Aantekeningen bij een fijne bundel


Je hebt zo van die dichtbundels die je bezig blijven houden. Die je op je nachtkastje legt. En daarna op het stapeltje boeken naast je werktafel. Waarin je ook eens leest op je balkon. En op de tram. En iedere keer weer vind je het, terwijl je niet exact kunt benoemen waarom, een fijne bundel. Appelblauwzeegroen (bestaande uit de afdelingen Appelblauw, Zeegroen en Appelblauwzeegroen) van Herlinda Vekemans is er zo een. Omwille van de titel alleen al. Aanvankelijk dacht ik dat het een neologisme was, maar neen: in het Vlaams noem je ‘een onbestemde kleur’ appelblauwzeegroen. Ik ben het zelf ook, blijkens het titelgedicht, en u bent het ook: Mensen, zo wisten de dieren, / zijn appelblauwzeegroen, / een zee van gezichten en lichamen / maar vachtloos, hoornloos, schubbenloos, vleugelloos // verwarrend en onbestemd kleurloos. Herlinda Vekemans heeft ook oog voor wat er behalve mensen nog zoal leeft. Dat blijkt goed uit Laudato si’ (tevens de naam van een encycliek van paus Franciscus), waarin zij haarscherp waarneemt wat velen ontgaat. Een gele kwikstaart naast de Geldenaaksebaan, een sabelsprinkhaan op de remkabel van haar fiets, een ijsvogel aan de oevers van de Molenbeek of thuis een dikke kruisspin die haar web spant op het tuinpad tussen een heester en het huis: Ik haak haar struikhechtdraad achter de leuning van de tuintrap zodat haar net bijna intact blijft en de doorgang toch webvrij wordt. Ze begint elke dag opnieuw.

Ik vind het ontroerend hoe Vekemans land lopend en struikelend woorden als klankwater, afwezigheidsbelichaming en zijnshavenluchtsleutel in de handen geschept naar de zee wil laten brengen. Vekemans’ poëzie vloeit in deze bundel van land naar water, tussen dieren en mensen, van binnen naar buiten en tussen hemel en aarde. Steeds met oog voor details. Voor de goudhaver, ruige leeuwentand, aardbeiganzerik en gewone ereprijs (in veler ogen onkruid) die hun groen spreiden voor kevers en spinnetjes. Voor de luttele centimeters rots die de schaalhoren des nachts begraast. Voor Lobjes, krinkjes en glinsjes en ragjes, limpjes en nilsjes.

In deze bundel spelen het beste van het land en dat van de zee hoofdrollen. De vruchten van het land [….] / en de gulheid van de zee / sijpelden zo vanzelf de wijsheid in (uit Schelpenwit en wedeblauw) want een koning hield op een dag de woorden van zijn raadslieden voor bekeken, legde hen het zwijgen op en vatte post op het strand en liet het getij de woorden aandragen. (uit Zeem). Herlinda Vekemans laat haar lezers kijken als door een caleidoscoop, en trakteert hen op fijne opsommingen als die in Blauwboek, waarin ze 43 soorten blauw oplijst. Blauwzuur en Binding ogen met 2 strofen van respectievelijk 3 en 4 regels een beetje hetzelfde, maar qua vorm zijn de gedichten in de rest van de bundel quasi allemaal uniek. Stuk voor stuk zijn ze de moeite van het savoureren waard. Appelblauwzeegroen is een bundel voor fijnproevers, voor nauwluisteraars, voor scherpkijkers, voor zachtvoelers.


Appelblauwzeegroen, Herlinda Vekemans, Poëziecentrum, Gent, 2022, ISBN 9 789056 551902

(Bert Bevers)

Op de golflengte van leven en muziek


Twee fascinaties liggen aan de oorsprong van Marcel Vermeulens’ dichtbundel Golflengte: de taal en de muziek. Al op het College in Herentals waren de lessen Nederlands diegene die hem het meest boeiden. Hij begon in het collegeblad te publiceren. Later, in de jaren 80, was het literaire tijdschrift Deus ex Machina met de daarin publicerende Antwerpse en andere dichters van grote invloed op hem. Hij werd een vast medewerker en later ook redactielid van het blad.

De bundel Golflengte is uit vier cycli opgebouwd, waarin het thema muziek als een basso continuo in de achtergrond meeklinkt en waarin de dichter ook de vier seizoenen weerspiegeld ziet, beginnend bij de zomer en eindigend bij de lente. De twee buitenste cycli staan voor het lichtere genre, terwijl herfst en winter ook de meer donkere, dissonante en trage bewegingen weergeven.

Het motto aan het begin van de bundel zet de lezer meteen op het juiste been: CONTRAPUNT (muz.) de kunst om op een bestaande melodie een of meer andere melodieën te zetten die harmonisch samenklinken. (soc.) verzetshaard tegen heersende waardesystemen. (Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal)

Net als muziek, die in wezen abstract is, zijn de verzen van Cel Vermeulen abstract impressionistische aquarellen: in zachte, sfeervolle tonen gecomponeerd.

Muziek voor tijdreizigers

Wandel mee langs de oceaan van muziek
om te luisteren naar wat het tij blootlegt:
halfvergane avant-garde en barokke
brocanterie, kreten van de meeuw.

Hedendaagse ribbels en zeewaterplassen
de romantische school in kreeftengang
fossiele resten van futurisme en agitprop
schlager en rock talrijk als zandkorrels

De zeesterren, schelpen, preludes en polka’s
het is alles van U, de meerstemmige wereld
van koraal tot rap, het klotsen van water
tegen de golfbrekers van de tijd, de golflengte

van ontstaan en vergaan door zee en maan
nieuw voor Uw voeten neergelegd.


Ik zei het al, om deze poëzie te begrijpen, is het nuttig dat men de muziek in het achterhoofd houdt. Vooral ook wat muziek met het gemoed doet : het beroezende, extatische; het teder strelende of het gekwelde opzwepende. Je vindt het overal terug in de poëzie van Marcel Vermeulen. In elke cyclus van deze bundel weeft de dichter zijn contrapuntische melodieën op de ondergrond van het leven en de organische grond ervan.

Laten we, om dit te illustreren, liever de dichter zelf aan het woord :

De zomer nabij

We dorsten naar het verzamelen
in parken en domeinen om te luisteren
naar het tedere kabaal van trompet en sax
de regenbogen van strijkers
het dwingend betoog van bas en drums.

O zoals in roemruchte tijden van anarchie
applaus uitbrak voor merels in wit en zwart.
Hoogtij, het intoneren van zomerse dagen
het improviseren van gelijkgestemde zielen.

We schaarden ons rond de vleugel
verhieven ons hoog boven de stad
in het blauw van Chagall
het wit van katoenen wolken.

Beneden ons, staande ovaties van kathedralen
en torens, orgelpunten in de partituur.

Tot zowaar, voeten op de grond
de muziek stilhield en wij als herboren.


We kijken uit naar nieuwe uitgaven van Cel Vermeulen.


Golflengte, Cel Vermeulen, uitgave in eigen beheer, Antwerpen, 2022

(Marc Bruynseraede)

Met lege handen?


Een debuut in 2015, een derde bundel in 2021 en tussendoor ‘eventjes’ nog een dichtbundel, twee lijvige romans en een boekenweekessay. Je kunt van alles van Marieke Lucas Rijneveld zeggen, maar niet dat hij improductief is. Wat op zich al een geweldige prestatie is, wordt nog eens versterkt door de constante kwaliteit van het werk. Rijneveld is een fenomeen dat vooralsnog onvergelijkbaar is.

Zijn derde bundel, Komijnsplitsers, staat bijna letterlijk op barsten, zo vol van leven en zo bol van taal dat de bundel overvloeit van melk en honing.

Centraal in de bundel staat de onmogelijkheid om jezelf te zijn; er moet constant gevecht gevoerd worden tussen ruw zijn en lief doen (Geslachtelijke bepaling, pagina 45), tussen het meisje vergeten om de jongen te onthouden (Altijd dwarsliggen, pagina 74), tussen ‘over zwichten praten, terwijl je nog steeds bij de vijgen kunt’ (Plukhoogte, pagina 95).

Dat gevecht wordt in verschillende stijlen, vormen en dichtersstemmen gevoerd, waardoor Rijneveld alle registers bespeelt die tot zijn beschikking staan om het gendervraagstuk van de dichter aan de orde te stellen. Het al eerder aangehaalde gedicht Geslachtelijke bepaling begint met deze strofe:

Trok in plaats van een grijs vest een jongen aan. Zo vaak in de
slobberfase gezeten, dat er weinig postuur overbleef, ik kon voor
alles doorgaan.,


om verderop te concluderen:

Maar mensen hielden niet van grijze vesten. Ze zeiden: onder al die laagjes zit een meisje verscholen

De buitenwereld is niet in staat of niet genegen om de wens van de ‘ik’ te accepteren laat staan te omarmen:

In dit land met zijn handenhunker, met zijn
klapzoengemis, met zijn sloddervosachtige
vergetelheid, want wat weten we nog van
gisteren, wat weten we nog van beloftes


(Gewetenswroeging, bladzijde 99)

Rijneveld is buitengewoon getalenteerd; het lijkt of de woorden hem toevallen uit een waterval van beelden, associaties, vergelijkingen. Hem lijkt elke uitdaging te groeien tot een feest van woorden.

Dat daarin gevaar schuilt, moge helder zijn: in deze poëzie waart namelijk een woordmonster rond dat zich voedt met jargon uit de jeugd, gelardeerd met ongetwijfeld goedbedoelde wijze lessen over opgroeien, godvruchtigheid en lijdzaam ondergaan.

Ze zullen het je kwalijk nemen, deze jammerdaad.
Dit geklooi met het stof der aarde, met de rib terug in
Adams lichaam willen plaatsen, het verlangen
om Adam te wórden, de zondeval in je gewrichten.


(Uit een veelbekroond leven, bladzijde 40)

Soms steekt het monster de kop op om zijn huidige omgeving te aanschouwen, er commentaar op te leveren en vooral om zich niet in de eigen staart te bijten:

[...] En soms zullen we de schaafwonden op de
knokkels verzorgen, wij zijn niet van de slag leveren, wel van
overwinningen verwerven. Op deze plek doen we alleen aan
zingen, aan commandoliederen, met de huil hoog in onze kelen.


(Oorzaken van dwaling, bladzijde 41)

Maar bovenal toont deze bundel een kwetsbaar mens, die in alles probeert zichzelf te vinden en bang is om met lege handen te staan en zelfs niet te weten welke van haar is, welke van hem.


Komijnsplitsers, Marieke Lucas Rijneveld, Komijnsplitsers, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2022, ISBN 9789025471200

(Wim van Til)

Tifosi


Bij Uitgeverij C. de Vries-Brouwers verscheen Tifosi, een dichtbundel over wielrennen. Auteur is Guy van Hoof. Voor alle duidelijkheid: tifosi is Italiaans voor hevige en dolgedraaide wielersupporters.

Op de omslag prijken een print van popkunstenaar Bert Prins, een wervende tekst van Miel Vanstreels op de linkerflap en een foto van Guy van Hoof op de rechterflap. Wielergedichten van Guy van Hoof werden opgenomen in blogs en bloemlezingen. Het gedicht Tifosi werd uit steen gehouwen aan de Vesten in Geraardsbergen, belangrijke plaats voor de Ronde van Vlaanderen. De dichtbundel Tifosi bevat 32 flinke gedichten, voorafgegaan door een citaat van de Franse kunstschilder Fernand Léger: Le beau est partout. Een uitgebreid nawoord van Guy van Hoof sluit de bundel af.

Guy van Hoof werd met de wielersport geconfronteerd in zijn jeugd. Op enkele stappen van zijn huis, in de Leningstraat, woonde Stan Ockers. Van Hoof wijdt een volledig gedicht aan deze dappere renner, die jammer genoeg verongelukte in 1956 op de piste van het Antwerpse Sportpaleis. Niet alleen Stan Ockers wordt in Tifosi genoemd, ook Briek Schotte, Jean Brankart, Gaston Rebry, Philippe Gilbert, Thomas De Gendt (die van zichzelf zegde dat hij deed of hij een renner was)… ook illustere buitenlanders als bijvoorbeeld Fausto Coppi, Francesco Casagrande en Roger Lapébie passeren de revue.

Guy van Hoof toont aan dat wielrennen niet alleen spannend en roemrijk is, maar in de praktijk een harde en uitputtende sport. Renners moeten kunnen sterven op de fiets, gekromd, gebogen, een petje met Tour de France op het hoofd, met gegroefd gezicht zonder venijn/ of achterdocht recht door zee of de bocht… en volhouden tot aan de streep! Veel renners waren van eenvoudige komaf: boerenjongens of fabrieksarbeiders. Zij waren wat gewend: vroeg opstaan als anderen sliepen, zwoegen op het werk, niet luieren. En… Kasseien, onverharde bergwegen, slijk in je haar, regen in je nek en vingers die haast braken van kou… Coureur zijn is geen sport voor doetjes!

Er gebeuren ook regelmatig valpartijen: een massa fotografen/…gebogen over een hoopje renner,/ plat en uitgestrekt lijkt hij te liggen luisteren/ naar zijn eigen hartslag of een teken/ van zijn aards bestaan, geruchten die boven/ zijn lichaam zweven en zoemen,/ de een zijn dood is de ander zijn brood/ bloed kleurt zijn borst/… Renners hebben geen tijd om te genieten van de landschappen onderweg: coureurs hebben geen oog voor de rode wieken/ van een molen als decor, of plukjes bomen/ langs een erf. Hun wereld bestaat uit Smeltend asfalt, onbetrouwbare bochten/ en een hitte om kuddes ossen of stieren/ neurotisch te maken. Wielersport is ook een mythe: er zijn afspraken/ en deals, patrons die bepalen wie mag rijden/ of aanvalt, vlucht, maar liefst niet wint,/ regels die moeten worden nageleefd.

In zijn ongeëvenaard vloeiende stijl, met helder inzicht in de wielersport, een licht ironische duiding, aandacht voor de menselijke aspecten, heeft Guy van Hoof een prachtbundel samengesteld. Verplichte kost voor liefhebbers!


Tifosi, Guy van Hoof, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2021, ISBN 978-90-6174-121-3

(Nicole Van Overstraeten)

Kleine grimmige gedichten


Frank De Crits schrijft sinds 1961 en maakte van dan af naam als dichter. Sindsdien publiceerde hij een achttal dichtbundels, vertaalde Franstalige poëzie en schreef liedjesteksten voor onder anderen Johan Verminnen. Heel die tijd was hij bijzonder actief op de Brusselse poëziescène. Zo was hij actief betrokken bij de oprichting van Passa Porta en Het Beschrijf. Het zal dan ook niet verwonderen dat de stad Brussel in al haar aspecten een terugkomend thema is in zijn oeuvre.

Niet zo evenwel in zijn nieuwe bundel Kleine grimmige gedichten. Het onderwerp hier zijn doodgewone dingen, waarmee de mens dagelijks geconfronteerd wordt. Als thema niet nieuw en andere auteurs hebben hem dat voorgedaan. Ik denk bijvoorbeeld aan het in 2020 verschenen prozawerk Gevonden voorwerpen van Frans August Brocatus. De Crits doet het evenwel in dichtvorm. Hij selecteerde 43 items, zoals kous, mes, zakdoek, spiegel en dies meer. Rond elk van deze voorwerpen schrijft hij een kort gedicht van telkens twee strofen van elk 4 versregels. De eerste strofe is eerder beschrijvend, het tweede is becommentariërend vanuit persoonlijke observaties en gevoelens. Wat de gedichten daarbij zo aansprekend maakt is de directe confrontatie met het voorwerp vanaf het eerste woord. De voorwerpen worden personen, die ageren, soms een eigen wil hebben en de lezer meteen bij de keel grijpen. In die zin zijn ze inderdaad ‘grimmig’. Bijvoorbeeld het gedicht lepel

hij slurpt pletst duikt in de soep onder / van water met water en raap en een eenzaam / stukje vlees dat dobbert hij wijst / schraapt zand uit een dikke muur 

(pagina 12). Om dan in de tweede strofe de persoonlijke confrontatie aan te gaan 

ik zie ogen van vet hoop op een schuimspaan / ik schep ogen uit in een emmer vol / denk aan de oorlog van malaparte’s / verhaal een geschiedenis in de balkan.

De Crits hanteert hierbij een afgemeten, van alle ornament ontdane taal, geen hoofdletters en geen leestekens. De zegging is direct maar gelaagd en noopt de lezer tot een intensieve lezing. Helaas zijn de gedichten van een ongelijke kwaliteit en sommige ontsnappen niet aan de valkuil van het cliché, die de dichter als het ware zelf heeft gegraven: ...de nooit gerookte / sigaret in het café zonder bier (pagina 24), of (pagina 31) mijn vader sloeg nauwkeurig nagels / met koppen...Dan weer maakt De Crits er zich al te gemakkelijk van af en wordt het zelfs een tikkeltje banaal, zoals in het gedicht bijl: de bijl denkt altijd dat hij bomen moet / omhakken en hout klieven voor de open / haard...(pagina 46). Waarom de laatste strofe van het laatste gedicht tuinzetel plotseling 5 versregels bevat is daarbij een raadsel. Het doorbreekt de strakke compositorische structuur van de bundel en erger nog die laatste versregel voegt niets substantieels toe integendeel het gedicht zakt ermee door zijn titel. De diverse illustraties van Pieter Fannes, die ronduit simplistisch zijn, maken dat niet beter.
Dat is bijzonder jammer want het geeft de indruk van een dichter, die zichzelf overleeft en schrijft op ‘automatische piloot’ en dat is De Crits niet, integendeel hij is iemand die de taal kan kneden en naar zijn hand zetten en doorheen zijn oeuvre een eigen dichterlijke zegging heeft ontwikkeld. Wellicht had hij wat zelf-kritischer moeten zijn en sommige gedichten niet moeten opnemen in deze bundel. Het zou het geheel nog meer spankracht gegeven hebben en zonder twijfel meer grimmigheid.


Kleine grimmige gedichten, Frank De Crits, Fluxenberg, Gent, 2022, ISBN 978-94-6451912-9

(Richard Foqué)

Placebomens


Emma van Hooff (1997) is dichter en schrijver. In 2021 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool in de vakken poëzie en toneel. Ze publiceerde gedichten in diverse tijdschriften en ze betrad meermaals het podium. Placebomens is haar debuutbundel.
Placebo: pillen die eigenlijk geen werkzame stoffen bevatten, maar toch pijn verminderen. Veel mensen zullen dit fenomeen herkennen als het placebo-effect. De betekenis van het woord ‘placebo’ is letterlijk ‘Ik zal behagen’. En dit is ook precies wat placebo’s doen: ze verminderen je pijn of onbehagen.
Ze opent de bundel met een citaat van Monika Rinck uit Honigprotokolle vertaald door Miek Zwamborn: Maar kijk, het kwetsbare leven ’s morgens is toch niet niks! Geen verkeerd woord, opstaan, uit het raam kijken, hoe een schemerwereld van zwaailicht opklaart, daar! Een auroravlinder landt, siddert, explodeert.
Ze begint met een overdenking ‘of ik even op dat kruisje kan gaan staan’. Daarna volgen vier cycli gedichten: Oorzaak van mijn onrust (Pandora), Offerlam (Persephone), Wat een kwetsbaar mechanisme (Placebomens) en Zelfs een laatste adem is een adem die ergens leven in blaast (Prometheus).
Pandora, draagster van alle gaven, schenkster van alle gaven, albegaafde en Persephone, Griekse godin van de onderwereld en de lente, dochter van Zeus en Demeter, vrouw van Hades die haar op Sicilië schaakte en Prometheus, ‘hij die vooruit denkt’, in de Griekse mythologie was hij een Titaan. In de strijd tussen de Olympische goden en de Titanen stond Prometheus aan de kant van Zeus de oppergod. Hij verkoos daarmee intelligentie boven brute kracht. Deze drie illustere figuren omringen, omarmen, versmachten (?) de placebomens.
Soms kiest ze voor het gebruik van verzen, in andere gevallen zijn het lappen tekst die de bladzijden vullen. Ze gebruikt geen hoofdletters of interpunctie. Ze gunt de lezer geen of weinig adempauzes. De sterkste gedichten, mijns inziens, zijn de gedichten waarbij ze de keuze maakt om ze in te delen in verzen. De meest aansprekende cyclus is daarmee ook de laatste, Prometheus die intelligentie boven brute kracht verkiest.
Deze bundel opent voor mij een deur naar wat er komt. Ik ben er zeer benieuwd naar. Soms stelde ik mij de vraag om van deze gedichten een theatertekst te schrijven. Ja, dat zou nog eens wat zijn, toch?
Een prachtig fragment uit de slotcyclus:

alles is het hete nachtlicht geworden omdat het hete nachtlicht
zo lang standhoudt wil ik de koele kant opzoeken
maar de koele kant van dit bed houdt alleen stand zolang ik
er niet op lig dus blijf ik onder het witte laken
waarvan onzeker is of het een afstoting in stand houdt zoals we
nog steeds niet weten of de volle maan invloed heeft op dit slechte
slapen speculaties dat ons oerinstinct wil jagen de naalden in mijn buik
houden een adelaar in stand eruit erin eruit erin de adelaar
duwt vreemden bij me naar binnen maar ik ben helemaal geen oester
ik maak geen parelmoer aan in paniek



Placebomens, Emma van Hooff, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam, 2022, ISBN 978 90 254 7083 8

(Frans August Brocatus)


Weergaloze melancholie


In zijn twintigste bundel keert Hans Tentije terug op bekende gronden: Wijk aan Zee, Alkmaar, Praag, Italië. Maar vooral keert hij terug naar zijn herinneringen. Zoals het in poëzie gaat: woorden laten het verleden niet herleven, maar zij duiken op in het heden.
Meteen in het eerste gedicht bepaalt de dichter wat er van hem in deze bundel verwacht mag worden:

In gedachten volg ik de paden weer, voel hoe het grint
onder mijn spekzolen knerpt, de instelling –
is door een hoog ijzeren hek omsloten, de heftige wingerd
kleurt rood tot aan de raamkozijnen


De herinnering grijpt hem aan, maar het heden is hardvochtig:

en wat ooit gewoon lukte maar nu beslist niet meer:
me tussen de spijlen door te wringen


Het lukt Tentije zijn woorden zo te kiezen dat je als lezer onderdeel wordt van het gedicht; althans zo vergaat het mij, al sinds zijn vroegste werk. Het maakt hem tot een van mijn favoriete dichters.

Cafés, pleinen, basilieken, bruggen, boomgaarden, buitenwijken zijn bij uitstek plekken die de dichter verleiden, inspireren tot een gedicht. Herinneringen aan die plekken of projecties van herinneringen, het biedt de dichter elke keer weer een moment van terugkeer.

Tegelijkertijd dringt de vraag zich op waarom deze dichter in die vlucht naar de herinneringen een houvast zoekt. Of zoals hij dat zelf verwoordt:

het gaat harder waaien en intussen lijkt het net of ik
de grens, de rooilijn tussen eertijds en later, tussen verbeelding
en werkelijkheid heb overschreden, maar vanaf welke kant
weet ik niet


(slotstrofe van het gedicht Vanaf welke kant)

Het antwoord, een antwoord wordt gegeven in het laatste gedicht van deze bundel, De weg ernaartoe, waarin de dichter op weg gaat, zijn herinneringen toetst aan wat hij ziet en tot het besef komt, dat hij uit steeds meer herinneringen bestaat. Wat hem natuurlijk laat landen in het nu, om nieuwe herinneringen te maken. Voor straks, voor nieuwe gedichten wellicht.

Tussendoor volgt het ene kleinood het andere op in een stroom herinneringen, beelden en observaties die de melancholie voeden.

Mooier dan in het gedicht Wat ervan geworden is wordt de melancholie niet beschreven:

vandaag ben ik naar deze uithoek teruggekeerd
om te zien wat er geworden is van de plek die ik zo goed kende
maar ook omdat ik hoorde dat zij, met wie
ik een tijdlang wat gehad heb, in dit nieuwe deel
beland zou zijn
[…]
het begint te motregenen en op het dorre trapveldje ginds
is een lek geschoten bal blijven liggen

Het beeld van die lek geschoten bal is het summum van die ongelijke strijd om het verleden te behouden.
Hans Tentije is een meester in het combineren van observaties en ingehouden emotie waardoor een beeldrijk landschap ontstaat waarin de lezer volwaardig wordt meegenomen, meegezogen zelfs.
Het omslag van Peter Bes en de auteursfoto van Victor Schiferli klemmen deze bundel op een welhaast perfecte manier tot een weergaloos geheel. Wie nog niet gegrepen werd door zijn poëzie schaffe zich deze bundel rap aan!

Waarvandaan, Hans Tentije, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2022, ISBN 9789463361507

(Wim van Til)

Albert Hagenaars' pelgrimsgrond


Albert Hagenaars publiceerde eerder bij In De Knipscheer twee romans (Dood tij en Butijn, het boze oog) en de dichtbundels Intriges, Tropendrift/Tropical Drift en Bloedkrans.

Zijn jongste dichtbundel, Pelgrimsgrond, opent met het gedicht Orewoet (wat zoveel betekent als ‘vurigheid’, ‘geestelijke gloed’ en ‘extase’), waarin cursief regels van de 13de eeuwse mystica Hadewijch zijn verwerkt. In dezelfde cyclus, Te woord, komen nog andere dichters aan bod: Charles Baudelaire, T.S. Eliot, H. Marsman, Gerrit Achterberg (Genoegdoening: …Daar de dichter, hier haar dochter // bloedend in het kraakbeen van zijn klem), Jan Hanlo (All that jazz: …Te duister deze helle muziek, / die aanzuigt uit valleien van katoen en stof, / velden opensnijdt, versapt, bloed doet dorsten) en Paul Celan.

Kenmerkend voor de bundels van Hagenaars is steeds eenzelfde weloverwogen thematische indeling. Pelgrimsgrond bevat zeven cycli van telkens zeven gedichten, waar naast de voornoemde dichters ook beeldende kunstenaars, films, sacrale en bedevaartplaatsen, muziek en de liefde in de poëtische verf worden gezet.

Wat Joop Leibbrand in Meander opmerkte over de bundel Bloedkrans kunnen we hier alleen maar beamen: De grote gevarieerdheid aan onderwerpen en locaties maakt dat je je geen moment verveelt. En er is meer: Hagenaars lokt ons mee in een wereldje waar we al dan niet enigszins mee vertrouwd zijn en weet de nieuwgierigheid van de eerste tot de laatste letter te prikkelen.

Binnen elke cyclus is hij verrassend eclectisch: in Tussen de oren, waar de muziek hoogtij viert, komen zowel Erik Satie en de 18de eeuwse componist Giovanni Battista Pergolesi als Tsjaikovski en zangeres met de bezwerende contra-alt-stem Lisa Gerrard aan bod: Sacrifice: Hoor ontelbare stemmingen/ in mijn lage, nooit lege stem.

In Snijwerk, een cyclus waarin films hoogtij vieren, wordt onder meer de eindscène van Der Tod in Venedig bezongen. Een oudere man komt in Venetië in de ban van de schoonheid van de jongeling Tadzio. Uiteindelijk sterft hij op het strand, terwijl hij kijkt naar Tadzio. Dit schrijnend samengaan van prille schoonheid en verval, terwijl we het Adagietto uit Mahlers Vijfde Symfonie horen, wordt geëvoceerd in het prachtige gedicht Virus: (…) De stad schilfert en vlek van schoonheid. / Op het Lido, in de paviljoens en eetzalen, / kruisen blikken van oude ogen die van jonge. // Geen legt lavendel tussen de nog gladde lakens. // Niet te uiten woorden schuilen/ tussen jankende violen, ongehoord lange scènes / met gefilterd licht, beladen beeldspraak. (…)

Om het even welk gedicht uit de zeven cycli we ook lezen, Hagenaars blijft verwonderen en weet de lezer in zijn ban te houden.

Tot slot nog een fragment uit Hemelvaart (Jezus van Nazareth indachtig): (…) Hij zag de scheiding der wateren, / stromen vluchtelingen uit dit beloofde / land, de slachtingen na elke slag, // het krommen van de horizon en bleef / stijgen, tot in het meervoud van vader, // tot in het brekende licht // van wie meer twijfel zaait dan wie ook.

Hier hoeven we niet over te twijfelen: pelgrim-dichter Hagenaars heeft een ijzersterke bundel afgeleverd!


Pelgrimsgrond, Albert Hagenaars, In De Knipscheer, Haarlem, 2022, ISBN 978-94-93214-32-3

(Roger Nupie)


Een waardevolle dubbeluitgave


Ik maakte voor het eerst kennis met de naam en wat werk van Renaat Ramon ergens in de zeventiger jaren, via een boekje van Gerrit Jan de Rook over visuele poëzie. In dat genre is Ramon (˚ Brugge, 1936) immer actief, en een vooraanstaand maker gebleven. In de loop der jaren creëerde hij talrijke sterke ‘concrete gedichten’, waarin idee, inhoud en spitsvondige vormgeving hand in hand gaan. Het is een goede zaak dat Renaat Ramon, die ook beeldend kunstenaar is en van wie in de Vlaamse openbare ruimte heel wat monumentale sculpturen zijn te bewonderen, zijn visuele poëzie bijeenbracht in een kloeke uitgave: Borgtocht – Beeldwerk. Die vormt de helft van het overzicht van ’s mans publicaties want tegelijkertijd kwam ook Borgtocht – Woordwerk op de markt. Daardoor zijn zowat alle door Ramon gebundelde gedichten nu overzichtelijk in twee banden beschikbaar.

De eerste dichtbundels van Renaat Ramon zagen het licht in de poëziereeks van de Antwerpse Uitgeverij Contramine van Tony Rombouts, de meeste latere bij het Poëziecentrum. Borgtocht – Woordwerk biedt ook de uit de reeksen Roma, Metier (Er hangen geen gedichten in de wolken / - maar als het blauw vervliegt / vallen beelden uit de hemel als dauw.) en Gedagvaard bestaande nieuwe bundel Zwart zout.

Ik weet het: de gustibus non est disputandem, maar de popart - waartegen de visuele poëzie naar mijn smaak het meest aanleunt – is nooit echt mijn ‘stroming’ geweest. Meer dan bij Beeldwerk voel ik mij dan ook ‘thuis’ bij het Woordwerk.

Vaak inspireerden plaatsen Ramon. Baden-Baden, Keulen, Leningrad, Napels, Praag, Rome, Vichy. Zelfs Egem, het onooglijk gat waar Paul Snoek het leven liet. Met de hoofdstad van West-Vlaanderen, zijn geboortestad, lijkt hij een haat-liefdeverhouding te hebben (ik ben in een kleine, / dode stad / geboren. / ik heb er nooit / het levenslicht gezien. / ik heb er nooit / meer dan / tien levenden / samen gezien; / tien levenden / waarvan negen vreemdelingen / negen vreemdelingen / waaronder / ik.).

In Rebuten richt de dichter zich tot illustere grootheden als Archytas van Tarente, Demotrikos van Abdera en Ferekydes van Syros. Je moet je klassieken kennen of niet te beroerd zijn de encyclopedie (Waar hield Hypatia zich ook weer mee bezig?) en Bijbel (Hoe zat het precies met die Ohola en Oholiba?) bij de hand te houden, of Wikipedia op te gaan. Erg graag las ik ook de verzen die Ramon aan bevriende dichters opdroeg. Aan Hendrik Carette bijvoorbeeld (Nog ligt een vloek in onze handen, / nog garen wij gif onder de tong / en weten wij dat er ook in de hemel / woede heerst – woede en wrok), of aan Mark Insingel. Ook is er een hele resem in memoriams voor hem ontvallen collegae als Wilfried Adams (Hij zei nog: er zijn geen rozen / in het donker, geen rozen / in oktober, en hij verdween, plotsklaps / met een hink-stap-sprong.), Marc Braet, Jaak Frontier, Jan van der Hoeven, Ben Klein, Marcel van Maele en Paul de Wispelaere.

Met zijn sierlijk intellect brengt Ramon in zijn werk zowel de oudheid als recentere geschiedenis sprekend tot leven. Dit is een waardevolle dubbeluitgave van een aimabel dubbeltalent, boeken die het verdienen om regelmatig uit de kast gehaald te worden.


Borgtocht – Woordwerk / Borgtocht – Beeldwerk, Renaat Ramon, Poëziecentrum, Gent, 2021, ISBN 9 789056 551292 / 9 789056 551193

(Bert Bevers)

Nooit ongedocumenteerd een gedicht in


P.B. Kempe debuteert dan eindelijk na diverse uitgaven in eigen beheer en/of in beperkte oplage: Vergedichten is uitgegeven door een heuse (poëzie)uitgeverij en dat is het bewijs. Het maakt de poëzie van deze dichter niet anders, gelukkig maar.

In zijn gedichten geeft P.B. Kempe blijk van een gedegen kennis van het onderwerp dat hij beschrijft. Of het nu om geschiedenis, geografie of (beeldende) kunst gaat, de dichter verdiept zich in zijn onderwerp en boetseert er een gedicht uit.

Heiligerlee, waar legeraanvoerders bleven
in de slag van 1568, verstijfden
tot gedenkmassief in 1868


lees ik in het gedicht Eerst Napels zien en dan. Bij de 30-jarige herdenking van de Slag om Heiligerlee, die in onze geschiedenisboekjes uitgebreid genoemd wordt, werd een gedenkmonument onthuld ter ere van graaf Adolf die er het leven liet. In een uitgebreid Bijschrift vermeldt Kempe dat Heiligerlee, Napels en het verderop in het gedicht genoemde Tranendal buurtschappen zijn bij Winschoten.

Alles kan een aanleiding worden tot een gedicht, P.B. Kempe is een verwoed lezer, vorser naar feitjes die als het ware vragen om een gedicht. Neem bijvoorbeeld Malevic, 1935 tot heden, dat zijn ontstaan dankt aan het geven dat van hem na zijn teraardebestelling en diverse urnschennis elk spoor ontbreekt. Opgegaan in duisternis:

Aardappels groeien op een vierkant veld,
waar schoppenboer in zwarte aarde zweet:
het stoffelijk vonnis daar geveld
heeft van de wijdten geen benul, geen weet
van tarten, trouw en wat met voeten treedt

het duister als de oudste moordenaar
tot aartsvader van ieder woordenaar.


De dichter is zich bewust van zijn (zelfopgelegde) taak: te verwoorden wat in de tijd is blijven liggen of is weggemoffeld.


Ook in het gedicht De as van Pirandello is sprake van onrust voor er uiteindelijk rust optreedt:

Hem dolf zijn eiland zijn graf:
geboortig uit Caos, tot Cas weergekeerd
spleet donder de den waaronder zijn urn
geen rust vond – pas in de spleet
van de kraterwand, al eerder door donder bezocht
in Grieks-Romeinse tijd van overzee,
rust zijn as, na een laatste overschouderse blik
op het eeuwige worstelen,
op zijn Afrikaanse zee.


In de gedichten www.mijn.amerika en beaux arts, nieuwe wereld lijkt het of Kempe verslag doet van een Amerikareis en dat vermengt met weetjes en historische feiten. Het levert gedichten op die ondanks de persoonlijke voornaamwoorden welhaast objectieve observaties blijven. Slechts de onderwerpskeuze en de lading tussen de regels geven de gedichten hun meerwaarde.

Dit is het ultieme wapen van deze dichter: het (al te) persoonlijke uit de taal houden, de woorden hun werk laten doen in beelden die voldoende stemming moeten maken. De lezer krijgt de gedichten niet zomaar cadeau, maar wordt dwingend uitgenodigd deel te worden van het scheppingsproces van de dichter, tenminste toch door in ieder geval de toelichtingen te lezen die Kempe in zijn Bijschrift opneemt.


Vergedichten, P.B. Kempe, Uitgeverij Anderszins, De Waal, 2021, ISBN 9789492994288

(Wim van Til)



Twee holtes op een kussen


Sinds 1 februari 2022 is de 55-jarige Monique Bol de nieuwe stadsdichter van Hoogstraten. De derde, na Daan Janssens en Michiel Van Opstal. Uitgeverij C. de Vries- Brouwers (Antwerpen-Rotterdam) gaf in 2021 Monique Bols eerste dichtbundel uit: er liggen twee holtes op je kussen. De dichteres zorgde zelf voor een sobere omslagfoto, een zeelandschap met staketsel in bruine en grijze tinten. De auteursfoto op de rechterflap is van Dirk Celis. De tekst achteraan op de cover vermeldt dat Monique Bol een klimaatdichteres is. Samen met 175 Vlaamse dichters ijvert zij voor een betere wereld.

er liggen twee holtes op je kussen is een bundel van 59 gedichten, verspreid over 87 pagina’s, netjes ingedeeld in 6 cycli. Vooraf een soort inleidend gedicht, een hors-d’oeuvre, achteraan het eindgedicht de man de zee, 14 verzen lang, die ‘in stukjes’ worden geciteerd bij de aanvang van elke cyclus. De eerste drie verzen van de man de zee dienen tenslotte nog als ‘algemeen’ citaat bij de aanvang van de bundel. En dan vergeet ik nog de verzen bovenaan op bladzijde 6 te vermelden: voor wie beseft/ dat verlangen hand in hand gaat/ met een kille wind. Deze bundel heeft dus een ogenschijnlijk klassieke structuur, maar serveert een vijftal ‘tussendoortjes’.

Bij een eerste kennismaking met de gedichten in er liggen twee holtes op je kussen, vermoedt de lezer onmiddellijk dat de dichteres personages opvoert die een romantisch liefdesavontuur beleven. Een liefde die jammer genoeg verdampt naar het niets. Dit lijkt een banaal gegeven, maar de lezer zal absoluut gecharmeerd worden door de poëtische verbeelding, de humor en de taalgevoeligheid van de dichteres.

In de eerste cyclus beschrijft zij het begin van een verliefdheid: ik zag je bij de botsauto’s op de dijk. onze handen / haakten in elkaar, ik zoog je lach. we kusten/ in de rappe rups, je wilde meer/ ik acht aan iets leuks iets blauws… en: vannacht gaf je me een zoen / spelend kneep je in de muis/ van mijn hand. je grinnikte en je mond/ beroerde mijn verbaasde lippen/… het werd verschroeiend heet in mij/… De geliefden spreken blijkbaar een andere taal: zij lacht in kuiltjes, reikt hem wat sap/ een boterham. ze praat en praat, volhardt/ geduldig leert ze hem haar land/… ze theateren met taal en op een dag/ begrijpt hij haar zinnen/…. De plot vervloeit langzaam, gedicht na gedicht, vers na vers, naar afwijzing en afscheid. Want de geliefden, zegt de dichteres, wonen niet langer in dezelfde bubbel. Met nostalgie kijkt het vrouwelijke personage naar het verleden: hoe we samen smolten/ is lang geleden en de briefjes bij de lunch, / kaarsen om ons bed heen, het slome/… doezelen in bad, samen./ langzaam verdween alles in de afvoerpijp.

Monique Bol schrijft geen abstracte gedichten. In vloeiende verzen creëert zij een beeldrijke, sensuele en licht erotisch gekleurde werkelijkheid. Kortom: er liggen twee holtes op je kussen is een onweerstaanbaar debuut, heel vrouwelijk, met af en toe verrukkelijk romantische toetsen.


er liggen twee holtes op je kussen, Monique Bol, gedichten, C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2021, ISBN 978-90-6174-085-8

(Nicole Van Overstraeten)

Giorgio Baffo vertaald


De meer dan gedegen inleiding leert dat Giorgio Baffo een Italiaans dichter was, geboren in 1694 in de toen machtige stadstaat Venetië dat in die tijd ook wel het ‘bordeel van Europa’ werd genoemd. Alhoewel wettelijk verboden floreerde de prostitutie er in grote mate. Baffo was een absolute libertijn en een duidelijke amateur van de vleselijke geneugten in al zijn aspecten. Hij was bevriend met de vader van Casanova en overleed in 1768. Hij combineerde zijn functie als magistraat bij het hooggerechtshof met het schrijven van gedichten en liet een dichterlijk oeuvre na van ruim 1200 gedichten de meeste in de sonnetvorm. De thema’s zijn éénduidig: het gaat openlijk over seks, gelardeerd met een vlijmscherpe kritiek op de kerk en het lokale bestuur. Hij gebruikt daarbij het Venetiaanse dialect van die tijd, wat uiteraard het vertalen niet makkelijker maakt. Om begrijpelijke redenen ook werden zijn gedichten pas later gepubliceerd. Wel waren ze ‘onder de toonbank’ verkrijgbaar en droeg hij ze in besloten kring voor.

Met de uitgave Vertalersweelde brengt Mereie de Jong een selectie van Baffo’s gedichten voor de eerste maal in het Nederlands. Het interessante van deze uitgave is het feit dat telkens ook de oorspronkelijke tekst is weergegeven. Wie een beetje vertrouwd is met de Italiaanse taal zal meteen merken voor wat een gigantische opdracht de vertaalster stond. Niet alleen om het rijm, de vormvastheid en het metrum te bewaren, maar ook het melodieuze van de Italiaanse taal om te zetten naar het toch wel stroevere Nederlands samen met in onbruik geraakte en verouderde dialectwoorden. In die context heeft de Jong werkelijk een briljant huzarenstuk afgeleverd.

Inhoudelijk kunnen de gedichten zonder meer als pornografisch geduid worden. In geuren en kleuren, in alle details, wordt het neuken bezongen en geprezen. Van elk gedicht spat de erotiek en de liederlijkheid af. Uiteraard moet het geplaatst worden in zijn tijdskader. Van MeToo was nooit gehoord, de vrouw was onderdanig aan de man en moest hem ook gepast bevredigen. Nochtans blijkt uit de gedichten dat Baffo, alhoewel een macho pur sang, toch ook wist hoe hij een vrouw genot kon verschaffen. De clitoris was hem bijvoorbeeld niet vreemd: Ten hoogste kunnen ze, voor meer geneugt / ‘t is net als dansen zonder instrument, / elkaar beminnen met de kittelaar.

Dit vertaalproject werd aangevuld met 46 Nederlandstalige gedichten. Een dertiental dichters werden uitgenodigd om eveneens een aantal erotische gedichten te schrijven als hommage aan Baffo. Het is een moedige poging maar helaas blijft het daarbij. Op een paar uitzonderingen na halen ze nauwelijks het niveau van de meester en ontstijgen ze zelden het niveau van wat platvloers geschrijf. Het komt merendeel gekunsteld en geforceerd over. De drie sonnetten van Piet Gerbrandy zijn daarbij een uitzondering: Hoofs immanent en wit en hoogst reëel / bevrijd jij dooraderde uiers uit hun wade / die staan en vallen met je ongenadigst / dansen op deze dorstige vulkaan.

Deze bundel is zo bijzonder in zijn thematiek dat niet elke lezer hem zal smaken. Wat deze uitgave wel erg interessant maakt is niet alleen de inkijk die het geeft in de zeden van toen maar ook het essay van de vertaalster ter inleiding en het nawoord. Ze gaat er omstandig in op de gevolgde vertaalmethodiek. Het is een verhelderend betoog, zeer aan te bevelen.

Vertalersweelde – Giorgio Baffo in de handen van…., inleiding en nawoord Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2021, ISBN 978 90 830230 9 0

(Richard Foqué)


De verbeelding beschut


Al de Boeck, in een vorig leven programmamaker bij de VRT, debuteerde als dichter in de jaren ’60. In 2019 gaf hij een verzamelbundel met eigen werk uit, De kwetsbaarheid van een vermoeden. Met De verbeelding beschut, in 2021 gepubliceerd door Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, is hij aan zijn allernieuwste bundel toe. Op de voorzijde van de omslag prijkt een eigen illustratie, op de linkerflap een blurbtekstje van Marc Bruynseraede. De rechterflap toont een foto van de dichter, plus een summiere biografische notitie.

De verbeelding beschut bevat 55 gedichten, niet ingedeeld in klassieke cycli. Origineel is de ‘tweede titel’ op pagina 5: Wij, We, Zij, Ze, Hij en Ik. Persoonlijke voornaamwoorden, die afwisselend in de bundel bovenaan op rechter- of linkerpagina’s worden herhaald en blijkbaar een soort thematische ordening van de gedichtenreeksen suggereren. Op pagina 50 echter noteert hij op de linkerpagina rechtsboven het woord Nomaden, met hoofdletter, op dezelfde ‘lijn’ als de titel van het gedicht Het verst.

In zijn bloemlezing De kwetsbaarheid van een vermoeden gaf Al de Boeck aan dat zijn thematiek steeds dezelfde blijft, maar telkens breder en dieper is uitgewerkt. Een nauwkeurige inspectie van De verbeelding beschut toont dat de we-sectie (zonder hoofdletter) het grootst aantal pagina’s (30) telt. De sectie ze (5 gedichten) wordt onmiddellijk gevolgd door de sectie hij (3 gedichten) en ik (5 gedichten). Daarna wisselen de woordjes bovenaan de pagina’s mekaar speels af, het is aan de oplettende lezer om de gedichten in de juiste context te plaatsen.

we bevat gedichten die de intimiteit in een liefdesrelatie centraal stellen. In deze reeks schijft de auteur verzen met sensuele toetsen. Zijn gedichten zijn geen longreads met lyrische uitweidingen, het tekstmateriaal beslaat meestal niet eens de helft van de pagina’s. Al de Boeck wil, ondanks enige tekenen van bindingsangst, de liefde tegelijk romantisch én rationeel benaderen. In het gedicht Misverstanden volgt na romantische momenten het volle besef van de vluchtigheid en fragiliteit van de liefde:

Karmijnrode lippen, roze wangen, handvolle borsten./… De bestudeerde gelaatsuitdrukkingen./ Die vochtige blik alsof ze iemand heeft bemind./ Klaar voor misverstanden, als wijn en nacht samenvallen.

Al de Boeck verlaat deze thematiek vanaf de tussentitel Nomaden. Hij wijdt enige treffende gedichten aan vluchtelingen, maar schakelt dan weer over naar het ik en de sectie hij. In deze gedichten speelt hij met abstracte begrippen als zekerheden, nuances, inkeer en verlangen. In een van zijn laatste gedichten zegt Al de Boeck:

Denken is veronderstellen op/ met verbeelding berustende hypotheses/ Om erachter te komen wat het evenwicht is/ tussen gemotiveerde hoogmoed/ en onzin aan de verkeerde kant van de vergelijking.

De verbeelding beschut van Al de Boeck is een waardevolle bundel, die vraagt om gelezen en herlezen te worden. De gedichten dagen uit om na te denken over standpunten, ideeën en attitudes. Ogenschijnlijk schuwt de dichter romantische en lyrische ontboezemingen, maar hij is ook beducht voor te diepzinnige wijsheden. Met een gezonde dosis nuance, eigenwaarde en humor slaagt hij erin zichzelf en de wereld perfect te relativeren.


De verbeelding beschut, Al de Boeck, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2021, ISBN 780 90- 6174-106-0

(Nicole Van Overstraeten)

Dat die rest gemis is


Het werd tijd
is de derde bundel van Eddy D’Haenens. Met wat ironie kan worden vastgesteld dat het inderdaad tijd werd voor een nieuwe verzameling: zijn laatste publicatie dateerde van 1998. Maar die tussentijd blijkt geen verloren tijd. D’Haenens levert exemplarisch werk! Hij groeide uit tot een volwaardig dichter. Voor wie van etiketten houdt kan je deze bundel omschrijven als ‘bekentenispoëzie’, evenwel zonder daarbij in de valkuil van een narcistisch egocentrisme, zelfbeklag of meligheid te vallen.

In het openingsgedicht Geboortegrond, waarin allerlei betekenissen uitwaaieren, meen ik het opzet van de bundel te onderkennen. De dichter duwt tegen de tijd aan en wil terug naar het kleinste deel(…) van de eerste seconde. Hij betracht wat in wezen elke dichter wil en waar poëzie op zoek naar is. Herinneringen staan centraal in wat we verder zullen lezen. De tijd en het gedicht fungeren zowel als geboortegrond en als memoriaal. De voedingsbodem, zoals uit de drie volgende cycli zal blijken, is de liefde: die voor een moeder, voor de vrouw, voor een dochter.

In de cyclus Moeder wordt in het eerste gedicht het prenatale geëvoceerd. Het letterlijk te nemen allerprilste begin dat zich levenslang als een blijvend verlangen naar terugkeer zal vertalen.

De moederfiguur wordt geportretteerd in haar verschillende levensfasen: een zorgzame, vrijgevochten vrouw. Haar rebelse aard gaf weleens blijk van muiterij van het verlangen. Totdat Alzheimer haar velt. Het lijkt wel of haar dood de dichter als een aanslag op zijn eigen leven heeft ervaren. Al liet ze hem hiermee opnieuw aan de liefde beginnen.

De cyclus Vrouw is complexer, minder rechtlijnig en reikt verder dan louter bekentenislyriek. Deze cyclus is de kern en de sleutel van de bundel. De reeks valt in twee delen uit: Praeterium (verleden tijd) en Nunc tempus (nu is het moment).

De fascinatie van de dichter voor de vrouw is hier primordiaal. Je verwacht liefdesgedichten en die staan er ook. Maar het is vooral de opduikende contour van een gekwelde romanticus die me is opgevallen. Wat in de vrouw wordt gezocht, wat tot blijvend verlangen drijft is duidelijk: Omdat zij alle seizoenen is/ en van de dag het eerste licht. Een idealisering en fantoombeeld van de vrouw die fataal naar ontnuchtering en gemis moeten leiden: er is te veel verlangen om het tot vervulling te brengen. Het wordt tot een bliksem en zijn litteken. De balans klinkt als volgt: Dat was rest, rest is/dat die rest gemis is. Liefde: enerzijds Dood die leven laat en anderzijds Dit leven ga ik nog niet dood. Liefde blijkt demonisch en is niet te bezweren. De Vrouw als lacaniaans petit objet a. Het doet zich doorheen de bundel als weemoedigheid voor.

In de derde cyclus Dochter is de stem van een vader te horen. Hij bezingt het plukvers meisje bij wie de dichter nooit geluk zo dichtbij heeft geweten. Maar we krijgen geen integrale gelukspoëzie te lezen. Ook de soms radeloos makende moeilijkheden bij het opgroeien worden met schroom geëvoceerd. Maar het kwam terecht: anders dan/de norm der meerderheid, ze is geen massadier. Godsgeschenk of Helleveeg lezen we: En toch en toch en nog, / voor jou geen maar,/voor jou: / alleen maar meer.


Het werd tijd - gedichten over een moeder, vrouw en dochter, Eddy D’haenens, Mammoe, Uitgeverij EPO, Berchem, 2022, ISBN 978 94 6267 360-1

(Alain Delmotte)

Mijn leven mijn liefde mijn gevecht


Astrid H. Roemer neemt in de Nederlandstalige literatuur een aparte positie in. Van meet af aan werkt zij haar thematiek uit met eigen inkt. Centraal daarin staat de dekolonisering met alle aspecten die daar bij horen: verlies van en zoeken naar de eigen identiteit, ontluikend en groeiend besef van haar plaats in haar wereld, de groei van haar persoonlijkheid en de maatschappelijke positie die zij daarbij inneemt. Naast de bekendere thema’s zoals liefde, verlangen en gemis.
In een van haar eerste gedichten verwoordt zij dat zo:

mijn tranen / mijn glimlach / mijn ziel / laat ik voor je achter / ik ga strijden // je mata prapi / mijn apinti / mijn lendendoek/ bewaar ze goed / ik ga strijden // kook geen kasaba-brafu / geen drank van kumbu / geen kokori van awara // gebruik die kalebas / niet / ik ga strijden // wacht // was me met / witte jasmijnen / waar de rode fajalobi zucht / die aarde zal kleuren / en geuren van / bloed en bloemen // ik ga strijden

Koos van den Kerkhof heeft deze bloemlezing, Ik ga strijden moeder, samengesteld, de keuze ervan verantwoord en het geheel van een inleiding voorzien die vooral getuigt van zijn bewondering voor (de poëzie van) Astridh Roemer.
“Het poëtisch oeuvre van Astrid H. Roemer is niet groot, maar wel spannend, interessant, actueel en provocerend en gelukkig niet in een hokje te stoppen.”, stelt Van den Kerkhof in zijn verantwoording.

Uit 50 jaar poëzie heeft hij kunnen putten, vanaf haar debuut in 1970 tot aan de publicatie van Tot nader in De Gids (6/2020). Daarbij heeft hij vooral met ruime hand geplukt uit de bundels Noordzeeblues (1985) en haar jongste, Afnemend (2012)

Koos heeft mooie, treffende gedichten gekozen, soms strijdvaardig, soms innemend sensueel. En steeds klinkt in haar werk die echo om rechtvaardigheid, om gerechtigheid, een stem die niet ophoudt te zoeken naar woorden die de uiteindelijke bevrijding bewerkstelligen.

Astridh Roemer is voor haar oeuvre in 2021 bekroond met de Prijs der Nederlandse Letteren, en dat is niet zomaar gebeurd. Haar activistische houding ten opzichte van de Surinaamse politieke leiders heeft nog wel consequenties gehad voor de officiële uitreiking. Het maakt duidelijk dat ook beleidsmakers en andere politici zich beter zouden moeten verdiepen in haar werk, waarin Astridh Roemer oproept tot een duidelijke stem die het lange wachten op die gerechtigheid verwerkelijkt.

Hoop // Hoe heet het wachten / dat niet wordt beëindigd. // Het wachten dat ophoudt omdat die / wacht door de dood wordt overvallen. // Is er een naam voor onvervuld / wachten. // Een wachten vergelijkbaar met / bloeiende rozenstruiken waarvan niet één / roos wordt geplukt door een gretige / hand. // Een oceaan die onophoudelijk golft en / geen strand voelt. / Vergelijk het met een albatros die na / jaren in de wind geen hooggebergte / vindt om te landen. // Er moet een naam worden gevonden voor / het wachten dat zich verzamelt / in mij tot wanhoop / en instort / en niets achterlaat dan een plek / waar het is gebeurd met / dat opgestapelde wachten op jou.

Voor wie nog niet bekend is met de poëzie van Astridh Roemer is deze bloemlezing beslist een aanrader.


Ik ga strijden moeder, Astrid Roemer, In de Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 9 78 9065 551259

(Wim van Til)

Het verborgen volk


In zijn nieuwste publicatie Het verborgen Volk – contact met niet-menselijke intelligenties, zet Ludo Noens zijn ontdekkingstocht in de grenszone tussen ‘werkelijkheid’ en ‘verbeelding’ verder. Dit is een leesboek (368 bladzijden, met 14 bladzijden referenties en 10 bladzijden index) bestaande uit twaalf hoofdstukken die rond hetzelfde thema draaien, maar afzonderlijk kunnen worden gelezen. Centraal staat de vraag naar het bestaan van een parallelle realiteit, en de glimp die gewone stervelingen soms van deze andere wereld kunnen opvangen. In onze tijd van rationalisering van mens en kennis worden getuigenissen over elfen, geesten, djinns, UFO-aliens en aanverwant ijl volk steevast naar het rijk der ‘verbeelding’ verwezen; Noens waarschuwt voor al te voorbarige conclusies die dergelijke verklaringen meteen als ‘fantasie’ of ‘folklore’ afwimpelen.

Testimonia uit alle tijden en windstreken klinken afhankelijk van hun religieus-culturele context telkens ietwat anders, maar circuleren tot vandaag verder. Als voorbeeld: de Machine Elve die op de kaft van Noens’ boek prijkt, is een zogenaamd DMT-wezen, met wie gebruikers van de psychedelische alkaloïde dimethyltryptamine in contact kunnen treden. Een aantal hedendaagse academische psycho-farmacologen nemen de vaak eensluidende verklaringen over zulke ontmoetingen met  niet-menselijke intelligenties tijdens een DMT-trip wel degelijk in ernst. Die stemmen trouwens verrassend overeen met wat bijvoorbeeld de Ashaninka indianen uit Peru getuigen over de Maninkari, de kleine onzichtbare ‘bezielers’ van planten en dieren, wier pad zíj dan weer kruisen tijdens een hallucinogene ayahuasca-trip.

Het Verborgen Volk is een erudiet boek, waarin de eerste vier hoofdstukken een aantal historische geschriften over het bestaan van dergelijke ‘verborgen’ intelligenties onder de loep neemt. Zoals de verhandelingen van de arts-alchemist Paracelsus, de  manifesten van de Rozenkruisers, de  getuigenissen van William Blake (die een elfenbegrafenis bijwoonde!), de Britse predikant Joseph Glanvill (poltergeist), de Schotse predikant Robert Kirk (geloof in natuurgeesten) en de Zweedse  theoloog, aanvankelijk lid van de Zweedse Academie voor Wetenschappen maar later mysticus Emanuel Swedenborg (persoonlijk contact met spirituele entiteiten en het leven in het hiernamaals) . Volgen dan getuigenissen uit recenter tijden, zoals de contacten met en ontvoeringen door UFO-aliens, het Franse COMETA rapport over de conclusies van Westerse defensiespecialisten over UFO-waarnemingen, en over Nazi-experimenten rond ‘Wonderwapens’ zoals de zogenaamde Vliegende Klok. Het laatste, zeer interessante concluderende hoofdstuk bespreekt het Scole Report, een verbluffend verslag van 300 bladzijden over fysisch mediumschap, gepubliceerd in 1999 door het vakblad van de Society for Psychical Research (SPR). Het rapport beschrijft hoe tijdens de sessies mysterieuze lichtbolletjes met hoge snelheid door het verduisterde vertrek vlogen en hoe contact kon worden gelegd met entiteiten uit een andere dimensie, het zogenaamde Spirit Team, geesten van overleden wetenschappers en intellectuelen uit het SPR-milieu van rond eind negentiende eeuw… Om ten slotte  opnieuw tot de kernvraag van het boek te komen: ‘Is er daarbuiten werkelijk nog iets anders?’ Aan de lezer om zich te laten overtuigen.

Het Verborgen Volk. Contact met niet-menselijke intelligenties, Ludo Noens, Uitgeverij Aspekt. Soesterberg, Nederland, 2022, ISBN 9 789464 624694

(Huguette Sirkens)

Elkaar verslinden


De derde bundel van Joris Miedema, De oneindige oester, bestaat uit dezelfde ingrediënten als zijn vorige. Maar heviger, dwingender, rauwer. Deze poëzie zingt niet. Ze klinkt anti-lyrisch. Het is anti-poëzie (in de zin die de Chileense dichter Nicanor Parra er ooit aan gaf): het laconiek prozaïsche krast aan alle kanten en doet het gedicht van zich afbijten. Er is van alles mis met de wereld wordt er vastgesteld en daarom rukt deze poëzie met haar gekartelde taal het masker van de werkelijkheid af en zet die werkelijkheid op losse schroeven. Ze laat er ons de beestachtige kanten van zien. Poëzie zonder aankoeklaag zoals Miedema schrijft in Herintredestraject. Of in Witte urn: ga toch eens weg met die poëzie. We krijgen gedichten vol genadeloze, darwiniaanse struggle for life en survival of the fittest aangeboden. In deze teksten verhouden mensen zich vaak vijandig of onverschillig tegenover elkaar. In het gedicht Roots staat het er zwart of wit: In de natuur zouden we elkaar verslinden. Dit leidt consequent in een paar gedichten tot kannibalisme en foltering.

Beestachtig: want meer dan ooit duiken allerlei dieren in deze gedichten op. Ik zal ze niet opsommen. Maar het gaat van een aalscholver met hazenlip tot een blauwe kip met acht groene ogen. Er wordt op een hamster gekauwd en een dode reiger (die een ‘blauwgrijger’ wordt genoemd) wordt bij de kont opengesneden: mij immoreel noemen ging te ver/een dierenbeul/was tot daar aan toe. Dingen, dieren en mensen (en hun psyche) zijn vaak onderhevig aan verminking en metamorfoses. Fysieke kwellingen zijn niet van de lucht. Het lichaam als verschrikking: zombieziektes, infarcten, openvliegende borstkassen, ontploffende hoofden, aanrijdingen, shocktoestanden, een jongen die uiteen valt in duizend umpie, armen vervagen, ogen die elkaar negeren.... U leest het wel.

De werkelijkheid biedt dus niet langer vaste grond. Er is gewoon geen vaste grond. Mensen vallen door oneindige lucht/weten de grond/ook in zichzelf/ niet te bereiken/omdat deze er/nooit is geweest (in het gedicht Oneindige lucht). Er is blijkbaar enkel vervreemding, wreedheid, verzieking, dood. Het ‘ik’ in deze teksten wordt in een isolement teruggedrongen. Het perspectief raakt verloren zoals dit gebeurt in het openingsgedicht ergens zag ik dat de verte begon terug te rollen. Een dystopisch wereldbeeld lijkt me.

In deze dwarse, penibele poëzie verloopt niet alles even serieus: ze lokt een groene, grimmige lach uit. Onweerstaanbaar grappig vond ik John en zijn 44 armen. Het kannibalistische gedicht Beste dagboek van Wilco vond ik in al zijn morbiditeit ronduit hilarisch. De zwarte humor (waarin negativiteit de hoofdrol speelt) zet lezers een hak: zij lopen het risico er zich ongemakkelijk bij te voelen.

Daarom is dit een uitdagende poëzie. Er zijn wel meer dichters die hun poëzie vrijblijvend de richting van het absurdisme en het groteske duwen. Maar bij Miedema liggen de (taal)intensiteit en geloofwaardigheid stukken hoger. Trouwens zo absurd is het ook weer niet: het is de existentiële pijn van het niet-begrijpen - niet weten waar je als individu aan toe bent. Tenminste zo las ik het en ik las gedichten doordesemd met een onuitgesproken beklemming. Wat aangrijpende en verscheurende poëzie oplevert.

De oneindige oester, Joris Miedema, Uitgeverij Opwenteling, Eindhoven, 2022, ISBN 978 90 6338 173 8

(Alain Delmotte)

De laatste dag van oktober


Sinds ze al van haar dertiende verhaaltjes begon te schrijven is Christina Guirlande niet meer weg te denken uit de Nederlandstalige literatuur. Ze is niet alleen een gewaardeerd auteur van poëzie, jeugdromans en kinderboeken maar ook is ze een vertaler en heeft ze eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de promotie van die literatuur als jarenlang lid van de Adviescommissie voor de Letterkunde en de Vereniging van Kunstenaars voor de Jeugd. Bekroond met ontelbare prijzen is ze sinds 2021 opgenomen als lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

De laatste dag van oktober is haar eerste roman. Het moet wel zo ongeveer het 65ste werk zijn in haar indrukwekkend oeuvre. Het verhaal speelt zich af in het Scheldeland, de streek waar Christina Guirlande zelf opgroeide. Het omspant een groot deel van de vorige eeuw met haar twee oorlogen en beschrijft met een warme fijngevoeligheid het leven van Nena. Een kind geboren net voor het uitbreken van de Grote Oorlog, dat opgroeit in de armtierige beluiken van toen, in de schaduw van ‘het kasteel’ en ‘de brouwerij’. Voor de lezer, die vertrouwd is met de streek zal dit verhaal heel herkenbaar zijn. Vanaf het begin word je meegezogen in het wedervaren van Nena, die zich een weg zoekt naar volwassenheid en die voor zichzelf een zinvolle plaats tracht te vinden binnen die gesloten dorpse driehoek van paupers, middenstanders en de heren van het kasteel, waar spanningen en oude vetes onderhuids sluimeren. Dat alles achter de dijken van de Schelde met haar eigen wetten, die de auteur als een dramatis persona mee het lot laat bepalen van de personages en de gebeurtenissen stuurt.

Christina Guirlande doet dat met een scherp observerend vermogen en een ontroerende inleving. Ze doet dat in alle eenvoud maar op zo een indringende wijze dat je vanaf de eerste bladzijde wordt meegetrokken in het verhaal. Je ruikt de weeë geur van de fermenterende mout, je voelt het slik zuigen aan je laarzen, de wanhoop en berusting ook bij een overstroming, je hoort het roepen en tieren maar ook de samenhorigheid en de solidariteit. Je voelt mee met de wisselende gemoedstoestanden van Nena, haar soms onmogelijke keuzes, die ze moet maken, haar wegzinken in waanbeelden. Je leest op elke bladzijde de nauwe betrokkenheid van Christina Guirlande zelf bij het verhaal en ongetwijfeld ook haar vertrouwdheid en eigen ervaring met de streek, waarin ook zij opgroeide en nog steeds woont.

De laatste dag van oktober is geschreven door een auteur, die de Nederlandse taal beheerst in al haar facetten, rijk, ingetogen zonder stilistische hyperbolen maar o zo beeldrijk en gevat, duidelijk de dichter in Guirlande verradend.

De personages komen als het ware naar je toe als mensen van vlees en bloed. Af en toe doen ze denken aan karakters in de romans van Gerard Walschap, die zelf over zijn werk schreef: Een roman is een verhaal, dat wil zeggen een opeenvolging van gebeurtenissen, waarin een zin ligt en waarin een knoop wordt gelegd, die op het einde wordt ontward. Het kan niet beter worden gezegd over Christina Guirlandes eerste roman De laatste dag van oktober.


De laatste dag van oktober, Christina Guirlande, 2021, Uitgeverij Het Punt, Dendermonde, 2021, ISBN 978-94-607958-55

(Richard Foqué)

Wie wil weten zal verdwalen


Wat is er van de nacht?
, de nieuwe bundel van Richard Foqué, is een merkwaardige uitgave, niet alleen vanwege het ongewone formaat maar vooral vanwege de poëtische opzet. De bijhorende ‘illuminaties’ van kunstenares Els Vos bezorgen de gedichten een transparantie die ze in de kern niet hebben: de beelden verzachten wel de lectuur. De bundel biedt een geheel van met elkaar verweven gedichten, waarbij elk gedicht toch autonoom staat. Een dertigtal teksten beslaan 542 genummerde versregels. Niettemin ontstaat er vanaf vers 304 een breukvlak en/of keerpunt waaruit toch een tweedeling blijkt.

De gedichten verwoorden een archetypische doortocht doorheen een nacht waaruit geen uitweg is - zoals blijkt uit het vaak terugkerende vers (dat als een soort mantra klinkt) Het is vluchten. / Het is blijven. Het mythische, het historische, het symbolische, het ritueel-religieuze (onder meer verwijzingen naar de Bijbel en het boek Apocalyps), het cultuur-historische en het intertekstuele literaire worden geëvoceerd. De noten achteraan helpen de lezer daarbij. Opvallend is dat er niet alleen aan de westerse cultuur wordt gerefereerd: een universele betrachting wordt uitgesproken. We lezen een stevig onderbouwd en gelaagd tekstgeheel, wat de interpretatie open houdt. Veel wordt in de handen van de lezer gelegd.

De onderliggende thematiek, zoals vaak bij Foqué, is prangend existentieel. In het gedicht kristalliseren en synthetiseren zich de thematische gegevens die we in vorig werk van Foqué al onderkenden.

De toon is bezwerend en zelfs bedreigend. De doortocht is er een langsheen metaforische en desolate landschappen of hij neemt de vorm aan van een zeevaart die langs verlaten eilanden van later leidt. Een wereld waar alle getijden zijn losgeslagen en waar er enkel plaats is voor onzekerheid: Want alles is overal / niet zeker van bestaan.

We zijn reizigers, passanten in het bestaan. Er is geen houvast en er is geen weten mogelijk: wie wil weten zal verdwalen. De doortocht volgt een reisroute die in wezen een schijnbeweging is, een impasse, een grote mise-en-scène/ van het absolute niets. Een dwaaltocht die leidt tot een grens die een nulpunt is, die een blinde en illusieloze nacht voorstelt en die als enige waarheid fungeert – al valt die waarheid niet te bewijzen, al wordt die waarheid voortdurend door valse idealen door profeten van zelfverzonnen goden, / kakelende sjamanen belegerd.

Het eerste deel brengt een reiziger in beeld. In het tweede deel wordt de reiziger expliciet aangesproken en komt hij aan het woord. Het historische krijgt hier de meeste ruimte: concreet komen de oorlogen van vorige eeuw ter sprake.

Het gedicht eindigt met de volgende regels Het is reddeloos. / Het is redeloos. / Het is de nacht. Het klinkt wanhopig en somber. Maar defaitistisch is deze dichter niet! De reiziger wordt aangemaand: Sta dan reiziger / waar duister licht wordt / licht duister – Sta, waar de zon de aarde raakt /verbrand niet. Hij krijgt een (dichterlijk) vademecum aangeboden: Gooi de dobbelsteen / door het donkerste licht. Steel het verleden, / verraad de toekomst, /(…)/ zo worden woorden wapens / tussen de lippen van de blinde. Krijgen we hier een antwoord op de vraag Wat is er van de nacht?.

Nee, het is veeleer een wederwoord waarmee de vraag (maar niet de nacht) wordt opgeheven.

Wat is er van de nacht?, poëzie Richard Foqué, grafisch werk Els Vos, Uitgeverij P, Leuven, 2021 ISBN 978 94 9338 62 9

(Alain Delmotte)

Samen met de spotters aan de Schelde


André van der Veeke debuteerde in 1992 met zijn poëziebundel, Het testament van de sneeuw. Sindsdien verschenen van zijn hand onder andere Reizigers voor alle richtingen, Moerasbeest Verdriet, Blauw als ijs, Poldergeest en Dwangarbeider van de poëzie. Na dertig jaar gunt hij zichzelf een bijzondere bundel, Het schuimspoor van het onbereikbare, luxueus uitgegeven door Liverse, Dordrecht. Het boekje oogt fraai. De aan beide zijden uitklapbare kaft laat aan de binnenkant twee keer dezelfde foto zien, aan de voorzijde in grijstinten, aan de achterzijde in kleur. De foto, van Eugène Kruijsse, is genomen aan de Scheldeboulevard in Terneuzen, de stad waar André zijn domicilie heeft. In stoeptegelgrote letters is daar een versregel van hem te lezen: Waar het licht bijna te zout is voor het oog. Op de achtergrond strekt de zeearm zich uit. Daarboven hangen laag donkere wolken waar hier en daar een beetje zonlicht doorheen dringt. Aan de buitenkant toont de omslag een fragment van een schilderij van de kunstenaar Leen van Duivendijk. Vormgeving en typografie zijn van Hans Bommeljé. De bundel voelt aan als een rijk bezit.

De dichter is gefascineerd door de wereld van de spotters, die aan de kop van de pier vrachtschepen zien komen en gaan en alle vaarbewegingen registreren. Samen met hen wacht hij tot ze aan de einder opdoemen, traag en spookachtig voorbijgaan en aan de andere horizon verdwijnen. E.R. Los Angeles: Kolossale schaduw over het beenderwitte spoor / Dodenschip pal onder de zonnige kustlijn / Het water even blauw als de hemel erboven / En later de langdurige dreiging van een / zwijgende, loodrechte achtersteven.

Over de spotters, in Schepen als houvast: Ze zoeken houvast bij hun maritieme religie, / bij het schuimspoor van het onbereikbare // Na alle geestverschijningen blijven ze / verweesd achter met hun hongerige camera’s.

Het gadeslaan van scheepvaartverkeer gebeurt in alle sereniteit. Als een hoogst enkele keer iets onverwachts gebeurt wordt dat niet ervaren als een storende inbreuk. Uit de koers raken: In het containertijdperk rolt de Schelde / Als een mechanische trap naar Antwerpen//uit de koers raken klinkt dan veelbelovend; / de vaargeul, dat platgetreden pad, negeren // Het wachten in bloedarme mist en lege / kou eindelijk bekroond met een surplace.

André van der Veeke gaat te werk met superieure souplesse en een gevarieerd palet, wat een enkele keer leidt tot barok taalgebruik. Het beffen van basalt: Slurpen en slikken als in een bordeel voor reuzen / Of kalme holle slagen met boventonen // Het ruisen waar geen riet is, het afknijpen / Druppelen, dreinen, vloeibaar geroezemoes // Gorgelen, spuwen, klappen, sissen / Kotsen dat ze klotsen noemen // Spoelen, lekken, uitlopen, indalen: / het beffen van basalt.

Achter al die geobsedeerde observaties schuilt een diep verlangen. Sittin’ in the dock of the bay: Hij zou het liever in één keer achter zich laten / Zijn hele bestaan door onbekende bestemming uitgewist: / nachtelijk vrachtschip, touwladders / Maandenlang overgeleverd aan de schommelende gang / van rivier, zee of blinde oceaan

Het schuimspoor van het onbereikbare, André van der Veeke, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2021, ISBN 9789492519399

(Will van Broekhoven)

De weg naar Pitchipoi


Joris Iven is niet alleen dichter maar ook recensent, toneelschrijver en gewaardeerd vertaler. Hij was een tijd hoofdredacteur van Deus ex Machina en is bekroond met diverse literaire prijzen. Kortom in hart en ziel een man van de letteren.

Met de bevreemdend aandoende titel De weg naar Pitchipoi levert Joris Iven zijn tiende bundel af. Uit het citaat van Marceline Loridan-Ivens bij het begin van de bundel blijkt dat Pitchipoi een Jiddisch woord is dat kinderen gebruikten als ze praatten over vertrekkende treinen. Ivens en Iven, slechts een letter verschil maar toch toeval en helemaal geen familiale banden. De dichter, zo vertelde hij mij, heeft wel een sterke intellectuele band met Joris Ivens, de cineast en zijn echtgenote Marceline Loridan van Pools-Joodse afkomst. Bovendien is dichter Iven geboeid door de relatie tussen film en poëzie als kunstvormen, die beiden beeldtaal als een essentiële component hanteren.

De bundel, die één lange zoektocht van de dichter is naar zijn verleden, bestaat uit vier cycli: Heengaan, Stilstaan, Op en neer gaan, Heen en weer bewegen. De titels duiden reeds de stappen aan in die tocht. Het heengaan van zijn vader en moeder in flarden van herinnering: Tijden worden afgesloten. / De eindnotering wordt neergeschreven; de reflectie daarover: Ik ben de eenzaat die bloemen brengt; heen en weer sporen zoeken, doodlopende wegen inslaan, terugkeren en verder dwalen om dan toch vast te stellen: Er is een weg te gaan, en er is geen weg terug; om in de laatste cyclus die weg – die naar Pitchipoi? – in te slaan met vallen en opstaan: Op mijn weg balanceer ik voortdurend op de rand / van de afgrond, hecht me aan het pad / en tast naar de wand. Tot op het einde een zekere berusting valt: Ik klim tot de laatste sporten van de ladder / en zie de dingen telkens weer / vanop een nieuwe hoogte.....Ik blijf de Ipianospeler / die met verstijfde vingers / speelt wat hij kan. // Niemand wil me horen. / Het schoteltje blijft leeg.

Met deze bundel schrijft Joris Iven een beklijvende en beklemmende queeste naar zijn oorsprong, die naarmate de bundel vordert een tocht is naar zichzelf. Langzaam vermengen zich de beelden van een vader en een moeder met flarden van verloren liefdes. Twijfel, onmacht en ontreddering spreken haast uit elk gedicht. Het huis met vage herinneringen als symbool van een verloren geborgenheid: Het huis is ingestort, het dak, de middenbeuk, / het kruis, de wanden.

Het poëtisch palet dat de dichter hierbij hanteert lijkt van een bedrieglijke eenvoud, geen ingewikkelde constructies, moeilijke woorden of neologismen, maar toch enorm beeldrijk en poëtisch. Juist daardoor is zijn schriftuur bijzonder direct en indringend in een volgehouden cadans. Wie iets wil zeggen, heeft winter nodig, / kale takken zonder blad, / het spoor van vogels, / niet hun fluiten.

Deze bundel ontstijgt het therapeutische geschrijf, waaraan nogal wat jonge dichters zich bezondigen en bevindt zich in die context op een eenzame hoogte. De dichter transcendeert zijn eigen twijfels in een eerlijke en confronterende introspectie. Zonder franje ontvouwt hij vanuit zijn persoonlijk universum het pad dat elke mens moet gaan om antwoorden te vinden op wie hij/zij is, om te ontdekken dat aan het einde elke mens wezenlijk alleen is.

Waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe? Die boodschap blijft kleven lang na het lezen. Zo is de weg naar Pitchipoi ieders weg naar zichzelf. De dichter verdwijnt en de lezer blijft over.


De weg naar Pitchipoi, Joris Iven, Uitgeverij P, Leuven, 2021, ISBN 978-94-93138-53-7

(Richard Foqué)

Truida's reis


Truus Rozemond debuteerde in 2015 bij Xanten met de roman Een verwaarloosd huis. In 2017 volgde Tussenruimte, en in 2019 De vorm van Ierland. Deze boeken verschenen bij Magonia in Utrecht. Zij schrijft psychologische romans. Voor zij fictie schreef, publiceerde zij, als onderwijskundig psycholoog, boeken en artikelen op haar vakgebied.

Weg uit de armoede – Truida’s reis opent met de stambomen van Truida Groothuis, geboren te Ulrum en van Cents Haak, geboren te Winsum Obergum. Vervolgens neemt zij de lezer mee in vier gedeelten, die qua lengte nogal verschillen, in de familiegeschiedenis van Truida en Cents.

Het omslag lijkt op chique behangpapier. Pastelkleuren. Op een grijze achtergrond vliegen blauwe en auberginekleurige vogels. Een krachtig symbool. De vogels zorgen in de tekst ook voor kleine intermezzi. Sober maar tekenend en sfeervol.

De titel vind ik niet uitnodigend. Het is meer de kop van een sociaal pamflet. De ondertitel voorspelt dan weer iets anders. Ofschoon het woord ‘reis’ bij mij andere associaties oproept dan wat in het boek plaatsvindt.

Tekenend voor het boek: ‘Cents voelt zich in Heerlen buitenstaander, al woont hij in de ‘rode kolonie’, Meezenbroek. Het Limburgse landschap is vriendelijk, de mensen goedmoedig, maar ook sussend, omfloerst. In het Noorden hebben vrouwen soms stemmen als scheermessen, zijn de mannen bokkig, zwijgzaam. De omgang is er harder en duidelijker.’ (bladzijde192)

Truida en Cents vertrekken in 1918 uit Groningen om in Zuid-Limburg een ander (ze hopen beter) bestaan op te bouwen. Terwijl Cents als mijnwerker, onder de grond, zijn weg zoekt, kan zijn vrouw Truida boven de grond niet aarden. Cents en Truida zijn totaal verschillend. Cents is een bevlogen idealist, Truida wenst zich toch een ander bestaan (schoonheid, boeken lezen,… het is ver weg). Hun tocht van noord naar zuid is ook een zoektocht naar hun eigen ik en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Tegen de grote wereldgeschiedenis vindt hun leven een kronkelende weg. Zoals er verschillen tussen katholieken en socialisten zijn zo zijn er ook grote verschillen tussen hen. Het idealisme van Cents frusteert hem maar ook Truida. Toch is er ( en dat vind ik bewonderenswaardig) altijd de moed der hoop. Het automatisme van kinderen krijgen legt een druk op hun relatie. Een kind dat overlijdt doet Truida in een depressie belanden. Cents is onhandig maar goedbedoelend, dat ziet, voelt Truida. Hun besluit om terug naar het noorden te gaan en daar een café te beginnen blijkt ongelukkig. Ondertussen groeien hun kinderen op in een snel veranderende tijd. Ze voeren hun eigen strijd. Sterke figuren zijn de vrouwen. Zij bewaren het overzicht. Zij luisteren en stellen zich open. De mannen zwijgen terwijl de vrouwen dat zwijgen begrijpen. Met weinig woorden weet Truus Rozemond situaties te schetsen. Ze heeft een groot empathisch vermogen. Haar kracht is het om een wereld achter of onder de woorden op te roepen. Zij oordeelt niet. Iedere figuur in het boek wordt met respect bejegend.


Weg uit de armoede – Truida’s reis, Truus Rozemond, Uitgeverij Magonia, Utrecht, 2021, ISBN 978-94-92241-48-1

(F.A. Brocatus)