'De maan legt glans over de dingen'


Dubbelkunstenaar Mark Meekers (pseudoniem van Marcel Rademakers) is een heel bezige bij. Behalve als beeldend kunstenaar en (mede)oprichter van internationale kunstgroepen als Lumen Numen (1967) en Fusion, artistes peintres du Sud-Ouest (1982) is hij actief als romancier, essayist en – vooral – als dichter. Zo publiceerde hij vorig jaar, bij wijze van protest tegen de genocide waarvan de Palestijnen het slachtoffer zijn, de opmerkelijke bundel Tabula Gaza (2025) en het jaar daarvoor de monumentale roman Het verfwinkeltje van Père Tanguy (2024). Dat Meekers een sociaal bewogen schrijver is, bleek eerder al uit zijn engagement als eerste dorpsdichter van Doel (2007-2009) en zijn aanwezigheid als ‘poëzie-ambassadeur’ op het grensoverschrijdende Woordfees in Namibië (Windhoek, 2013).

Ook in MA TA DI, dat een lyrische inkijk geeft in de gelijknamige ‘tuinwijk’, architectonisch erfgoed aan de rand van Leuven en vernoemd naar de Congolese havenstad, duiken sporen op van verzet tegen sociale ongelijkheid. Zo verheft hij zijn stem tegen bejaarden die ooit in / verbrande bedjes lagen en rechtse liedjes fluiten en burgerlijk tuttige diplomaten. En soms krijgt die ongelijkheid zelfs een ideologische of politieke dimensie: wij waren het witte huis waarin de zwartjes / woonden. een die met de hond van de / burgemeester praatte. Toch overheerst meestal een nostalgische toon, zeker wanneer het ‘vaderhuis’ en het ‘geadopteerde’ eigen huis ter sprake komen. Tegelijk tracht de dichter een zekere afstandelijkheid te bewaren. Daarvoor geldt het ‘ganzenperspectief’ als een mooie metafoor. Dat keert treffend terug in Nederig neerbuigend: ik bind mijn vleugels weer aan, blik vanuit / de hoogte op de tuinwijk. Wellicht kijkt Icarus mee over de schouder van de dichter.

De bundel bestaat uit zes reeksen van vijf of zes rijmloze gedichten die telkens uit vier strofen – meestal kwatrijnen – opgetrokken zijn, al sluipt spaarzaam binnenrijm in het naar parlando neigende register binnen. De dichter, die woordenfluisteraar / treurt om de taal die haar tong verliest, maar kruidt zijn eigen idioom met verrassende beelden. Zo ‘danst’ in het entreegedicht, een enkele stokroos nog de charleston, terwijl elders kwajongens de vlekken [vangen] in een vlindernet, en klinkt nog deze aforistische zekerheid op: morgen knikkeren / de kinderen weer met onze tranen.

Bovendien grossiert de dichter in personificaties van allerlei aard. Die suggereren wellicht dat de wijk, hoewel gelegen onder de stolp van erfgoed en conventies, een levenskrachtig organisme is gebleven, dat deint op de wisseling van de seizoenen. Zo loopt de stilte zelden gehoor- / schade op, schrijdt de tijd op slepende voeten, [lopen] de dakpannen weer rood aan, en [kijkt] de hortensia mij aan met haar lapis / lazuliblauwe ogen. In enkele gedichten krijgen respectievelijk ‘het huis’ en ‘de storm’ bijna animistische proporties: de storm / was onstuimig, maar kortademig, gaat // liggen. De van jong leven gonzende wijk lijkt te gedijen onder het overvloedige licht van de maan. Zij is de vaak opduikende compagnon van de zon, zoals uit wij lossen op als sneeuw / onder de maan mag blijken. Het kan niet verbazen dat in het slotgedicht de maan glans [legt] over de dingen. En meteen over de hele bundel.

MA TA DI - Gedichten uit een tuinwijk, Mark Meekers, ARTsenicum, Leuven, 2026

(Yvan De Maesschalck)

Het zware woord heimwee


Tijs van Bragt is een dichter die meer erkenning verdient. Al vier bundels lang winnen zijn gedichten aan scherpte en pregnantie. Op de voorgrond staat het Zeeuwse landschap (dat door een panoplie van planten, vogels en andere dieren wordt bewoond). De zee maakt van dit landschap deel uit. Alsook de kleine dorpen die in al zijn bundels sporadisch vernoemd worden. In het geval van deze nieuwe bundel Anatomie van de grassen is dat Nieuwerkerke Schutje. Een smalle wereld zou je kunnen zeggen maar in de breedte lijkt het op een poëtisch archetype. Een metafoor voor ‘Leven’ – het woord wordt effectief met een hoofdletter geschreven. Op de achtergrond woedt een tweespalt. Er is de natuur die vurig met de taal wordt beleden (opsommingen van planten en vogels). Maar er hangt altijd iets duisters en bedreigends boven deze gedichten. Het is die tweespalt, die kwetsuur die zijn schriftuur beklemmend maakt.

Van bij het begin is de aardse toestand duidelijk: De staat van de wereld vind je in die weide./ze bouwt aan de verte en spiegelt klein te blijven voor./En de mens schuift op. De ‘mens’ eist de verte voor zich op, hij wenst niet klein te blijven. Hij verbreekt, verliest hiermee het evenwicht dat we oorspronkelijk met de omgeving hadden. De breuk tussen de mythische tijd (toen we nog weet hadden van de ’anatomie van de grassen’) en de geseculariseerde tijd van de massaconsumptie die is overgeleverd aan de zee van handel, van slavernij, de plezier- en ijscozee. De wereld is die van het antropoceen: ik ben opgestaan in het antropoceen/heb de eindigheid van een voorraadkast/en een vloedlijn dichterbij zien komen. De breuk betekent het verlies van oorspronkelijkheid: ik die niet meer weet om te keren/tot mijn oorspronkelijke vorm. Er ontstaat een ‘gemis’. De bundel wenst dit gemis in beeld te brengen door een ‘kartografie van een ontbreken’ uit te tekenen. Het wordt als volgt geresumeerd: een oude melodie zoekt een stem boven de velden/je wil het geen hymne noemen, maar dat is het wel/het oude thema van mist, nacht en het zware woord/heimwee. Het kinderlied van de ‘wildeman’ werd een lied van ontbreken en dat betekent een lied voor lijden, voor verdergaan.

De dichter stelt vast: er brandt gemis in je vuisten en er valt iets zwaars over je waar je vanaf moet raken. Want het zwart van de nacht overviel hem: sinds de mens en het dorp verging/kleden zij zich in een dek van rouw//een zwarte sluier ligt over de polder/de ondiepte van het water licht op. Zou de poëzie een baken, een compensatie voor het ontbreken kunnen zijn? geef me een woord om in te geloven/en ik zal het schrijven.

Het ecologische thema van de bundel lijkt modieus maar dat is het bij deze dichter in de kern niet. Zoals Van Bragt het ziet wordt de verloedering als een metafysisch probleem ervaren. De betrokkenheid met de natuurlijke omgeving zit hem namelijk diep in het vel, diep in zijn gedichten. Het is een quasi ontologische kwestie. Het behoort tot het wezen van zijn menszijn. Hiervoor vond hij ontroerende, intens dwingende en verdichte verwoordingen. Uit het gedicht Affirmatie deze passus:

en als ik weg ben
vergeet dan de vogels niet
dagelijks in mijn plaats

één goede hand pitten
uit de emmer in de schuur

Anatomie van de grassen, Tijs van Bragt, Ezo Wolf Uitgevers, Sint Pancras, 2026 ISBN 97890836535071

(Alain Delmotte)


Helixer


PieterJan Mellegers is schaakleraar en redacteur en was zeven jaar recensent bij het Utrechts Nieuwsblad. Sinds 1978 publiceerde hij zes dichtbundels. In 2024 verscheen bij Uitgeverij Volzin in Middelburg Hier stokt het hanige heilige woord (titel ontleend aan een gedicht van Mustafa Stitou), dat hij schreef samen met Martien E. Brinkman, over tien moderne dichters, met als thema ‘Wat maakt het leven voor deze dichters zinvol?’

Helixer is zijn zesde bundel en daar verscheen een tweede druk van. De bundel is geïllustreerd door Anna Naboka, die voor ze naar Nederland kwam in Oekraïne illustrator van kinderboeken was en lesgaf op een kunstopleiding.

Op de achterflap: Helixer: Je ziet wel eens vogels in/ een dichte zwerm/ vliegen, alsof ze samen/ één organisme zijn. Zo’n/ zwerm beeldt soms een vorm uit. Ik zag ooit zo’n/ zwerm in de vorm van/ een helix. Die doet/ denken aan een kurkentrekker. Het is een structuur die ook in ons DNA, ons erfelijk materiaal voorkomt.

De bundel opent met een gelijknamig gedicht Helixer: De vogels vliegen in een helix/ freestyling door het heelal, /schroeven omhoog zoals een feniks/ die aan het kwaad ontstijgt.// We zijn voor geluk geboren./ Het zit gewoon in onze genen. In de aantekeningen verduidelijkt de dichter wat een helix is: een wiskundige figuur die ontstaat doordat iets omhoog beweegt in (schijnbare) cirkels. Vergelijk het met een wenteltrap: je loopt rondjes maar gaat ook omhoog. (…) Of vogels ooit in een helix vliegen weet ik niet, maar sommige spreeuwenzwermen doen eraan denken.

De poëzie van PieterJan Mellegers is uiteenlopend van thematiek, vrij prozaïsch en ongecompliceerd, wat een vlotte lezing garandeert. Vaak fijnzinnig, zoals in de beginregels van Voor een onbekend lief: Als je komt, kom zachtjes, /en onverwacht en het sterkst als ze van enige introspectie getuigt. Twee voorbeelden. Uit de cyclus Aforistisch: Laten we het verstrijken van de tijd omarmen/ zoals woede en liefde elkaar omhelzen,/ in uitbundige verwarring./ Zorg voor elke seconde,/ de uren zorgen wel voor zichzelf. Uit de cylus Intermezzo: Gedeelde tijd (Silent reading): Sommigen rechtop, anderen onderuitgezakt,/ iemand met haar voeten onder zich opgevouwen/ zoals vroeger toen ze bij ons op de bank zat.// Al die mensen, al die stiltes/ alsof we samen in één bed liggen, voor het eerst./ We proberen niet te woelen.

Het laatste gedicht is Poëzie, voorafgegaan door een citaat van Remco Campert (een vogel, natuurlijk nu een vogel/ die opklapt uit een boomtop), met een ironische ondertoon in de laatste regels: De zwermen, de zwaluwen,/ De helix, de feniks, het elixir,/ De vlucht, het vliegen,/ De vleugels, de arend,/ De vliesvleugeligen./ Poëzie nodigt je uit/ om vaker omhoog te kijken./ Zelfs al is er niets te zien.

Na de gedichten volgen info over de auteur, reacties op eerdere dichtbundels, aantekeningen en info over de taalkundige Geert Koefoed (aan wie het gedicht Deze pijn is opgedragen en die naast tal van andere vrienden in het dankwoord wordt vermeld) en Anna Naboka.

Helixer, PieterJan Mellegers, Uitgeverij Helixer, De Bilt, 2026
(bestellingen: helixer@pieterjanmellegers.nl
).

(Roger Nupie)

De transformatiemachine


Bo Vanluchene is transgender. In de debuutbundel De transformatiemachine wordt het transitieproces gethematiseerd. Daar is niets op tegen. Verre van. Alleen mogen we ons daar niet op blind staren. In poëzie gaat het over hoe iets wordt verwoord, over de veelzijdige spankracht aan expressiviteit. Bo Vanluchene is in de eerste plaats een dichter. Daar valt niet over te twijfelen. Ik zal Vanluchene daarom verder als dichter aanspreken. Ik zal hier proberen na te gaan wat er in deze teksten aan poëzie te lezen valt.

De bundel bestaat uit ‘5 stappen’ genoemde cycli. Vijf stappen naar transitie, vijf stappen als een zoektocht naar zichzelf (iets waarin iedereen zich kan herkennen). Dit betekent alle opgedrongen ‘camouflage’ van zich afwerpen. Die zoektocht is niet vanzelfsprekend en is nooit af: mezelf leren kennen is een langetermijnproject.

De eerste reeks speelt zich op het particuliere terrein af. Een vader, een moeder, een grootvader en -moeder worden herkenbaar geëvoceerd. Het gezin als broedplaats voor een identiteit in de maak. Het eerste gedicht haar handen, haar handen is zonder meer een voltreffer. De handen van de dichter worden vergeleken met de handen van de moeder totdat ‘haar handen in mijn handen’ passen. Meteen maken we hier kennis met Vanluchenes stijl en taalvermogen: doordenkt met een oraal-ritmische klank-, woord- en taalspel. Er is luchtigheid. Maar onderhuids blijft iets onuitspreekbaar: Elke geboorte start met een schreeuw.

In de tweede cyclus Verander had de ingreep plaats. koelbloedig tol ik rond mijn as/(…)/mijn omhulsel uit, ik kijk om/& schrik van de holle huid die ik was. Grappig zijn de twee gedichten onder de titel in mijn broek. Een antwoord op de vraag die cisgenders stellen: wat zit er in je broek?’. Het antwoord is laconiek open het knoopje /zeg/eigenliefde.

Het transgender-zijn, roept vragen op want het stelt maatschappelijke normen in vraag. Wat niet altijd in dank wordt afgenomen waardoor transgenders in het bijzonder en de LHBTIQ+ gemeenschap in het algemeen op een soms vijandige manier in een geïsoleerde positie teruggedrongen worden. In de derde cyclus Error richt de focus zich naar het maatschappelijke. Dat gebeurt wel eens op een ludieke manier zoals in het gedicht hel, help waarin een dystopisch beeld wordt geschetst van een wereld die gedomineerd wordt door zombies. De veiligheidsraad kwam bijeen/moeten we uitroeien opvangen/kernbom/erop. De stemming wordt verdaagd: want de amerikaanse president kon helaas niet/aanwezig zijn/omdat zijn overleden moeder plots was opgedaagd.

De cyclus Stop bevat geen gedichten maar verzamelt wellicht al het onuitspreekbare waarover ik het daarnet had.

Hoewel we in de laatste cyclus Opnieuw een eerder militant gedicht wanneer (niet) te vluchten naar het buitenland te lezen is, stellen de gedichten meer existentiële vragen zoals in het gedicht sollicitatiegesprek met mezelf. De dichter maakt een persoonlijke en dubbelzinnige balans op met de nodige zelfironie: ik ben wolf met huidhonger, duif met pleinvrees/bromvlieg met vliegangst, dakloze huismus/ik ben niet wat het lijkt, uilskuiken/dat een zwaan lijkt. In ik nader de veertig is er een groeiend tijds-en doodsbesef. De vraag naar een toekomst wordt gesteld: ik nader het punt dat ik zal leren of ik echt/meer had moeten smeren/of ik mijn grijze wijze haren zal laten staan/of ik het pad naar mijn moeder of mijn vader/zal inslaan.

Vanluchene weet intelligent met de taal om te gaan. Een dichter met veel potentieel. Dit lichtjes (en vrolijk) provocerend debuut doet uitkijken naar komend werk.

De transformatiemachine, Bo Vanluchene, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978 94 64757 98 9

(Alain Delmotte)


Literair panorama


Hoewel Andreas Van Rompaey een nog jonge literatuurwetenschapper is, heeft hij een behoorlijke staat van dienst. Behalve aan literaire idolen als Paul de Wispelaere en Johan Sonneville, wijdde hij essays aan diverse verhaaltechnische aspecten in Verhalen in perspectief (2021). En aan auteurs, die ondanks het grensverleggende karakter van hun projecten, niet helemaal mainstream zijn geworden. Auteurs als Tony Rombouts en Sybren Polet zijn daar voorbeelden van. Van Rompaey bundelde interviews met hen en anderen – zoals Noud Bles en Dirk Kroon – in De literaire roeping (2023). Ook aan de misdaadroman besteedde hij aandacht in De detective ontmaskerd (2025), dat besluit met een interview met Atte Jongstra (die inmiddels een spraakmakende biografie van Leo Vroman publiceerde). Daar voegde hij onlangs een groot aantal beknopte ‘boekbesprekingen’ aan toe in Literair panorama, dat treffend wordt ingeleid door Roger Nupie.

In het nieuwe essayboek presenteert de auteur de oogst van zijn kritische arbeid ‘tussen 2018 en 2026’. In het eerste luik Kritiek gaat zijn aandacht eens te meer uit naar auteurs die veeleer in de marge zijn gebleven of onvoldoende naar waarde zijn geschat (als Kris Delameillieure, Ina Stabergh, José Vandenbroucke) én auteurs die dankzij hun volgehouden vernieuwingsdrang intussen deel uitmaken van het literaire middenveld (als Alain Delmotte, Peter Holvoet-Hanssen, Willie Verhegghe, Paul Rigolle). Opvallend is dat de recensent álle schrijvers recht wil doen en zich onbevooroordeeld opstelt, al blijft het soms bij iets te algemene of vrijblijvende typeringen. Onder meer in het stuk over Guy van Hoofs jazzbundel Combinaties is sprake van ‘een zelfdestructief kantje’, waarbij nadere precisering achterwege blijft. Hetzelfde geldt voor de recensie van B.P. Arends debuutbundel, waarin gewezen wordt op ‘kernachtige verzen’ en ‘groeipotentieel’ maar concrete aanwijzingen ontbreken.

Los daarvan getuigen de recensies van synthetisch talent en stilistische helderheid. Tot de opmerkelijkste behoren die over de constrained writing-techniek, die Isha Van Alsenoy hanteert in het als scheurkalender geformatteerde boek Pierewaai (2024) en Willem M. Roggeman in zijn uit één zin opgebouwde novelle Een warme stem op een winteravond (2022): een monoloog die doet denken aan proza van Claude C. Krijgelmans, Samuel Beckett en Marcel Proust, en die leest als een bespiegeling over ‘de zin van dit leven’ en het schrijverschap. Roggeman wordt overigens uitvoerig gefêteerd in het in de Kroniek opgetekende interview van 25 oktober 2025 naar aanleiding van diens negentigste verjaardag.

In dezelfde kroniek zijn nog drie essays opgenomen die Van Rompaeys ruimhartige kijk op de hedendaagse literatuur illustreren. Er is een essay over concrete en visuele poëzie in Vlaanderen, met aandacht voor Renaat Ramon, Paul de Vree en Erik Slagter. Het sluit naadloos aan op het door Ramon, Willy Tibergien en hemzelf sinds kort verzorgde tijdschrift AⱭDA (met in nummer IV een uitstekend essay van Delmotte over ‘de spatialistische poëzie’ van Ilse en Pierre Garnier). Van veeleer periliterair belang lijkt het opstel over Julien Weverberghs ‘ufoboeken’, waarvan onduidelijk is ‘in hoeverre de auteur deze als onderdeel van […] zijn oeuvre beschouwde’. Instructief is wél het opstel over ‘de representatie van technologie’ in enkele vroege romans van Ilja Leonard Pfeijffer en Peter Verhelst. Het demonstreert dat Van Rompaey indringend leest en oog heeft voor verbanden/parallellen tussen Noord en Zuid.

Literair panorama. Verzamelde boekbesprekingen, Andreas Van Rompaey, Eburon, Utrecht, 2026, ISBN 9789463015981

(Yvan De Maesschalck)

Raamsopranen


De Nederlandse dichter Henk Ester debuteerde in 2013 met de bundel Bijgeluiden, bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut van het jaar 2013, uitgereikt op Poetry International. Bijgeluiden is het eerste deel van de gelijknamige bundelcyclus. Daarna volgden, met telkens drie jaar tussen de opeenvolgende bundels, E-groot is rood (2016), Het vermoeden van Witten (2018), Wiskunde van lyriek (2021), Kameren van Vuur (2023) en recent verscheen het zesde deel, net als de vorige uitgegeven bij De Arbeiderspers: Raamsopranen.

“In dit zesde deel van Esters bundelcyclus Bijgeluiden legt de dichter zijn oor te luisteren bij de klank als klank”, lezen we op de achterflap. En ook: “Wie in Utrecht over de Mariaplaats loopt, hoort – met een beetje geluk – flarden violen en raamsopranen. Toonladders. Of de ramen nu openstaan of niet, het conservatorium laat van zich horen. Klanken. De kunst van beginnen”.

De 17 cycli, variërend van twee tot vijf gedichten, op vier na alle zonder eindpunt, kregen ook de titel Bijgeluiden mee en zijn Romeins genummerd. Klanken blijken inderdaad een centraal gegeven. Uit de cyclus Bijgeluiden LXXXVIII- Stilaan het gedicht Doorslaan:

Klanken zeggen niets, maken van verre buren
lokaal publiek, kennen geen territoriumdrift
het zijn lokalen die marcheren Klanken zijn
non-lokale drift, geven aan alles en iedereen
de ruimte, niet specifiek, citeren zonder waarom
Klanken zoeken niet, zijn: publiek, vrij, open
wegkijkend beginnend kamermuziek Klanken
zeggen niets, vieren geven, kameren publiek

Uit de cyclus Bijgeluiden XCI - Doorslaan het gedicht Binnenskamers:

klanken wachten niet op woorden

zij wachten buren binnenskamers
het vermoeden van een taal

wachtwoorden waarin klanken resoneren

rondzingend kameren klanken de vreugde
van verlopen rituelen en wachten woorden

ruimte van vertrek

De dichter is een (over)denker. Uit de cyclus Bijgeluiden XCIII – Inwonen het gedicht “Mijn brein staat open”. In de Aantekeningen wordt vermeld dat dit een uitspraak is van de Hongaarse wiskundige Paul Erdös.

Het spookdeeltje in het denken schreeuwt tutti en vertrekt
Motor van meercelligheid Drijft kamers uiteen Voordat zij
zijn ingericht Zijn lyriek is vreugde Opmerkzaamheid
Dirigeert een onuitgesproken vlucht Verlangt niets
Hoort eenvoud, neemt afscheid Deelt geen begrip, geen
onbereikbaar slotakkoord Spookdeeltje Dat het diepste
zwart bedacht Het felste licht heeft voorgesteld Het duurt
Blijft achter bij wat het voorstelt en vertrekt Er huist
een dichter in het denken.

Muzikaliteit troef in deze bundel. De plaat Kind of Blue van Miles Davis inspireerde de dichter tot dit gedicht:

Blue in Green

hoe hij
in de vanzelfsprekendheid van de grond
wegsterft op 39 kilometer hoogte
hoe hij
opvliegend in de vreugde van vertrek
weegt
de vleesvergeten chaos van afwezigheid

hoe hij
roept in herinnering
windkamers wachtend de zweefdraad
hoe hij
instantaan dáár op hoogte
wordt
een lofzang op verlaten

Met deze aantekening bij “verlaten”: Van Dale: over of uit laten vloeien; wijn verlaten, van het ene vat in het andere gieten.

Henk Ester heeft binnen dit streng gestructureerde en volgehouden concept van Bijgeluiden een intrigerende, gevarieerde bundel afgeleverd.


Raamsopranen, Henk Ester, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 978 90 295 5559 3.

(Roger Nupie)

Wie is bang van possibilisme?


De term was mij onbekend, voorgaande ‘odes’ heb ik niet gelezen. Voor mezelf en de onvoorbereide lezer formuleer ik een korte inleiding, voor meer info verwijs ik naar het woord vooraf van Frank De Vos.

‘Het possibilisme was een reformistische, socialistische stroming die tussen 1881 en 1905 een belangrijke (politieke) rol speelde in Frankrijk. Grondlegger was Paul Brousse, die wilde het socialisme invoeren door middel van geleidelijke politieke hervormingen.’ (met dank aan Wikipedia). De beweging ging op in een groter geheel, de naam geraakte blijkbaar in onbruik maar werd weer opgepikt door de Zweed Hans Rosling. Men raadplege hierover de Ted lezingen op YouTube waar de wetenschapper vlot, humoristisch en gewapend met statistieken zijn vooruitgangsoptimisme weet over te brengen. Op haar beurt pikte wijlen VUB-rector Caroline Pauwels de term op, maakte die tot steunpilaar van haar ideeën omtrent Verlichting en levenskunst, dit vanuit Humanistisch perspectief; een radicale inzet voor een betere toekomst, uitgedrukt in publicaties als Ronduit. Vat men de term filosofisch op dan stelt het possibilisme dat er dingen (gebeurtenissen) zijn die niet bestaan maar wel hadden kunnen bestaan, noem het een alternatieve actualiteit. De vraag luidt dan: zijn waarschijnlijkheden onmogelijkheden als je de complete gegevens hebt? Possibilisme staat hier tegenover determinisme.

In de bundel Ik wil begrijpen, tegenspraak en vernieuwing brengen zes dichters een (volgende) ode aan het possibilisme. In drie delen brengen ze per thema elk één gedicht naar voor.

Eerste deel: IK WIL BEGRIJPEN, HANNAH ARENDT

Astrid Arns, Grip (fragment)

We vonden een mompelend lichaam in het gras.
Ooit iemands dochter, onder kranten en vodden,
de armen gekruist. Vuil likte met tongen.


Is begrijpen mogelijk, worden we niet voortdurend geconfronteerd met het onbegrijpelijke? Bestaat er zoiets als een maakbare samenleving?

Max Temmerman, Sterrenkijker (fragment)

Het is een grijs niet-weten dat ons bindt.
We hebben nachten vandoen met sterren
die op één lijn lijken te staan, blindelings.
Verbind de stippen en wat zie je?


Ook deze dichter twijfelt aan de greep die we hebben op de werkelijkheid, oriëntatie is moeilijk, we turen in de nacht en verbinden de stippen.

Tweede deel: TEGENSPRAAK

Bart Stouten, In stille dialectiek (fragment)

Storm schrikt de zee op. Zo plots.
Ik wil mijn tegenspraak begrijpen
ontgrendel een donker universum
dat nieuwsgierig op me wacht


De dichter zet een stap richting het onbekende, een raadselachtige mogelijkheid dient zich aan, dit roept verzet op.

Frank De Vos, -isme fobie (fragment)

Met dit vers breek ik open.
Bij het haar sleur ik woorden over dit blad
en trek een frontlijn.


De ik-figuur verzet zich tegen elk -isme, wil van geen wijken weten, vol vertrouwen vuurt hij woorden af. Gaat het om een papieren tijger?

Derde deel: VERNIEUWING

Jana Arns, Aokigahara (fragment)

De klok wijst overuren aan
wanneer ze inlogt, zich verbindt
met wie ook een eindtijd koos.


Zelfmoord blijft een mogelijkheid, oud als de mensheid, nieuw is deze Japanse manier, websites die uitnodigen tot de dood.

Paul Demets, Zandvorm (fragment)

Zand stuift op tot meer zand.
Het andere is hetzelfde.
Er is geen vreemde die ligt te slapen
Die vreemde dat zijn wij.


Een steeds veranderend landschap, creatie van zand en wind, kan er sprake zijn van wezenlijke vernieuwing? Ook de andere dichters dragen in het laatste deel bepaald niet bij tot een hoopvolle conclusie, men beluistert hier eerder ironische en droevige tonen. Enigzins spijtig? Had het anders gekund of moest het zo zijn? Het antwoord van de possibilist laat zich raden.


Ik wil begrijpen, tegenspraak en vernieuwing. Een volgende ode aan het possibilisme, met tekeningen van Anne Van Herreweghen, Uitgeverij P, Leuven, 2025

(Cel Vermeulen)

Roman gelardeerd met gedichten


Harry G. de Vries (1961) komt met Faam. De ‘G’ in zijn naam staat voor Geert. Hij komt uit een oud Enkhuizer geslacht waar die naam al sinds de 17de eeuw wordt doorgegeven in de familie. Hij heeft een veel voorkomende achternaam en hij gebruikt die ‘G’ om zich te onderscheiden van andere naamgenoten.

Hij debuteerde in 2003 als vertaler van de Engelse dichter Philip Larkin. Dit werk droeg de titel Sneeuw Valt op een Zondag in April en verscheen bij uitgeverij Wagner & Van Santen in Dordrecht, nadat de Vries daar was voorgedragen door de stadsdichter van Dordrecht, Jan Eijkelboom, die bekendstond als dé Larkin-vertaler in het Nederlands taalgebied.

Behalve van Larkin is De Vries een bewonderaar van Elizabeth Jennings en Seamus Heaney. Maar meer nog is hij beïnvloed door de Amerikaan Garrison Keillor, wiens dagelijkse keuze voor een gedicht op zijn site, The Writer’s Almanac, een inspiratiebron vormt.

Bij Uitgeverij WEL in Bergen op Zoom verscheen in 2020 zijn Engelstalige dichtbundel Colourisations. Zijn keuze voor het Engels heeft met de bewondering voor zijn idolen te maken.

In 2022 verscheen zijn berijmde vertaling van het Halliwell Manuscript uit 1425, de oudst bekende bron voor de internationale vrijmetselarij. Uitgeverij GiST in Delft publiceerde in 2024 zijn debuutroman Het horloge van Celis. In 2025 wees dezelfde uitgever, gevolgd door nog veertien andere uitgevers, zijn manuscript van Faam af. GiST motiveerde de afwijzing als volgt: Faam bevatte te veel poëzie voor een prozalezer en teveel proza voor een poëzielezer. De uitgever vreesde dat het daarom geen winstgevend project zou worden.

Het idee om de roman dan maar in eigen beheer uit te geven schoof De Vries van tafel. Hij had een beter idee: iedereen mag deze roman gratis downloaden.
https://sites.google.com/view/faam-de-roman

De Friezin Johanna Hofstra is het middelpunt van de roman die uit drie delen bestaat met respectievelijk twaalf, zestien en elf hoofstukken. Met naast basale titels soms ook wonderlijke en intrigerende: Rustplaats der zeemeerminnen, Cultureel Supplement, Ik Heb Je Magnetische Stem Bewaard, Onze Nacht Komt Nog en Het Misthoornstation… om er maar een paar te noemen.

Op bladzijde 57 zegt de schrijver “Faam boeit me niet. Ik word door een podium opgeduwd, terwijl ik meer geschikt lijk om vanuit de coulissen te opereren en, nou ja, dienstbaar te zijn aan kunst die verloren kan gaan als ze niet wordt beschermd.”

Het woord faam stamt af van het Latijnse fama. In de Romeinse mythologie was Fama de godin van het gerucht. Ze werd gezien als een boodschapper die ieders heldendaden, maar ook roddels, over de wereld uitbazuint.

Het boek wil laten zien hoe roem – of het gebrek daaraan – niets zegt over de waarde van een kunstwerk of de schepper daarvan. De schrijver acht de lezer hoog en daagt de lezer uit om waarheid en leugen voortdurend tegen elkaar af te wegen. De gedichten zijn hierbij als foto’s in een film. Faam is een interessant experiment. Het boek verdient absoluut dat je zou moeten kunnen terugbladeren.


(Frans A. Brocatus)

Ik spreek in taal


Onder de overkoepelende term ‘podiumpoëzie’ gaan verschillende genres schuil. Er is zelfs sprake van begripsverwarring. Performance, slam poetry en spoken word zijn de bekendste vormen, maar ze worden vaak door elkaar gebruikt. Hun gemeenschappelijke kenmerk is de oraliteit, al verschillen ze subtiel van elkaar. Spoken word is een vorm van voordracht waarin ritme, klank en emotie weliswaar beklemtoond worden, maar waarbij de tekst centraal blijft staan. Bij performance staat de tekst minder centraal en spelen gebaar en enscenering een even belangrijke rol. Slam poetry is dan weer de wedstrijdvorm van spoken word.
Benzokarim (1996) is een uitstekend voorbeeld van een sterk ritmisch ingestelde spoken word-dichter. Via deze link kan je hem horen voorlezen:
https://www.youtube.com/watch?v=Eb2345-SO3k&t=188s
Het eerste gedicht uit deze lezing, Geen/Niets, vinden we terug in de bundel ons gaan allemaal. Ook bij lezing behoudt dit gedicht zijn spankracht, onder meer doordat de voor de dichter kenmerkende herhalingen zorgen voor een dwingend ritme. Toch hoor ik vaak zeggen dat dit soort poëzie in geschreven vorm niet erg ver reikt en weinig aan poëzie te bieden zou hebben. Natuurlijk hangt alles af van wat men van poëzie verwacht. Wie van een gedicht eloquentie, correct Nederlands of een alomtegenwoordige esthetisering verwacht, komt bedrogen uit. Dat zal deels ook de bedoeling van de dichter zijn. Het Nederlands wordt ontwricht; meer dan eens blijft er van de syntaxis weinig overeind. Er wordt gestotterd. Toch spreekt uit deze teksten een geladen expressiviteit, op het randje van het explosieve.
Dat schrale taaltje fascineert. Je begint te lezen en houdt er niet meer mee op. Het probleem is duidelijk: ik voel in taal/ik spreek in taal/ik zelf denk in taal/van onderdrukkers/ik wil taal kapot/taal nieuw/maar taal wil mij niet/als Nederlander mijn vader in 1982. Elke dichter zoekt een andere taal. Benzokarim doet echter meer: hij verweert zich tegen het Nederlands, de taal van de onderdrukker. Voor deze dichter wordt die taal een eigen ‘mix van Nederlands, Arabisch, Afrikaans en Engels’, zoals hij zelf achteraan in de bundel noteert. Die taal impliceert een zoektocht naar identiteit: ik ben een lost soul/ik roep enkel en alleen vragen op. Een van die vragen luidt: wat voor iemand is die ‘ik’ eigenlijk, want ik ben zelf nog kwijt. Daarmee worden meteen ook maatschappelijke normen in vraag gesteld, zoals in het onderstaande gedicht Duif. Alles speelt zich af tegen een eerder pijnlijk aanvoelende particuliere achtergrond: de motieven vader, moeder, broer en zus duiken regelmatig op. Zijn schrijfdaad motiveert hij als volgt: de strijd aangaan is er een tegen de verleiding tot dwalen.

Zeker, niet alles heeft me weten te bekoren, maar toch hebben deze gedichten me door hun intensiteit verrast en verward. Spoken word of niet: dit is uitermate beklemmende poëzie die terecht met de Jan Campert-prijs werd bekroond.

Duif

de duif gezicht
doet denken aan witte vrouw gezicht
kijkt mij aan gezicht
dan naar zusje gezicht
hoofddoek gezicht

omdat zij blote voet op het land
zij denkt vrij beweeg

mijn zusje altijd vrij beweeg
zij kinderen lesgeeft
in taal geeft
om bij ouderavond uit te leggen
aan man van witte vrouw wat mansplainen betekent



Ons gaan allemaal, benzokarim, Thomas Rap, Amsterdam, 2025, ISBN 978 94 004 1192 0

(Alain Delmotte)

Dan strekt de zee in me door


Tom Veys (45) studeerde taal- en letterkunde. Hij is actief als dichter en als recensent bij Meander. Eerder verschenen gedichten van hem in tal van verzamelbundels. Hij vertaalde in 2022 de gedichtenbundel Pandemie van de Amerikaanse dichter Richard Harteis en werd daarvoor onderscheiden met de Valentin Krustov Award for Translation. Samen met Daniël Billiet is hij de oprichter en drijvende kracht van Woordentij, een literaire vereniging die mensen met poëzie verbindt.

De tekeningen in de bundel, de omslagillustratie en de auteursfoto zijn allemaal van de hand van Tom Veys. Woord, beeld en daarbij muziek intrigeren hem. De bundel omvat vier cycli: Dierentaal, Doorgewerkt, Verinneringen en Voorbij het weten, die respectievelijk zes, elf, zestien en acht gedichten bevatten. De bundel opent met een dankwoord aan zijn ouders, familie en aan allen die hem gesteund hebben bij dit project. Het openingscitaat: Wat zou het leven zijn als we geen moed hadden om iets te proberen? komt uit Een leven in brieven van Vincent van Gogh, de schilder die ook prachtige brieven kon schrijven.

Twintig jaar na zijn eerste gedicht brengt Tom Veys zijn debuutbundel. Hij opent met een verrassende tekst Uit het dagelijks leven: het is tijd voor een weg, daarginds loopt een weg, ik kan niet altijd blijven praten, ik hoor stilte in een evenwicht, kijk, daar is een ster. Met deze woorden opent de dichter de deuren naar zijn wereld.

In het schijnbaar achteloze schuilt het meest subtiele. In de omkeringen gaat de dichter op zoek naar zichzelf. Uit de beelden die hij registreert distilleert hij zijn taal. Een taal die deuren eerst op een kier zet om ze daarna helemaal open te duwen. De wereld die de dichter schept is een universum dat omringt en doordringt. Vogels, meeuwen, een duif worden zichtbaar door zijn woorden. Hij zegt zelf: de dieren in ons spreken boekdelen. Al lezende ervaar je een bijzondere intimiteit door de dichter geschapen uit en met eenvoudige woorden en herhalende beelden. Referenties naar de Bijbel voeren je ook mee in dit soort verstilling en religiositeit. (Zondvloed, Geen zondvloed, Het kerstverhaal houdt ons in de ban, Diefstal van een wijngaard, Bij een tekst van Lucas, Een uitzonderlijk scheppingsverhaal…) De dichter is naast een zoeker ook een beschouwer, wat hem omringt kleedt hem. Hij draagt de woorden naar de beelden en omgekeerd. Iets van de bijzondere eindige oneindigheid maakt deel uit van hemzelf:

Zondvloed

Ik stel voor dat alle rivieren
een weg vinden. Ze vloeien
samen in een delta.
Oneindig is de zee met haar armen.

Soms hap ik naar adem, ik blijf
zoeken naar beelden.
In het water bellen woorden op.
Kijk, daar is een vogel,
een duif signaleert een redding.

Stel je voor dat we elkaar
vinden in oneindigheid,
in stilte. Dan strekt
de zee in me door.


(uit de cyclus Dierentaal)


Dan strekt de zee in me door, Tom Veys, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers Antwerpen / Rotterdam, 2025, ISBN 978 90 6174 992 9

(Frans August Brocatus)


We willen je alleen beschermen


Truus Rozemond is psychologe en publiceerde regelmatig over haar vakgebied. Haar korte verhalen en gedichten werden opgenomen in diverse bundels. Als romancière debuteerde ze in 2015 met Een verwaarloosd huis. Met telkens twee jaar ertussen verschenen daarna Tussenruimte (2017), De vorm van Ierland (2019), Weg uit de armoede (2021) en De langstlevende (2023). Weeral twee jaar later is er haar nieuwste psychologische roman, We willen je alleen beschermen (2025).

Hoofdpersonage is de gepensioneerde Anna, vrijwilliger in de culturele sector, die een relatie heeft met een ex-studente, de veel jongere Diana. Bij het bezoek van Anna en Diana aan een expositie moet Anna zich tegenover een bemoeizieke vrouw verantwoorden over het feit dat ze een relatie heeft met Diana en ook kinderen met haar heeft: Verbijsterd vraagt Anna zich af hoe ze zich door een onbekende vrouw zo met vragen heeft laten bestoken, als was het een interview voor een roddelblad of een juicekanaal. Ze was toch juist beter geworden in het bewaken van grenzen, mensen van zich afschudden? Diana reageert hier anders op: Binnen ventileert Diana haar verbazing over het gemak waarmee Anna zich ter verantwoording laat roepen door een vreemde vrouw.

Dit voorval – samen met een toneelstuk dat ze heeft bijgewoond en dat haar triggert – is de aanleiding (ook de titel van het eerste hoofdstuk) om te trachten in het reine te komen met zichzelf door haar verleden met haar familie neer te pennen in een dagboek tijdens de week dat Diana op studiereis vertrekt naar Bologna. August Oklahoma van Tracy Letts is een tragikomisch, herkenbaar en aangrijpend toneelstuk dat het verhaal vertelt van een familie die verscheurd wordt door geheimen en onvervulde verlangens en waarbij drie generaties nietsontziend de confrontatie met elkaar aangaan. Niet toevallig koos Truus Rozemond een citaat uit dit toneelstuk als motto voor haar roman: Nee, jullie zijn niet bezorgd. Jullie willen alleen weten wie je de schuld moet geven.

De moeilijke en nooit ongedwongen relatie met haar ouders en familieleden heeft zijn sporen nagelaten. De reacties op een doodgeboren kind van Anna en Diana bijvoorbeeld zijn bijzonder pijnlijk. Hoe schrijnend deze duik in het verleden ook is, Anna zet dit alles op een serene manier op papier, alsof ze zelfs het waarom van de redenen van het onmogelijke, of op zijn minst gecompliceerde gedrag van haar familieleden wil begrijpen en daar ligt ook de kracht van deze roman. Ik zie me weer zitten, twaalf jaar, een in zichzelf gekeerd kind met een pokdalig gezicht en vet haar./ Ik ben een onmogelijk kind, dacht ik, ze weten zich met mij geen raad./ Ma had geen kinderwens, maar ze wilde Pa niet kwijt, dus was ze overstag gegaan bij zijn verlangen naar een gezin./ Ze zag haar moeder steeds meer als labiel en gestoord. Door haar directe stijl weet Rozemond haar lezers mee te nemen in deze sterke en knap uitgekiende roman.


We willen je alleen beschermen, Truus Rozemond, Uitgeverij Magonia, Utrecht, 2025, ISBN 978-94-9224-1863

(Roger Nupie)

Traagkracht: verstillende bundel


Ann Van Dessel (1961) is dichter en schrijfdocent. Traagkracht is haar vierde solobundel. Eerder verschenen bij Uitgeverij P Een kei in duren, Toverstroming en Als de lucht valt. Samen met andere dichters schreef zij Een kier in het rumoer, Lopen op los zand, De ogen van de uil en Veelvoud van een eiland (Obsidiaan). Deze bundels verschenen ook bij Uitgeverij P.

Haar gedichten zijn naar het Frans vertaald door Bernard de Coen (1965). Hij schrijft haiku, essays en vertaalt poëzie. Van hem verschenen Les bourraches en de tweetalige haiku-bundel Tiens. Voor Uitgeverij P vertaalde hij een aantal publicaties. Daar verscheen ook zijn haiku-bundel Ontkoppelingen 1.

De kleurrijke illustraties in de bundel zijn eveneens van de hand van Ann Van Dessel.

Op zoek naar rust en stilte meldde Ann zich een decennium geleden in het gastenverblijf van de Abdij van Orval. Daarna keerde ze elk seizoen weer. Elke zomer neemt ze met yogadocente Petra Elberse mensen mee op schrijf- en yogaverblijf om te vertragen, te luisteren en thuis te komen in eigen lijf en woorden.

De titel van de bundel Traagkracht werd bedacht door Elke Grisar, die ’s zomers mee naar de Abdij trekt voor de vijfdaagse bespiegeling In verbinding met jezelf (cursus intuïtief schrijven en Yoga). Het is een cadeau van Elke aan Ann.

De bundel bestaat uit vijf cycli: Eiland van eenvoud, Het kloppen van het klooster, Het bos heeft geen naam, Dialoog met de ootmoed en De vliegende draak in onze aderen. Sommige gedichten hebben een titel, andere niet. Er worden geen hoofdletters gebruikt. Komma’s en punten zijn de enige leestekens, soms zijn er helemaal geen leestekens.

Waarom de vertalingen in het Frans in een veel kleinere letter gezet zijn is mij een raadsel. Dat had voor mij niet gehoeven. Als schaduw voor de gedichten in het Nederlands is het natuurlijk perfect.

De gedichten laten zich lezen als gebeden. Je voelt als het ware de verstilling van de abdij. Vogels zorgen voor ondertiteling. Bomen en natuur zijn een veilige cirkel rondom de geluidloze voetstappen doorheen de abdijgangen. Licht is zalvend gezelschap in de kamers. Titels zoals zwijgland, in de stilte klopt het klooster, de stilte, jonge vrouw aan tafel, als er geen tijd meer is, handleiding van eenvoud, de sleutel van het bos en ’s nachts hoor ik je kijken geven ruimte aan de bespiegelingen die volgen, de blik naar binnen gericht. Op een eenvoudige manier worden woorden samengebracht tot een verhelderend zwijgen. Niets waagt het om te komen storen. Bomen, die geacht worden levenloos te zijn, zorgen voor een aparte dimensie in de allesoverheersende stilte. Lees op bladzijde 36

Beste oude beuk bij de vijver
….
Ik kom graag bij je langs. Zodra ik je een hand geef, vul je mijn hart met je wijsheid. Je laat me toe. Te kijken naar wat onderhuids beweegt.
….


Een bijzondere, verstillende bundel die ontzinning en bezinning sacraal samenbrengt.


Traagkracht, Ann Van Dessel, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978 94 64757 91 0

(Frans August Brocatus)

Dartel donkergrijs


Mereie de Jong is vertaler van onder meer gedichten van Rilke, Verlaine en D’Annunzio. In Wat ik ook schrijf treedt zij ook als dichter voor het voetlicht, daarbij op pragmatische manier gebruik makend van klassieke vormen, voornamelijk het sonnet.

Contrasterend met de vorm is de inhoud van haar werk volledig eigentijds behalve dan de verzen die gegroepeerd zijn onder de titel reflecties, geschreven naar Poe, Baudelaire en Horatius. Deze gedichten verschenen reeds eerder in reeksen uit Vertalersweelde, meer info daarover is te vinden achteraan in de bundel onder Verantwoording. Hoe voortreffelijk ook, ik concentreer me op haar eigen thema’s en persoonlijkheid.

De bundel is verdeeld in zeven deeltjes, achtereenvolgens de weemoed, de wereld, de mensen, de plaatsen, de familie, de reflecties en de rest, telkens tussen de drie en negen gedichten lang. Merk op dat de titels haar inspiratiebronnen duidelijk maken.

Het openingsgedicht Antraciet is meteen een schot in de roos. Wie zich vragen mocht stellen bij de cover en vormgeving van de bundel krijgt hier een antwoord. In het eerste kwatrijn klinkt het als volgt:

Niet zwart, niet wit, maar altijd antraciet.
Mijn leven danst, in dartel donkergrijs.
Ik huppel op een asgekleurde wijs.
Een andere nuance ken ik niet.
…….


om te eindigen met

Ik zwelg in antraciet gemuggenzift.
Gelukkig is er lippenstift.


Daarmee is de toon gezet, letterlijk en figuurlijk: de cover heeft de vereiste grijstint, de titel springt er in het rood uit. Ook de drukinkt heeft de aangewezen tint meegekregen, bovendien zijn de bladzijden lichtdoorlatend zodat alweer een grijstint wordt toegevoegd. En dan is er op de achterflap nog de foto van de auteur zelf! Inhoudelijk maken we kennis met haar sarcasme, ironie en humor, maar dit alles staat wel degelijk in het teken van de weemoed.

In de wereld en de mensen levert de auteur zowel genuanceerde als onbarmhartige kritiek op de omgeving. Een blad voor de mond nemen is er niet bij; Millenials en gen Z., thema’s als dysforie en valse profeten komen aan bod, het levert gedichten op die verfrissend brutaal zijn in een door eufemismen geteisterde en zichzelf voor ‘warm’ uitgevende samenleving. De wereld wil bedrogen worden, dus laat haar bedrogen worden, zegt ze in het latijn. Verschijnselen uit de popcultuur genieten volop haar aandacht en duiding. Ook in de plaatsen (voorzien van enkele prikkelende foto’s) is dit het geval, maar behalve erotiek, rock’n’roll en glitter bespeurt men toch ook enige nostalgie bijvoorbeeld in Miami.

In de familie vier sterke gedichten. Na het rauwe relaas van een broertje dood volgt het ontroerende Sanne, want neen, de hoop is niet dood, zelfs het antraciet moet wijken voor een bloesem van een kind:

Al weten de tirannen niet van wijken
en is geen brandhaard een-twee-drie geblust
toch zal de zwarte gal ons nooit bereiken
nu wij de roze wolk hebben gekust.

Ze vindt het niet de moeite om te kijken
naar al dat vreemde volk en slaapt gerust.
Die wereldvrede gaat vanzelf wel prijken
aan elke horizon, denkt ze, en sust

ons allen, die zich bitter slechts vermannen
‘We doen het samen, niemand is alleen’
lijkt ze te willen zeggen, heel ontspannen.

Haar universum is volmaakt sereen.
Blijf lachen om die strijdende tirannen,
want kleine Sanne slaapt er dwars doorheen.


De twee laatste delen zijn het reeds vermelde de reflecties en de rest, bestaande uit enkele minder gemakkelijk te klasseren gedichten waaronder het geestige Niet meer vet of, over hoe zelfs vet haar kan inspireren.

Samenvattend mag ik zeggen dat ik deze bundel met plezier gelezen en herlezen heb; een pittige bundel die er uitspringt als lippenstift tegen een grijze achtergrond.


Wat ik ook schrijf, Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2026, ISBN 978 9083 023 090

(Cel Vermeulen)


Staat van genade


Matthias Haeck (Gent, 1970) is dichter en ondernemer. De bundel Staat van genade is zijn debuut. Eerder verschenen gedichten van hem in Het Gezeefde Gedicht, de Gedichtenwedstrijd en in een aantal bloemlezingen. In 1989 schreef hij zijn eerste gedicht voor zijn lief en toen bleef het bijna twintig jaar stil. Door het verlies van een dierbaar familielid nam hij de pen terug op en schreef toen een schriftje vol met gedichten. Omdat hij richting miste viel hij opnieuw stil. Een toevallige ontmoeting met wijlen Jos Daelman wakkerde het vuur opnieuw en definitief aan. Daelman liet hem inzien dat poëzie uit meer bestaat dan zuivere inspiratie en in woorden omgezette emoties. De dichter heeft de bundel dan ook opgedragen aan Jos Daelman met de woorden:

voor Jos Daelman
die me de weg toonde
zonder te wijzen

De bundel opent verder met twee veelzeggende citaten: You cannot find peace by avoiding life – Virginia Woolf (Mrs. Dalloway, 1925) en Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt – Jeroen Brouwers (Bezonken rood, 1981)

De bundel bestaat uit zeven cycli: Sans paroles, Grondwerken, Tussenstanden, Stoornissen, Vluchten, Wij en De komst. Alle gedichten hebben een titel met uitzondering van de vijf genummerde gedichten uit de cyclus Vluchten.

Waarom de dichter af en toe Franse of Engelse woorden gebruikt is mij niet duidelijk. Zijn moedertaal is zo helder en duidelijk dat die kleine uitstapjes niets toevoegen. Matthias Haeck is een zorgvuldige dichter. Hij wikt en weegt, is nooit hoogdravend maar blijft met de beide voeten op de grond. De bundel staat vol verrassende beelden. Ik zet er een aantal achter elkaar: … tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk; … de kam van het kabaal…; We staan geblokt bedrukt als het tafellaken…; … Een poel vol vloeibare kalmte…;…zompig geel…;… de wreef van haar verwachting…; … ik zou het vasthouden onthouden….; …. Mijn handen als sardienen ingeblikt…

Zijn grootste kracht bestaat er, mijns inziens, uit dat hij met weinig woorden zo veel meer suggereert en daardoor de kleine wereld van huis, kamer, tafel, stoel… extra lading meegeeft, ze liefdevol omkadert met de mensen en met wat hem dierbaar is. Hij geeft herkenning een nieuwe glans. De komst van een kleinkind bijvoorbeeld maakt hem niet sentimenteel maar samen met het kleinkind koestert hij zich in de verwondering die dat teweegbrengt. Hij schrijft met veel liefde en mededogen over kleine en grotere onderwerpen. Een verrassend debuut dat naar meer smaakt.

Lucia

Ze heeft mijn hart gestolen
en er meteen haar pamper aan geveegd,

mijn blik als een loper uitgerold
mijn handen als sardienen ingeblikt
mijn voeten in cement gebed

mijn buik als kussen geconfisqueerd
mijn mond tot zwijgen veroordeeld
mijn adem tot simpele blaasbalg herleid.

Ze heeft mijn huis geopend,
er kortweg een kamer ingenomen,
weigert te vertrekken.

Ze hing haar naam al naast de deur
doet belletjetrek met mijn geduld.
Ik hoor ons nu al lachen in de gangen.



Staat van genade, Matthias Haeck – Uitgeverij De Zeef, Gent, 2026, ISBN 978 94 64757 87 3

(Frans August Brocatus)

Denk dat ik toen al van je hield


Hilde Pinnoo publiceerde de roman Valtuig (2019) en vier dichtbundels: Dichter dan mist (2005), Zonder testament (2008), De gevoelige plaat (2013), Brakke dagen (2021) en met collega-dichters Lopen op los zand: gedichten om kanker neer te schrijven (2017). Als eerbetoon aan Hilde, die een strijd voert met Parkinson, kozen vijfentwintig bevriende auteurs een gedicht van haar waarmee ze in dialoog gingen.

Na het openingsgedicht Los van Chris Perdieus (… angst/ om het niet verwachte/ snoert de adem af/ ontneemt de toekomst/ steelt jou/ van ons) volgen vier cycli die de titel dragen van haar bundels, met als slotstuk een cyclus van twee gedichten: Lopen op los zand. Op de linker pagina’s een gedicht van Hilde, wat resulteert in een mooie keuze uit haar werk; rechts het dialooggedicht van de deelnemers aan dit initiatief.

Enkele dichters leverden een gedicht af dat een identieke opbouw heeft als het gedicht van Hilde dat hen inspireerde: Daniel Billiet (Geaard in regen), Hilde Van Cauteren (Meisje), Sandra Aerts (Onbevangen) en Lief Vleugels (De geur van aarde).

Ter illustratie: Oude aarde (Hilde Pinnoo): Zo lusteloos als een lijf/ kan worden, toevlucht zoekt/ in de donkere bossen, om weg/ te zijn, om te zijn. (…) De geur van aarde (Lief Vleugels): Als het lege huis tussen de pijnen/ van het ruisende woud, waar/ geen haard meer knispert, geen lach/ de kamer vult (…).

Ik denk dat ik toen al van je hield levert heel wat sterke poëzie op van de bevriende dichters. Ann Van Dessel in stuwkracht: hoe zou je dat noemen, zoals je/ in een lucide droom jezelf bestuurt,/ naar de rand van de afgrond schuift/ en in slow motion naar de diepte duikt. (…) Uit Sneeuw van Lieve Desmet: (…) We drenken dit huis in tranen,/ tot we opnieuw bloeden, of - als een Inuit -/ honderd namen roepen,// allemaal sneeuw vóór de zon. Uit Ex aequo van Gerda De Preter: (…) Wat is dit wachten waard?// Waarom deze harteklop,/ dit onophoudelijk snakken/ naar adem, lijf en leden?// Alsof we ooit, misschien, hoe vluchtig ook.// En toch.

Het herlezen van de gedichten van Hilde Pinnoo zelf bevestigt nog maar eens haar uitmuntend dichterschap. De laatste strofe uit Ga weg: Je geeuwt/ tegen me aan. Ik zal/ niet weggaan. Ik zal blijven/ tot iedereen ons is vergeten,/ tot er gras groeit in de straat,/ alleen voor onze voeten. Hoogseizoen: (…) Ooit volstond de eenzaamheid/ van een amoebe - even wachten en het lukt/ gegarandeerd opnieuw. Inuit: (…) Niemand durft deze dagen nog/ te janken, tenzij met de ogen/ en de lippen droog, uit angst voor/ de ruwe pijn van onsplijtbaar wit.

Ik denk dat ik toen al van je hield, een bloemlezing uit het oeuvre van Hilde Pinnoo en dialooggedichten van vijfentwintig collega’s, is een bijzonder eerbetoon aan een al even bijzondere dichteres.


Ik denk dat ik toen al van je hield, Hilde Pinnoo & vrienden, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978-90-73214-00-2

(Roger Nupie)


Rilke's cirkel


Gerolf Van de Perre maakte als schilder graphic novels tijdens en na een verblijf in Beijing (1999-2001). Hij verwerkte daarin de ervaring van de grootstad in verandering. Dat de dichter Rainer Maria Rilke dat honderd jaar eerder over Parijs deed in zijn roman Aantekeningen van Malte Laurids Brigge, was aanleiding om van een aantal aantekeningen een geschilderde adaptatie te maken: Dichter in de massa (2010). In Rilke verdiepte Van de Perre zich verder in een graphic essay, met eigen tekst naast schilderijen: Spiegel-beeldessay (2015). Intussen bleef hij op een eeuw afstand, het verleden representeren: in Gewonde stad (2014), samen met de schrijfster Johanna Spaey, de oorlogsvernietiging van Leuven, in Le Grand Meaulnes revisited (2016), de succes- en enige roman uit 1913 van Alain Fournier, die in de eerste oorlogsmaanden sneuvelde.

Gerolf Van de Perre:
…
In hun woorden zit veel beeld. Zelf plaats ik tussen mijn geschilderde beelden woorden. Op de rechterpagina kies ik ze telkens uit teksten van en over Rilke en Verhaeren. Op de linkerzijde leiden mijn eigen woorden die citaten in, maar ook de schilderijen. Zo verbinden ze dit alles.

De dichter Rilke was tijdens zijn Parijse tijd secretaris van beeldhouwer Rodin. Met Verhaeren, Rolland, Zweig en Bazalgette tekende zich de Parijse kring van Rilke af. Door allerhande spiegelingen probeert Van de Perre niet alleen de figuren uit de kring van Rilke bijeen te brengen, maar hij onderneemt ook een poging om de visie van Rilke op ‘de dingen’ en de wereld die hem omringt tot de zijne te maken. Aan het boek ging een bijzondere tentoonstelling vooraf, die liep van 9 maart tot 25 mei 2025 in het Emile Verhaerenmuseum.

Rilkes cirkel telt vijf hoofdstukken: Makers van beelden – Rodin, Ervaring van de nieuwe grootstad – Parijs, Grenzeloze bewondering – De cirkel, Verbeelding van de dood – Oorlog en Levendige dingen – Het werk. Samen schetsen ze het leven en werk van Rilke, die veel te jong overleed aan leukemie. Het boek bevat daarnaast 75 reproducties van narratieve schilderijen van Van de Perre. De kunstenaar hanteert een unieke manier van schilderen: vrijwel al zijn doeken bevatten spiegels, spiegelbeelden, spiegelingen en reflecties. Ze zijn zo transparant dat je er bijna doorheen kunt kijken – een manier van schilderen die ver afstaat van schilders die hun doeken met dekkende verf als het ware dicht schilderen. Het geheel geeft mede door de blauw – en grijstinten een bevreemdend en intrigerend effect: je wil door het beeld heen de woorden vinden. Het lijkt wel alsof Van de Perre te werk gaat als een fotograaf die in een donkere kamer meerdere filmstroken over elkaar legt en daarvan een afdruk maakt.

Als fan van Rilke ben ik misschien wat bevooroordeeld maar het werk van Van de Perre laat een ander licht schijnen over Rainer M.Rilke. Het getuigt van lef, moed en kennis om dit aan te durven. Hoed af en een grote buiging voor Gerolf Van de Perre.


Rilkes cirkel – woorden/beelden, Gerolf van de Perre, Uitgeverij P, Leuven, 2026 ISBN 978 94 64757 68 2

(Frans August Brocatus)

Ongewoon gewoon


‘Ook al kijkt de dood geregeld om de hoek, ik ben nog niet van plan om te verdwijnen’ zo staat te lezen in de flaptekst van Aan de vooravond, ondertitel ‘wat ik nog zeggen wil, voor het geval dat’, de nieuwe bundel van Miel Vanstreels. Hiermee is al veel gezegd. De dichter, geïnspireerd door alledaagse of beter gezegd universele thema’s, houdt het graag simpel. Hij steekt geen veren op zijn hoed; hier geen ambitieuze experimenten, vernieuwingsdrang, buitenissigheden, ideologieën, of pathologieën, behalve, wat het laatste betreft, een alledaagse maar daarom niet minder gevaarlijke vaatverwijding. Uit het gedicht verwijding:

straks weet ik hoe het
gesteld is met mijn
aangetaste vaten

hoe ik kijken moet
naar het vallen
van de bladeren


Ik vermoed dat qua vorm Vanstreels inspiratie vind in Japanse versvormen als Senryu en Tanka; nergens tel ik een regel die meer dan zeven lettergrepen bevat. Ook treft men hier vaak het haiku-verrassingeffect aan, waardoor het gewone plots ongewoon wordt:

Begrafenis

Drie broers begraven
hun vader, heel de kerk
weet dat een van hen
niet lang meer
te leven heeft,

op het kerkhof,
bij het graf

vult hun moeder
de stilte
met wat nog
komen gaat


Familie blijkt een belangrijke inspiratiebron, daarvan getuigt onder anderen de kleine cyclus The Family in het begin van de bundel, waaruit ik het eerst gedicht licht:

Aan een lange tafel
zitten we met z’n allen
richting tachtig
te gaan

naarmate de avond
vordert maakt de alcohol
het leven lichter

’t is wachten
tot de echte uittocht
gaat beginnen

steeds meer gevechten
zijn niet meer te winnen


Ook de jongere en de allerjongste generatie krijgen hun plaats. In ziekjes blijkt een kleinkind hoewel ze naar buiten wil, het in de wandelwagen toch niet niet helemaal naar haar zin te hebben:

heel de weg
droomt ze stilletjes
voor zich uit

in een goed gesprek
heeft ze geen zin

in opagrappen
evenmin


Veertig jaar lang heeft de dichter in een ziekenhuis gewerkt, het heeft hem getekend in positieve zin.

De verpleging

Geen betere leerschool
dan een ziekenhuis

ook al kreeg ik
geen diploma voor
wat ik vond

hoe langer je
naar de dood kijkt

hoe dichter je bij
het leven komt


Hieruit spreken realiteitszin en ware empathie, en een gebrek aan zelfbeklag die de lezer moeiteloos voor hem innemen. Wat de liefde betreft, pedalerend langs de Noordzee noteert de dichter in Mijn lief en ik:

als zij
langs het strand
op de schelpenpaden
door de duinen

het ruisen
van de golven
door haar hoofd
voelt waaien

zie ik in haar blik
weer dat weidse
dat mysterieuze

waar ik een halve
eeuw geleden
verliefd op werd


Miel Vanstreels deelt met ons zijn praktische wijsheid, hij herinnert aan de oude tijdloze Chinese dichters. Kan dichten zo eenvoudig en noodzakelijk zijn als het knippen van de teennagels?


Aan de vooravond, Miel Vanstreels, Uitgeverij Haute Folie, Maastricht, 2026, ISBN 978 940 384 8990

(Cel Vermeulen)

Wildnissen


Ik weet ongeveer hoe het kruispunt Desselgemseweg met de Expresweg en de Jozef Duthoystraat in Waregem oogt, en dat dankzij GoogleEarth en Xavier Roelens. Die meldt in zijn jongste bundel Wildnissen terloops dat hij daar even met zijn zoon voor het stoplicht moet wachten, een bijna-ongeluk registreert en tegelijkertijd ziet dat er in de berm onder een smeltend sneeuwtapijt bezemkruiskruid groeit.

De bundel volgt naar eigen zeggen van de auteur, wiens debuut Er is een spookrijder gesignaleerd (2007) me destijds al opviel, exact de nummering van de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Toen ik dat in de aantekeningen las had ik al een poos zitten peinzen over het hoe of wat van de indeling, maar die is me nu duidelijk. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik alleen die titel van Wittgenstein kende. Ik geloof Xavier op zijn woord.

Dit is geen bundel voor hoi polloi. Wie zich aan Wildnissen zet dient over een leeshouding te beschikken die het consumerende lezen te boven gaat: de dichter maakt het zijn lezer niet gemakkelijk. Ik sla er bij het lezen van deze bundel behalve GoogleEarth ook Wikipedia regelmatig op na.

Roelens trekt zich niet terug op traditionele verworvenheden van de poëzie maar durft buiten de vormen te verkennen, hetgeen in een bundel resulteerde die op het eerste gezicht kan ogen als een stilistisch bont allegaartje maar tegelijkertijd uitnodigt al die verschillende geoffreerde kanten mee op te denken.

De bundel getuigt van een verscheurd hart. De dichter vindt eigenlijk dat deze wereld er geen is om nieuwe kinderen op te zetten, maar doet wat in zijn mogelijkheden ligt om er toch het beste van te maken (we planten afval aan de deur, / angst in onze kinderen). Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de frustratie van het besef dat hij mee de boel vervuilt (asfalt slaapt nooit rouwt nachtenlang) en de onlesbare dorst naar schoonheid. De natuur krijgt ruimhartig her en der aandacht (zo richt zijn loep zich op niet alledaagse flora als basterdwederik, biestarwegras, duindoorn en zeewolfsmelk), maar niet zonder dat de mogelijkheden der Moderne Techniek worden vergeten (zal ik je vergelijken met een verslaving? // of zal ik je namaken met een 3d-printer [….]).

Roelens heeft oog voor een bos dat een menigte is: een bos slaagt erin ruwweg tevreden te zijn met / spechten en / kevers als knusse / prullaria, maar noteert ook meedogenloos de politicus belegt in / tweets en / dansjes voor de / camera voor de stijgende / hebzucht van een nukkige / achterban. Roelens heeft weet van klassieke poëzie, maar ook van AI.

Her en der duikt in Wildnissen het charmante beeld van zelfgemaakte kinderen op. De fysieke zijn van Roelens, maar de literaire las ik toch echt eerder (en dat zie ik – of ik moet eroverheen gelezen hebben – nergens geduid) bij zijn gouwgenoot Philip Hoorne (cf. Ze heeft alles en alles nog voor zich, / straks een vriendje met een piemel / en zelfgemaakte kindjes die dollen in de zon [….] in diens gedicht dochter). Wel jammer dat juist de herkomst van dit beklijvende beeld niet wordt vermeld in de Bronnenwildnis.

Dat laat onverlet dat Wildnissen een fascinerende, pluriforme bundel is waarin Xavier Roelens zich toont vanuit verschillende invalshoeken van waaruit hij met een bewonderenswaardige regelmaat verrassende perspectieven opent.

Een dappere poging om de caleidoscoop die de alledaagse werkelijkheid is in poëzie te vatten.


Wildnissen, Xavier Roelens, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 9 789025 477868

(Bert Bevers)

Onderkoorts


De debuutbundel van Kris De Lameillieure is beslist niet het werk van een debutant. De roeping, als we dit zo willen noemen, kwam op vijftigjarige leeftijd en de uitgave van deze bundel meer dan een decennium later. Een late en trage bloei dus onder mentorschap van Jana Arns. De lessen werden grondig geleerd.

De bundel is verdeeld in vier delen, ongetiteld, maar alle ingeleid door een gedicht van Miriam Van Hee. Dat geeft het thema aan en brengt ons in de juiste stemming. Sleutelzin voor het eerste deel: de ribben zijn van het geraamte het mooiste onderdeel (Van Hee).

In Moederwezen klinkt de grote trom van de dood:

Wij zijn zonen en dragen dezelfde moeder. We houden
onze hoofden koppig, kijken star en hullen ons in wierook.


In sobere bewoordingen, een weinig onderkoeld misschien, verhaalt de auteur over het lijden en overlijden van de ouders. Uit Haven:

Hoe hij wankel door de kamer laveert een dode hoek probeert,
in het hoofd lij en loef verwart. Hoe hij eb over vloed plooit.


In het tweede deel ‘vakantie’ probeert een koppel een stukgelopen relatie te lijmen, vergeefs zo blijkt. Uit een titelloos gedicht:

Nu braakt de nacht ons uit, blaast luchtbellen
in woorden, legt ijsplaten tussen de ruggen
die we mekaar toekeren.


Het volgende deel spreekt van angst, leegte, zelfgekozen isolatie: men komt immers van alle reis terug:

Geen mens aan wie ik nog kleef
naast kind of kind van een kind.
Voor jou ben ik een traan.
Schud mij van je af nu je nog kan.

Het laatste deel (‘als ik mij kon beveiligen’) brengt uiteindelijk meer licht en kleur, al bestaat er geen blijvende zekerheid.

In ons ligt vruchtbaar land.

Uit het laatste gedicht Licht:

zo loopt hij over straat in aquarellen:
een kleurrijk toeval, een schitterend effect.
……..

In dit kader past hij niet altijjd. Hij wil zand zijn
en verstuiven, regen en verdampen.

En als hij kon: licht.


Over de leer van de ‘vier temperamenten’ hoor je in deze tijd niet veel meer. Volgens deze theorie mogen we de dichter typeren als een melancholicus. Uit het gedicht Onderkoorts:

Om te lachen trek je zonder verpinken /kaken op, de ogen onbewogen….
je laat het netvlies los,/ naait de lippen dicht/ schrijft je testament/
in gedichten.


De dichter heeft veel van zich afgeschreven, schoon schip gemaakt. Dit soort belijdenissen zal niet bij iedereen in de smaak vallen, maar voor wie deze situatie herkenbaar is, voor wie bezig is zich tot op de bodem te laten zakken in de hoop daar iets waardevols te vinden, kan dit een hulp zijn. Afgezien daarvan kan men ook een gedicht lezen om het gedicht zelf, om de klank of de sfeer daarvan, zoals men ook een voorkeur kan hebben voor de melancholische, introverte klanken van de altviool.

De vier gedichten van Miriam Van Hee vormen een waardevolle bonus.


Onderkoorts, Kris De Lameillieure, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 9789464757866

(Cel Vermeulen)


Onwelvaart


Steve Marreyt (1983) is muzikant en taalleerkracht. Onder de naam Edgar Wappenhalter bracht hij in 2024 de elpee ijsschots veenlaag mist uit, een muzikale ode aan de Nederlandse dichter Sonja Prins. Men noemt hem een ‘psych folk veteraan’ uit Brugge. Als dichter/schrijver publiceerde hij voornamelijk chapbooks (kleine uitgaven) via Marktcorruptie en zijn eigen micro-uitgeverij Edities Marreyt. Zijn werk, waaronder het project CISWHITEMALE uit 2018 verkent thema’s als het Antropoceen en gender. In februari 2025 debuteerde hij officieel in de literatuur met de bundel Onwelvaart.

De omslag van de bundel is bruin. Terug naar de oorsprong, naar de aarde. De bundel opent met (leestijd: minder dan twee minuten). Wel bewust tussen haakjes gezet. Een uitnodiging aan de lezer:

…
Toch nodig ik je uit.
We hebben het zo gewild.
Ik wou hier deel van zijn.
Jij wou hier deel van zijn.
…

Vervolgens is er een zwart-wit tekening van Natasja Mabesoone. Zelf zegt zij over haar werk: “Het narratieve aspect van mijn werk heeft geen plot nodig. Het verhalende potentieel ligt veeleer in de beelden, de materialiteit, de achterliggende culturele associaties of verbeeldingswerelden, de etymomogische achtergrond.”

Een fragment uit een liedtekst van Walter De Buck is de voorbode van wat gaat volgen: “‘k Zou zo gere willen leven in ne wereld zonder geld Da de niet van schrik moet beven Veur nen oorlog en geweld ‘k Zou zo gere willen leven In ne wereld zonder doel Waar gerekend wordt met schreefkens Geen bankiers en genen boel”

Daarna is het de beurt aan Steve Marreyt. In zes cycli vertelt hij ons waar het al dan niet om gaat. De titels lijken zo geplukt uit het boekhouders- en/of bankiersjargon: Transacties, Koers, Kostelijke affaires, Kapitaal, Geld ist Krieg, Aanmaning.

De titel van de bundel is het tegenovergestelde van ‘welvaart’ namelijk ‘onwelvaart’. En ja je zal voor minder ‘onwel’ worden. De dichter fileert ons huidig bestel en de wereld waarin wij leven op een scherpe manier. Geld en menselijke waardigheid staan voortdurend tegenover elkaar. Hij dissecteert een wereld waarin alles op de weegschaal wordt gelegd en alles ten koste gaat van nog meer (geldelijke) gewin. Met zijn teksten stemt hij tot nadenken, hij houdt ons een spiegel voor waarvan we niet kunnen wegkijken.

De teksten zijn pamfletten. Als ze de omschrijving ‘poëzie’ zouden verdienen dan zou ik ze ‘pamflettaire poëzie’noemen. Het is wel duidelijk dat de schrijver met het presenteren van deze rekeningen wilde afrekenen door te revolteren tegen een maatschappij waarin hij zich niet (meer) herkent. Hij besluit de bundel met aanmaning:

Het is 2025 en ik heb nodig:
money and a room of my own.
Ik twijfel over nog een oorbel.

Ik twijfel over schrijven
tegen identiteit want niks
draait om jou en mij

als we niet eerst de banken
in brand steken en ophalen
wat al lang van ons was.



Onwelvaart, Steve Marreyt, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978 90 5655 212 1

(Frans A. Brocatus)

Kratermond


Zeitgeist! Kunnen we de tijd waarin we leven ten volle begrijpen? Kunnen we er dan nog daadwerkelijk in leven? Vragen die bij me opkwamen na lezing van Kratermond, de tweede bundel van Sara Eelen.

Dat zij zichzelf klimaatdichter en activist noemt en daarmee publicatie en lof oogst is alvast één kenmerk van ‘onze’ tijd.

Bij eerste lezing kwam de bundel mij enigszins vreemd voor, het is even wennen en oriënteren, maar talent is hier vanzelfsprekend aanwezig. Het is duidelijk dat Eelen zich een spreekbuis weet, voorstander van een nieuwe eco-spirituele samenleving, een ‘mondiale’ ethiek.

De natuur komt op de eerste plaats, de aarde zelf spreekt door haar ‘Kratermond’. Dat staat duidelijk te lezen in het inleidende gedicht anomalie (I) in de volgende fraaie verzen:

We zochten niet naar voetafdrukken
liever wetmatigheden die wegleiden van onszelf
hoe de havik neerdaalt
in dezelfde spiraal als de nautilusschelp.
We zoeken de navel, het doorgeknipte koord.


Een ander belangrijk kenmerk van haar poëzie valt af te leiden uit het volgende gedicht Glassnijder (dit blijkt een type libel te zijn).

Ik observeer je aan de rand. Wie van ons het dier
het stilstaand water, stukgebeten glas?


Hier spreekt de wens om te verdwijnen, in de plaats van objectiverende observatie komen empathie en osmose:

Bijt je vast in mijn hals, span mijn trillende bovenlip.
We vliegen in tandem langs een krimpend meer.


Wordt de voortplantingsstrategie van de libel (waarbij het vrouwtje dan toch beslist?) hier vergeleken met die van de mens? Hetzelfde thema komt ook terug in het gedicht Sepia:

Na de paring blijft het mannetje haar volgen
bang dat ze met een ander dezelfde vlucht voltrekt.


Waar de dichter het ook over heeft; een orka die treurt over haar dode jong, aangereden wild, geschonden landschappen, het leven van een foetus, alles wat zich afspeelt tussen man en vrouw, het gebeurt met een fanatieke gerichtheid grenzend aan versmelting. Het vrouwelijke, het grenzeloos moederlijke spreekt hier zo luid dat het deze (mannelijke) lezer soms iets te veel wordt… Een en ander kan leiden tot vergezochte associaties en een beeldende, naïeve typografie, bijvoorbeeld in Het waterbekken, cyclus waaruit ik graag deze mooie zin licht: Hoe wij altijd in beweging, in beweging altijd zijn.

Het vrouwelijke en bij uitbreiding de natuur wordt voorgesteld als het kwetsbare, het geofferde. Maar deze natuur heeft ook nog een ander gezicht, dat van de verslindende moeder, ook in psychologische zin! Ik heb de indruk dat het activistische element soms afbreuk doet aan het talent van de dichter, persoonlijk verkies ik de verzen die minder ‘programmatisch’ zijn.

In het laatste gedicht, meer verzoenend in toon, genaamd Anomalie (II) trof mij de volgende regel:

Waarom niet eens een man die zijn hoofd
in zijn hals legt als een zwaan?


Voortreffelijke gedachte die me brengt bij de Griekse mythe van Leda en de Zwaan. Zeus verleidt (middels transformatie) Leda door schoonheid. Heeft de dichter het zo bedoeld? Geen idee! Maar het gegeven dat schoonheid kan triomferen over ideologie vind ik ronduit prachtig.

En dus… blijf ik ten zeerste benieuwd naar een volgende bundel van Sara Eelen.


Kratermond, Sara Eelen, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam-Antwerpen, 2025, ISBN 978 902 148 8936

(Cel Vermeulen)

Gelukkig de mens....


Ton van ’t Hof is poëzieanimator, blogger (samen met Chretien Breukers startte hij de poëzieweblog De Contrabas op) en uitgever. Na zijn uitgeverij Stanza volgde in 2019 de reeks Gaia Chapbooks. Met zijn debuutbundel Je komt er wel bovenop (2007) verwierf hij bekendheid als flarfdichter. Flarf is een genre waarbij internetzoekresultaten verwerkt worden in of tot een gedicht. Je komt er wel bovenop was trouwens de allereerste Nederlandstalige flarfbundel. In 2009 hebben de belangrijkste Nederlandstalige flarfdichters zich als collectief georganiseerd en Flarf, een bloemlezing, uitgebracht.

Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt is de veertiende dichtbundel van Ton van ’t Hof.

Enig experiment was de dichter in vorige bundels niet vreemd, maar dit is vrij traditionele, keurig vormgegeven, uitgepuurde poëzie. De bundel bestaat uit drie cycli: Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt (16 gedichten), Op den duur moet je toch op iets uitkomen (4 gedichten) en Ik heb meer lief dan ik aankan (8 gedichten), telkens voorafgegaan door een tekening die verschillende stadia van een weg suggereert. Wie de tekenaar is wordt niet vermeld – de dichter zelf? Voor en na de cycli een citaat uit zijn dagboek: Ik wilde eerlijk zijn, gedroeg me als een woudezel en Nam een glas wijn, een imposant glas, als een kathedraal.

De dichter neemt de lezer mee op een reis, op zoek naar een nieuwe bestemming. De vraag is waar je terechtkomt/ in het leven. Ik liep verder, toch een tikje/ verontrust. Een mens is omgeven// door omstandigheden. Een geweldig/ karwei. Zo vaag en bewolkt je gedachten/ de diepte van je bestaan.

Zal een nieuwe liefde en/of een nieuwe omgeving ertoe leiden dat hij zijn bestemming bereikt heeft? Of het zijn definitieve bestemming zal zijn, daar heeft de lezer, en wellicht de dichter zelf het raden naar. Veel relativering, zowel over zichzelf als over het dichterschap:

Een middelmatige dichter/ herken je altijd daaraan/ dat alles klopt altijd.// Is het een introverter type/ en beschrijft hij zichzelf/ dan is het eveneens pure eerlijkheid// wat de stok slaat./ De geniale dichter daarentegen/ is vooral onbegrijpelijk.//Dit is een echt goed gedicht./Je wilt met het lezen ervan doorgaan.

Je mag ervan uitgaan/ dat tamelijk veel mensen/ bij het woord poëzie// aan iets duurs denken/ aan iets dat misschien niet eens/ bestaat.// Ieder mens heeft zo zijn eigen/ wereld. We slepen van alles en nog wat/ met ons mee. Taal die nuttig is/ om de werkelijkheid weer te geven.// En dat je net zo goed de ene/ als de andere kant op bewegen kunt.

In het laatste gedicht lezen we: Met welk woord bedoel/ ik iets anders. Wat niet wegneemt dat hij de lezer vanaf het eerste gedicht op sleeptouw weet te nemen.

Gelukkig de lezer die deze bundel ontdekt, al dan niet met een glas wijn erbij.


Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt, Ton van ’t Hof, Gaia Chapbooks, 2025, ISBN 978-1-326-30187-3. De bundel kan ook gratis worden gedownload op de website van Gaia Chapbooks (gaiachapbooks.com).

(Roger Nupie)