadselen


Toen ik Wiskunde van lyriek van Henk Ester pakte en willekeurig opensloeg viel mijn oog, op bladzijde 70, het eerst op de regels Wie een steen wil spreken / opent goddelijk lege zalen. Ik ‘begreep’ die on-mid-del-lijk en was gelijk verkocht.

Volgens de flaptekst neemt Ester ‘je mee in een wereld die stilstand vol van beweging is, waar een eind een begin is, en een begin een eind, maar dan wel tegelijkertijd. In de steen de wind. Meer nog dan voorheen gaat de dichter terug naar de essentie, tastend naar de exacte schoonheid van de wiskundige formule.’ Volkomen duidelijk, ook voor deze lezer met alfabrein. Maar met de zin waarmee de tekst vervolgt kom ik in de knoop: ‘Zo min mogelijk franje, want dat is niet waar het hem om gaat.’ Die brengt me semantisch in verwarring. Waarom wordt er naar franje terugverwezen met dat en niet met die? Waar gaat het hem nou niét om? Om franje? Om zo min mogelijk franje? Hier moet ik nog een paar nachtjes over slapen. Wellicht zie ik dan het licht.

Overigens is er in se niets mis met dichters die je in verwarring brengen. Wellicht is het in verwarring brengen van de lezer zelfs een van de kerntaken des dichters. Ester spreekt voor sommigen wellicht in raadselen, maar mij zijn het volkomen heldere. Wel ontgaat me de logica van zijn hoofdlettergebruik.

Wiskunde van lyriek is het vierde luik van de reeks Bijgeluiden, ingezet met Bijgeluiden (2013) en vervolgd in E-groot is rood (2016) en Het vermoeden van Witten (2018). Ester is duidelijk een systematisch man. Hij componeert zijn bundels strak. Wiskunde van lyriek bestaat uit veertien reeksen Bijgeluiden (LIV tot en met LXVII): vier van drie, twee van vier en acht van vijf gedichten (die allemaal anders van vorm zijn). Die laatste reeks is telkens van 1 tot en met 5 gerangschikt waar de eerste twee respectievelijk 1, 3, 5, weer 1, 3, 5, dan 2, 3, 4 en 3, 4, 5 en 1, 2, 3, 4 en 2, 3, 4, 5 zijn genummerd. Dat er cijfermatig iets ‘gebeurt’ zie ik wel, maar wِát blijft me onduidelijk. Die ordening zal vast een betekenis hebben, maar welke? Dat ik die niet kan bevatten doet ook niet ter zake want ik ben zo ouderwetsch dat ik gedichten gewoon los lees, als zelfstandige entiteiten. Dat de dichter met de structuur van de bundel een kunstwerk op zich beoogt weze hem van harte gegund, als ik die maar op mijn eigen manier mag benaderen.

En dan kan ik simpelweg genieten van beelden als een spin ligt niets / voor meer te wachten of Het offer van vuur / viert de standaard / van een meter of op hoogte fluiten goden de ligging van gelijk / tussen lijnen huizen zij, ijken behang aan bijgeluid of Een lichte sprong is het zijn te wonen. Bijzonder graag gelezen. De kunst is niet een dans te leiden / maar de volheid van surplace. Zo is het maar net, Henk.


Wiskunde van lyriek, Henk Ester, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2021, ISBN 978 9029 545075

(Bert Bevers)

Voor waar genomen


Beeldend kunstenaar en kunstpsychologe Inge Boulonois schrijft sinds 2000 poëzie. Ze is medewerker van het literaire e-zine Meander en redacteur van Het vrije vers, een platform voor light verse en gebonden poëzie. In 2014 verscheen Heerhugowaardse gedichten, een selectie gedichten uit de periode dat ze Stadsdichter was van Heerhugowaard (2011-2015), een jaar later gevolgd door Lichte en Bonte Gedichten. Na Idioom van geluk (2016) volgde een tweede light verse bundel, Vers gekruid.

Kunstwerken vormden al eerder een inspiratiebron en dat wordt nog eens bevestigd in haar nieuwste publicatie, Voor waar genomen, een bundel met een selectie van dertig gedichten uitsluitend door kunst geïnspireerd. De werken zijn in kleur afgebeeld en daar waar dat eeuwige en ronduit ergerlijk en vervelend gedoe rond auteursrecht roet in het poëtisch eten gooit en de afbeelding daarom niet mocht opgenomen worden, kan het kunstwerk via een QR-code online getraceerd worden.

Na een kunstenaarsatelier op de omslag, anno 1881, opent het beeldend kunstenaaruniversum dat de dichteres inspireerde, heerlijk eclectisch: van de grotschilderijen van Lascaux (ca. 15.000 v. C.) en een mummieportret van de 2de eeuw v. C. tot 21ste eeuwse kunstenaars als Panamarenko, Egon Schiele en Lucian Freud. Van zelfportretten, landschappen en een miniatuur tot stillevens en een compositie van Mondriaan.

De poëtische toon is al even verrassend. Nergens “beschrijft” de dichteres; ze interpreteert, laat haar fantasie botvieren en bezint zich over de kunstwerken. Soms kort en gevat, zoals bij Rembrandts laatste zelfportret (1669): Loodwit/ gele oker/ siena/ omber/ Kasselse aarde/ beenderzwart. en Ready made, Vincent van Gogh (1888): Het is even interessant en even moeilijk/ om iets goed te zeggen als om iets te schilderen.

Het Meisje met de parel van Johannes Vermeer (1665) komt bij Inge Boulonois tot leven in:

Zwijg mij aan. Geef toe/ aan de neiging lang bij mij/ stil te staan. Voor jou kijk ik/ over mijn schouder. Ik ben// schatplichtig aan het licht dat is/ verdeeld als kleur en nimmer opraakt/ aan de luister die het geeft.// Dit ogenblik staan onze pupillen stil,/ zien wij elkaar, elk binnen/ het raam van eigen bestaan./Wie ben jij, wie ik.

Aan de rauwe, vervreemdende sfeer van de vaak genadeloze naakten van Lucian Freud voegt de dichteres de kwetsbaarheid van de naakte man toe:

Naakte man op bed, Lucian Freud (1989)

Wees maar moe, leeg de mailbox
van je hoofd, laat je stoere dag maar
op het eenzaam eenmansbed
uit je vreselijk vleselijke lijf verdampen.

Gegroefd, bestoppeld,
met feestelijke festoenen van ros haar
bepluimd. Bemoedervlekt.

Je lendenen centraal, de liefdesspeer
dommelend. Geen lust
een houding aan te nemen.

Mannetjesputterigheid
verfrommelde tot zwarte sok
die klungelig om je tenen bungelt

in het genadeloze licht
waarvoor jij zelf de ogen hebt bedekt.

Met evenzeer subtiele als gevatte poëtische beschouwingen biedt Inge Boulonois in Voor waar genomen de lezer een boeiende kijk op haar privémuseum. Laat de deuren nu maar opengaan!


Voor waar genomen, Inge Boulonois, Brave New Books, 2021, ISBN 978 94 641 8729 8

(Roger Nupie)

Toen dichters over engelen droomden


Ik hou van korte titels, Karel Wasch blijkbaar niet. Maar dat is eigenlijk niet zo belangrijk, het heeft meer te maken met voorkeuren en die moeten verschillen. Veel van de gedichten zijn gelouterd door een vleugje wanhoop. In een parlandostijl groepeert de dichter 33 gedichten waarin hij vooral filmisch beschrijvend te werk gaat.

Toen dichters over engelen droomden

Marius’ aankomst op mijn stoep, was
wat ik er meestal zo’n beetje van
had verwacht.
Maar ieder ander – bijvoorbeeld de haveloze
schilder Erik – zou geen grotere verrassing zijn dan
wat ik aantrof toen ik
de deur voorzichtig opentrok.
Het was de ongenaakbare dichter
Grotius. Dit maal geheel in het
zwart gehuld, met zelfs een Lavallière
om zijn nek in plaats van een stropdas.
Zijn gedichtbundels
hadden mij de afgelopen jaren – als een wervelwind –
om de oren gevlogen.
We dronken de rode port,
die hij had meegebracht en bedwelmden ons
met deze godendrank.
Jaren ervoor hadden we afgesproken nimmer nog,
nimmer, over iets triviaals of onbeduidends te spreken.
De port werkte nu in ons voordeel.
“Vertel me jouw droom en straks, ben je in de mijne!”
verbrak Grotius de stilte, gevolgd
door die prachtige zachte lach van hem.
Ik vertelde over de grote
toren waar ik plotseling een
sleutel van had en die ik beklom om boven
mijn engel te ontmoeten, die samen met
mij wegvloog hoog boven
de boomgrens, onder het geruis van de zee
en bladerwind.
Hij keek me even stil en
Aandachtig aan.
“Mijn engel raakte mijn voorhoofd aan!” zei
Hij. ”’t Was nog warm toen ik ontwaakte!”
En we zwegen lang in een uitdrukkelijke gelukzaligheid
en verbondenheid, waarna ik hem begeleidde
naar mijn voordeur. zodat ik
hem zag verdwijnen in
het avondlicht, dat karmozijn kleurde.
Liep of zweefde hij? Of was het de rode port?


De nostalgie laat Wasch moeilijk los. Hij herbeleeft wonden en herinnert zich het afzien in al zijn facetten. Bij hem lees ik originele vondsten: een neergestorte piano wordt onderwerp van zijn poëtisch verhaal, idem dito met een zoutvaatje tot zelfs een varken in ontbinding. Of hoe deze schrijver alles in zijn poëzie probeert te betrekken. De gedichten leunen sterk aan bij een soort van miniverhaal. De dood, in al zijn varianten, is in deze bundel sterk aanwezig. Ook de nacht is een geliefkoosd decor. De auteur maakt geregeld bruggen naar zijn persoonlijk verleden. In enkele gedichten zijn de versregels en het rijm wat te geforceerd, jammer. Wasch heeft weinig attentie voor vormvereisten. Hij schrijft ongebonden. Hij houdt er wel van om zijn gedicht te laten groeien tot een pointe. De vraag mag gesteld worden of Karel Wasch nu een dichter is, een verteller of een symbiose van de twee? In elk geval lezen we vaak mooie beelden zoals: De regen was gestopt en druppels dropen nog in zigzagbeekjes langs de vensterruit. Maar wat te doen met: Zelfs van achteren zag hij er hopeloos uit en bedroefd? Toen dichters over engelen droomden is globaal een bundel in evenwicht.

Toen dichters over engelen droomden, Karel Wasch, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2021, 978-94-93214-42-2.

(Frank Decerf)

Sanguines


Slechts kort na het verschijnen van Gevonden Voorwerpen, die ongewone verzameling opstellen rond alledaagse vertrouwelijke dingen, die elk van ons omringen, publiceert Frans August Brocatus zijn zevende dichtbundel Sanguines.

Sanguines heeft in het Frans meerdere betekenissen. Het staat voor een roodkrijttekening maar ook voor bloedsinaasappel, bloedsteen, roodijzererts. Maar alle betekenissen verwijzen naar de kleur van bloed, van leven. Alleen reeds deze meerduidigheid in de titel intrigeert, zeker als je ook nog merkt dat in sanguines het woord ange/engel verborgen ligt, nog eens extra benadrukt in de opmaak van de kaft. Maar er is meer dat deze bundel zo bijzonder maakt. Het is de merkwaardige symbiose tussen inhoud, vorm en structuur.

De indeling bestaat uit vijf cycli, die de totale structuur van de bundel dragen. Vier korte cycli van telkens vier gedichten: 1. Haar lichaam, 2. Engelen, 4. Landschappen, 5. Zijn lichaam. De middelste derde cyclus Sanguines vormt met zijn 24 gedichten de hoofdmoot. Maar eigenlijk vloeien de cycli in elkaar. Bij de bespreking van Gevonden Voorwerpen wees ik reeds op het bipolaire standpunt van de auteur: de buitenstaander, die beschouwend naar binnen kijkt maar tezelfdertijd van binnenuit zijn gevoelens en herinneringen evoceert.

In Sanguines wordt dit extreem doorgetrokken: standpunten wisselen voortdurend, hij vervloeit in zij en wordt één persoon. De dichter benadrukt dat nog in de structuur van zijn gedichten zelf. De derde cyclus, die eigenlijk uit 12 ‘koppel- gedichten’ bestaat is daarvoor exemplarisch. Het eerste gedicht beschrijft telkens een waarneming of handeling, het tweede het gevolg van die handeling als vaststelling. Bijvoorbeeld gedichten III en IV. In III: Hij leest voor haar rozen en tulpen / in een tuinprieel, ziet hoe zij luistert / zoals alleen zij naar tulpen en rozen // kan luisteren. In IV: Er is een tuinprieel op de kanteling // van lente en zomer. Kleuren worden / in lenzen gevangen. Zijn stem wordt // roder en bloost in tulpen en rozen.

Door de herhaling van begrippen en woorden binnen een veranderende context wordt deze bipolariteit nog versterkt. De ganse bundel is op die wijze zeer meticuleus opgebouwd. De dichter voert de lezer door een soort droomlandschap, aaneengeregen geheugenflarden en beelden, die opdoemen, verdwijnen en dan weer samenvloeien met anderen, zoals droombeelden dat doen. Het doet denken aan Le Grand Meaulnes van Alain Fournier. Het nostalgisch terugdenken aan een onbereikbare geliefde, maar die altijd aanwezig is gebleven. De onbestemde en magische sfeer van voorbije tijden en de vergankelijkheid van het leven. Het ongrijpbare en eeuwige vrouwelijke dat de hij-figuur wil vasthouden, maar hem telkens weer ontglipt: Hij kerft met een jongensmes / haar naam op heuphoogte, vraagt / het meisje aan die boom van vroeger // haar naam letter na letter te spellen / in de stam. Hij verjaagt de kraaien, / de buizerds met vonkende ogen.

De permanente juxtapositie tussen de hij en de zij, haar lichaam en zijn lichaam, het wisselende standpunt, de dichter laat het ineenvloeien en in de tweede cyclus bezegelen met het teken van de beschermengel. Je weet als lezer niet meer wie wie is.

Met Sanguines levert Frans A. Brocatus andermaal een klein meesterwerk af, dat zeldzaam uitsteekt in het hedendaagse vaak banale poëtische landschap.


Sanguines, Frans August Brocatus, Poëzie-uitgeverij WEL, Bergen op Zoom, 2021, ISBN 90-6230-103-7

(Richard Foqué)

Geen kleefkruid maar verdwenen verbinding


Duo-dichtbundels waarbij twee dichters met elkaar in dialoog gaan op basis van bijvoorbeeld woord en wederwoord zijn zeldzaam maar niet ongewoon. Dat een dichtende moeder (Astrid Arns) en haar dichtende dochter (Jana Arns) zich daaraan wagen is ongetwijfeld uitzonderlijk. We merken trouwens een  stilistische en inhoudelijke verwantschap tussen deze twee dichters – waarmee ik niet heb gezegd dat er geen verschillen zouden zijn. Uit vorig werk blijkt dat hun gedichten in particuliere (levens)verhalen worden geïmplementeerd. Nooit worden die verhalen expliciet: ze worden versluierd waardoor het anekdotische wat wordt opgeheven. Die verhalen lijken dan spiegels waarin lezers in die verdichte flou eigen trekken en verhalen kunnen herkennen. Typerend voor beiden is dat ze zichzelf niets wijs maken: hun poëzie brengt geen illusies in beeld. Existentieel gesproken houdt hun poëzie de voeten flink op de grond. In hun gezamenlijke publicatie In welke vrouw ik leef is dat niet anders.

De bundel is opgedeeld in zeven cycli, onderbroken door een tiental rudimentaire mails die een idee moeten geven over het ontstaansproces van deze gedichten. Het boek wordt voorafgegaan gegaan door een citaat van Nietzsche: Vallen we niet aan een stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op. Dit omschrijft passend wat er in deze bundel aan de hand is: in de halfslaap van deze gedichten (die zich tijdloos situeren tussen realiteit en verschijning) lijken de (uit een onverwerkt verleden?) opduikende personages (grootouders, vaders, moeders, dochters, partners) door elkaar heen te lopen en samen te vallen. Wie is de moeder? Wie is de dochter? In welk van beiden leeft de vrouw?  Ik lees er een soort verweer tegen opgelegde rolpatronen in. Het heeft geen naam hoe moe ze is luidt een titel (tevens titel van een cyclus). Klinkt in die ‘moe’ niet het woord ‘moeder’ door?

Het is moeilijk om uit de gedichten te citeren omdat deze duo-bundel thematisch veelzijdig uitvalt. Terzijde komen bijvoorbeeld medische zaken ter sprake. Therapeuten, doktersbriefjes, medicatie. Astrid mailt haar dochter: Het is geen gemakkelijk gedicht als je niet weet wat er aan de hand is. Elders noteert Astrid in een gedicht: Taal is geen kleefkruid maar verdwenen verbinding. Dat is een vaststelling die voor de hele verzameling geldt: er is een storing op de lijn. Een bedrading werd slecht gelegd. Er is iets dat onuitgesproken blijft. Omdat het niet kon of mag uitgesproken worden? Het is nu net die ‘verdwenen verbinding’ die sommige gedichten een pregnant karakter verlenen en de eerder benauwende sfeer ervan uitmaken: Ik loop met mijn dochter door de slapende straat? / Het zwart sluit de toegang af  Bij momenten klinkt er zelfs iets elegisch in door. Gedichten met rouwranden. Ook wat zure ironie laat zich aanvoelen. Geen olijke bundel, vind ik. Wel een ijzersterke duo-bundel waarin de deuren slechts op een kier openstaan en die de lezer enkel veel kan doen vermoeden. Wat onscherp blijft, ben ikzelf. 

In welke vrouw ik leef – Astrid & Jana Arns, uitgeverij P, Leuven, 2021 ISBN 978-94-93138-39-1

 (Alain Delmotte)

Het eiland


Michiel van Kempen (1957) is docent Nederlands en bijzonder hoogleraar Nederlands – Caraïbische literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij ontving voor zijn werk onder meer de ANV Visser Neerlandia Prijs. Als schrijver publiceerde hij onder andere bij Uitgeverij In De Knipscheer Landmeten (verhalen, onder het pseudoniem Winston Leeflang, 1992), Plantage Lankmoedigheid (roman, 1997), Het Nirwana is een lege trein (reisverhalen, 2001), Pakistaanse nacht en andere verhalen (2002), en Wat geen teken is maar leeft (gedichten, 2012)

Zijn nieuwe dichtbundel opent met het titelgedicht Het eiland, gevolgd door 5 cycli: Eilanden, Stupor Mundi, Efemeer, Genen en Verzoeke geen rouwbeklag. Hij kiest er voor om al zijn gedichten een titel te geven. Als je die allemaal achter elkaar zet trekt hij je mee in een bijzondere wereld. De proef op de som: Het eiland, Van Tilburg, Röntgen, Germaine in Suriname, Zwart wit, Transmigratie, Ver, Elisabeth Bas, Daar en hier, Kerstklas, Donkere kamer, Verlanglijst, Cement, Basiliek, Boter, Beloken, Rond, Groot Circus H&L I, II, Over spel, Daar sta je dan, Zal ik zal ze, Kortom, Ja dan, Twee huizen, Laatste gang, Strijklicht, Parlemour, Ben zo terug (voor mijn moeder 1922-2011), Krant (voor mijn vader, 1920-2015), Redeloos (voor Orlando Emanuels 1927-2018), Schuimkraag (voor Piet Simons 1923-2018), Meester (voor Erwin de Vries 1929-2018), De boom is gevallen (voor Michael Slory 1935-2018), Tenzij (voor Bhai James Ramhal 1935-2018), Kwatrijn (voor Shrinivasi 1926-2019), Calonia (voor Bea Vianen 1935-2019) en Hè? (voor Eugène Chateau 1926-2019).

Michiel van Kempen is een dichter die je meteen, met huid en haar, in zijn gedichten trekt. Het zijn vaak kolkende, betoverende stromen, die je nauwelijks tijd geven om adem te halen. Geuren, kleuren, mensen, dieren en landschappen wisselen elkaar in een hoog tempo af. Hij maakt spaarzaam gebruik van interpunctie. Stilstand is geen boodschap, zeker niet bij een eerste lezing. Hoe dan ook nopen de gedichten tot lezen, herlezen. Altijd is er iets nieuws, een andere invalshoek te ontdekken. Onder de beschrijvingen gaat een diepere, intrigerende wereld schuil. Soms stelt de dichter heel kort vast:

Röntgen

Door het hoofd van Bonaire heen straalt de vogel
die heel oud-koloniaal hier zijn voedsel haalt.
In samengedrongen zoutkegels is het goed snavelen
en bij al die witheid is zijn rood bijna gewelddagig.
Maar het oud rumoer snatert voort in nieuwe debatten
en in de pannen roeren de smaakmakers zich als vanouds.


In de cyclus Verzoeke geen rouwbeklag bundelt hij acht gedichten gewijd aan gestorven dichters en schrijvers. De cyclus Efemeer die deze cyclus voorafgaat sluit hij af met een in memoriam gedicht voor zijn moeder en één voor zijn vader. Subtiel. Het geeft deze gedichten een andere plek die je (nog) dichter brengt.

Het gedicht Krant (voor mijn vader 1920-2015) sluit op een veelzeggende manier af:

….
En zo heeft hij mij na jaren toch geleerd:
Verdriet verdampt niet,
verdriet legt zich neer in je ziel.

Onderhuids, indringend en onweerlegbaar.



Het eiland en andere gedichten, Michiel van Kempen, In De Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 978 90 6265 796 4 NUR 306

(Frans August Brocatus)

Cijfers liegen niet


Een ver-ruk-ke-lijk boek vind ik Cijfers liegen niet van de Canadees Vaclav Smil, een wetenschapper die lang verbonden was aan de Universiteit van Manitoba. 71 dingen die je over de wereld moet weten luidt de ondertitel. Het boek staat boordevol interessante en leuke lijstjes en wetenswaardigheden. Bijvoorbeeld het wereldrecord levensduur voor mensen. Dat staat op naam van de Française Jeanne Calment, die in 1997 op 122-jarige leeftijd overleed. Twee jaar later stierf de op een na oudste supereeuweling in de leeftijd van 119 jaar en sindsdien is niemand meer ouder geworden dan 117.

De langste mannen leven in Nederland, België, Estland, Letland en Denemarken. Wat ik nu zo vreemd vind is dat de Top 5 van ‘leveranciers’ van de langste vrouwen niet, hetgeen ik verwacht had, dezelfde is. Neen, de langste vrouwen komen uit Letland, Nederland, Estland, Tsjechië en Servië. Ook dat gegeven wist Smil in een lijstje te vatten.

Aardig ook hoe Smil vaststelt hoe het Verenigd Koninkrijk anno nu verder gedeïndustrialiseerd is dan Canada, historisch gezien het minst industriële land in het Westen: in 2018 was de maakindustrie goed voor 9% van het Britse bbp, in Canada voor 10 en in de VS voor 11%. Het lijstje industriële grootmachten bestaat uit de onverwachte koploper Ierland (32%), China (29), Zuid-Korea (27), Duitsland (21) en Japan (19).

Smil tekent ook uit dat Japan in de problemen gaat komen omdat het huidige inwonertal zonder immigratie (waar Japanners tegen zijn) in 2050 nog slechts uit 97 miljoen mensen bestaat, tegen nu nog 127 miljoen. Smil vraagt zich af wie over drie decennia in het land van de Rijzende Zon de uitgebreide en efficiënte transportinfrastructuur gaat onderhouden, of de miljoenen ouderen gaat verzorgen: In 2050 zullen er meer mensen van boven de 80 zijn dan kinderen.

Aardig is ook ’s mans overzichtje van de levensduur van recente (Hij laat hierin Elam, de grote Egyptische koninkrijken en het Romeinse rijk buiten beschouwing) rijken en dynastieën, die hij zo zorgvuldig mogelijk dateert: Het Spaanse Rijk (1492-1810) hield het 318 jaar vol, het Britse (1605-1947) 342, de Qing-dynastie (1644-1911) 267, het Amerikaanse ‘rijk’ (1898-1975) 77, de USSR (1917-1991) 74, het Japanse (1931-1945) 14 en het Derde Rijk (1933-1945) 12. Communistisch China houdt het al 72 jaar vol en lijkt alleen nog maar machtiger te worden.

Interessant is ook Smils terugrekenen. De informatieopslagmogelijkheden zijn vandaag de dag quasi onbeperkt, maar hij herinnert er aan dat er een tijd is geweest dat informatie nog volledig binnen de menselijke hersenen was opgeslagen, een tijd waarin barden urenlang uit hun hoofd konden vertellen over oorlogen en overwinningen. Het begon met het spijkerschrift: een kleitablet bevatte het equivalent van een paar honderd bytes. Een tragedie van Aeschylus omvatte er reeds 300.000 en een grote verzameling tekstrollen in een bibliotheek in het keizerlijke Rome bevatte al gauw 100 megabytes….



Cijfers liegen niet – 71 dingen die je over de wereld moet weten, Vaclav Smil, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2021, ISBN 9 789046 827666

(Bert Bevers)

Wat de poëzie van Yves Namur doet


Hoort het om nog zo oneindig veel
Te zeggen

Om dingen te zeggen die ons helpen

Het oord te betreden
Waar we niets weten te zeggen of bijna?


Tot zover een fragment uit het openingsgedicht van Wat ik mogelijk heb gedaan, de eerste bloemlezing in het Nederlands met werk van de Frans-Belgische arts, uitgever en dichter Yves Namur (geboren in Namen!). Zijn poëzie werd meermaals bekroond, met o.a. de Prix Jean Malrieu (1992); de Prix Tristan Tzara én Prix Littéraire du Parlement de la Communauté Française (respectievelijk 2004 en 2005), de Prix Mallarmé (2012) en voor zijn gehele oeuvre met de Prix International Eugène Guillevic (2008).

Er duiken meermaals vraagtekens op in zijn werk, en veel - soms dubbele - witruimtes tussen de regels. Veel wordt in vraag gesteld in deze ‘denkende poëzie’ en tegelijkertijd gerelativeerd. Maar jij, dichter van het petieterige en het nietige,/ Zul je op een dag waarlijk weten wat te leven is,// Eindelijk te leven buiten het gedicht? Of, uit dezelfde bundel, De droefenis van de vijgenboom: Maar wat kan een eenvoudig man/ Als ik vandaag in de regen doen,// Een man als zoveel anderen,// Die enkel wanhopig kan kijken naar de twijfel/ En de vreselijke schoonheid van de dingen? Niet toevallig kreeg het gedicht dit motto van Fernando Pessoa mee: Het raadsel van de dingen, waar is dat?

De zoektocht naar dat raadsel is het hoofdthema in het werk van Yves Namur, waarbij hij het ik, de ander, de werkelijkheid en de draagsteen van de poëzie, het woord zelf, in vraag stelt: Bestaat het woord waarlijk in de wereld? Of: Misschien is het dat/ Wat we woord noemen,// Een ruimte die bestaat uit grote afwezigheden. En wat is de draagkracht van de stem de dichter in dit alles: de echo van iets van niets?

Wat kun je verlangen van de tijd

Wanneer de tijd niets anders kan zijn
Dan de tijd?

Wat kun je verlangen
Van de spinster van de tijd,

Wanneer ze niets anders kan spinnen
Dan zijde en tijd?


Wat kun je verder verlangen van mijn stem
En de echo van mijn stem,

Wanneer mijn stem niets anders kan zijn
Dan de echo van iets van niets?


De Franstalige poëzie uit België - en misschien wel de Franstalige poëzie tout court - is te weinig bekend bij de Nederlandstalige lezer. Uitgeverij Vleugels is dan ook een welgekomen aanvulling: het fonds van hun ‘Franse reeks’ is bijzonder interessant. We mogen Jan H. Mysjkin - die voor een mooi lopende vertaling zorgde en in zijn boeiende nawoord Namurs dichterschap onder de loep neemt - dankbaar zijn dat we deze schitterende poëzie hebben mogen ontdekken.

Tot slot nog deze bedenking: Ik stel me vragen// En soms vraag ik me af wat te doen/ Als het plotseling zou gaan regenen in het gedicht.


Wat ik mogelijk heb gedaan, Yves Namur, vertaling en nawoord Jan H. Mysjkin, Uitgeverij Vleugels (Franse reeks), Bleiswijk, 2021, ISBN 978 94 93186 29 3

(Roger Nupie)



Een mensenkind in niemandsland


De Surinaamse dichter Jit Narain schrijft in het Sarnámi en het Nederlands. Veel van zijn gedichten zijn door hemzelf in het Nederlands vertaald en andersom. Sarnámi is de taal van de Surinaams-hindostaanse gemeenschap, de nakomelingen van de contractarbeiders die uit het toenmalig Brits-Indië naar Suriname zijn gemigreerd. Ontstaan uit een aantal regionale talen van India werd het lang als een volkstaal zonder prestige beschouwd.

Door het verbod op de slavenhandel (1814) kozen de plantage-eigenaren voor 'contractarbeid'. De immigrant verliet zijn land van herkomst - al dan niet uit vrije wil - om veld- of fabrieksarbeid te verrichten. De manier waarop deze contractarbeiders werden tewerkgesteld en behandeld had maar al te veel gelijkenissen met slavernij.

Dat Jit Narain in het Sarnámi schrijft is geen toeval, maar een bewuste keuze: het is de taal van de contractanten en hun nakomelingen en hij wil die taal voornaam, klassiek maken. Ik wil aan deze taal onvergankelijke waarde verlenen.

(…) denkend aan grootvader/ herinner ik mij zo veel/ wat ik niet kwijt kan raken/ mijn deel is vereeuwigd/ wijst mij de weg// hoeveel van deze oude helden/ zijn gestorven/ hun werk verricht/ zonder taal of teken achter te laten// in het zweet/ van de contractarbeiders/ roeien vandaag/ zovele Surninamers/ in hun stroom/ zonder enig teken/ wat moet ik zeggen/ van hun doen/ en laten/ hun werk/ en hun gedachten

De tweetalige bloemlezing (Sarnámi / Nederlands) Een mensenkind in niemandsland bevat een keuze uit tien bundels die tussen 1977 en 2019 verschenen, voorafgegaan door een verhelderend voorwoord. Iets van de gemengde gevoelens van de dichter die geregeld heen en weer reisde tussen Suriname en Nederland vinden we terug in dit gedicht uit een bundel met een al even veelzeggende titel: Wie wil wonen op de oever waarom koerst hij naar de zee:

contractarbeiders zo talrijk dankzij de ronselaars
wat is u niet overkomen, hoeveel houdt de sluier niet bedekt

het bloed bruist ’t lichaam scheurend omhoog
deze oever is niet goed voor mij, de andere voelt vreemd
soms barst ’t innerlijk soms breekt ’t hart

als een graat in de keel blijf ik in Holland hangen, mijn ziel doolt
wat heb ik door uw geschiedenis geleerd

met het vuil van de Hollanders drijf ik weg
spartelend onder die sluier, neus dicht voor de stank

Narains’ poëzie is veelzijdig: van verhalend en analyserend tot denkend en filosofisch. Terugkerende thema’s zijn de aarde - Narain is naast huisarts ook landbouwer - die al dan niet voor de geboortegrond staat, en het lied. Zijn lyrische en muzikale gedichten lenen zich ertoe om gezongen te worden, wat de dichter ook doet bij optredens.

Tussen de woorden is het stil is de titel van een van zijn bundels. Wij worden als lezer stil van bewondering bij deze kennismaking met het werk van Narain.


Een mensenkind in niemandsland, Jit Narain, samenstelling Michiel van Kempen & Effendi Ketwaru, inleiding Satya Jadoenandansing & Geert Koefoed, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, april 2021, ISBN 978-94-93214-23-1

(Roger Nupie)

Mondjesmaat


Vera Steenput publiceerde onder meer in Het gezeefde Gedicht, Meander, De Schaal van Dighter, Poëziekrant en het kunstboek Hellebosch. Zij bracht in eigen beheer twee bundels uit, Orgelpunt (2017) en Mondjesmaat (2020). De titel van de laatste is voor tweeërlei uitleg vatbaar: ‘in kleine hoeveelheid’ en ‘mondvriendin’, als variatie op ‘hartsvriendin’. De bundel bevat een vijftiental gedichten, die ‘snoep’ tot onderwerp hebben. Vera laat zich daarin zonder omwegen kennen als een onverbeterlijke snoep-fanate.

Je deelt een snoepje en je vijand wordt een vriend/die vanaf nu alleen nog zoete woorden praat/ en samen met het snoepje slechts jouw lippen dient// Een snoepje biedt vertrouwen, troost in overmaat/ ’t Is waarom snoep voor mij een ereplaats verdient/ want ja, een snoepje is de beste mondjesmaat.

Zo luidt het in het openingssonnet. In deze fraai vormgegeven uitgave worden de gedichten afgewisseld door illustraties van allerhande snoepgoed of suikerwerk, waaronder reproducties van oude meesters. De lezer wordt ingewijd in een zoete wereld, die vermag troost te bieden, genot te verschaffen en nostalgische herinneringen op te roepen. En passant wordt zijn vocabulaire uitgebreid met benamingen als: cuberdon, neuzeke, beertjes, guimauve, nonnenscheet, sneeuwbal, napoleon, zure matten, smoelentrekkers, mokatine, arabier en maskesvlees. Onbekommerd laat Vera de term negerzoen vallen. De geneugten van het snoepen wordt ervaringsdeskundig en verleidelijk uit de doeken gedaan.

Loom ontrolt een rode/ loper kleverig zoet, verdooft mijn spreken./ Door deze omhelzing ben ik even van de wereld.

Het gaat in dit geval over de cuberdon, die ik na deze plastische beschrijving onverwijld wilde uitproberen. Soms is de toon een beetje treurig. Zoals in Kolonie 1965. Over een jongetje dat door zijn moeder op kinderkamp wordt gestuurd, geen aansluiting vindt en als enige genieting moet terugvallen op zijn babeluten. Of Beertjes:

Zeven beertjes in een blik/ wachten op een kinderhand.

Iedere dag van de week komt er een beertje aan de beurt om geconsumeerd te worden.

Beertje Zondag zo charmant/ is de laatste in het blik,/ wacht geduldig op de klik/ maar er komt geen kinderhand.

Zelfs in deze wereld van honingzoet genot maakt Vera ruimte voor bitterzure kritische uithalen. Zo speelt zij in Hostie met de dubbelzinnige betekenis van de term, zowel snoepje als het lichaam van Christus, waarop zoals bekend niet gebeten mag worden, op straffe van het hellevuur.

Nu denk ik na over het lot,/ hoe alles is verlopen./ ik breek de hostie open/ en proef een zure god.

Aan staatslieden van slechte wil:

u wandelt koket door de gangen, berekent uw kans/ en speelt met de wetten van dit land// Maar nooit/of nooit/of nooit/rolt u/beschaamd/uw zure matten.

In de Epiloog vinden we een bladzijde uit het Eetdagboek van de dichteres. De hele dag houdt zij zich angstvallig aan haar strenge dieet, om tegen elven, in het zicht van de haven, jammerlijk te stranden.

1 kilo witte pralines van Leonidas mét een noot/ 00u00: gouden doosje in de vuilbak/ morgen opnieuw


Mondjesmaat, Vera Steenput, Uitgever Vera Steenput, Dendermonde, 2020, ISBN 9789464000894

(Will van Broekhoven)


Oplichtend poëtisch universum


Hannie Rouweler debuteerde in 1988 met de dichtbundel Regendruppels op het water (Uitgeverij De Beuk, Amsterdam). Met haar stelregel Poëzie ligt op straat, voor het oprapen zijn er maar weinig onderwerpen die voor de dichteres geen inspiratie bieden. Ze schrijft veel en vaak - Universum / Universe is haar 40ste dichtbundel. En dan zijn er nog enkele andere dichtbundels, vaak in samenwerking met buitenlandse poëten. Ze publiceerde tevens enkele korte thrillers, vertaalt en runt vanuit haar thuisbasis Leusden de uitgeverij Demer Press.

Sinds geruime tijd vertaalt ze haar gedichten meteen ook naar het Engels. Universum / Universe is dan ook een tweetalige uitgave: 32 gedichten in het Nederlands, met de Engelse versie telkens op de rechterpagina. Rouweler schildert ook: op de cover een abstract werk met dezelfde titel als de bundel.

De bundel opent met een knap gedicht opgedragen aan dichter, bloemlezer en vertaler Menno Wigman (1966-2018):

De goden namen je te jong

Je bent dieper in de voetstappen getreden
van je geliefde dichter Baudelaire
dan goed was. Te jong gestorven te midden
van je eigen taalbouwsels en gedachten
vaak clair obscur en relativerend met een ondertoon
die soms een glimlach voorstelde
meestal als verwrongen taal.

Ik mis je. Ik mis je in de taal die overgebleven
is in ons land
de kale oevers ontdaan van hun weelderig gewas.

(voor Menno W, overleden 1 februari 2018)


Universum / Universe bevat een vijftal gedichten waarin de liefde centraal staat: Hij is niet verliefd op de vrouw die hem/ begeert hij is verliefd op de liefde/ tot razernij hem naar het slagveld voerde/ en hij terugkeerde als een gewonde soldaat/ die verzorgd moet worden in een hospitaal/ voor hopeloze verliefden. (De liefde en de razernij). Voor de liefde blijft weinig ruimte over/ dan het bezingen van al wat verloren ging/ en nog een enkel spoor zich laat raden/ in het gekleurde glas van de tijd. (Over liefde). In Valentijnsdag 2021 is de toon milder: Jij zet mij weer op de kaart/als ik door glas naar jou kijk,/ of de foto in de hand neem en de glans/ ervan streel onhoorbaar en onzichtbaar/ voor anderen. Dit alleen tussen jou en mij

Daarnaast zijn de natuur, jeugdherinneringen, reizen, de poëzie zelf ook in deze bundel vaste Rouweler thema’s, evenals de taal: Het is de opening, de onbeschermde vlakte in luwte van hoge bomen die ineens wegvallen. De pijn, het onverwachte, het blinde zien. Dit alles in het teken van de vrijheid: Vrijheid is met losse vingers op een laptop tikken/ waarbij je kunt fantaseren wat je wilt.

De dichteres die wel eens beweert dat ze schrijft met de snelheid van het licht omschrijft haar gedichten als vogels en soms weet je niet meer waar ze zijn... Het is voor de lezer een aangename geruststelling dat ze onderdak hebben gevonden in deze sterke en gevarieerde bundel - een meerstemmigheid die voorbij grenzen gaat.

Universum / Universe, Hannie Rouweler, Demer Press, Leusden, 2021, ISBN 978-1-6671-6407-6

(Roger Nupie)

Geen exit, maar een blijde intrede


De romans en verhalenbundels van Annel de Noré verschenen al eerder bij Uitgeverij In de Knipscheer, en dat ging niet onopgemerkt voorbij. Haar debuutroman De bruine zeemeermin (2000) werd omschreven als het beste Caribische debuut sinds Bea Vianen en Astrid Roemer. De verhalenbundel Vers vlees oud bloed werd genomineerd voor de Halewijnprijs 2017 en ook de 540 pagina’s tellende roman Lambarosa (2019) scoorde niet min: Zo beeldend en weerzienwekkend beschreven dat je het boek niet kan wegleggen. (…) Als lezer word je beloond met een boeiend en complex web van emoties, metaforen en vragen over het leven. (Estefanía Pampín Zuidmeer). Ezra de Haan: Annel de Noré voegt met Lambarosa een schitterende roman toe aan de wereldliteratuur. De verwachtingen voor de Noré’s poëziedebuut zijn dan ook hooggespannen.

Exit bevat 50 gedichten met een sterk verhalend karakter die (vaak) wat klassiek aandoen: strofen van niet alleen evenveel regels maar ook met eenzelfde regellengte en hier en daar ontbreekt ook het rijm niet. Maar laat je als lezer niet misleiden; in een aantal gedichten legt ze dat klassiekerige dan weer naast zich neer. Annel de Noré goochelt met taal die ze probleemloos uit verschillende codes en registers laat opduiken. De muzikaliteit en het woordplezier spat er bij momenten vanaf en dat alles levert intrigerende poëzie op. Dat ze met het gedicht Koudvuur in 2019 de Guido Gezelle gedichtenwedstrijd naar aanleiding van diens 120ste sterfdag won lijkt dan ook geen toeval. De eerste strofe van dit gedicht:

Kano, zeilboot, plezierjacht had hij kunnen zijn
rode, sprankelende wijn in een glas van kristallijn
robijnen om mijn oren te sieren; een feestjurk:
gelaagd decolleté om ’s nachts feest in te vieren
bikini, hotpants, een lot uit de miljoenenloterij
kabbelgolven op de kale dag; mijn lachstimulus
de Klaagmuur voor mijn onuitgesproken klacht
gitaargetokkel in lome stilte; drum in de nacht
brandweer in seizoenen van verzengende kilte.


Het openings- en titelgedicht Uitgang/Afgang/Exit is ogenschijnlijk een van de meer direct toegankelijke uit de bundel. Het geeft meteen een beeld van hoe ze wat ze ziet en hoe ze denkt verwoordt:

Wanneer je straks weer eens weggaat
zal ik je uitwuiven vanachter de tralies
en verblind zien dat de zon ondergaat.

Later als je weerkeert of thuis arriveert
door de deur die je altijd zelf opendoet
ruik ik zonneklaar gelijk een hond haar.

Tot slot nog één gedicht: Als ik dood ben: Je mag me begraven/ of cremeren/ zo je wilt/ mijn familie condoleren/ stuur bloemen/ doe gewoon een krans/ brandnetel, onkruid/ het maakt mij/ dan/ noodgedwongen/ dood en op/ voor het eerst/ niets meer uit. // Geef nu geen woorden/ van je valse verstand/ reik me geen hand/ laat me met rust/ ik ben anders/ te duidelijk/ in de rouw.

Annel de Noré wist al te overtuigen met haar proza; met haar blijde intrede als dichteres doet ze dat evenzeer.


Exit, Annel de Noré, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 978 94 93214 26 2

(Roger Nupie)

Een oude liefde


Een geschiedenis van kat en mens in de Lage Landen
. Dat is de ondertitel van Zat het snor?, het verhaal van de kat in haar omgang met de mens gebaseerd op onderzoek in middeleeuwse bestiaria, dag- en reisboeken, gedichten, filosofische en theologische traktaten, inventarissen, krantenartikelen, romans, beeldende kunst en wetteksten door Erik Aerts, emeritus professor economische geschiedenis aan de KU Leuven.
Het boek is geen gids met tips over de kat als ideale huisgenoot, en evenmin leert de lezer er iets uit over de biologische evolutie van het dier. Vanaf het eind van de zeventiende, maar vooral sedert de achttiende eeuw begonnen filosofen, kunstenaars, wetenschappers en gecultiveerde burgers met andere ogen te kijken huisdieren en dieren in het algemeen en doken er twijfels op over de menselijke superioriteit in de natuur. De Franse mediëvist Robert Delort (met zijn Les animaux ont une histoire) en de Britse cultuurhistoricus Keith Thomas (met Man and the Natural World. Changing Attitudes in England 1500-1800) brachten die ontwikkeling in 1983 al kaart. Aerts doet zulks nu als eerste in het Nederlandse taalgebied.
In het oude Egypte was de kat een quasi heilig dier, dat ernstig werd vereerd. De Romeinen voerden katten mee ter bescherming tegen muizen en ratten die de graanvoorraden aanvraten. Grosso modo is de band tussen kat en mens altijd een warme geweest, al geeft Aerts ook duidelijk aan dat in de middeleeuwen de kat (met name de zwarte) lang een kwalijke reputatie had als een van de gedaanten van de duivel en ook dat onze felis silvestris catus zijn leven niet zeker was in tijden van hongersnood omdat hij dan zelfs werd gegeten.
Het boek omvat vijf hoofdstukken: Nut boven alles. De functionele kat, Duivel en heks. De diabolische kat, De verbeelding aan de macht. De imaginaire kat, Overleven op straat. De gekwelde kat en De warmte binnenskamers. De gekoesterde kat. Een groot compliment dient te gaan naar de moeite die Erik Aerts heeft genomen om zijn boek zo rijk mogelijk te stofferen met relevante emblemata, grafiek, schilderijen en tekeningen.
Wanneer je door deze uitgave bladert wordt het duidelijk dat de kat in de loop der eeuwen welhaast een der vaakst afgebeelde dieren in de kunst is. Door de aandacht die Aerts erop vestigt valt het dier ook in schilderijen die je goed dacht te kennen nu pas voor het eerst echt op, zoals in werken van Jheronimus Bosch, Nicolaas Maes en Jan Steen. Maakte dankzij Aerts’ werk voor het eerst kennis met de fraaie pastel De zwarte kat van ene Louise De Hem, te zien in het Yper Museum in Ieper.
Zat het snor? is om kort te gaan niet alleen een genoegen om te lezen, maar beslist ook een genot om te bekíjken. Uitgeverij Sterck & De Vreese heeft veel aandacht besteed aan de vormgeving en er een wonderschoon boek van gemaakt.

Zat het snor? – Een geschiedenis van kat en mens in de Lage Landen, Erik Aerts, Uitgeverij Sterck & De Vreese, Gorredijk, 2020, ISBN 9 789056 155896

(Bert Bevers)

De roeivlucht van Mark van Tongele


Mark van Tongele studeerde geneeskunde, maar wijdde zich na een ernstig ongeluk aan het schrijven van teksten voor diverse film-, video- en multimediaprojecten en… poëzie. Hij debuteerde in 1980 met de dichtbundel Over leven en dood en besteedde in een Open brief aan een jonge dichter (gepubliceerd in het literaire tijdschrift Yang) als eerste aandacht aan digitale poëzie, en dat in 1984, toen de computertijd nog toekomstmuziek was.

Volgens Paul Demets is van Tongele ‘de componist met het ruimste klankregister onder de Vlaamse dichters’. Yves T’Sjoen is niet minder lovend, hij omschrijft de dichter als ‘de ontwerper van een inmiddels imposant taallichaam dat de afgelopen jaren in een serieel verband is gepresenteerd’. De Nederlandse krant Trouw omschreef hem als een ‘klankmagiër’.

Roeivlucht is de baltsvlucht (bijzondere wijze van vliegen van vogels in de paartijd) van de zwarte stern, waarbij het mannetje zich met een prooi in de snavel uitslooft voor het vrouwtje. Net als de zwarte stern slooft de dichter zich vreugdevol klapwiekend uit in deze bundel. De taalpretmedewerker zorgt voor jou/ en je vertier en ruimt soms je maag-/ inhoud op. Kijk, mijn emmer staat klaar lezen we in het gedicht Alsjemenou. Die taalpret is een constante in deze bundel: Let op/ mijn taalplezier: dit vers staat onder stroom!

Dat taalplezier wordt ten top gedreven in een gedicht als Snoepgoed:

Suikeramandelen een lik
eurpralientje flikjes karma
mellen faveur kiele-kiele o
levellen boterbrokken tof
feeërie babbelaars in peper-
huisjes muntfondants drop z
uurtjes om op te zuigen!
Zoethout. Tong kietelen
dempt warempel oorsuizen.
Loop nog maar eens aan!

Maar het kan evengoed ingetogener:

Handreiking

Wat voor zin eigenlijk heeft het leggen/ van bloemen op een begraafplaats?// Ik ben het leven. Afscheid nemen van mezelf:/ een grotere eenzelvigheid is niet denkbaar.// Hoe zou ik met een ander de ervaring/ van deze eenzaamheid kunnen delen?// Zolang jij mij oprecht aanspreekt,/ wordt mijn alleen zijn opgeschort,// het leed, dat mijn verlatenheid mij/aandoet, verzacht, ternauwernood,/ tot ik weer onhoudbaar in mezelf val,/ steeds weer spontaan om soelaas reik// naar het existentiële vertrouwen in jou/ als voorwaarde voor samenspraak.

De rol van de dichter is niet onbelangrijk: Dichters!// Zonder hen zou de wereld potsierlijk/ een domein zijn vol stilstaande dromen:/ een stoplapzwansattractiepark. Geen navelstaarderij, geen groot leed: Als je het woord leed achterstevoren leest,/ wordt het minder zwaarmoedig om te dragen. In het gedicht Poëzie is geen strafwerk: Donkere materie blijft duister./ Daar helpt geen moederlief aan. Taalplezier gekoppeld aan een positieve levenshouding die door de hele bundel waait: De aarde geeft ieder een kans en (…) wat kunnen wij anders/ dan zo kansrijk en ontvankelijk als het kan/ resonant elkander helpen overleven?

De poëzie van Mark van Tongele is een verademing. Hoezee voor de poëzie! En wat nu, lezer? Genieten! In jubel uitbreken. Doe alsof je thuis was! (…) Veerkrachtig/ op voorspraak van de morgen het zeegat uit.

Roeivlucht, Mark van Tongele, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2021, ISBN 978 90 254 7133 0

(Roger Nupie)

Een Poolse Saga/Een Poolse Liefde


Zoals de titel doet vermoeden is dit een bundel in twee delen. We beginnen met de historische herbeleving door de inzichten, interpretaties en conclusies van de schrijver. Een Poolse Saga biedt ons rauwe beschrijvingen van wat is gebeurd en plaatst ze in een historische context. Het is een vorm van poëzie die meer aan dagboekfragmenten of aan journalistieke reflexen doet denken; lees bijvoorbeeld in dat opzicht: Overleven. Barney Agerbeek brengt de geschiedkundige gebeurtenissen in herinnering in een poging ons niets te laten vergeten. Het is onze plicht. Hij levert informatie voor lezers die hun geschiedenisboeken allang hebben verbrand.

De opstand van Warschau
Ons leven voor een nederlaag
-ook padvinders van vijftien jaar
en oudjes die nog kunnen lopen
met een knuppel of pistool-
we vechten met generaal Monter
tegen tanks en kanonnen

Liever strijdbaar sterven
dan zonder trots te leven
en te hunkeren naar de dood
Geen witte vlag, tot er niets over is

Toch zal Polen
weer herrijzen


De dichter wordt hoofdspeler in deze reconstructies en staat een vorm van nieuw patriotisme voor. De taal van Agerbeek is sober, filmisch, duidelijk. De tragiek van de (vele) fouten uit het verleden wordt geaccentueerd. De schrijver sluit zijn zinnen niet af; een keuze die vragen kan oproepen. Hij creëert wel een taalmelodie en een vlotte toegang tot het geheel. Zijn analyses zijn op hun beurt kritisch. Hij bekijkt de hedendaagse evolutie in Polen met een bang hart en staat verweesd stil bij de houding van de kerk. Hij ziet dat de geschiedenis zich herhaalt. Dreigementen worden reële feiten.

Een Poolse Liefde bevat een serie uiteenlopende thema’s. De term liefde is een vlag die hier vele ladingen dekt. De dichter rekent af met zijn verleden en maakt een balans op van waar hij nu staat. Hij lijkt tevreden en aanvaardt. Hij tast innerlijke perspectieven af.

De terugkeer
overal, de lokroep
van een groter leven

onderweg, met mezelf
het bereikte, overbelicht

naasten kijken toe
laten begaan

plots komt veraf
vlakbij

wat resteert aan tijd
verstrijkt, om het hardst

kantelend, de zoektocht
naar het ware

de kans om ingetogen
naar de oorsprong
terug te keren

in de stilte
van de schemering
op mijn plaats

het is goed
zoals het is

Dit tweede deel vormt een goed tegengewicht. Een Poolse Liefde staat dichter bij hoe het echte leven hem beroert en beroerde. De bundel sluit aan met wat pure liefdespoëzie, maar dan die soort die een bepaalde afstand houdt en daarom niet verleid wordt tot meligheid. De schijnbaar simpele verzen hebben een diepgang waarin je heerlijk kan verdrinken. Daarnaast komen thema’s als vrouwenemancipatie en andere progressieve inzichten om de hoek kijken. Dit boek is een interessante aanvulling aan het nu al indrukwekkend oeuvre van deze schrijver. Zijn debuutroman (2014) Njai Inem liet zich ook al opvallen. De kracht van Agerbeek ligt hem in de kunst van het correct analyseren. Zijn liefde voor geschiedenis helpt hem daarbij.

Een Poolse Saga/Een Poolse Liefde, Barney Agerbeek, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 978-90-6265-765-0

(Frank Decerf)