Ik spreek in taal


Onder de overkoepelende term ‘podiumpoëzie’ gaan verschillende genres schuil. Er is zelfs sprake van begripsverwarring. Performance, slam poetry en spoken word zijn de bekendste vormen, maar ze worden vaak door elkaar gebruikt. Hun gemeenschappelijke kenmerk is de oraliteit, al verschillen ze subtiel van elkaar. Spoken word is een vorm van voordracht waarin ritme, klank en emotie weliswaar beklemtoond worden, maar waarbij de tekst centraal blijft staan. Bij performance staat de tekst minder centraal en spelen gebaar en enscenering een even belangrijke rol. Slam poetry is dan weer de wedstrijdvorm van spoken word.
Benzokarim (1996) is een uitstekend voorbeeld van een sterk ritmisch ingestelde spoken word-dichter. Via deze link kan je hem horen voorlezen:
https://www.youtube.com/watch?v=Eb2345-SO3k&t=188s
Het eerste gedicht uit deze lezing, Geen/Niets, vinden we terug in de bundel ons gaan allemaal. Ook bij lezing behoudt dit gedicht zijn spankracht, onder meer doordat de voor de dichter kenmerkende herhalingen zorgen voor een dwingend ritme. Toch hoor ik vaak zeggen dat dit soort poëzie in geschreven vorm niet erg ver reikt en weinig aan poëzie te bieden zou hebben. Natuurlijk hangt alles af van wat men van poëzie verwacht. Wie van een gedicht eloquentie, correct Nederlands of een alomtegenwoordige esthetisering verwacht, komt bedrogen uit. Dat zal deels ook de bedoeling van de dichter zijn. Het Nederlands wordt ontwricht; meer dan eens blijft er van de syntaxis weinig overeind. Er wordt gestotterd. Toch spreekt uit deze teksten een geladen expressiviteit, op het randje van het explosieve.
Dat schrale taaltje fascineert. Je begint te lezen en houdt er niet meer mee op. Het probleem is duidelijk: ik voel in taal/ik spreek in taal/ik zelf denk in taal/van onderdrukkers/ik wil taal kapot/taal nieuw/maar taal wil mij niet/als Nederlander mijn vader in 1982. Elke dichter zoekt een andere taal. Benzokarim doet echter meer: hij verweert zich tegen het Nederlands, de taal van de onderdrukker. Voor deze dichter wordt die taal een eigen ‘mix van Nederlands, Arabisch, Afrikaans en Engels’, zoals hij zelf achteraan in de bundel noteert. Die taal impliceert een zoektocht naar identiteit: ik ben een lost soul/ik roep enkel en alleen vragen op. Een van die vragen luidt: wat voor iemand is die ‘ik’ eigenlijk, want ik ben zelf nog kwijt. Daarmee worden meteen ook maatschappelijke normen in vraag gesteld, zoals in het onderstaande gedicht Duif. Alles speelt zich af tegen een eerder pijnlijk aanvoelende particuliere achtergrond: de motieven vader, moeder, broer en zus duiken regelmatig op. Zijn schrijfdaad motiveert hij als volgt: de strijd aangaan is er een tegen de verleiding tot dwalen.

Zeker, niet alles heeft me weten te bekoren, maar toch hebben deze gedichten me door hun intensiteit verrast en verward. Spoken word of niet: dit is uitermate beklemmende poëzie die terecht met de Jan Campert-prijs werd bekroond.

Duif

de duif gezicht
doet denken aan witte vrouw gezicht
kijkt mij aan gezicht
dan naar zusje gezicht
hoofddoek gezicht

omdat zij blote voet op het land
zij denkt vrij beweeg

mijn zusje altijd vrij beweeg
zij kinderen lesgeeft
in taal geeft
om bij ouderavond uit te leggen
aan man van witte vrouw wat mansplainen betekent



Ons gaan allemaal, benzokarim, Thomas Rap, Amsterdam, 2025, ISBN 978 94 004 1192 0

(Alain Delmotte)

Dan strekt de zee in me door


Tom Veys (45) studeerde taal- en letterkunde. Hij is actief als dichter en als recensent bij Meander. Eerder verschenen gedichten van hem in tal van verzamelbundels. Hij vertaalde in 2022 de gedichtenbundel Pandemie van de Amerikaanse dichter Richard Harteis en werd daarvoor onderscheiden met de Valentin Krustov Award for Translation. Samen met Daniël Billiet is hij de oprichter en drijvende kracht van Woordentij, een literaire vereniging die mensen met poëzie verbindt.

De tekeningen in de bundel, de omslagillustratie en de auteursfoto zijn allemaal van de hand van Tom Veys. Woord, beeld en daarbij muziek intrigeren hem. De bundel omvat vier cycli: Dierentaal, Doorgewerkt, Verinneringen en Voorbij het weten, die respectievelijk zes, elf, zestien en acht gedichten bevatten. De bundel opent met een dankwoord aan zijn ouders, familie en aan allen die hem gesteund hebben bij dit project. Het openingscitaat: Wat zou het leven zijn als we geen moed hadden om iets te proberen? komt uit Een leven in brieven van Vincent van Gogh, de schilder die ook prachtige brieven kon schrijven.

Twintig jaar na zijn eerste gedicht brengt Tom Veys zijn debuutbundel. Hij opent met een verrassende tekst Uit het dagelijks leven: het is tijd voor een weg, daarginds loopt een weg, ik kan niet altijd blijven praten, ik hoor stilte in een evenwicht, kijk, daar is een ster. Met deze woorden opent de dichter de deuren naar zijn wereld.

In het schijnbaar achteloze schuilt het meest subtiele. In de omkeringen gaat de dichter op zoek naar zichzelf. Uit de beelden die hij registreert distilleert hij zijn taal. Een taal die deuren eerst op een kier zet om ze daarna helemaal open te duwen. De wereld die de dichter schept is een universum dat omringt en doordringt. Vogels, meeuwen, een duif worden zichtbaar door zijn woorden. Hij zegt zelf: de dieren in ons spreken boekdelen. Al lezende ervaar je een bijzondere intimiteit door de dichter geschapen uit en met eenvoudige woorden en herhalende beelden. Referenties naar de Bijbel voeren je ook mee in dit soort verstilling en religiositeit. (Zondvloed, Geen zondvloed, Het kerstverhaal houdt ons in de ban, Diefstal van een wijngaard, Bij een tekst van Lucas, Een uitzonderlijk scheppingsverhaal…) De dichter is naast een zoeker ook een beschouwer, wat hem omringt kleedt hem. Hij draagt de woorden naar de beelden en omgekeerd. Iets van de bijzondere eindige oneindigheid maakt deel uit van hemzelf:

Zondvloed

Ik stel voor dat alle rivieren
een weg vinden. Ze vloeien
samen in een delta.
Oneindig is de zee met haar armen.

Soms hap ik naar adem, ik blijf
zoeken naar beelden.
In het water bellen woorden op.
Kijk, daar is een vogel,
een duif signaleert een redding.

Stel je voor dat we elkaar
vinden in oneindigheid,
in stilte. Dan strekt
de zee in me door.


(uit de cyclus Dierentaal)


Dan strekt de zee in me door, Tom Veys, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers Antwerpen / Rotterdam, 2025, ISBN 978 90 6174 992 9

(Frans August Brocatus)


We willen je alleen beschermen


Truus Rozemond is psychologe en publiceerde regelmatig over haar vakgebied. Haar korte verhalen en gedichten werden opgenomen in diverse bundels. Als romancière debuteerde ze in 2015 met Een verwaarloosd huis. Met telkens twee jaar ertussen verschenen daarna Tussenruimte (2017), De vorm van Ierland (2019), Weg uit de armoede (2021) en De langstlevende (2023). Weeral twee jaar later is er haar nieuwste psychologische roman, We willen je alleen beschermen (2025).

Hoofdpersonage is de gepensioneerde Anna, vrijwilliger in de culturele sector, die een relatie heeft met een ex-studente, de veel jongere Diana. Bij het bezoek van Anna en Diana aan een expositie moet Anna zich tegenover een bemoeizieke vrouw verantwoorden over het feit dat ze een relatie heeft met Diana en ook kinderen met haar heeft: Verbijsterd vraagt Anna zich af hoe ze zich door een onbekende vrouw zo met vragen heeft laten bestoken, als was het een interview voor een roddelblad of een juicekanaal. Ze was toch juist beter geworden in het bewaken van grenzen, mensen van zich afschudden? Diana reageert hier anders op: Binnen ventileert Diana haar verbazing over het gemak waarmee Anna zich ter verantwoording laat roepen door een vreemde vrouw.

Dit voorval – samen met een toneelstuk dat ze heeft bijgewoond en dat haar triggert – is de aanleiding (ook de titel van het eerste hoofdstuk) om te trachten in het reine te komen met zichzelf door haar verleden met haar familie neer te pennen in een dagboek tijdens de week dat Diana op studiereis vertrekt naar Bologna. August Oklahoma van Tracy Letts is een tragikomisch, herkenbaar en aangrijpend toneelstuk dat het verhaal vertelt van een familie die verscheurd wordt door geheimen en onvervulde verlangens en waarbij drie generaties nietsontziend de confrontatie met elkaar aangaan. Niet toevallig koos Truus Rozemond een citaat uit dit toneelstuk als motto voor haar roman: Nee, jullie zijn niet bezorgd. Jullie willen alleen weten wie je de schuld moet geven.

De moeilijke en nooit ongedwongen relatie met haar ouders en familieleden heeft zijn sporen nagelaten. De reacties op een doodgeboren kind van Anna en Diana bijvoorbeeld zijn bijzonder pijnlijk. Hoe schrijnend deze duik in het verleden ook is, Anna zet dit alles op een serene manier op papier, alsof ze zelfs het waarom van de redenen van het onmogelijke, of op zijn minst gecompliceerde gedrag van haar familieleden wil begrijpen en daar ligt ook de kracht van deze roman. Ik zie me weer zitten, twaalf jaar, een in zichzelf gekeerd kind met een pokdalig gezicht en vet haar./ Ik ben een onmogelijk kind, dacht ik, ze weten zich met mij geen raad./ Ma had geen kinderwens, maar ze wilde Pa niet kwijt, dus was ze overstag gegaan bij zijn verlangen naar een gezin./ Ze zag haar moeder steeds meer als labiel en gestoord. Door haar directe stijl weet Rozemond haar lezers mee te nemen in deze sterke en knap uitgekiende roman.


We willen je alleen beschermen, Truus Rozemond, Uitgeverij Magonia, Utrecht, 2025, ISBN 978-94-9224-1863

(Roger Nupie)

Traagkracht: verstillende bundel


Ann Van Dessel (1961) is dichter en schrijfdocent. Traagkracht is haar vierde solobundel. Eerder verschenen bij Uitgeverij P Een kei in duren, Toverstroming en Als de lucht valt. Samen met andere dichters schreef zij Een kier in het rumoer, Lopen op los zand, De ogen van de uil en Veelvoud van een eiland (Obsidiaan). Deze bundels verschenen ook bij Uitgeverij P.

Haar gedichten zijn naar het Frans vertaald door Bernard de Coen (1965). Hij schrijft haiku, essays en vertaalt poëzie. Van hem verschenen Les bourraches en de tweetalige haiku-bundel Tiens. Voor Uitgeverij P vertaalde hij een aantal publicaties. Daar verscheen ook zijn haiku-bundel Ontkoppelingen 1.

De kleurrijke illustraties in de bundel zijn eveneens van de hand van Ann Van Dessel.

Op zoek naar rust en stilte meldde Ann zich een decennium geleden in het gastenverblijf van de Abdij van Orval. Daarna keerde ze elk seizoen weer. Elke zomer neemt ze met yogadocente Petra Elberse mensen mee op schrijf- en yogaverblijf om te vertragen, te luisteren en thuis te komen in eigen lijf en woorden.

De titel van de bundel Traagkracht werd bedacht door Elke Grisar, die ’s zomers mee naar de Abdij trekt voor de vijfdaagse bespiegeling In verbinding met jezelf (cursus intuïtief schrijven en Yoga). Het is een cadeau van Elke aan Ann.

De bundel bestaat uit vijf cycli: Eiland van eenvoud, Het kloppen van het klooster, Het bos heeft geen naam, Dialoog met de ootmoed en De vliegende draak in onze aderen. Sommige gedichten hebben een titel, andere niet. Er worden geen hoofdletters gebruikt. Komma’s en punten zijn de enige leestekens, soms zijn er helemaal geen leestekens.

Waarom de vertalingen in het Frans in een veel kleinere letter gezet zijn is mij een raadsel. Dat had voor mij niet gehoeven. Als schaduw voor de gedichten in het Nederlands is het natuurlijk perfect.

De gedichten laten zich lezen als gebeden. Je voelt als het ware de verstilling van de abdij. Vogels zorgen voor ondertiteling. Bomen en natuur zijn een veilige cirkel rondom de geluidloze voetstappen doorheen de abdijgangen. Licht is zalvend gezelschap in de kamers. Titels zoals zwijgland, in de stilte klopt het klooster, de stilte, jonge vrouw aan tafel, als er geen tijd meer is, handleiding van eenvoud, de sleutel van het bos en ’s nachts hoor ik je kijken geven ruimte aan de bespiegelingen die volgen, de blik naar binnen gericht. Op een eenvoudige manier worden woorden samengebracht tot een verhelderend zwijgen. Niets waagt het om te komen storen. Bomen, die geacht worden levenloos te zijn, zorgen voor een aparte dimensie in de allesoverheersende stilte. Lees op bladzijde 36

Beste oude beuk bij de vijver
….
Ik kom graag bij je langs. Zodra ik je een hand geef, vul je mijn hart met je wijsheid. Je laat me toe. Te kijken naar wat onderhuids beweegt.
….


Een bijzondere, verstillende bundel die ontzinning en bezinning sacraal samenbrengt.


Traagkracht, Ann Van Dessel, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978 94 64757 91 0

(Frans August Brocatus)

Dartel donkergrijs


Mereie de Jong is vertaler van onder meer gedichten van Rilke, Verlaine en D’Annunzio. In Wat ik ook schrijf treedt zij ook als dichter voor het voetlicht, daarbij op pragmatische manier gebruik makend van klassieke vormen, voornamelijk het sonnet.

Contrasterend met de vorm is de inhoud van haar werk volledig eigentijds behalve dan de verzen die gegroepeerd zijn onder de titel reflecties, geschreven naar Poe, Baudelaire en Horatius. Deze gedichten verschenen reeds eerder in reeksen uit Vertalersweelde, meer info daarover is te vinden achteraan in de bundel onder Verantwoording. Hoe voortreffelijk ook, ik concentreer me op haar eigen thema’s en persoonlijkheid.

De bundel is verdeeld in zeven deeltjes, achtereenvolgens de weemoed, de wereld, de mensen, de plaatsen, de familie, de reflecties en de rest, telkens tussen de drie en negen gedichten lang. Merk op dat de titels haar inspiratiebronnen duidelijk maken.

Het openingsgedicht Antraciet is meteen een schot in de roos. Wie zich vragen mocht stellen bij de cover en vormgeving van de bundel krijgt hier een antwoord. In het eerste kwatrijn klinkt het als volgt:

Niet zwart, niet wit, maar altijd antraciet.
Mijn leven danst, in dartel donkergrijs.
Ik huppel op een asgekleurde wijs.
Een andere nuance ken ik niet.
…….


om te eindigen met

Ik zwelg in antraciet gemuggenzift.
Gelukkig is er lippenstift.


Daarmee is de toon gezet, letterlijk en figuurlijk: de cover heeft de vereiste grijstint, de titel springt er in het rood uit. Ook de drukinkt heeft de aangewezen tint meegekregen, bovendien zijn de bladzijden lichtdoorlatend zodat alweer een grijstint wordt toegevoegd. En dan is er op de achterflap nog de foto van de auteur zelf! Inhoudelijk maken we kennis met haar sarcasme, ironie en humor, maar dit alles staat wel degelijk in het teken van de weemoed.

In de wereld en de mensen levert de auteur zowel genuanceerde als onbarmhartige kritiek op de omgeving. Een blad voor de mond nemen is er niet bij; Millenials en gen Z., thema’s als dysforie en valse profeten komen aan bod, het levert gedichten op die verfrissend brutaal zijn in een door eufemismen geteisterde en zichzelf voor ‘warm’ uitgevende samenleving. De wereld wil bedrogen worden, dus laat haar bedrogen worden, zegt ze in het latijn. Verschijnselen uit de popcultuur genieten volop haar aandacht en duiding. Ook in de plaatsen (voorzien van enkele prikkelende foto’s) is dit het geval, maar behalve erotiek, rock’n’roll en glitter bespeurt men toch ook enige nostalgie bijvoorbeeld in Miami.

In de familie vier sterke gedichten. Na het rauwe relaas van een broertje dood volgt het ontroerende Sanne, want neen, de hoop is niet dood, zelfs het antraciet moet wijken voor een bloesem van een kind:

Al weten de tirannen niet van wijken
en is geen brandhaard een-twee-drie geblust
toch zal de zwarte gal ons nooit bereiken
nu wij de roze wolk hebben gekust.

Ze vindt het niet de moeite om te kijken
naar al dat vreemde volk en slaapt gerust.
Die wereldvrede gaat vanzelf wel prijken
aan elke horizon, denkt ze, en sust

ons allen, die zich bitter slechts vermannen
‘We doen het samen, niemand is alleen’
lijkt ze te willen zeggen, heel ontspannen.

Haar universum is volmaakt sereen.
Blijf lachen om die strijdende tirannen,
want kleine Sanne slaapt er dwars doorheen.


De twee laatste delen zijn het reeds vermelde de reflecties en de rest, bestaande uit enkele minder gemakkelijk te klasseren gedichten waaronder het geestige Niet meer vet of, over hoe zelfs vet haar kan inspireren.

Samenvattend mag ik zeggen dat ik deze bundel met plezier gelezen en herlezen heb; een pittige bundel die er uitspringt als lippenstift tegen een grijze achtergrond.


Wat ik ook schrijf, Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2026, ISBN 978 9083 023 090

(Cel Vermeulen)


Staat van genade


Matthias Haeck (Gent, 1970) is dichter en ondernemer. De bundel Staat van genade is zijn debuut. Eerder verschenen gedichten van hem in Het Gezeefde Gedicht, de Gedichtenwedstrijd en in een aantal bloemlezingen. In 1989 schreef hij zijn eerste gedicht voor zijn lief en toen bleef het bijna twintig jaar stil. Door het verlies van een dierbaar familielid nam hij de pen terug op en schreef toen een schriftje vol met gedichten. Omdat hij richting miste viel hij opnieuw stil. Een toevallige ontmoeting met wijlen Jos Daelman wakkerde het vuur opnieuw en definitief aan. Daelman liet hem inzien dat poëzie uit meer bestaat dan zuivere inspiratie en in woorden omgezette emoties. De dichter heeft de bundel dan ook opgedragen aan Jos Daelman met de woorden:

voor Jos Daelman
die me de weg toonde
zonder te wijzen

De bundel opent verder met twee veelzeggende citaten: You cannot find peace by avoiding life – Virginia Woolf (Mrs. Dalloway, 1925) en Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt – Jeroen Brouwers (Bezonken rood, 1981)

De bundel bestaat uit zeven cycli: Sans paroles, Grondwerken, Tussenstanden, Stoornissen, Vluchten, Wij en De komst. Alle gedichten hebben een titel met uitzondering van de vijf genummerde gedichten uit de cyclus Vluchten.

Waarom de dichter af en toe Franse of Engelse woorden gebruikt is mij niet duidelijk. Zijn moedertaal is zo helder en duidelijk dat die kleine uitstapjes niets toevoegen. Matthias Haeck is een zorgvuldige dichter. Hij wikt en weegt, is nooit hoogdravend maar blijft met de beide voeten op de grond. De bundel staat vol verrassende beelden. Ik zet er een aantal achter elkaar: … tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk; … de kam van het kabaal…; We staan geblokt bedrukt als het tafellaken…; … Een poel vol vloeibare kalmte…;…zompig geel…;… de wreef van haar verwachting…; … ik zou het vasthouden onthouden….; …. Mijn handen als sardienen ingeblikt

Zijn grootste kracht bestaat er, mijns inziens, uit dat hij met weinig woorden zo veel meer suggereert en daardoor de kleine wereld van huis, kamer, tafel, stoel… extra lading meegeeft, ze liefdevol omkadert met de mensen en met wat hem dierbaar is. Hij geeft herkenning een nieuwe glans. De komst van een kleinkind bijvoorbeeld maakt hem niet sentimenteel maar samen met het kleinkind koestert hij zich in de verwondering die dat teweegbrengt. Hij schrijft met veel liefde en mededogen over kleine en grotere onderwerpen. Een verrassend debuut dat naar meer smaakt.

Lucia

Ze heeft mijn hart gestolen
en er meteen haar pamper aan geveegd,

mijn blik als een loper uitgerold
mijn handen als sardienen ingeblikt
mijn voeten in cement gebed

mijn buik als kussen geconfisqueerd
mijn mond tot zwijgen veroordeeld
mijn adem tot simpele blaasbalg herleid.

Ze heeft mijn huis geopend,
er kortweg een kamer ingenomen,
weigert te vertrekken.

Ze hing haar naam al naast de deur
doet belletjetrek met mijn geduld.
Ik hoor ons nu al lachen in de gangen.



Staat van genade, Matthias Haeck – Uitgeverij De Zeef, Gent, 2026, ISBN 978 94 64757 87 3

(Frans August Brocatus)

Denk dat ik toen al van je hield


Hilde Pinnoo publiceerde de roman Valtuig (2019) en vier dichtbundels: Dichter dan mist (2005), Zonder testament (2008), De gevoelige plaat (2013), Brakke dagen (2021) en met collega-dichters Lopen op los zand: gedichten om kanker neer te schrijven (2017). Als eerbetoon aan Hilde, die een strijd voert met Parkinson, kozen vijfentwintig bevriende auteurs een gedicht van haar waarmee ze in dialoog gingen.

Na het openingsgedicht Los van Chris Perdieus (… angst/ om het niet verwachte/ snoert de adem af/ ontneemt de toekomst/ steelt jou/ van ons) volgen vier cycli die de titel dragen van haar bundels, met als slotstuk een cyclus van twee gedichten: Lopen op los zand. Op de linker pagina’s een gedicht van Hilde, wat resulteert in een mooie keuze uit haar werk; rechts het dialooggedicht van de deelnemers aan dit initiatief.

Enkele dichters leverden een gedicht af dat een identieke opbouw heeft als het gedicht van Hilde dat hen inspireerde: Daniel Billiet (Geaard in regen), Hilde Van Cauteren (Meisje), Sandra Aerts (Onbevangen) en Lief Vleugels (De geur van aarde).

Ter illustratie: Oude aarde (Hilde Pinnoo): Zo lusteloos als een lijf/ kan worden, toevlucht zoekt/ in de donkere bossen, om weg/ te zijn, om te zijn. (…) De geur van aarde (Lief Vleugels): Als het lege huis tussen de pijnen/ van het ruisende woud, waar/ geen haard meer knispert, geen lach/ de kamer vult (…).

Ik denk dat ik toen al van je hield levert heel wat sterke poëzie op van de bevriende dichters. Ann Van Dessel in stuwkracht: hoe zou je dat noemen, zoals je/ in een lucide droom jezelf bestuurt,/ naar de rand van de afgrond schuift/ en in slow motion naar de diepte duikt. (…) Uit Sneeuw van Lieve Desmet: (…) We drenken dit huis in tranen,/ tot we opnieuw bloeden, of - als een Inuit -/ honderd namen roepen,// allemaal sneeuw vóór de zon. Uit Ex aequo van Gerda De Preter: (…) Wat is dit wachten waard?// Waarom deze harteklop,/ dit onophoudelijk snakken/ naar adem, lijf en leden?// Alsof we ooit, misschien, hoe vluchtig ook.// En toch.

Het herlezen van de gedichten van Hilde Pinnoo zelf bevestigt nog maar eens haar uitmuntend dichterschap. De laatste strofe uit Ga weg: Je geeuwt/ tegen me aan. Ik zal/ niet weggaan. Ik zal blijven/ tot iedereen ons is vergeten,/ tot er gras groeit in de straat,/ alleen voor onze voeten. Hoogseizoen: (…) Ooit volstond de eenzaamheid/ van een amoebe - even wachten en het lukt/ gegarandeerd opnieuw. Inuit: (…) Niemand durft deze dagen nog/ te janken, tenzij met de ogen/ en de lippen droog, uit angst voor/ de ruwe pijn van onsplijtbaar wit.

Ik denk dat ik toen al van je hield, een bloemlezing uit het oeuvre van Hilde Pinnoo en dialooggedichten van vijfentwintig collega’s, is een bijzonder eerbetoon aan een al even bijzondere dichteres.


Ik denk dat ik toen al van je hield, Hilde Pinnoo & vrienden, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978-90-73214-00-2

(Roger Nupie)


Rilke's cirkel


Gerolf Van de Perre maakte als schilder graphic novels tijdens en na een verblijf in Beijing (1999-2001). Hij verwerkte daarin de ervaring van de grootstad in verandering. Dat de dichter Rainer Maria Rilke dat honderd jaar eerder over Parijs deed in zijn roman Aantekeningen van Malte Laurids Brigge, was aanleiding om van een aantal aantekeningen een geschilderde adaptatie te maken: Dichter in de massa (2010). In Rilke verdiepte Van de Perre zich verder in een graphic essay, met eigen tekst naast schilderijen: Spiegel-beeldessay (2015). Intussen bleef hij op een eeuw afstand, het verleden representeren: in Gewonde stad (2014), samen met de schrijfster Johanna Spaey, de oorlogsvernietiging van Leuven, in Le Grand Meaulnes revisited (2016), de succes- en enige roman uit 1913 van Alain Fournier, die in de eerste oorlogsmaanden sneuvelde.

Gerolf Van de Perre:

In hun woorden zit veel beeld. Zelf plaats ik tussen mijn geschilderde beelden woorden. Op de rechterpagina kies ik ze telkens uit teksten van en over Rilke en Verhaeren. Op de linkerzijde leiden mijn eigen woorden die citaten in, maar ook de schilderijen. Zo verbinden ze dit alles.

De dichter Rilke was tijdens zijn Parijse tijd secretaris van beeldhouwer Rodin. Met Verhaeren, Rolland, Zweig en Bazalgette tekende zich de Parijse kring van Rilke af. Door allerhande spiegelingen probeert Van de Perre niet alleen de figuren uit de kring van Rilke bijeen te brengen, maar hij onderneemt ook een poging om de visie van Rilke op ‘de dingen’ en de wereld die hem omringt tot de zijne te maken. Aan het boek ging een bijzondere tentoonstelling vooraf, die liep van 9 maart tot 25 mei 2025 in het Emile Verhaerenmuseum.

Rilkes cirkel telt vijf hoofdstukken: Makers van beelden – Rodin, Ervaring van de nieuwe grootstad – Parijs, Grenzeloze bewondering – De cirkel, Verbeelding van de dood – Oorlog en Levendige dingen – Het werk. Samen schetsen ze het leven en werk van Rilke, die veel te jong overleed aan leukemie. Het boek bevat daarnaast 75 reproducties van narratieve schilderijen van Van de Perre. De kunstenaar hanteert een unieke manier van schilderen: vrijwel al zijn doeken bevatten spiegels, spiegelbeelden, spiegelingen en reflecties. Ze zijn zo transparant dat je er bijna doorheen kunt kijken – een manier van schilderen die ver afstaat van schilders die hun doeken met dekkende verf als het ware dicht schilderen. Het geheel geeft mede door de blauw – en grijstinten een bevreemdend en intrigerend effect: je wil door het beeld heen de woorden vinden. Het lijkt wel alsof Van de Perre te werk gaat als een fotograaf die in een donkere kamer meerdere filmstroken over elkaar legt en daarvan een afdruk maakt.

Als fan van Rilke ben ik misschien wat bevooroordeeld maar het werk van Van de Perre laat een ander licht schijnen over Rainer M.Rilke. Het getuigt van lef, moed en kennis om dit aan te durven. Hoed af en een grote buiging voor Gerolf Van de Perre.


Rilkes cirkel – woorden/beelden, Gerolf van de Perre, Uitgeverij P, Leuven, 2026 ISBN 978 94 64757 68 2

(Frans August Brocatus)

Ongewoon gewoon


‘Ook al kijkt de dood geregeld om de hoek, ik ben nog niet van plan om te verdwijnen’ zo staat te lezen in de flaptekst van Aan de vooravond, ondertitel ‘wat ik nog zeggen wil, voor het geval dat’, de nieuwe bundel van Miel Vanstreels. Hiermee is al veel gezegd. De dichter, geïnspireerd door alledaagse of beter gezegd universele thema’s, houdt het graag simpel. Hij steekt geen veren op zijn hoed; hier geen ambitieuze experimenten, vernieuwingsdrang, buitenissigheden, ideologieën, of pathologieën, behalve, wat het laatste betreft, een alledaagse maar daarom niet minder gevaarlijke vaatverwijding. Uit het gedicht verwijding:

straks weet ik hoe het
gesteld is met mijn
aangetaste vaten

hoe ik kijken moet
naar het vallen
van de bladeren


Ik vermoed dat qua vorm Vanstreels inspiratie vind in Japanse versvormen als Senryu en Tanka; nergens tel ik een regel die meer dan zeven lettergrepen bevat. Ook treft men hier vaak het haiku-verrassingeffect aan, waardoor het gewone plots ongewoon wordt:

Begrafenis

Drie broers begraven
hun vader, heel de kerk
weet dat een van hen
niet lang meer
te leven heeft,

op het kerkhof,
bij het graf

vult hun moeder
de stilte
met wat nog
komen gaat


Familie blijkt een belangrijke inspiratiebron, daarvan getuigt onder anderen de kleine cyclus The Family in het begin van de bundel, waaruit ik het eerst gedicht licht:

Aan een lange tafel
zitten we met z’n allen
richting tachtig
te gaan

naarmate de avond
vordert maakt de alcohol
het leven lichter

’t is wachten
tot de echte uittocht
gaat beginnen

steeds meer gevechten
zijn niet meer te winnen


Ook de jongere en de allerjongste generatie krijgen hun plaats. In ziekjes blijkt een kleinkind hoewel ze naar buiten wil, het in de wandelwagen toch niet niet helemaal naar haar zin te hebben:

heel de weg
droomt ze stilletjes
voor zich uit

in een goed gesprek
heeft ze geen zin

in opagrappen
evenmin


Veertig jaar lang heeft de dichter in een ziekenhuis gewerkt, het heeft hem getekend in positieve zin.

De verpleging

Geen betere leerschool
dan een ziekenhuis

ook al kreeg ik
geen diploma voor
wat ik vond

hoe langer je
naar de dood kijkt

hoe dichter je bij
het leven komt


Hieruit spreken realiteitszin en ware empathie, en een gebrek aan zelfbeklag die de lezer moeiteloos voor hem innemen. Wat de liefde betreft, pedalerend langs de Noordzee noteert de dichter in Mijn lief en ik:

als zij
langs het strand
op de schelpenpaden
door de duinen

het ruisen
van de golven
door haar hoofd
voelt waaien

zie ik in haar blik
weer dat weidse
dat mysterieuze

waar ik een halve
eeuw geleden
verliefd op werd


Miel Vanstreels deelt met ons zijn praktische wijsheid, hij herinnert aan de oude tijdloze Chinese dichters. Kan dichten zo eenvoudig en noodzakelijk zijn als het knippen van de teennagels?


Aan de vooravond, Miel Vanstreels, Uitgeverij Haute Folie, Maastricht, 2026, ISBN 978 940 384 8990

(Cel Vermeulen)