Ik spreek in taal


Onder de overkoepelende term ‘podiumpoëzie’ gaan verschillende genres schuil. Er is zelfs sprake van begripsverwarring. Performance, slam poetry en spoken word zijn de bekendste vormen, maar ze worden vaak door elkaar gebruikt. Hun gemeenschappelijke kenmerk is de oraliteit, al verschillen ze subtiel van elkaar. Spoken word is een vorm van voordracht waarin ritme, klank en emotie weliswaar beklemtoond worden, maar waarbij de tekst centraal blijft staan. Bij performance staat de tekst minder centraal en spelen gebaar en enscenering een even belangrijke rol. Slam poetry is dan weer de wedstrijdvorm van spoken word.
Benzokarim (1996) is een uitstekend voorbeeld van een sterk ritmisch ingestelde spoken word-dichter. Via deze link kan je hem horen voorlezen:
https://www.youtube.com/watch?v=Eb2345-SO3k&t=188s
Het eerste gedicht uit deze lezing, Geen/Niets, vinden we terug in de bundel ons gaan allemaal. Ook bij lezing behoudt dit gedicht zijn spankracht, onder meer doordat de voor de dichter kenmerkende herhalingen zorgen voor een dwingend ritme. Toch hoor ik vaak zeggen dat dit soort poëzie in geschreven vorm niet erg ver reikt en weinig aan poëzie te bieden zou hebben. Natuurlijk hangt alles af van wat men van poëzie verwacht. Wie van een gedicht eloquentie, correct Nederlands of een alomtegenwoordige esthetisering verwacht, komt bedrogen uit. Dat zal deels ook de bedoeling van de dichter zijn. Het Nederlands wordt ontwricht; meer dan eens blijft er van de syntaxis weinig overeind. Er wordt gestotterd. Toch spreekt uit deze teksten een geladen expressiviteit, op het randje van het explosieve.
Dat schrale taaltje fascineert. Je begint te lezen en houdt er niet meer mee op. Het probleem is duidelijk: ik voel in taal/ik spreek in taal/ik zelf denk in taal/van onderdrukkers/ik wil taal kapot/taal nieuw/maar taal wil mij niet/als Nederlander mijn vader in 1982. Elke dichter zoekt een andere taal. Benzokarim doet echter meer: hij verweert zich tegen het Nederlands, de taal van de onderdrukker. Voor deze dichter wordt die taal een eigen ‘mix van Nederlands, Arabisch, Afrikaans en Engels’, zoals hij zelf achteraan in de bundel noteert. Die taal impliceert een zoektocht naar identiteit: ik ben een lost soul/ik roep enkel en alleen vragen op. Een van die vragen luidt: wat voor iemand is die ‘ik’ eigenlijk, want ik ben zelf nog kwijt. Daarmee worden meteen ook maatschappelijke normen in vraag gesteld, zoals in het onderstaande gedicht Duif. Alles speelt zich af tegen een eerder pijnlijk aanvoelende particuliere achtergrond: de motieven vader, moeder, broer en zus duiken regelmatig op. Zijn schrijfdaad motiveert hij als volgt: de strijd aangaan is er een tegen de verleiding tot dwalen.

Zeker, niet alles heeft me weten te bekoren, maar toch hebben deze gedichten me door hun intensiteit verrast en verward. Spoken word of niet: dit is uitermate beklemmende poëzie die terecht met de Jan Campert-prijs werd bekroond.

Duif

de duif gezicht
doet denken aan witte vrouw gezicht
kijkt mij aan gezicht
dan naar zusje gezicht
hoofddoek gezicht

omdat zij blote voet op het land
zij denkt vrij beweeg

mijn zusje altijd vrij beweeg
zij kinderen lesgeeft
in taal geeft
om bij ouderavond uit te leggen
aan man van witte vrouw wat mansplainen betekent



Ons gaan allemaal, benzokarim, Thomas Rap, Amsterdam, 2025, ISBN 978 94 004 1192 0

(Alain Delmotte)

Dan strekt de zee in me door


Tom Veys (45) studeerde taal- en letterkunde. Hij is actief als dichter en als recensent bij Meander. Eerder verschenen gedichten van hem in tal van verzamelbundels. Hij vertaalde in 2022 de gedichtenbundel Pandemie van de Amerikaanse dichter Richard Harteis en werd daarvoor onderscheiden met de Valentin Krustov Award for Translation. Samen met Daniël Billiet is hij de oprichter en drijvende kracht van Woordentij, een literaire vereniging die mensen met poëzie verbindt.

De tekeningen in de bundel, de omslagillustratie en de auteursfoto zijn allemaal van de hand van Tom Veys. Woord, beeld en daarbij muziek intrigeren hem. De bundel omvat vier cycli: Dierentaal, Doorgewerkt, Verinneringen en Voorbij het weten, die respectievelijk zes, elf, zestien en acht gedichten bevatten. De bundel opent met een dankwoord aan zijn ouders, familie en aan allen die hem gesteund hebben bij dit project. Het openingscitaat: Wat zou het leven zijn als we geen moed hadden om iets te proberen? komt uit Een leven in brieven van Vincent van Gogh, de schilder die ook prachtige brieven kon schrijven.

Twintig jaar na zijn eerste gedicht brengt Tom Veys zijn debuutbundel. Hij opent met een verrassende tekst Uit het dagelijks leven: het is tijd voor een weg, daarginds loopt een weg, ik kan niet altijd blijven praten, ik hoor stilte in een evenwicht, kijk, daar is een ster. Met deze woorden opent de dichter de deuren naar zijn wereld.

In het schijnbaar achteloze schuilt het meest subtiele. In de omkeringen gaat de dichter op zoek naar zichzelf. Uit de beelden die hij registreert distilleert hij zijn taal. Een taal die deuren eerst op een kier zet om ze daarna helemaal open te duwen. De wereld die de dichter schept is een universum dat omringt en doordringt. Vogels, meeuwen, een duif worden zichtbaar door zijn woorden. Hij zegt zelf: de dieren in ons spreken boekdelen. Al lezende ervaar je een bijzondere intimiteit door de dichter geschapen uit en met eenvoudige woorden en herhalende beelden. Referenties naar de Bijbel voeren je ook mee in dit soort verstilling en religiositeit. (Zondvloed, Geen zondvloed, Het kerstverhaal houdt ons in de ban, Diefstal van een wijngaard, Bij een tekst van Lucas, Een uitzonderlijk scheppingsverhaal…) De dichter is naast een zoeker ook een beschouwer, wat hem omringt kleedt hem. Hij draagt de woorden naar de beelden en omgekeerd. Iets van de bijzondere eindige oneindigheid maakt deel uit van hemzelf:

Zondvloed

Ik stel voor dat alle rivieren
een weg vinden. Ze vloeien
samen in een delta.
Oneindig is de zee met haar armen.

Soms hap ik naar adem, ik blijf
zoeken naar beelden.
In het water bellen woorden op.
Kijk, daar is een vogel,
een duif signaleert een redding.

Stel je voor dat we elkaar
vinden in oneindigheid,
in stilte. Dan strekt
de zee in me door.


(uit de cyclus Dierentaal)


Dan strekt de zee in me door, Tom Veys, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers Antwerpen / Rotterdam, 2025, ISBN 978 90 6174 992 9

(Frans August Brocatus)


We willen je alleen beschermen


Truus Rozemond is psychologe en publiceerde regelmatig over haar vakgebied. Haar korte verhalen en gedichten werden opgenomen in diverse bundels. Als romancière debuteerde ze in 2015 met Een verwaarloosd huis. Met telkens twee jaar ertussen verschenen daarna Tussenruimte (2017), De vorm van Ierland (2019), Weg uit de armoede (2021) en De langstlevende (2023). Weeral twee jaar later is er haar nieuwste psychologische roman, We willen je alleen beschermen (2025).

Hoofdpersonage is de gepensioneerde Anna, vrijwilliger in de culturele sector, die een relatie heeft met een ex-studente, de veel jongere Diana. Bij het bezoek van Anna en Diana aan een expositie moet Anna zich tegenover een bemoeizieke vrouw verantwoorden over het feit dat ze een relatie heeft met Diana en ook kinderen met haar heeft: Verbijsterd vraagt Anna zich af hoe ze zich door een onbekende vrouw zo met vragen heeft laten bestoken, als was het een interview voor een roddelblad of een juicekanaal. Ze was toch juist beter geworden in het bewaken van grenzen, mensen van zich afschudden? Diana reageert hier anders op: Binnen ventileert Diana haar verbazing over het gemak waarmee Anna zich ter verantwoording laat roepen door een vreemde vrouw.

Dit voorval – samen met een toneelstuk dat ze heeft bijgewoond en dat haar triggert – is de aanleiding (ook de titel van het eerste hoofdstuk) om te trachten in het reine te komen met zichzelf door haar verleden met haar familie neer te pennen in een dagboek tijdens de week dat Diana op studiereis vertrekt naar Bologna. August Oklahoma van Tracy Letts is een tragikomisch, herkenbaar en aangrijpend toneelstuk dat het verhaal vertelt van een familie die verscheurd wordt door geheimen en onvervulde verlangens en waarbij drie generaties nietsontziend de confrontatie met elkaar aangaan. Niet toevallig koos Truus Rozemond een citaat uit dit toneelstuk als motto voor haar roman: Nee, jullie zijn niet bezorgd. Jullie willen alleen weten wie je de schuld moet geven.

De moeilijke en nooit ongedwongen relatie met haar ouders en familieleden heeft zijn sporen nagelaten. De reacties op een doodgeboren kind van Anna en Diana bijvoorbeeld zijn bijzonder pijnlijk. Hoe schrijnend deze duik in het verleden ook is, Anna zet dit alles op een serene manier op papier, alsof ze zelfs het waarom van de redenen van het onmogelijke, of op zijn minst gecompliceerde gedrag van haar familieleden wil begrijpen en daar ligt ook de kracht van deze roman. Ik zie me weer zitten, twaalf jaar, een in zichzelf gekeerd kind met een pokdalig gezicht en vet haar./ Ik ben een onmogelijk kind, dacht ik, ze weten zich met mij geen raad./ Ma had geen kinderwens, maar ze wilde Pa niet kwijt, dus was ze overstag gegaan bij zijn verlangen naar een gezin./ Ze zag haar moeder steeds meer als labiel en gestoord. Door haar directe stijl weet Rozemond haar lezers mee te nemen in deze sterke en knap uitgekiende roman.


We willen je alleen beschermen, Truus Rozemond, Uitgeverij Magonia, Utrecht, 2025, ISBN 978-94-9224-1863

(Roger Nupie)

Traagkracht: verstillende bundel


Ann Van Dessel (1961) is dichter en schrijfdocent. Traagkracht is haar vierde solobundel. Eerder verschenen bij Uitgeverij P Een kei in duren, Toverstroming en Als de lucht valt. Samen met andere dichters schreef zij Een kier in het rumoer, Lopen op los zand, De ogen van de uil en Veelvoud van een eiland (Obsidiaan). Deze bundels verschenen ook bij Uitgeverij P.

Haar gedichten zijn naar het Frans vertaald door Bernard de Coen (1965). Hij schrijft haiku, essays en vertaalt poëzie. Van hem verschenen Les bourraches en de tweetalige haiku-bundel Tiens. Voor Uitgeverij P vertaalde hij een aantal publicaties. Daar verscheen ook zijn haiku-bundel Ontkoppelingen 1.

De kleurrijke illustraties in de bundel zijn eveneens van de hand van Ann Van Dessel.

Op zoek naar rust en stilte meldde Ann zich een decennium geleden in het gastenverblijf van de Abdij van Orval. Daarna keerde ze elk seizoen weer. Elke zomer neemt ze met yogadocente Petra Elberse mensen mee op schrijf- en yogaverblijf om te vertragen, te luisteren en thuis te komen in eigen lijf en woorden.

De titel van de bundel Traagkracht werd bedacht door Elke Grisar, die ’s zomers mee naar de Abdij trekt voor de vijfdaagse bespiegeling In verbinding met jezelf (cursus intuïtief schrijven en Yoga). Het is een cadeau van Elke aan Ann.

De bundel bestaat uit vijf cycli: Eiland van eenvoud, Het kloppen van het klooster, Het bos heeft geen naam, Dialoog met de ootmoed en De vliegende draak in onze aderen. Sommige gedichten hebben een titel, andere niet. Er worden geen hoofdletters gebruikt. Komma’s en punten zijn de enige leestekens, soms zijn er helemaal geen leestekens.

Waarom de vertalingen in het Frans in een veel kleinere letter gezet zijn is mij een raadsel. Dat had voor mij niet gehoeven. Als schaduw voor de gedichten in het Nederlands is het natuurlijk perfect.

De gedichten laten zich lezen als gebeden. Je voelt als het ware de verstilling van de abdij. Vogels zorgen voor ondertiteling. Bomen en natuur zijn een veilige cirkel rondom de geluidloze voetstappen doorheen de abdijgangen. Licht is zalvend gezelschap in de kamers. Titels zoals zwijgland, in de stilte klopt het klooster, de stilte, jonge vrouw aan tafel, als er geen tijd meer is, handleiding van eenvoud, de sleutel van het bos en ’s nachts hoor ik je kijken geven ruimte aan de bespiegelingen die volgen, de blik naar binnen gericht. Op een eenvoudige manier worden woorden samengebracht tot een verhelderend zwijgen. Niets waagt het om te komen storen. Bomen, die geacht worden levenloos te zijn, zorgen voor een aparte dimensie in de allesoverheersende stilte. Lees op bladzijde 36

Beste oude beuk bij de vijver
….
Ik kom graag bij je langs. Zodra ik je een hand geef, vul je mijn hart met je wijsheid. Je laat me toe. Te kijken naar wat onderhuids beweegt.
….


Een bijzondere, verstillende bundel die ontzinning en bezinning sacraal samenbrengt.


Traagkracht, Ann Van Dessel, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978 94 64757 91 0

(Frans August Brocatus)

Dartel donkergrijs


Mereie de Jong is vertaler van onder meer gedichten van Rilke, Verlaine en D’Annunzio. In Wat ik ook schrijf treedt zij ook als dichter voor het voetlicht, daarbij op pragmatische manier gebruik makend van klassieke vormen, voornamelijk het sonnet.

Contrasterend met de vorm is de inhoud van haar werk volledig eigentijds behalve dan de verzen die gegroepeerd zijn onder de titel reflecties, geschreven naar Poe, Baudelaire en Horatius. Deze gedichten verschenen reeds eerder in reeksen uit Vertalersweelde, meer info daarover is te vinden achteraan in de bundel onder Verantwoording. Hoe voortreffelijk ook, ik concentreer me op haar eigen thema’s en persoonlijkheid.

De bundel is verdeeld in zeven deeltjes, achtereenvolgens de weemoed, de wereld, de mensen, de plaatsen, de familie, de reflecties en de rest, telkens tussen de drie en negen gedichten lang. Merk op dat de titels haar inspiratiebronnen duidelijk maken.

Het openingsgedicht Antraciet is meteen een schot in de roos. Wie zich vragen mocht stellen bij de cover en vormgeving van de bundel krijgt hier een antwoord. In het eerste kwatrijn klinkt het als volgt:

Niet zwart, niet wit, maar altijd antraciet.
Mijn leven danst, in dartel donkergrijs.
Ik huppel op een asgekleurde wijs.
Een andere nuance ken ik niet.
…….


om te eindigen met

Ik zwelg in antraciet gemuggenzift.
Gelukkig is er lippenstift.


Daarmee is de toon gezet, letterlijk en figuurlijk: de cover heeft de vereiste grijstint, de titel springt er in het rood uit. Ook de drukinkt heeft de aangewezen tint meegekregen, bovendien zijn de bladzijden lichtdoorlatend zodat alweer een grijstint wordt toegevoegd. En dan is er op de achterflap nog de foto van de auteur zelf! Inhoudelijk maken we kennis met haar sarcasme, ironie en humor, maar dit alles staat wel degelijk in het teken van de weemoed.

In de wereld en de mensen levert de auteur zowel genuanceerde als onbarmhartige kritiek op de omgeving. Een blad voor de mond nemen is er niet bij; Millenials en gen Z., thema’s als dysforie en valse profeten komen aan bod, het levert gedichten op die verfrissend brutaal zijn in een door eufemismen geteisterde en zichzelf voor ‘warm’ uitgevende samenleving. De wereld wil bedrogen worden, dus laat haar bedrogen worden, zegt ze in het latijn. Verschijnselen uit de popcultuur genieten volop haar aandacht en duiding. Ook in de plaatsen (voorzien van enkele prikkelende foto’s) is dit het geval, maar behalve erotiek, rock’n’roll en glitter bespeurt men toch ook enige nostalgie bijvoorbeeld in Miami.

In de familie vier sterke gedichten. Na het rauwe relaas van een broertje dood volgt het ontroerende Sanne, want neen, de hoop is niet dood, zelfs het antraciet moet wijken voor een bloesem van een kind:

Al weten de tirannen niet van wijken
en is geen brandhaard een-twee-drie geblust
toch zal de zwarte gal ons nooit bereiken
nu wij de roze wolk hebben gekust.

Ze vindt het niet de moeite om te kijken
naar al dat vreemde volk en slaapt gerust.
Die wereldvrede gaat vanzelf wel prijken
aan elke horizon, denkt ze, en sust

ons allen, die zich bitter slechts vermannen
‘We doen het samen, niemand is alleen’
lijkt ze te willen zeggen, heel ontspannen.

Haar universum is volmaakt sereen.
Blijf lachen om die strijdende tirannen,
want kleine Sanne slaapt er dwars doorheen.


De twee laatste delen zijn het reeds vermelde de reflecties en de rest, bestaande uit enkele minder gemakkelijk te klasseren gedichten waaronder het geestige Niet meer vet of, over hoe zelfs vet haar kan inspireren.

Samenvattend mag ik zeggen dat ik deze bundel met plezier gelezen en herlezen heb; een pittige bundel die er uitspringt als lippenstift tegen een grijze achtergrond.


Wat ik ook schrijf, Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2026, ISBN 978 9083 023 090

(Cel Vermeulen)


Staat van genade


Matthias Haeck (Gent, 1970) is dichter en ondernemer. De bundel Staat van genade is zijn debuut. Eerder verschenen gedichten van hem in Het Gezeefde Gedicht, de Gedichtenwedstrijd en in een aantal bloemlezingen. In 1989 schreef hij zijn eerste gedicht voor zijn lief en toen bleef het bijna twintig jaar stil. Door het verlies van een dierbaar familielid nam hij de pen terug op en schreef toen een schriftje vol met gedichten. Omdat hij richting miste viel hij opnieuw stil. Een toevallige ontmoeting met wijlen Jos Daelman wakkerde het vuur opnieuw en definitief aan. Daelman liet hem inzien dat poëzie uit meer bestaat dan zuivere inspiratie en in woorden omgezette emoties. De dichter heeft de bundel dan ook opgedragen aan Jos Daelman met de woorden:

voor Jos Daelman
die me de weg toonde
zonder te wijzen

De bundel opent verder met twee veelzeggende citaten: You cannot find peace by avoiding life – Virginia Woolf (Mrs. Dalloway, 1925) en Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt – Jeroen Brouwers (Bezonken rood, 1981)

De bundel bestaat uit zeven cycli: Sans paroles, Grondwerken, Tussenstanden, Stoornissen, Vluchten, Wij en De komst. Alle gedichten hebben een titel met uitzondering van de vijf genummerde gedichten uit de cyclus Vluchten.

Waarom de dichter af en toe Franse of Engelse woorden gebruikt is mij niet duidelijk. Zijn moedertaal is zo helder en duidelijk dat die kleine uitstapjes niets toevoegen. Matthias Haeck is een zorgvuldige dichter. Hij wikt en weegt, is nooit hoogdravend maar blijft met de beide voeten op de grond. De bundel staat vol verrassende beelden. Ik zet er een aantal achter elkaar: … tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk; … de kam van het kabaal…; We staan geblokt bedrukt als het tafellaken…; … Een poel vol vloeibare kalmte…;…zompig geel…;… de wreef van haar verwachting…; … ik zou het vasthouden onthouden….; …. Mijn handen als sardienen ingeblikt

Zijn grootste kracht bestaat er, mijns inziens, uit dat hij met weinig woorden zo veel meer suggereert en daardoor de kleine wereld van huis, kamer, tafel, stoel… extra lading meegeeft, ze liefdevol omkadert met de mensen en met wat hem dierbaar is. Hij geeft herkenning een nieuwe glans. De komst van een kleinkind bijvoorbeeld maakt hem niet sentimenteel maar samen met het kleinkind koestert hij zich in de verwondering die dat teweegbrengt. Hij schrijft met veel liefde en mededogen over kleine en grotere onderwerpen. Een verrassend debuut dat naar meer smaakt.

Lucia

Ze heeft mijn hart gestolen
en er meteen haar pamper aan geveegd,

mijn blik als een loper uitgerold
mijn handen als sardienen ingeblikt
mijn voeten in cement gebed

mijn buik als kussen geconfisqueerd
mijn mond tot zwijgen veroordeeld
mijn adem tot simpele blaasbalg herleid.

Ze heeft mijn huis geopend,
er kortweg een kamer ingenomen,
weigert te vertrekken.

Ze hing haar naam al naast de deur
doet belletjetrek met mijn geduld.
Ik hoor ons nu al lachen in de gangen.



Staat van genade, Matthias Haeck – Uitgeverij De Zeef, Gent, 2026, ISBN 978 94 64757 87 3

(Frans August Brocatus)

Denk dat ik toen al van je hield


Hilde Pinnoo publiceerde de roman Valtuig (2019) en vier dichtbundels: Dichter dan mist (2005), Zonder testament (2008), De gevoelige plaat (2013), Brakke dagen (2021) en met collega-dichters Lopen op los zand: gedichten om kanker neer te schrijven (2017). Als eerbetoon aan Hilde, die een strijd voert met Parkinson, kozen vijfentwintig bevriende auteurs een gedicht van haar waarmee ze in dialoog gingen.

Na het openingsgedicht Los van Chris Perdieus (… angst/ om het niet verwachte/ snoert de adem af/ ontneemt de toekomst/ steelt jou/ van ons) volgen vier cycli die de titel dragen van haar bundels, met als slotstuk een cyclus van twee gedichten: Lopen op los zand. Op de linker pagina’s een gedicht van Hilde, wat resulteert in een mooie keuze uit haar werk; rechts het dialooggedicht van de deelnemers aan dit initiatief.

Enkele dichters leverden een gedicht af dat een identieke opbouw heeft als het gedicht van Hilde dat hen inspireerde: Daniel Billiet (Geaard in regen), Hilde Van Cauteren (Meisje), Sandra Aerts (Onbevangen) en Lief Vleugels (De geur van aarde).

Ter illustratie: Oude aarde (Hilde Pinnoo): Zo lusteloos als een lijf/ kan worden, toevlucht zoekt/ in de donkere bossen, om weg/ te zijn, om te zijn. (…) De geur van aarde (Lief Vleugels): Als het lege huis tussen de pijnen/ van het ruisende woud, waar/ geen haard meer knispert, geen lach/ de kamer vult (…).

Ik denk dat ik toen al van je hield levert heel wat sterke poëzie op van de bevriende dichters. Ann Van Dessel in stuwkracht: hoe zou je dat noemen, zoals je/ in een lucide droom jezelf bestuurt,/ naar de rand van de afgrond schuift/ en in slow motion naar de diepte duikt. (…) Uit Sneeuw van Lieve Desmet: (…) We drenken dit huis in tranen,/ tot we opnieuw bloeden, of - als een Inuit -/ honderd namen roepen,// allemaal sneeuw vóór de zon. Uit Ex aequo van Gerda De Preter: (…) Wat is dit wachten waard?// Waarom deze harteklop,/ dit onophoudelijk snakken/ naar adem, lijf en leden?// Alsof we ooit, misschien, hoe vluchtig ook.// En toch.

Het herlezen van de gedichten van Hilde Pinnoo zelf bevestigt nog maar eens haar uitmuntend dichterschap. De laatste strofe uit Ga weg: Je geeuwt/ tegen me aan. Ik zal/ niet weggaan. Ik zal blijven/ tot iedereen ons is vergeten,/ tot er gras groeit in de straat,/ alleen voor onze voeten. Hoogseizoen: (…) Ooit volstond de eenzaamheid/ van een amoebe - even wachten en het lukt/ gegarandeerd opnieuw. Inuit: (…) Niemand durft deze dagen nog/ te janken, tenzij met de ogen/ en de lippen droog, uit angst voor/ de ruwe pijn van onsplijtbaar wit.

Ik denk dat ik toen al van je hield, een bloemlezing uit het oeuvre van Hilde Pinnoo en dialooggedichten van vijfentwintig collega’s, is een bijzonder eerbetoon aan een al even bijzondere dichteres.


Ik denk dat ik toen al van je hield, Hilde Pinnoo & vrienden, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978-90-73214-00-2

(Roger Nupie)


Rilke's cirkel


Gerolf Van de Perre maakte als schilder graphic novels tijdens en na een verblijf in Beijing (1999-2001). Hij verwerkte daarin de ervaring van de grootstad in verandering. Dat de dichter Rainer Maria Rilke dat honderd jaar eerder over Parijs deed in zijn roman Aantekeningen van Malte Laurids Brigge, was aanleiding om van een aantal aantekeningen een geschilderde adaptatie te maken: Dichter in de massa (2010). In Rilke verdiepte Van de Perre zich verder in een graphic essay, met eigen tekst naast schilderijen: Spiegel-beeldessay (2015). Intussen bleef hij op een eeuw afstand, het verleden representeren: in Gewonde stad (2014), samen met de schrijfster Johanna Spaey, de oorlogsvernietiging van Leuven, in Le Grand Meaulnes revisited (2016), de succes- en enige roman uit 1913 van Alain Fournier, die in de eerste oorlogsmaanden sneuvelde.

Gerolf Van de Perre:

In hun woorden zit veel beeld. Zelf plaats ik tussen mijn geschilderde beelden woorden. Op de rechterpagina kies ik ze telkens uit teksten van en over Rilke en Verhaeren. Op de linkerzijde leiden mijn eigen woorden die citaten in, maar ook de schilderijen. Zo verbinden ze dit alles.

De dichter Rilke was tijdens zijn Parijse tijd secretaris van beeldhouwer Rodin. Met Verhaeren, Rolland, Zweig en Bazalgette tekende zich de Parijse kring van Rilke af. Door allerhande spiegelingen probeert Van de Perre niet alleen de figuren uit de kring van Rilke bijeen te brengen, maar hij onderneemt ook een poging om de visie van Rilke op ‘de dingen’ en de wereld die hem omringt tot de zijne te maken. Aan het boek ging een bijzondere tentoonstelling vooraf, die liep van 9 maart tot 25 mei 2025 in het Emile Verhaerenmuseum.

Rilkes cirkel telt vijf hoofdstukken: Makers van beelden – Rodin, Ervaring van de nieuwe grootstad – Parijs, Grenzeloze bewondering – De cirkel, Verbeelding van de dood – Oorlog en Levendige dingen – Het werk. Samen schetsen ze het leven en werk van Rilke, die veel te jong overleed aan leukemie. Het boek bevat daarnaast 75 reproducties van narratieve schilderijen van Van de Perre. De kunstenaar hanteert een unieke manier van schilderen: vrijwel al zijn doeken bevatten spiegels, spiegelbeelden, spiegelingen en reflecties. Ze zijn zo transparant dat je er bijna doorheen kunt kijken – een manier van schilderen die ver afstaat van schilders die hun doeken met dekkende verf als het ware dicht schilderen. Het geheel geeft mede door de blauw – en grijstinten een bevreemdend en intrigerend effect: je wil door het beeld heen de woorden vinden. Het lijkt wel alsof Van de Perre te werk gaat als een fotograaf die in een donkere kamer meerdere filmstroken over elkaar legt en daarvan een afdruk maakt.

Als fan van Rilke ben ik misschien wat bevooroordeeld maar het werk van Van de Perre laat een ander licht schijnen over Rainer M.Rilke. Het getuigt van lef, moed en kennis om dit aan te durven. Hoed af en een grote buiging voor Gerolf Van de Perre.


Rilkes cirkel – woorden/beelden, Gerolf van de Perre, Uitgeverij P, Leuven, 2026 ISBN 978 94 64757 68 2

(Frans August Brocatus)

Ongewoon gewoon


‘Ook al kijkt de dood geregeld om de hoek, ik ben nog niet van plan om te verdwijnen’ zo staat te lezen in de flaptekst van Aan de vooravond, ondertitel ‘wat ik nog zeggen wil, voor het geval dat’, de nieuwe bundel van Miel Vanstreels. Hiermee is al veel gezegd. De dichter, geïnspireerd door alledaagse of beter gezegd universele thema’s, houdt het graag simpel. Hij steekt geen veren op zijn hoed; hier geen ambitieuze experimenten, vernieuwingsdrang, buitenissigheden, ideologieën, of pathologieën, behalve, wat het laatste betreft, een alledaagse maar daarom niet minder gevaarlijke vaatverwijding. Uit het gedicht verwijding:

straks weet ik hoe het
gesteld is met mijn
aangetaste vaten

hoe ik kijken moet
naar het vallen
van de bladeren


Ik vermoed dat qua vorm Vanstreels inspiratie vind in Japanse versvormen als Senryu en Tanka; nergens tel ik een regel die meer dan zeven lettergrepen bevat. Ook treft men hier vaak het haiku-verrassingeffect aan, waardoor het gewone plots ongewoon wordt:

Begrafenis

Drie broers begraven
hun vader, heel de kerk
weet dat een van hen
niet lang meer
te leven heeft,

op het kerkhof,
bij het graf

vult hun moeder
de stilte
met wat nog
komen gaat


Familie blijkt een belangrijke inspiratiebron, daarvan getuigt onder anderen de kleine cyclus The Family in het begin van de bundel, waaruit ik het eerst gedicht licht:

Aan een lange tafel
zitten we met z’n allen
richting tachtig
te gaan

naarmate de avond
vordert maakt de alcohol
het leven lichter

’t is wachten
tot de echte uittocht
gaat beginnen

steeds meer gevechten
zijn niet meer te winnen


Ook de jongere en de allerjongste generatie krijgen hun plaats. In ziekjes blijkt een kleinkind hoewel ze naar buiten wil, het in de wandelwagen toch niet niet helemaal naar haar zin te hebben:

heel de weg
droomt ze stilletjes
voor zich uit

in een goed gesprek
heeft ze geen zin

in opagrappen
evenmin


Veertig jaar lang heeft de dichter in een ziekenhuis gewerkt, het heeft hem getekend in positieve zin.

De verpleging

Geen betere leerschool
dan een ziekenhuis

ook al kreeg ik
geen diploma voor
wat ik vond

hoe langer je
naar de dood kijkt

hoe dichter je bij
het leven komt


Hieruit spreken realiteitszin en ware empathie, en een gebrek aan zelfbeklag die de lezer moeiteloos voor hem innemen. Wat de liefde betreft, pedalerend langs de Noordzee noteert de dichter in Mijn lief en ik:

als zij
langs het strand
op de schelpenpaden
door de duinen

het ruisen
van de golven
door haar hoofd
voelt waaien

zie ik in haar blik
weer dat weidse
dat mysterieuze

waar ik een halve
eeuw geleden
verliefd op werd


Miel Vanstreels deelt met ons zijn praktische wijsheid, hij herinnert aan de oude tijdloze Chinese dichters. Kan dichten zo eenvoudig en noodzakelijk zijn als het knippen van de teennagels?


Aan de vooravond, Miel Vanstreels, Uitgeverij Haute Folie, Maastricht, 2026, ISBN 978 940 384 8990

(Cel Vermeulen)

Wildnissen


Ik weet ongeveer hoe het kruispunt Desselgemseweg met de Expresweg en de Jozef Duthoystraat in Waregem oogt, en dat dankzij GoogleEarth en Xavier Roelens. Die meldt in zijn jongste bundel Wildnissen terloops dat hij daar even met zijn zoon voor het stoplicht moet wachten, een bijna-ongeluk registreert en tegelijkertijd ziet dat er in de berm onder een smeltend sneeuwtapijt bezemkruiskruid groeit.

De bundel volgt naar eigen zeggen van de auteur, wiens debuut Er is een spookrijder gesignaleerd (2007) me destijds al opviel, exact de nummering van de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Toen ik dat in de aantekeningen las had ik al een poos zitten peinzen over het hoe of wat van de indeling, maar die is me nu duidelijk. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik alleen die titel van Wittgenstein kende. Ik geloof Xavier op zijn woord.

Dit is geen bundel voor hoi polloi. Wie zich aan Wildnissen zet dient over een leeshouding te beschikken die het consumerende lezen te boven gaat: de dichter maakt het zijn lezer niet gemakkelijk. Ik sla er bij het lezen van deze bundel behalve GoogleEarth ook Wikipedia regelmatig op na.

Roelens trekt zich niet terug op traditionele verworvenheden van de poëzie maar durft buiten de vormen te verkennen, hetgeen in een bundel resulteerde die op het eerste gezicht kan ogen als een stilistisch bont allegaartje maar tegelijkertijd uitnodigt al die verschillende geoffreerde kanten mee op te denken.

De bundel getuigt van een verscheurd hart. De dichter vindt eigenlijk dat deze wereld er geen is om nieuwe kinderen op te zetten, maar doet wat in zijn mogelijkheden ligt om er toch het beste van te maken (we planten afval aan de deur, / angst in onze kinderen). Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de frustratie van het besef dat hij mee de boel vervuilt (asfalt slaapt nooit rouwt nachtenlang) en de onlesbare dorst naar schoonheid. De natuur krijgt ruimhartig her en der aandacht (zo richt zijn loep zich op niet alledaagse flora als basterdwederik, biestarwegras, duindoorn en zeewolfsmelk), maar niet zonder dat de mogelijkheden der Moderne Techniek worden vergeten (zal ik je vergelijken met een verslaving? // of zal ik je namaken met een 3d-printer [….]).

Roelens heeft oog voor een bos dat een menigte is: een bos slaagt erin ruwweg tevreden te zijn met / spechten en / kevers als knusse / prullaria, maar noteert ook meedogenloos de politicus belegt in / tweets en / dansjes voor de / camera voor de stijgende / hebzucht van een nukkige / achterban. Roelens heeft weet van klassieke poëzie, maar ook van AI.

Her en der duikt in Wildnissen het charmante beeld van zelfgemaakte kinderen op. De fysieke zijn van Roelens, maar de literaire las ik toch echt eerder (en dat zie ik – of ik moet eroverheen gelezen hebben – nergens geduid) bij zijn gouwgenoot Philip Hoorne (cf. Ze heeft alles en alles nog voor zich, / straks een vriendje met een piemel / en zelfgemaakte kindjes die dollen in de zon [….] in diens gedicht dochter). Wel jammer dat juist de herkomst van dit beklijvende beeld niet wordt vermeld in de Bronnenwildnis.

Dat laat onverlet dat Wildnissen een fascinerende, pluriforme bundel is waarin Xavier Roelens zich toont vanuit verschillende invalshoeken van waaruit hij met een bewonderenswaardige regelmaat verrassende perspectieven opent.

Een dappere poging om de caleidoscoop die de alledaagse werkelijkheid is in poëzie te vatten.


Wildnissen, Xavier Roelens, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 9 789025 477868

(Bert Bevers)

Onderkoorts


De debuutbundel van Kris De Lameillieure is beslist niet het werk van een debutant. De roeping, als we dit zo willen noemen, kwam op vijftigjarige leeftijd en de uitgave van deze bundel meer dan een decennium later. Een late en trage bloei dus onder mentorschap van Jana Arns. De lessen werden grondig geleerd.

De bundel is verdeeld in vier delen, ongetiteld, maar alle ingeleid door een gedicht van Miriam Van Hee. Dat geeft het thema aan en brengt ons in de juiste stemming. Sleutelzin voor het eerste deel: de ribben zijn van het geraamte het mooiste onderdeel (Van Hee).

In Moederwezen klinkt de grote trom van de dood:

Wij zijn zonen en dragen dezelfde moeder. We houden
onze hoofden koppig, kijken star en hullen ons in wierook.


In sobere bewoordingen, een weinig onderkoeld misschien, verhaalt de auteur over het lijden en overlijden van de ouders. Uit Haven:

Hoe hij wankel door de kamer laveert een dode hoek probeert,
in het hoofd lij en loef verwart. Hoe hij eb over vloed plooit.


In het tweede deel ‘vakantie’ probeert een koppel een stukgelopen relatie te lijmen, vergeefs zo blijkt. Uit een titelloos gedicht:

Nu braakt de nacht ons uit, blaast luchtbellen
in woorden, legt ijsplaten tussen de ruggen
die we mekaar toekeren.


Het volgende deel spreekt van angst, leegte, zelfgekozen isolatie: men komt immers van alle reis terug:

Geen mens aan wie ik nog kleef
naast kind of kind van een kind.
Voor jou ben ik een traan.
Schud mij van je af nu je nog kan.

Het laatste deel (‘als ik mij kon beveiligen’) brengt uiteindelijk meer licht en kleur, al bestaat er geen blijvende zekerheid.

In ons ligt vruchtbaar land.

Uit het laatste gedicht Licht:

zo loopt hij over straat in aquarellen:
een kleurrijk toeval, een schitterend effect.
……..

In dit kader past hij niet altijjd. Hij wil zand zijn
en verstuiven, regen en verdampen.

En als hij kon: licht.


Over de leer van de ‘vier temperamenten’ hoor je in deze tijd niet veel meer. Volgens deze theorie mogen we de dichter typeren als een melancholicus. Uit het gedicht Onderkoorts:

Om te lachen trek je zonder verpinken /kaken op, de ogen onbewogen….
je laat het netvlies los,/ naait de lippen dicht/ schrijft je testament/
in gedichten.


De dichter heeft veel van zich afgeschreven, schoon schip gemaakt. Dit soort belijdenissen zal niet bij iedereen in de smaak vallen, maar voor wie deze situatie herkenbaar is, voor wie bezig is zich tot op de bodem te laten zakken in de hoop daar iets waardevols te vinden, kan dit een hulp zijn. Afgezien daarvan kan men ook een gedicht lezen om het gedicht zelf, om de klank of de sfeer daarvan, zoals men ook een voorkeur kan hebben voor de melancholische, introverte klanken van de altviool.

De vier gedichten van Miriam Van Hee vormen een waardevolle bonus.


Onderkoorts, Kris De Lameillieure, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 9789464757866

(Cel Vermeulen)


Onwelvaart


Steve Marreyt (1983) is muzikant en taalleerkracht. Onder de naam Edgar Wappenhalter bracht hij in 2024 de elpee ijsschots veenlaag mist uit, een muzikale ode aan de Nederlandse dichter Sonja Prins. Men noemt hem een ‘psych folk veteraan’ uit Brugge. Als dichter/schrijver publiceerde hij voornamelijk chapbooks (kleine uitgaven) via Marktcorruptie en zijn eigen micro-uitgeverij Edities Marreyt. Zijn werk, waaronder het project CISWHITEMALE uit 2018 verkent thema’s als het Antropoceen en gender. In februari 2025 debuteerde hij officieel in de literatuur met de bundel Onwelvaart.

De omslag van de bundel is bruin. Terug naar de oorsprong, naar de aarde. De bundel opent met (leestijd: minder dan twee minuten). Wel bewust tussen haakjes gezet. Een uitnodiging aan de lezer:


Toch nodig ik je uit.
We hebben het zo gewild.
Ik wou hier deel van zijn.
Jij wou hier deel van zijn.


Vervolgens is er een zwart-wit tekening van Natasja Mabesoone. Zelf zegt zij over haar werk: “Het narratieve aspect van mijn werk heeft geen plot nodig. Het verhalende potentieel ligt veeleer in de beelden, de materialiteit, de achterliggende culturele associaties of verbeeldingswerelden, de etymomogische achtergrond.”

Een fragment uit een liedtekst van Walter De Buck is de voorbode van wat gaat volgen: “‘k Zou zo gere willen leven in ne wereld zonder geld Da de niet van schrik moet beven Veur nen oorlog en geweld ‘k Zou zo gere willen leven In ne wereld zonder doel Waar gerekend wordt met schreefkens Geen bankiers en genen boel”

Daarna is het de beurt aan Steve Marreyt. In zes cycli vertelt hij ons waar het al dan niet om gaat. De titels lijken zo geplukt uit het boekhouders- en/of bankiersjargon: Transacties, Koers, Kostelijke affaires, Kapitaal, Geld ist Krieg, Aanmaning.

De titel van de bundel is het tegenovergestelde van ‘welvaart’ namelijk ‘onwelvaart’. En ja je zal voor minder ‘onwel’ worden. De dichter fileert ons huidig bestel en de wereld waarin wij leven op een scherpe manier. Geld en menselijke waardigheid staan voortdurend tegenover elkaar. Hij dissecteert een wereld waarin alles op de weegschaal wordt gelegd en alles ten koste gaat van nog meer (geldelijke) gewin. Met zijn teksten stemt hij tot nadenken, hij houdt ons een spiegel voor waarvan we niet kunnen wegkijken.

De teksten zijn pamfletten. Als ze de omschrijving ‘poëzie’ zouden verdienen dan zou ik ze ‘pamflettaire poëzie’noemen. Het is wel duidelijk dat de schrijver met het presenteren van deze rekeningen wilde afrekenen door te revolteren tegen een maatschappij waarin hij zich niet (meer) herkent. Hij besluit de bundel met aanmaning:

Het is 2025 en ik heb nodig:
money and a room of my own.
Ik twijfel over nog een oorbel.

Ik twijfel over schrijven
tegen identiteit want niks
draait om jou en mij

als we niet eerst de banken
in brand steken en ophalen
wat al lang van ons was.



Onwelvaart, Steve Marreyt, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978 90 5655 212 1

(Frans A. Brocatus)

Kratermond


Zeitgeist! Kunnen we de tijd waarin we leven ten volle begrijpen? Kunnen we er dan nog daadwerkelijk in leven? Vragen die bij me opkwamen na lezing van Kratermond, de tweede bundel van Sara Eelen.

Dat zij zichzelf klimaatdichter en activist noemt en daarmee publicatie en lof oogst is alvast één kenmerk van ‘onze’ tijd.

Bij eerste lezing kwam de bundel mij enigszins vreemd voor, het is even wennen en oriënteren, maar talent is hier vanzelfsprekend aanwezig. Het is duidelijk dat Eelen zich een spreekbuis weet, voorstander van een nieuwe eco-spirituele samenleving, een ‘mondiale’ ethiek.

De natuur komt op de eerste plaats, de aarde zelf spreekt door haar ‘Kratermond’. Dat staat duidelijk te lezen in het inleidende gedicht anomalie (I) in de volgende fraaie verzen:

We zochten niet naar voetafdrukken
liever wetmatigheden die wegleiden van onszelf
hoe de havik neerdaalt
in dezelfde spiraal als de nautilusschelp.
We zoeken de navel, het doorgeknipte koord.


Een ander belangrijk kenmerk van haar poëzie valt af te leiden uit het volgende gedicht Glassnijder (dit blijkt een type libel te zijn).

Ik observeer je aan de rand. Wie van ons het dier
het stilstaand water, stukgebeten glas?


Hier spreekt de wens om te verdwijnen, in de plaats van objectiverende observatie komen empathie en osmose:

Bijt je vast in mijn hals, span mijn trillende bovenlip.
We vliegen in tandem langs een krimpend meer.


Wordt de voortplantingsstrategie van de libel (waarbij het vrouwtje dan toch beslist?) hier vergeleken met die van de mens? Hetzelfde thema komt ook terug in het gedicht Sepia:

Na de paring blijft het mannetje haar volgen
bang dat ze met een ander dezelfde vlucht voltrekt.


Waar de dichter het ook over heeft; een orka die treurt over haar dode jong, aangereden wild, geschonden landschappen, het leven van een foetus, alles wat zich afspeelt tussen man en vrouw, het gebeurt met een fanatieke gerichtheid grenzend aan versmelting. Het vrouwelijke, het grenzeloos moederlijke spreekt hier zo luid dat het deze (mannelijke) lezer soms iets te veel wordt… Een en ander kan leiden tot vergezochte associaties en een beeldende, naïeve typografie, bijvoorbeeld in Het waterbekken, cyclus waaruit ik graag deze mooie zin licht: Hoe wij altijd in beweging, in beweging altijd zijn.

Het vrouwelijke en bij uitbreiding de natuur wordt voorgesteld als het kwetsbare, het geofferde. Maar deze natuur heeft ook nog een ander gezicht, dat van de verslindende moeder, ook in psychologische zin! Ik heb de indruk dat het activistische element soms afbreuk doet aan het talent van de dichter, persoonlijk verkies ik de verzen die minder ‘programmatisch’ zijn.

In het laatste gedicht, meer verzoenend in toon, genaamd Anomalie (II) trof mij de volgende regel:

Waarom niet eens een man die zijn hoofd
in zijn hals legt als een zwaan?


Voortreffelijke gedachte die me brengt bij de Griekse mythe van Leda en de Zwaan. Zeus verleidt (middels transformatie) Leda door schoonheid. Heeft de dichter het zo bedoeld? Geen idee! Maar het gegeven dat schoonheid kan triomferen over ideologie vind ik ronduit prachtig.

En dus… blijf ik ten zeerste benieuwd naar een volgende bundel van Sara Eelen.


Kratermond, Sara Eelen, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam-Antwerpen, 2025, ISBN 978 902 148 8936

(Cel Vermeulen)

Gelukkig de mens....


Ton van ’t Hof is poëzieanimator, blogger (samen met Chretien Breukers startte hij de poëzieweblog De Contrabas op) en uitgever. Na zijn uitgeverij Stanza volgde in 2019 de reeks Gaia Chapbooks. Met zijn debuutbundel Je komt er wel bovenop (2007) verwierf hij bekendheid als flarfdichter. Flarf is een genre waarbij internetzoekresultaten verwerkt worden in of tot een gedicht. Je komt er wel bovenop was trouwens de allereerste Nederlandstalige flarfbundel. In 2009 hebben de belangrijkste Nederlandstalige flarfdichters zich als collectief georganiseerd en Flarf, een bloemlezing, uitgebracht.

Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt is de veertiende dichtbundel van Ton van ’t Hof.

Enig experiment was de dichter in vorige bundels niet vreemd, maar dit is vrij traditionele, keurig vormgegeven, uitgepuurde poëzie. De bundel bestaat uit drie cycli: Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt (16 gedichten), Op den duur moet je toch op iets uitkomen (4 gedichten) en Ik heb meer lief dan ik aankan (8 gedichten), telkens voorafgegaan door een tekening die verschillende stadia van een weg suggereert. Wie de tekenaar is wordt niet vermeld – de dichter zelf? Voor en na de cycli een citaat uit zijn dagboek: Ik wilde eerlijk zijn, gedroeg me als een woudezel en Nam een glas wijn, een imposant glas, als een kathedraal.

De dichter neemt de lezer mee op een reis, op zoek naar een nieuwe bestemming. De vraag is waar je terechtkomt/ in het leven. Ik liep verder, toch een tikje/ verontrust. Een mens is omgeven// door omstandigheden. Een geweldig/ karwei. Zo vaag en bewolkt je gedachten/ de diepte van je bestaan.

Zal een nieuwe liefde en/of een nieuwe omgeving ertoe leiden dat hij zijn bestemming bereikt heeft? Of het zijn definitieve bestemming zal zijn, daar heeft de lezer, en wellicht de dichter zelf het raden naar. Veel relativering, zowel over zichzelf als over het dichterschap:

Een middelmatige dichter/ herken je altijd daaraan/ dat alles klopt altijd.// Is het een introverter type/ en beschrijft hij zichzelf/ dan is het eveneens pure eerlijkheid// wat de stok slaat./ De geniale dichter daarentegen/ is vooral onbegrijpelijk.//Dit is een echt goed gedicht./Je wilt met het lezen ervan doorgaan.

Je mag ervan uitgaan/ dat tamelijk veel mensen/ bij het woord poëzie// aan iets duurs denken/ aan iets dat misschien niet eens/ bestaat.// Ieder mens heeft zo zijn eigen/ wereld. We slepen van alles en nog wat/ met ons mee. Taal die nuttig is/ om de werkelijkheid weer te geven.// En dat je net zo goed de ene/ als de andere kant op bewegen kunt.

In het laatste gedicht lezen we: Met welk woord bedoel/ ik iets anders. Wat niet wegneemt dat hij de lezer vanaf het eerste gedicht op sleeptouw weet te nemen.

Gelukkig de lezer die deze bundel ontdekt, al dan niet met een glas wijn erbij.


Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt, Ton van ’t Hof, Gaia Chapbooks, 2025, ISBN 978-1-326-30187-3. De bundel kan ook gratis worden gedownload op de website van Gaia Chapbooks (gaiachapbooks.com).

(Roger Nupie)

Onvolledig alfabet


Annelie David (Keulen 1959) is dichter en vertaler van Duitstalige poëzie. Zij studeerde dans in Keulen en choreografie in Amsterdam. In 1992 richtte zij de Pure Dance Company op, een collectief van dansers, componisten en beeldend kunstenaars die in wisselende samenstelling vijftien dansproducties maakten. Na 2003 ontwikkelt zij zich als dichter en wordt ze bekroond met de Dunya Poëzieprijs (2004). Ze schrijft essays, vertaalt Duitstalige poëzie. Haar bundel Schokbos (2020) werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2021. In 2013 debuteert ze met de bundel Machandel. Haar centrale thema’s zijn ontheemding en natuur.

De bundel Onvolledig alfabet is voorzien van fraaie tekeningen. Grijsblauw. Tegen een achtergrond van gebroken wit met dunne craquelé-lijntjes. Fijn werk van haar man, filmmaker en graphic novelist, Guido van Driel.

Onvolledig alafabet is een eerbetoon aan haar grootmoeder bij wie ze haar kinderjaren doorbracht op een boerderijtje in Noordrijn-Westfalen. In de inleiding, niet toevallig onder de titel Dahlia, vertelt ze dat haar grootmoeder uit Samland kwam, een schiereiland aan de Oostzee dat nu deel uitmaakt van de Russische exclave Kaliningrad. In de winter van 1944/1945 vluchtte zij met haar vier kinderen, voor de Russen uit, naar het Westen.

Het Samlands dat haar grootmoeder enkel binnenshuis tegen haar sprak is een mengtaal van Jiddisch, Nederlands, Nederduits, Pools, Russisch en Nederpruisisch. In de beleving van David is dat de taal van liefde, warmte en geborgenheid. Een taal ook waarin verlangen naar een verloren wereld en pijn van het gedwongen vertrek doorklinken. Deze taal wekte in Annelie een verlangen naar het vreemde, naar vrijheid en de natuur. Maar ook de taal van schaamte, van de vreemdeling die buitengesloten wordt.

Annelie David opent met twee citaten die meteen de spijker op zijn kop slaan: The seemlingly irrational, illogical choice of words, however, is by nature personal, creating a familiar landscape in which one can exist (Mari Mahr) en Heiss willkommen die Fremden. Du wirst eind Fremder sein. Bald. (Johannes Bobrowski)

Een alfabet waarin letters ontbreken is onvolledig. Er vallen gaten. Je mist klinkers, medeklinkers. Woorden ontbreken klanken. Hoe vorm je zinnen met incomplete woorden? Op papier wordt het een landschap waarin vogels en andere dieren pootafdrukken nalaten als om het verdwijnen tegen te houden. Tekens te geven dat er iets is dat blijft. Iets dat weerbarstig is en onbestemd heimwee oproept. Verleden en heden klinken dieper in een taal die bijna verdwenen is.

Het verdient lof dat de dichter een bijzonder experiment aangaat. De spanningsbogen zitten niet in de gedichten apart maar in het geheel. Je begint te lezen, grijpt terug en leest verder. Annelie David verplaatst de taal naar het midden, de navel van ons zijn en omringt, bouwt een decor met bijna verdwenen en bestaande natuurlijke elementen. Er is geen begin, midden, einde. Het is allemaal midden. Je wordt meegezogen in een wonderlijk mengsel van kleuren, geuren, herinneringen die je naar het nu brengen. Niets, geen taal, verdwijnt als je woorden blijft vinden.

Onvolledig alfabet
, Annelie David, PoëzieCentrum, Gent, 2025, ISBN 978 90 5655 262 6

(Frans August Brocatus)

Heelal en stem van Van de Berge


Claude van de Berge debuteerde in 1968 met de roman De ontmoetingen. Daarna volgden nog een 14-tal prozaboeken, die als poëtisch proza kunnen omschreven worden, waaronder Stemmen (1973), De oever (1975), Ergens zijn (1977), Hiiumaa (1987) en Attu (1988). Vanaf 1988 zou hij zich volledig wijden aan de poëzie - met één enkele uitzondering: in 1990 verscheen nog de roman Aztlan – wat twintig dichtbundels opleverde, waarvan het merendeel verscheen bij uitgeverij P, vaak met illustraties en foto’s van Arlette Walgraef - zoals in de bundels Asland (1998), Arctica (2000), White-out (2004), Kristalschedel (2006) en De vonk (2016). Arlette Walgraef begeleidt meestal ook de literaire lezingen van haar echtgenoot met zang, voornamelijk geïnspireerd door de muziek van Noordelijke culturen zoals de Inuitcultuur en de Lapse liedzang. In 2010 verscheen bij P als de tiende titel in de Parnassusreeks (“een eigenzinnige reeks bloemlezingen van dichters van vandaag”) een bloemlezing van de poëzie van de dichter: Het zwijgende woord, met als inleiding een essay van Jooris van Hulle.

Al vanaf zijn debuut was het duidelijk dat het oeuvre van Claude van de Berge een unieke plaats inneemt in de Nederlandse literatuur. Het meditatieve en mystieke karakter van zijn schriftuur werd meermaals door critici benadrukt. Centraal staat de enkeling die op weg is naar een ontmoeting, die ergens moet zijn. Het is vooral een innerlijke reis die de mens confronteert met zichzelf en een mogelijke confrontatie met de ander. Tegenover de dagdagelijkse en maatschappelijke realiteit biedt de auteur een spirituele bewustwording, vergeestelijking en verinnerlijking.

Na Gebed tot de leegte (2021) en De witte zon van de dood (2023) is zijn nieuwste bundel Heelal en stem, de derde uitgegeven door het Poëziecentrum, opgebouwd uit twaalf cycli. Het heelal is een metafoor voor onbegrensdheid; de stem voor het scheppende element: klank (Zoals een klank door een grenzeloze leegte gaat en/ roerloos wordt in zijn echo?), zang (We verlangen dat onze zang zal zijn als de immense zang/ die voorafgaat aan de grondruis van het heelal.) en woord (Ieder woord is een heelal.). Als beide versmelten worden ze de sleutel tot de universele creativiteit. Uit de versmelting van stem en heelal ontstaat het gedicht. Gedichten die ook liefdesgedichten zijn. We zijn niet wie we zijn./ We zijn wat we verlangen. // We zijn wat we liefhebben.

Uit het laatste gedicht, het zesde van de cyclus Sterrensporen: (…) We zijn gekomen bij de bron van het onzichtbare./ We verlangen de ster te drinken als een helder water/ dat ons uitwist, diep in ons.// In ons verschijnt een aanwezigheid zonder grens,/ in zijn niet bestaande oneindigheid./ Het immense.// We kunnen elkaar niet uitwissen./ We kunnen onszelf niet uitwissen./ We worden uitgewist in elkaar.

We wachten op het gouden getij van het licht in ons. Tot dan kunnen we ons laven aan deze bundel, de twintigste in dit uitzonderlijke oeuvre van Claude van de Berge.


Heelal en stem, Claude van de Berge, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978-90-5655-272-5

(Roger Nupie)

Iets dat op een route leek....


Alja Spaan (Sint Pancras, 1957) schrijft vanaf haar elfde dagelijks zowel proza als poëzie. De bundel Misschien moet alles eerst op tekening hersteld (Watervis, 2017) is haar volwaardige debuut als dichter. In 2018 verscheen Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid (In de Knipscheer). Bij Aspekt kwam in 2021 Losse honden uit. Uitgeverij P bracht in 2023 Het langzaam voorovervallen uit. Vanaf 8 april 2006 publiceert ze elke ochtend een gedicht op haar website. Naast het schrijven organiseert zij Reuring, een taalplatform in Alkmaar. Zij is drijvende kracht achter het literaire e-magazine Meander en ook verbonden aan het Dagboekarchief. Bij de Eenzame Uitvaart Alkmaar is zij bestuurslid en al dan niet dichter van dienst.

Haar nieuwe bundel Iets dat op een route leek en een kaart van de andere wereld opent met: gedichten opgedragen aan mijn moeder. De titel komt uit het gedicht. In het gedicht wordt de titel voorafgegaan door: een koord, gespannen tussen twee wereldeneen verkreukeld papiertje met daarop vaag iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld.

De cover is een schilderij van Hans van Marwijk. Er hangt een mist over de kleuren, de titel staat er middenin, een boom die niet uit donkere aarde oprijst maar uit nevel die trapsgewijs naar boven klimt.

Relaties tussen zonen en vaders, tussen moeders en dochters zijn meermaals complex en vol van onder elkaars schaduw kruipen. We willen niet zijn wat ze van ons willen maken.

In de aanvang herken je nog de duidelijke vormen van een gedicht. Naarmate de bundel vordert groeien de gedichten naar uitgebreidere teksten.Gedichten die zich als verhalen laten lezen. Er is veel mededogen, ontroering, heimwee, melancholie. Wat voorbij is komt terug in andere vormen. Vormen die anders benoemd worden, op andere manieren afgebakend worden, niet meer met vragen maar met antwoorden. De antwoorden zijn de gladgestreken vragen op het verkreukeld papier.

In het afwezig zijn wordt juist de aanwezigheid versterkt. Er zijn geen discussies meer. In de aanvaarding kom je dichter. Luisteren wordt belangrijker als spreken. De luisteraar wordt een vertaler van de spreker. De onderlinge verschillen, de machtsverhoudingen worden geneutraliseerd juist door deze omkering. Zowel de spreker als de luisteraar leggen hun pose af, ze kleden zich uit woord na woord en vinden elkaar niet gehinderd door leestekens, komma’s, puntkomma’s, punten, dubbele punten, vraagtekens, uitroeptekens… Ze staan onbevangen tegenover elkaar. Ze scheppen elkaar niet leeg maar vullen elkaar.

Op een treffende en ontroerende wijze verwoordt de dichter de dochter-moederrelatie. De herinneringen ontvluchten het verleden en stappen het heden in zonder toeters en bellen, zonder opsmuk maar met een tedere, alles omhelzende duidelijkheid.

… en ik hoop dat er een vogel langs
vliegt die zich nestelt in de ene boom daar achter en
dat zijn vleugels zacht genoeg zijn om mijn moeders
oren te strelen…


Iets dat op een route leek en een kaart van de andere wereld, Alja Spaan, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 94 64757 90 3

(Frans August Brocatus)

Het helderst is het waas


Job Degenaar is Neerlandicus en docent met een lange staat van dienst. Zomerschaduw moet ongeveer zijn twintigste poëziebundel zijn. De titel heeft een melancholische bijklank; op de cover staat hij in vette donkerblauwe letters, lichtdoorlatend als de schaduw van een boom. Het is geen toeval; het woord werd geplukt uit het gedicht Weg waarin een oude eik wordt geveld door een man met een kettingzaag:

in een zucht viel zijn lange staat van dienst
die adem gaf en zomerschaduw, hoop en zachte kleuren.


Typerend voor de dichter, die zich mogelijk vereenzelvigt met de eik. Want de dichter is niet jong meer, zo blijkt uit een gedicht dat geen titel draagt maar waarboven een ?-teken zweeft:

Maar die laatste fase van je levensreis met
aan weerszij hagen die het zicht ontnemen
opgaand in een steilte van steen.


De bundel bestaat uit drie delen: In dit licht, herinneringen, observaties en reflecties in verband met de eigen omgeving. Vervolgens De lange adem van het licht, een cyclus over IJsland, om af te sluiten met Speedlight (dubbelzinnige titel?) bevindingen en sensaties in het Portugese landschap.

Dit alles roept de sfeer op van het voorbije en het onvatbare, het zijn mijmeringen soms tot op de grens van landerigheid of existentiële verveling. Niet alles komt even goed uit de spreekwoordelijke verf maar dat is waarschijnlijk ook niet de bedoeling: het gedicht Mirnsen Klif vandaag begint als volgt:

wat wazig is vandaag was gisteren nog helder om te eindigen met:
het helderst is het waas dat over alles ligt


Maar het is niet al sfumato en dissectie van licht wat de klok slaat: In Amsterdam, in vogelvlucht vlamt plots een contrasterende wereld op:

In de pislucht van een tochtsteeg zigzagt tussen de peuken, naalden
en lachgashulzen een éminence grise met groenpaars kopje
schoksgewijs naar alle kanten plechtig pikkend
naar wat geen zaden zijn of kruimels


De dichter haalt echter geen heilige of onheilige huisjes neer (is alles niet al neergehaald?), blijft doelbewust toegankelijk, relativerend, lijkt zich te conformeren aan de tijdsgeest.

Onopvallende hoogtepunten in de bundel staan er mijns inziens aan het begin en het einde van de bundel, zich door hun cursivering onderscheidend van de rest. Licht telkens anders, en toch hetzelfde, mag dan het algemene thema zijn, in de marge staan de twee gedichten over de zon, de bron van het licht. Vooraan in Schaduwcantharel groet morgenzon:

……….hij geeft me omhelzend
de volle laag, zijn diepschuine, witgouden missie
spat mijn wereld open en die van de op mij aanstormende
schimmen tussen wie ik zwenkend mijn weg zoek


en in het laatste gedicht, De zon en ik:

In zijn licht zijn woorden vluchtig, hij laat me achter
in een vraagteken, ik kan me doodschrijven over hem

maar hij schijnt onvermoeibaar door
dus hou ik op afstand de relatie scherp

Op de binnenzijde een foto van de dichter; een gebruind gezicht, getaande huid, lange grijzende haren, even meende ik een van de oude Azteken of Maya’s voor mij te zien.


Zomerschaduw, Job Degenaar, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 946 4757668

(Cel Vermeulen)


Onderdak


In de verzamelbundel Onderdak wordt zo’n 35 jaar dichterschap van Joris Iven in beeld gebracht. In een uitgebreide voorbeschouwing licht professor Dirk De Geest de poëzie van Joris Iven toe. Onder een aantal rubrieken geeft hij tekst en uitleg bij de verschenen bundels. Een lezer wordt dichter. Poëzie en gemis. De fotograaf en de dood. Wandelen langs het water. De herinnering en het verhaal. Verhalen. Kunstenaars onder elkaar. Onderweg steeds weer onderweg.

Dirk De Geest noemt de dichter een eigentijds romanticus, een dichter die wordt gestuurd door zijn dromen en zijn verlangens, maar die zich er tegelijk van bewust is dat die slechts deels of helemaal niet kunnen worden gerealiseerd. Deze tweespalt tussen verlangen en realiteit is de basis waarop de poëzie van Joris Iven zich ontwikkelt. Romantisch is de obsessie met het onvolmaakte van het bestaan en de niet te stillen honger naar het absolute. Poëzie is in dit kader een toevluchtsoord, dat als alternatief voor de banale wereld geldt.

De titel Onderdak verwijst naar het beroemde vers van J. J. Slauerhoff: Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak.

Bij de opening van de bundel stelt Dirk de Geest: “Onderdak, een eeuwig onderweg?” Daaronder een citaat van Gerrit Komrij “Poëzie is geen tijdelijk onderdak, poëzie is kost en inwoning.”

Het laatste deel van de verzamelbundel bestaat uit ongepubliceerde gedichten onder de titel In de bas-fonds van een aartsengel. Gedichten geschreven met als leidraad de figuur van de Belgische architect en vertegenwoordiger van de art nouveau, Victor Horta. De dichter neemt je bij de hand en voert je langs de gebouwen. Zij zijn het decor van wat er in of voor gebeurt.

Hortagalerij

1

Samen met haar zie ik wat zij ziet,
als ze vanop de begane grond

de brede trappen naar beneden neemt
en het zenitale licht haar door de haren vloeit.

Wie deze galerij binnenloopt, loopt zo vaak verkeerd.
Hij denkt op een perron aan te komen,

waar hij op een trein kan stappen,
maar niets is minder waar.


Een keuze maken is moeilijk. Kiezen is altijd ook een beetje verliezen. Doorheen de bundels zie je dat de dichter experimenteert met vorm en zegging. Sommige gedichten beginnen als verhalen maar verbergen, noodzakelijk voor poëzie, een verrassend beeld, een ongewone waarneming.

Uit alle bundels heb ik mijn voorkeuren en die gaan meer naar de strak gecomponeerde bundels. Strakke composities geven meer ademruimte. Ik hou van witregels die vaak veelzeggend zijn. Ik heb nood aan stilstand. Bij deze bundels noem ik: Galerie de Taxus (1987), Splijt ons (1994), Sluiter/sluier (2009), Braziliaans blauw (2018) en Stabat filius (2016). Met deze keuze wil ik de overige bundels echter geen onrecht aandoen.

Onderdak is een treffende keuze uit het oeuvre. Om te lezen en te herlezen. Het pleit absoluut voor de dichter dat hij in zijn gedichten het experiment niet schuwt. Het moge duidelijk zijn dat er in zijn huis vele kamers zijn.


Onderdak – Parnassusreeks 23, Joris Iven, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 94 64757 32 3

(Frans August Brocatus)

De doden niet meer tellen


Op zaterdag 3 mei 2025 waren Lucienne Stassaert en Bart Stouten te gast in ‘Het Schooltje’ van de Sint-Pauluskerk in Antwerpen. Van Lucienne Stassaert werd Alle eindige dingen openbaren oneindigheid voorgesteld, haar vertaling van poëzie van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke. Katelijne Boon leidde de recentste dichtbundel van dichter en jarenlang presentator bij KLARA Bart Stouten in: De doden niet meer tellen. Dat alles werd muzikaal voortreffelijk omkaderd door pianiste Eliane Rodrigues.

De doden niet meer tellen is de dertiende bundel die van Bart Stouten verschijnt bij Uitgeverij P. Bij dezelfde uitgeverij verscheen in de Parnassus-reeks ook een bloemlezing van zijn werk: Onder de avondklok van de liefde (2018).

De nieuwe bundel is één lang prozagedicht. Bart Stouten reisde in de winter van 1982 (toen Brezhnev de plak zwaaide) naar Moskou, gefascineerd door de iconenschilder Andrej Rublev. Die herinneringen worden poëtisch verweven met de actuele wereld waar steeds meer oorlogen opdoemen. Met als kernfiguur de anonieme soldaat: een held, een vriend: De oorlog zal jaren duren./ De pijn zal eeuwig blijven./ Wie ben je, onbekende soldaat?/ Waar kom je vandaan, Vlad?/ Jouw stad? Je ouders?

De dichter tast thema’s als dood, geloof, kunst en vrijheid af. De tekst is doorspekt met citaten van of verwijzingen naar zowel mythologische personages (Homeros, Aeolus, Ares - god van de oorlog) en politieke figuren (Brezhnev, Lenin, Poetin, Donald Trump, Zelensky) als artiesten uit de populaire muziek (Harry Secombe, Vera Lynn, Elton John), dichters (Konstantínos Kaváfis, Fernando Pessoa), plaatsnamen, een mantra uit de yoga-traditie… Dat alles is welbewust en smetteloos geïntegreerd in de tekst én wordt toegelicht, gelukkig niet in voetnoten achteraan de bundel, maar rechts meteen naast de plaats waar ze zich voordoen.

HET DODENTAL IS GESTEGEN TOT VIERHONDERDDUIZEND/ terwijl de president een vergadering belegt/ over het economisch beleid van zijn land./ Ze zullen een subsidieprogramma bespreken/ voor kleine en omvangrijke bedrijven.

Doorheen de tekst neemt de beklemming toe en wordt het dodental vermeld: van vier (pagina 13) tot zevenhonderdduizend (bladzijde 38), tot de melding “IK KAN DE DODEN NIET MEER TELLEN” in de rest van de bundel geregeld herhaald wordt. Tenslotte eindigt dit prozagedicht met “IK KAN DE DODEN NIET MEER TELLEN. MAAR WEL DE OORLOGEN”.

Duizenden burgers komen om het leven,/ maar dat doen ze al dagen-,/ weken- , maanden-,/ nu al jarenlang.

Alsof soldaten een wanhoop meedragen/ die ze proberen te verbergen,/ verliezen ze zich in een levensagenda/ die ik beter moet leren doorzien./ Hun oorlog is niet die van de media.

Enig engagement was Bart Stouten al niet vreemd. Hij schreef eerder een roman over het lot van een Oegandese vluchteling: Liefde en andere overvloed (Uitgeverij Vrijdag, 2019) en vorig jaar verscheen bij Uitgeverij Pelckmans Zonde van de hemel, een brief aan een jonggestorven dakloze in Tokio. De doden niet meer tellen is een prestigieuze, overtuigende en geslaagde poëtische aanklacht die we beslist tot zijn belangrijkste publicaties mogen rekenen.


De doden niet meer tellen, Bart Stouten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-76-7

(Roger Nupie)

Voetafdruk van stilte


Hanna Kirsten (1947), pseudoniem van Johanna Bral, publiceerde zeven gedichtenbundels. Haar eerste gedichtenbundel Adem van vogels verscheen in 1973. Later volgden Elders wonen (2003), Korst en kruim (2005) en Hoe sterk is de hechtzijde (2007). Ze was gedurende tien jaar werkzaam als lerares Nederlands en Verbale Expressie in Antwerpen. Ze schrijft ook poëtische teksten bij de schilderijen van Mia Goovaerts. Tussen 1983 en 1997 maakte ze samen met haar man, wijlen Hendrik Brugmans, reizen door en voor Europa. De levensgeschiedenis van haar man schreef ze op in Wij, Europa (Kritak-Meulenhoff 1988).

Het omslag van de bundel is sober, geheel in de stijl van Uitgeverij P. De bundel bestaat uit zeven cycli: Raap je stem op, Uit de tijd en zo dichtbij, How News must feel when travelling, Jy is my liefling en ek is so bly, Kom dan mijn beste vader, zet u op mijn rug, De herinnering aan goede ogenblikken en Levende steentjes. De titels van de cycli komen onder andere uit gedichten van Emily Dickinson, Breyten Breytenbach, Wislawa Szymborska. De cyclus Levende steentjes is een verwijzing naar een tekst van Hanna Kirsten, geschreven bij schilderijen van Mia Goovaerts, eerder gepubliceerd in Liefdeknoop. Naast de algemene opdracht zijn er ook gedichten opgedragen aan onder anderen Marleen de Crée en Renaat Ramon. “Woorden en stilte zijn mijn materie, mijn bron in het bestaan” zegt de dichteres. Een bron waar ook deze bundel aan ontspringt.

Ofschoon de bundel in cycli is onderverdeeld kom je als je alles achter elkaar doorleest in een soort trance, een uiterst precieze verstilling. Ze gebruikt geen bombastische beelden, schijnbaar achteloos maar achteraf weldoordacht plant ze haar woorden in, wat uiteindelijk gedichten worden. Al wat opsmuk en overbodig is, is geschrapt. In deze gedichten staat de essentie, een punt waar de dichteres naar toe leeft en geleefd heeft. Onder de woorden schuilt heimwee en gekoesterd maar geen beladen verdriet. Bijzonder zijn ook de in memoriam gedichten voor mance post, jelle abma, tich walker, hajo izaäk johannes wildschut (alle namen geschreven zonder hoofdletters):

i.m. mance post
….

verlangen naar sneeuw
vult de witte plekken
van een leemte

Ze schrijft zorgvuldige en intieme gedichten over ouder worden, over liefde, gemis, vriendschap, seizoenen en kinderen en toont zich in haar actuele gedichten over covid, asielzoekers, discriminatie ook als fijngevoelige, warme, geëngageerde dichter:

wit en roze wiegen bloesems
in haspengouw
tractoren, bloesems en bijen
worden gewijd

tegen nachtvorst
cirkelen helikopters boven
de bloemenzee

opgesloten in het laadruim
of in lekke sloepen
haken duizenden
naar het land van belofte

de middellandse zee
zwijgt

in zakken
witter dan het wit
van perenbloesems
de rij van lichamen
op een onbekende kust

Haar gedichten spiegelen zich in het citaat van Marleen de Crée:

De stilte, Hanna, is het woord willen en
zonder het woord kunnen we niet zeggen
dat we de stilte liefhebben.


Voetafdruk van stilte, Hanna Kirsten, Uitgeverij P, 2025, ISBN 978 94 64757 72 9

(Frans August Brocatus)

Een dichter zonder grenzen


Dichter-criticus Willem M. Roggeman werd onlangs 90. Collegadichter Guy van Hoof stelde Andreas van Rompaey voor naar aanleiding van deze verjaardag een huldeboek samen te stellen. Beide heren leverden bijdragen. Guy van Hoof met Willem Maurits Roggeman, over de poëzie van Willem; Andreas met maar liefst drie bijdragen: Uitbeelding van de verbeelding, over de romans van Willem M. Roggeman, Op zoek naar Atlantis en Interview over interviews, over Roggeman als interviewer.

Andreas Van Rompaey studeerde taal- en letterkunde. Met zijn belangstelling voor de naoorlogse Nederlandstalige literatuur leverde dat tot op heden een aantal interessante publicaties op. Zo verscheen de biografie Paul de Wispelaere, Bruggenbouwer (Zorrobooks, Damme, 2020), de essaybundel Verhalen in perspectief (Eburon, Utrecht, 2021), De literaire roeping (Les Iles, Elzele, 2023), een interviewboek met aandacht voor zeventien auteurs en de monografie De detective ontmaskerd (Gaia Chapbooks, Leeuwarden, 2025). In 2022 stelde hij de poëzieverzameling Johan Sonneville. Letaal samen (Uitgeverij C. de Vries, Antwerpen/Rotterdam). Samen met Renaat Ramon, Willy Tibergien en Lieve Terrie heeft hij AᗡᗞA - cahiers voor concrete & visuele poëzie opgericht.

Het huldeboek opent met gedichten, drie opgedragen aan Willem: Honderd nabij van Renaat Ramon, Willem M. Roggeman weet het van Hendrik Carette, Het onderbewuste van Guy van Hoof, die ook zijn gedicht The Modern Jazz Quartet aan hem opdroeg en tenslotte een gedicht van Willem zelf: Zo spreekt alleen een dichter

Na de inleiding van Andreas volgen dan de bijdragen, waarvan sommige niet eerder verschenen zijn, die zowel het dichterschap van Willem als zijn reizen, zijn belangstelling voor jazz en zijn erkenning in het buitenland (De ontvangst van Willem M. Roggeman in Bulgarije, een tekst van Aneta Dantcheva-Manolova) belichten. Actrice Alice Toen, net als Willem nog superactief op hogere leeftijd - op haar honderdste bracht ze voor het eerst een CD uit, Een eeuw van Toen - heeft het over Willem als toneelschrijver. Van Paul de Wispelaere werd de tekst Willem M. Roggeman als criticus opgenomen. Jos Buurlage heeft het over de schrijversinterviews van Roggeman, die eerst in het tijdschrift De Vlaamse Gids werden opgenomen (waar Roggeman redacteur van was) en op een paar uitzonderingen na in de zes bundels Beroepsgeheim die van 1975 tot 1992 verschenen.

Na de bijdragen zorgde Andreas voor een bibliografie van Willem en kregen alle medewerkers een korte bio mee. Het boek is verlucht met een fotokatern. Ook nu heeft Andreas Van Rompaey uitstekend werk afgeleverd met dit huldeboek. Deze uitgave heeft als doel om zoveel mogelijke aspecten van Roggemans oeuvre te belichten, lezen we op de flap. Daar is hij prima in geslaagd.

Tot slot deze bedenking van Peter-Holvoet Hanssen: Willem M. Roggeman: hou koers, naar de Kaap van Honderd! Zo graag wil men de melancholische man-rog naar de randgebieden van de vergetelheid verdringen, maar hij is de beste vriend van zijn schaduw, hij blijft tot nader order poëziewolken uit de hemel snijden.


Willem M. Roggeman, een dichter zonder grenzen, Andreas Van Rompaey, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2025, ISBN 978-94-92519-98-6

(Roger Nupie)