Onder de overkoepelende term ‘podiumpoëzie’ gaan verschillende genres schuil. Er is zelfs sprake van begripsverwarring. Performance, slam poetry en spoken word zijn de bekendste vormen, maar ze worden vaak door elkaar gebruikt. Hun gemeenschappelijke kenmerk is de oraliteit, al verschillen ze subtiel van elkaar. Spoken word is een vorm van voordracht waarin ritme, klank en emotie weliswaar beklemtoond worden, maar waarbij de tekst centraal blijft staan. Bij performance staat de tekst minder centraal en spelen gebaar en enscenering een even belangrijke rol. Slam poetry is dan weer de wedstrijdvorm van spoken word.
Benzokarim (1996) is een uitstekend voorbeeld van een sterk ritmisch ingestelde spoken word-dichter. Via deze link kan je hem horen voorlezen:
https://www.youtube.com/watch?v=Eb2345-SO3k&t=188sHet eerste gedicht uit deze lezing, Geen/Niets, vinden we terug in de bundel ons gaan allemaal. Ook bij lezing behoudt dit gedicht zijn spankracht, onder meer doordat de voor de dichter kenmerkende herhalingen zorgen voor een dwingend ritme. Toch hoor ik vaak zeggen dat dit soort poëzie in geschreven vorm niet erg ver reikt en weinig aan poëzie te bieden zou hebben. Natuurlijk hangt alles af van wat men van poëzie verwacht. Wie van een gedicht eloquentie, correct Nederlands of een alomtegenwoordige esthetisering verwacht, komt bedrogen uit. Dat zal deels ook de bedoeling van de dichter zijn. Het Nederlands wordt ontwricht; meer dan eens blijft er van de syntaxis weinig overeind. Er wordt gestotterd. Toch spreekt uit deze teksten een geladen expressiviteit, op het randje van het explosieve.
Dat schrale taaltje fascineert. Je begint te lezen en houdt er niet meer mee op. Het probleem is duidelijk: ik voel in taal/ik spreek in taal/ik zelf denk in taal/van onderdrukkers/ik wil taal kapot/taal nieuw/maar taal wil mij niet/als Nederlander mijn vader in 1982. Elke dichter zoekt een andere taal. Benzokarim doet echter meer: hij verweert zich tegen het Nederlands, de taal van de onderdrukker. Voor deze dichter wordt die taal een eigen ‘mix van Nederlands, Arabisch, Afrikaans en Engels’, zoals hij zelf achteraan in de bundel noteert. Die taal impliceert een zoektocht naar identiteit: ik ben een lost soul/ik roep enkel en alleen vragen op. Een van die vragen luidt: wat voor iemand is die ‘ik’ eigenlijk, want ik ben zelf nog kwijt. Daarmee worden meteen ook maatschappelijke normen in vraag gesteld, zoals in het onderstaande gedicht Duif. Alles speelt zich af tegen een eerder pijnlijk aanvoelende particuliere achtergrond: de motieven vader, moeder, broer en zus duiken regelmatig op. Zijn schrijfdaad motiveert hij als volgt: de strijd aangaan is er een tegen de verleiding tot dwalen.
Zeker, niet alles heeft me weten te bekoren, maar toch hebben deze gedichten me door hun intensiteit verrast en verward. Spoken word of niet: dit is uitermate beklemmende poëzie die terecht met de Jan Campert-prijs werd bekroond.
Duif
de duif gezicht
doet denken aan witte vrouw gezicht
kijkt mij aan gezicht
dan naar zusje gezicht
hoofddoek gezicht
omdat zij blote voet op het land
zij denkt vrij beweeg
mijn zusje altijd vrij beweeg
zij kinderen lesgeeft
in taal geeft
om bij ouderavond uit te leggen
aan man van witte vrouw wat mansplainen betekent
Ons gaan allemaal, benzokarim, Thomas Rap, Amsterdam, 2025, ISBN 978 94 004 1192 0
(Alain Delmotte)





















