Wie geen schaduw blijft

Afscheidnemend stadsdichter Geert Vanhassel uit het Vlaams-Brabantse Halle publiceerde dit voorjaar zijn eerste dichtbundel: Wie geen schaduw blijft, uitgegeven door de Tollembeekse uitgeverij De Draak.
Wie geen schaduw blijft is een mooie, luxueus uitgegeven bundel, die makkelijk in de hand ligt en aangenaam leest. De foto’s van de schilderijen van Wim Adriaenssens zijn werkelijk adembenemend. Het oranjerood-groen en bruingrijze kleurenpalet van de schilderijen en de de afgebeelde personages stralen een bruisende energie uit. De levenskracht spat van de pagina’s, in synergie met Geert Vanhassels’ felle poëzie.   
De auteur bundelt 34 gedichten, samengebracht in 6 reeksen: Verlangens, Armoede, Liefde, Leven, Afscheid/Dood en Stadsgedichten. Geert Vanhassel lijkt een meester in de occasionele poëzie: meer dan de helft van de gedichten kan worden ondergebracht in de categorie gelegenheidsgedichten. Het is trouwens ook de taak van stadsdichters om vlug en gehaaid een gedicht te schrijven over belangrijke gebeurtenissen in stad en omgeving. Geen sinecure: vooral de korte tijdspanne waarin moet worden gewerkt, is een struikelblok.
Ter gelegenheid de Werelddag Dementie 2012 schreef Geert: Ben bang voor de dag / dat ik me niet meer ‘herinneren’ zal. / Het leven slechts één scène is. / Die van het moment.… Wil jij die dag dan zoenen? / Zacht en zoals altijd in de hals. / Want dan zal ik weten, / ook al ben ik het vergeten, / dat ik je zo graag heb bemind. De preventiecampagne borstkanker in de stad Halle 2009 inspireerde de dichter tot volgende onverwacht grappig-erotische opsomming, een eerbetoon aan vrouwelijke rondingen: Visitekaartjes, dat zijn ze / Etalage van wie ze is / Eerst bron van troost en veiligheid / Later magneet voor testosteron / Een volmaakte malse zachtheid / Subtiel afgerond optimisme / Jokers voor eigen groot gelijk / Geleiders van aandacht en stroom. In het gedicht Bocht in het Hoogland, dat hij schreef voor de Onthaaldag nieuwe inwoners in 2013, zegt hij: Er reizen veel vragen met me mee /op de trein met terminus Zennestad. / Ik neem plaats tussen koffers met / een overgewicht aan herinneringen / … Zal altijd afkomstig zijn, / maar waag het graag om hier te zijn. / Want wie geen schaduw blijft / zal hier ook niet verdwalen. / Voor wie deze stad geen vlucht is, / zit Halle als gegoten. / ‘Eenderien es er content’, zong den Dries / Daar in het diepe zuiden van het Nederlands.
Wie geen schaduw blijft bevat natuurlijk ook niet-occasionele gedichten. Dieter en Hij zijn liefdesgedichten. In Flamingo, Immer stel ik me te weer, Soevereiniteit, Zwart Wit zijn de thema’s afwisselend het verlies van onschuld en illusies, de worsteling met het bestaan en het besef van het ouder worden.
Tot slot nog dit: Geert Vanhassel is uiterst zuinig met woorden. Hij schrijft geen lyrische of vloeiende poëzie. Integendeel, Wie geen schaduw blijft kenmerkt zich door korte, heftige verzen, met een onstuimig ritme en de kracht van een statement.

Wie geen schaduw blijft, Geert Vanhassel, Uitgeverij De Draak, Tollembeek, 2014, ISBN 978949073815

(Nicole Van Overstraeten)

Doorheen de duisternis het licht

Patricia De Landtsheer is bekend als jeugdboekenschrijfster, maar Doorheen de duisternis het licht is tegelijk een dichtbundel en een fotoboek. Etienne Van den Bulcke nam een vijftigtal zwart-wit foto’s van een aantal overgebleven concentratiekampen in Europa, waaronder Auschwitz-Birkenau, Dachau, Mauthausen en Vught. Patricia De Landtsheer schreef er tweeëntwintig gedichten en een prozatekst bij. De bundel is een eerbetoon aan de nagedachtenis van de miljoenen mensen die tijdens WOII in de nazi-concentratiekampen de dood vonden.
De poëtische verwoording van oorlogsgruwel is een moeilijke, zo niet onmogelijke oefening. Toch roemt professor Herman Van Goethem, conservator van de Dossin-Kazerne in Mechelen, in Doorheen de duisternis het licht de behoedzame omgang van de auteurs met de artistieke en literaire esthetisering van het lijden. Zij vonden een broze schoonheid in de evocatie van namen en gezichten, anoniem verbonden met het bloed dat vloeit over de basalten keien.
Opvallend in de fotoreeks is de bijna volledige afwezigheid van menselijke gedaanten. We zien sobere foto’s van gebouwen, ramen, trappen, zalen, met prikkeldraad afgebakende terreinen. De gefotografeerde ruimten zijn clean, de ramen keurig geverfd en gezeemd. In de gangen glimmen de tegels. Doorheen de restanten van de herinnering waart een bijna sacrale stilte.
Patricia de Landtsheer zoekt in haar gedichten naar metaforen van deze menselijke aanwezigheid, probeert contact te krijgen met de schimmen die door de kampen dwalen. Zij leeft zich in het lot van de slachtoffers in, reikt ze de hand, laat ze hun verhalen vertellen, probeert ze te troosten,  maakt ze onsterfelijk:

tussen de tafelpoten/ voeten van mensen/ over en op het tafelblad/ bewegende zoekende handen/ aan de overkant een blik/ in lachende schreiende ogen/ … de hartklop in hun hunkeren/ het verlangen naar aanraking/ het versmelten met de dingen.

En:

Je hebt nooit gevraagd/ hier te worden begraven/ anoniem/ in het massagraf word je begin en einde/ de echo van je naam/ scheurt over de vlakte/ onsterfelijk.

Van de eerste transporten vanuit de Dossin-Kazerne in 1942 was in 1945 niemand nog in leven. De overlevenden kwamen uit de allerlaatste transporten in 1944. Tegenover de doden is alleen stilte een aanvaardbare houding, maar voor de overlevenden was een streepje licht in de duisternis, een suggestie van menselijkheid of de herinnering eraan een houvast. Daarom is in een aantal gedichten het licht aanwezig:

hier lig ik wacht / tot het licht mij zal bereiken / ik weer ontvangen kan / wat zoet en zacht en zuiver is .

En:

licht is je tred / … alsmaar hoger naar dat ene /  naar het enige / naar het licht / waarin jij schittert / jij alleen .

De grondtoon in Doorheen de duisternis het licht is niet lichtvoetig. Desondanks kunnen we stellen dat niet de gruwel, maar hoop en herinnering de kernmotieven zijn van deze gevoelige en sterke bundel.

Doorheen de duisternis het licht,  Patricia De Landtsheer en Etienne Van den Bulcke, Uitgeverij De Vries- Brouwers, Antwerpen/Amsterdam, 2013, ISBN 978-90-5927-461-7

(Nicole Van Overstraeten)

L'amour, toujours l'amour?

Liefde: zelden is een woord zo veel gebruikt en misbruikt. De liefde, het blijft een favoriet thema in de poëzie. Ivo van Strijtem windt er geen doekjes om, er staat nog net geen uitroepingsteken achter de titel van zijn nieuwe, vijfde dichtbundel: De Liefde, jazeker. Het is tevens de titel van één van de vier cycli, al veronderstellen De heilige vrouwen en Hartverscheurende regen en liefdesbrieven dat ook daar al heel wat, al dan niet heilige liefde uit zijn poëziehemel zal neerdalen.
In de cyclus De heilige vrouwen scoren gedichten als Godelieve en de kraaien en het aangrijpende Lucia en de ossen het best: Lucia wordt als het bange meisje in een kooi vervoerd op een ossenspan om als nieuwste aanwinst als hoertje in Syracuse te arriveren. Maar:

Het nieuwe meisje zal niet komen,
haar minnaar heeft haar ogen uitgestoken,
en samen met de ossen werd ze omgebracht.

Een dergelijke spanning is ook terug te vinden in een gedicht uit de laatste cyclus (Dichterschap): Er werd een meisje opgehangen. Een stuk ingetogener is het gedicht Moeder: 

Laat moeders
brood en boter halen.
Laat hen de ene dag
naar koffie geuren,
de andere naar witte wijn.

Geef ons toch de rondte
van hun borsten,
opdat wij nooit
een moord gaan plegen,
jonge dromen openrijten
of een meisje slaan.

Laat moeders heel,
laat moeders fruit
en verse groenten,
laat moeders altijd
ademhalen.

In de titelcyclus wordt de liefde tot een plaats verheven:

Al gehoord van het dorp dat Liefde het
en nu niet meer bestaat?
Het ligt tussen Stamel en Steenworp,
maar vandaag heet het gewoon Dorp.

De dichter komt hier ook al wat lichamelijker uit de hoek: Hoi. Ik heet Pearl en ben clitoris. En in Koorts: Heb ik koorts dan knaagt / een lichte pijn aan mijn teelballen. Maar het zijn vooral gedichten als Jongens en meisjes (gelukkig zijn zij nog steeds min of meer meisjes / gebleven, en wij om de haverklap jongens) en Verjaardag die bijblijven:

(…)
De dode dagen heb ik
In een graf gelegd.
Maar alle andere zijn weer
Helemaal zichzelf:

Zij betuigen hun spijt of
Delen hun vreugde.
En dan, op haar verjaardag
Geef ik de voorbije tijd terug.

In de cyclus Hartverscheurende regen en liefdesbrieven verrast het gedicht Dag dichter:

Dag dichter,

Mag het wat warmer s.v.p., wat zachter,
wat begripvoller ook en iets lichter misschien
iets voorzichtiger, meer een schuilplaats,
meer liefde zelfs, indien ik mij het woord
veroorloven mag, ik vraag excuus,

voordat je met je hautaine woorden
op dat arme meisje poëzie gaat liggen?

Alsof de dichter beseft hoe moeilijk het wel is over de liefde te schrijven, haar te betrappen, vast te nagelen in een gedicht? En als dat gebeurd is, waar is de liefde dan? Voor eeuwig vervat in het woord, of is ze intussen al weer weg, even onverwacht als ze je leven binnenkomt? 

De Liefde, jazeker, Ivo van Strijtem, Uitgeverij  Houtekiet, Atlas / Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2014, ISBN 978 90 892 4301 0

(Roger Nupie)

 

Een te ver eiland

Wie een imponerend fragment uit Rainer Maria Rilkes Het dagboek van Malte Laurids Brigge (roman uit 1910) als ouverture neemt voor een bundel gedichten riskeert veel. Wat volgt, De eerste letter van Lieke Marsman (1990), steekt dan ook flauw af bij het met poëzie en existentiële vragen geladen proza van Rilke. Er lijkt zich een school van jonge damesdichters te ontwikkelen, met als kenmerken: onvrede met de man (als partner, als verschijnsel) en het niet te missen smaakvolle statieportret op de achterflap (paginagroot, koket, volgens de laatste inzichten uit de damesbladen).
Afgezien van het eeuwige gezeik over de man/de relatie (een moderne meid is op de toekomst voorbereid) vind ik de beoefening van het prozagedicht in deze bundel minder geslaagd. Te veel een procedé, te weinig de verrassing van een ware poëtische wending.
Lieke Marsman toont zich behendig in het ironisch beschrijven van het niet gebeurde. Na Rilke plonsen we gelijk olijk in de reeks Omdat ik een held was.

Nummer 3: De nachten waarin ik wakker word en alles draait voor mijn ogen ./ De ochtenden waarop er zich muziek in mijn hoofd bevindt, iedere / minuut een ander liedje. De dagen waarop ik aan andere dingen denk. / Wezenloos voor de televisie zit, maar zit, alsof ik ooit anders voor de / televisie heb gezeten dan wezenloos. Heb ik niet. De mooiste mens / is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen  / woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje / thee. Die alles opnieuw leert.

Uit deze mengeling van quasi ironie en dito wijsheid stijgt geen zuchtje poëzie op. Ook in de volgende cyclus De eerste letter wordt althans mijn poëtische snaar niet beroerd. In gedicht 5 zien we een echo van Rilke. Deze opsomming (of deftig ‘enumeratie’) waarvan de delen beginnen met Als creëert bij lange na niet de spanning van Rilkes stapeling van angsten.
Op een toon waarin de eigendunk tintelt, gaat de dichteres moedig en bijna koddig door met haar behendige ‘prowezie’. Neem Liefde in tijden van eenzaamheid: Als je zo doet ga ik zeggen dat je een door het water gesleurde / boterham bent, ik bedoel geen drabbig wentelteefje maar een / in de gootsteen gevallen sneetje. (…) Als je nu gaat huilen dan zie ik me / genoodzaakt om een puppy na te doen, zelf weten, we kunnen / samen in de lach schieten, maar zorg dan ook eens dat jij zelf // het grapje maakt.
In Poëzie (what’s in a name?) erkent Marsman, wellicht onbedoeld, dat poëzie haar niet als vanzelfsprekend aan komt waaien. (…) Poëzie / lijkt me vandaag een land / waar ik geen ticket naar toe / heb gekregen, een oude geliefde / van wie ik het nummer / nog niet uit mijn telefoon / durf te wissen, een ver eiland / vol pinguins.
Nog eens heel goed Rilke lezen.

De eerste letter, Lieke Marsman, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2014, ISBN 978-90-282-6058-0

(Erick Kila)

 

De herinneringen van Marie-Cécile

Marie-Cécile Moerdijk, een Nederlandse volkszangeres, schrijfster en radiomaakster, werd in 1929 geboren in het Zeeuwse Zuiddorpe, maar woont tegenwoordig in Lommel-Kolonie (België), waar ze benoemd is tot stadsdichteres.
Voor de vijftigste verjaardag van haar dochter schreef zij Lieve Lotje, een relaas over haar eigen eerste vijftig levensjaren. Sinds haar kindertijd hield Marie-Cécile schriftjes bij; deze notities dienden als basis voor haar boek. De schrijfster noteert haar memoires in een levendige, meisjesachtige stijl. Het boek bevat foto’s uit haar privé-archief. Een guitige Lotje prijkt op de cover.
Moerdijk deelt Lieve Lotje niet in hoofdstukken in. De eerste vijftig pagina’s zijn stukjes met een datum als titel. 1929 gaat over haar kindertijd in Zuiddorpe. Thuis werd er veel gemusiceerd: M’ma speelde uren achtereen op de vleugel. P’pa zong of, de koffergrammofoon aanzwengelend, draaide hij de platen van Amelita Calli-Curci of Schaliapin. In 1940 begint de oorlog. Marie-Cécile moet naar een pensionaat in Kortrijk, dat wordt gebombardeerd. In het pensionaat Le Nouveau Bois in de Rue longue des Violettes in Gent voelt zij zich eindelijk thuis. Zij ontdekt haar roeping: voordragen en zingen. Op eigen initiatief gaat ze op auditie in de Gentse opera, bij de beroemde sopraan Vina Bovy. Uiteindelijk volgt ze zangles bij Ruth Horna in Amsterdam en vindt ze in 1952 een baan in Den Haag.
In 1954 verhuist ze naar Amsterdam, waar ze verliefd wordt op Johnny. Die krijgt een opdracht bij een baggerbedrijf  in Venezuela; Marie-Cécile besluit hem te volgen. Zij vestigen zich in de primitieve pueblo Rio Chico. In Caracas ontmoet ze de Argentijnse hoogleraar etnomusicologie Isabel Aretz de Ramon y Rivera. Door de revolutie is Johnny genoodzaakt een job bij Philips te aanvaarden in Caracas. Het paar verhuist naar een wolkenkrabber in de wijk Altamira. Samen met Isabel treedt ze voor het eerst op; ze krijgt een radioserie en geeft recitals in de Nederlandse Antillen. Na haar terugkeer uit Curaçao ontdekt ze dat Johnny homoseksueel is. Zij besluit terug te keren naar Nederland.
In het hoofdstuk Caiiia beleeft de zangeres een nieuwe liefde: de Rus Caiiia wordt de vader van haar dochter. Maar zijn labiele persoonlijkheid, zijn voorkeur voor illegale praktijken, zijn jaloezie en gewelddadigheid maken ook van deze relatie een regelrechte puinhoop. In 1968 heeft Marie-Cécile Moerdijk een verfrissende flirt met de vijftien jaar jongere Rius, een dirigent uit Heerenveen. Maar in 1972 ontmoet ze Jan. In 1975 trouwen ze en eindelijk komt er rust in haar leven. De relatie met Jan is een verademing, maar hij overlijdt niet veel later aan een hartaanval.
1982: Lotje behaalt een mooie prijs tijdens de Europese kampioenschappen kogelstoten, maar wordt lerares therapeutisch paardrijden. Moeder en dochter verhuizen naar een grote boerderij. Gedurende de twaalf volgende jaren musiceert, zingt en schrijft Marie-Cécile; Lotje geeft paardrijles aan gehandicapten. Het verhaal eindigt in 2013, met een speciale opdracht aan Lotje. Moerdijk schreef met Lieve Lotje boeiende, diepgaande, aangrijpende en vlot leesbare memoires!

Lieve Lotje, Marie-Cécile Moerdijk, Uitgave De Bezige Brem, Lommel, 2013, ISBN 978-90-70471-15-6

(Nicole Van Overstraeten)

 

Allesbehalve kleurloos

De Japanse schrijver Haruki Murakami (° 1949) onderscheidde zich al snel van zijn tijdgenoten door zijn interesse in Amerikaanse literatuur, westerse films, pop en jazz. Na een toneelopleiding werkte hij in een platenzaak en opende hij een  jazzclub: Ik bedacht alleen hoe mooi het zou zijn als ik zou kunnen schrijven alsof ik een muziekinstrument bespeelde. Van Norwegian Wood (1987) werden miljoenen exemplaren verkocht en Murakami werd eensklaps een nationale beroemdheid. Intussen worden zijn boeken in meer dan veertig landen uitgegeven. Om het schrijvershoofd koel te houden doet hij aan hardlopen – hij nam zelfs deel aan marathons en triatlons. Op 12 januari 2014, Murakami’s 65ste verjaardag, verscheen De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren.
De twintigjarige student Tsukuru Tazaki wordt verstoten uit het vriendengroepje waartoe hij sinds de middelbare school behoorde en opeens is  hij helemaal alleen. Zijn jeugdvrienden, achtergebleven in zijn geboortestad toen hij in Tokyo ging studeren, willen van de ene op de andere dag niets meer met hem te maken hebben en Tsukuru heeft geen idee waarom.
Zijn vrienden hebben een naam waarin een kleur voorkomt: Blauwezee, Rodeden, Wittewortel, Zwarteveld, wat hen de respectievelijke bijnamen de Blauwe, de Rooie, Witje en Zwartje oplevert. Alleen in de naam van Tsukuru Tazaki komt geen kleur voor, wat hem laat besluiten dat hij een kleurloos persoon is, iemand zonder enige inhoud.
Zestien jaar later ontwerpt Tsukuru - intussen afgestudeerd als ingenieur - stations, maar sinds de traumatische verstoting door zijn vrienden heeft hij het gevoel geen vat te hebben op zijn leven, evenmin op de relatie met zijn nieuwe vriendin Sala Kimoto. Zij spoort hem aan het heft in eigen handen te nemen. Hij  bezoekt zijn vroegere vrienden en tracht de gebeurtenissen van zestien jaar geleden te reconstrueren. Uiteindelijk wordt na een omzwerving in Finland het mysterie over de breuk met de vriendenclub verklaard. En wat blijkt: Niet alles is met het verstrijken van de tijd verdwenen, want Toén geloofden we vast in iets, en zo dachten we ook over onszelf: wij waren mensen die rotsvast in iets konden geloven. Zoiets kan niet zomaar zinloos verloren zijn gegaan.
Het zou niet de eerste keer dat zijn fans en de kritiek een van zijn boeken tot een   meesterwerk bombarderen, of het nu Kafka op het strand, De opwindvogelkronieken of de trilogie 1q84 is. Feit is dat Murakami steeds weer weet te boeien en blijkbaar onuitputtelijke invalshoeken vindt om zijn vaste thematiek  - de vergankelijkheid, de doelloosheid, het verlangen, het gemis, de zoektocht naar identiteit en  menselijk contact - ijzersterk vorm te geven. Het grensgebied tussen droom en realiteit is nooit veraf, zonder dat dat ook maar een moment gekunsteld overkomt. Murakami weet keer op keer te verrassen, de spanning te behouden en een diepmenselijk karakter te bewaren. En dat bewijst hij hier weerom op meesterlijke wijze.

De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren, Haruki Murakami,  vertaald uit het Japans door Jacques Westerhoven, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2014,  ISBN 978 90 254 4207 1

(Roger Nupie)

 

Nieuwe boekjes bij Stanza

Twee nieuwe boekjes van Uitgeverij Stanza op mijn bureau. Die zien er zoals gebruikelijk eenvoudig maar smaakvol uit. In Ik echt jij echt biedt Ton van ’t Hof een keuze uit de vertalingen die hij maakte van werk van Sophia Le Fraga (° 1990). Van ’t Hof vertaalde uit I DON’T WANT ANYTHING TO DO WITH THE INTERNET (Keep this bag away from children) uit 2012 en I RL, YOU RL uit 2013. Le Fraga laat zich, in tegenstelling tot wat de eerste titel doet vermoeden, inspireren door het wereldwijde web en e-mails. Haar gedichten zijn nogal springerig, en bizar vormgegeven met vreemde insprongen. Ze zijn me eerlijk gezegd wat te, eh, modern eigenlijk. En soms kan ik ze gewoon niet volgen: ruimteschip kitty, jij sloopkogel / [spaties] TIJD IS Welkom, maar DEPRI- / [veel spaties] MEREND.
Martinus Benders (° 1971) is een interessant (alleen al omwille van een titel als Haydar gaat naar Istanbul om een pauw te kopen) dichter. Hij is ook erg tegendraads. Dezer dagen verscheen, als deel 3 van de Canonreeks van Uitgeverij Stanza (waarvoor dichters zelf hun eigen beste gedichten mogen kiezen – eerder waren daarin Chrétien Breukers en Nanne Nauta te gast), De essentiële Martinus Benders.
Interessant om te zien hoe hij zichzelf weet in te dikken. Op bladzijde 8 staat Sommige gedichten: Sommige gedichten / doen aan onthoofde kippen denken, / allang dood / rennen ze nog kakelend rond / en rond / en rond / fanatiek met vleugeltjes / flappend / dan denk je / ga verdomme eens dood / stom stuk tok. Op bladzijde 9 staat de herwerkte versie van Sommige gedichten: Sommige gedichten / doen aan onthoofde kippen denken,. Meer moet dan inderdaad niet zijn. Benders schrijft beklijvende beelden: Het laatste wat ik nog zal zien / is een schim met een paraplu. / Het regent chocoladevlokken. / Chocoladevlokken, nondeju. Hij nam ook een vertaling, Dit is de liefde, van een gedicht van de Turkse dichter Can Yücel op.
Benders heeft zo zijn eigenaardigheden. Zo bestaat zijn persoonlijke website uit hoop en al één pagina. Datzelfde geldt voor de webstek van zijn Fonds der Kritiek, waarnaar hij achterin zijn nieuwe boekje verwijst. Benders bewijst zijn eigenzinnigheid nog maar eens met de omslag daarvan: die is gespiegeld! Gevoel voor humor heeft hij ook.
Op de laatste bladzijde van De essentiële Martinus Benders staat:

Dit is een bloemleesvrije publicatie. Uit dit werk mag niet worden gebloemleesd, nu niet en in de toekomst niet, ook niet als de auteur hiertoe toch toestemming verleent. Help mee een bloemleesvrije toekomst te creëren en steun het Fonds der Kritiek – voorvechters voor duurzame literatuur en een canonvrije maatschappij. Waarop hij na een witregel besluit met De dichtbundel is de iris van de participatiesamenleving.

Ik mag die Martinus Benders wel….

Ik Jij Echt, Sophia Le Fraga, Uitgeverij Stanza, Amsterdam, 2014, ISBN 978 94 90401 7 ; De essentiële Benders, Martinus Benders, Canonreeks 3, Uitgeverij Stanza, Amsterdam, 2014, ISBN 978 94 90401 18 4

(Bert Bevers)

Eerbetoon aan Bernard Sercu

Bij uitgeverij Lannoo verscheen een mooi boek over Bernard Sercu (°1953) van wie ik enkele jaren geleden een indrukwekkende tentoonstelling bezocht in Menen. In deze zorgvuldig samengestelde uitgave staan inleidende teksten die proberen zijn werk te belichten, samen met enkele gedichten, onder meer van Paul Rigolle. De vele afbeeldingen tonen het oeuvre in al zijn facetten. Er ontstond aldus een goed overzicht, vooral ook van de evolutie en de achtergronden van waaruit de kunstenaar is vertrokken. Het is duidelijk dat Sercu de invloed heeft ondergaan van het ouderlijk milieu waarin hij is opgegroeid. In Ieper had zijn vader een zaak waar kerkgewaden en gebruiksvoorwerpen voor de katholieke eredienst werden verkocht. Zijn werk ademt voortdurend die sfeer uit van bezinning en ingekeerdheid, van een verlangen naar sacrale verbondenheid en zuiverheid. Sercu hanteert als een ernstig ambachtsman allerlei materialen die hij gebruikt in functie van het onderwerp. Hij vereenvoudigt en abstraheert, schept er plezier in om te experimenteren met lijn en kleur. Vlakken geeft hij ruimte en leegte laat hij een taal spreken. Kleurrijk of monochroom tracht hij zo dicht en eerlijk mogelijk de grenzen van zijn spiritualiteit af te tasten om de toeschouwer mee te laten gaan in die zoektocht, die er een is naar vooral openheid en licht. De kruisvorm maar ook gewoon enkele lijnen die doen raden welk mysterieus proces van schaven en uitpuren eraan is voorafgegaan. Sercu wisselt het spel met compositie en kleur af met directe, voor het oog eenvoudige maar diepgaande symboliek. Hij is een man die vooral bezig is met het uitoefenen van een vak, dat voor hem gelijkstaat met het uitdragen van zijn religieuze overtuiging. Oneindigheid en eindigheid, de kern van dit aardse leven, antwoorden op fundamentele vragen.
Kan leegte vervulling zijn? Die vraag beantwoordt hij in de tekst van Rigolle, die ook ingaat op zijn studies, invloeden en verwantschappen. De mooiste periode vind ik die vanaf 2005, waar in het boek de afbeeldingen op pag. 90 en verder naar verwijzen, werken met inkt of olieverf op hout. Daarnaast zijn opmerkelijke kruiswegen zoals die met inkt op hout uit 2005. Of het bijzondere brandvenster in de Sint-Petrus en Pauluskerk, Elverdinge met zijn dramatisch-heldere contrast tussen zwaarte en licht, horizontaal en verticaal. Mark Delrue is de geschikte persoon om dat laatste aspect toe te lichten. Soberheid van expressie in beeldende kunst is als rusttijd tussen noten in de muziek. Deze kruisweg is niet ondergeschikt aan het bos. Het gaat een relatie aan met stam en kruin, schaduw en licht. Hij maakt deel uit van het mysterie van het leven in de bomen. De kruisweg deelt in plant en struik. Hij benoemt het bos tot stiltezone. Verzonkenheid is daar een mooi woord voor. Delrue heeft het hier over een door Bernard Sercu ontworpen kruisweg op de Lettenberg, een site verbonden met de Eerste Wereldoorlog:  het profane en het religieuze, geschiedenis, verleden en heden. Kopen!

Bernard Sercu, Paul Rigolle e.a., Lannoo,  Tielt, Lannoo, 2013, ISBN 978 94 014 0867 7

(Guy van Hoof)

Andy Fierens solo en in duplo

Gregory Frateur, boegbeeld van Dez Mona, in een interview in Cult! (12 maart 2014): Met enkel de grote sérieux kan je niet tot de essentie van de emotie komen. Je moet het emotionele niet opblazen en ook niet heilig maken, want dat komt niet aan. Daarvoor heb je ironie nodig. Ironie haalt niks onderuit, op een subtiele manier kan het ontzettend krachtig zijn. Ironie is een spilwoord in de poëzie van Andy Fierens, maar is meer.
Fierens, dichter, cartoonist en frontman van de groep Andy & the Androids debuteerde pas nadat hij jarenlang zijn reputatie als performer pur sang hard had gemaakt. Toen hij uiteindelijk dan toch van de door hem bestormde podia neerdaalde en het een en ander in boekvorm goot, ging dat niet onopgemerkt voorbij: Grote Smerige Vlinder werd bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs 2010. Deze poëzie is hard, maar niet harteloos, lazen we toen in het juryrapport.
Wordt zijn werk intussen gedoodverfd als hilarisch en genadeloos en hijzelf als een buitenbeentje in de Vlaamse literaire wereld, dan heeft hij dat beeld zelf (mee)gecreëerd en… dat klopt ook. Maar, zoals we eerder al vermelden: er is meer. Liet hij de lezer in de bundel Grote Smerige Vlinder achter met een ironische toekomstvisie Ja er is licht: aan het einde van de tunnel één peertje van 40 watt, dan bevestigt hij zijn potentieel in zijn tweede worp.
Voor Wonderbra's en pepperspray schreef Fierens samen met Michaël Brijs Astronaut van Oranje. Brijs is niet alleen literair actief: hij speelt dwarsfluit bij het Andalusisch kwartet Taqsim, bij het free jazz-trio Delicatessen en vereeuwigt Frank Sinatra bij de The Valerie Solanas. Deze anarcho-sciencefictionhorrorsatire is een hilarisch toekomstverhaal waar het plezier dat beide heren aan dit project moeten beleefd hebben van afdruipt.
Wat vooral opvalt in Fierens’ poëzie, gekenmerkt door een vaak nauwelijks te stuiten woordenvloed, een barok taalgebruik, flitsende oneliners in een universum waar vervreemding, twijfel en pure bluf probleemloos hand in hand doorheen de rustige Vlaamse letteren waden, is de kracht van de gelaagdheid van zijn taal, die in al haar schijnbare onstuimigheid veel  bedachtzamer is dan men weleens zou vermoeden, hoe de vitaliteit er ook van afdruipt. 
Al stelt Fierens zelf Je schrijft veel te lange gedichten die je zelf niet begrijpt - laat hem nog maar meer toveren, al dan niet uit wonderbra’s.

(…)

niks kan mij raken ik draag een kogelvrije huid
maar overal waar ik kom
zitten spreeuwen op de elektriciteitskabels
als de partituur van een dodenmars

met de discipline van een topatleet oefen ik
om de vier seconden mijn laatste ademzucht

in welke schuif had ik mijn b-plan gestoken?
waarom verleg je altijd dingen?

ik ben alles kwijt
men trekt bouillon van mijn grimas

zit!
de voorstelling begint

Wonderbra's en pepperspray, Andy Fierens, De Bezige Bij, 2014,  ISBN 978 90 234 8701 2; Astronaut van Oranje, een Vlaams epos, Andy Fierens & Michaël Brijs, De Bezige Bij, Amsterdam, 2013, ISBN 978 90 234 7751 8

(Roger Nupie)

Minnelijke schikking

Minnelijke Schikking van Al De Boeck gaat over de raadselachtige verrukkingen van de liefdesrelatie. Schoonheid en intimiteit staan centraal maar ook de twijfel en de angst in de zoektocht naar het wezenlijke, de waarachtigheid van de liefde.
De woorden en beelden zijn niet alleen ‘minnelijk geschikt’, ze nemen ons ook mee in het hoofd en het hart van de dichter. De taal is lyrisch, vertellend, parlando, soms zelfs iets langoureus.
Esthetiek is voor een verfijnde ziel als Al De Boeck belangrijk maar tegelijk gekoppeld aan een zekere schroom. Het mysterie van de man/vrouwrelatie vindt zichzelf weerspiegeld in het mysterie van het metaforenspel. Zeker zo belangrijk als het gezegde is het verzwegene in deze poëzie. De stilte heeft zo haar rechten en zo ook de verbeelding van de lezer.  Niet toevallig voelt de dichter veel verwantschap met de raadselachtige originaliteit en authenticiteit van de Nederlandse dichter Jozef Eijckmans.
In de eerste cyclus van  de bundel (ZIJ-gedichten) schetst hij het kader van intimiteit en tracht hij deze te definiëren. Met de pasteltinten van het avontuurlijke en erotische vertaalt hij het samen zijn in de opmaak van de taal. Een subtiele toets rouge en oogschaduw achter de woorden onderlijnen de charme en schoonheid. Vóór de vrouw uitgaat, maakt ze zich op. Zo ook de dichter met de taal.
In de tweede (IK) cyclus evolueert het poëtische naar een extatische hommage aan de vrouw. Zonder pasklare antwoorden te geven dringt de dichter dieper door in het relationele universum. Tot op het punt waar het vertrouwde vreemd wordt en de twijfel opdoemt. Wat is waar en onwaar? Wat is werkelijk/onwerkelijk? In hoeverre dringt de poëzie door in het universum van de werkelijkheid of … van verbeelding?
In de derde cyclus (WIJ) tekent zich een verlangen af naar de Elyseese velden van gelukzaligheid. Is de werkelijkheid het Paradijs van de waarschijnlijkheid (gedicht 6)? Het mystiek/beschouwende en onbeweeglijke van de meditatie voert ons, als in een stilleven, naar het innerlijke van de dichter: Hier heeft afwezigheid nu aan zichzelf genoeg  (gedicht 16). De realiteit wordt metafysisch-abstract.
In de laatste cyclus Langer Licht mediteert de dichter over begrippen als schoonheid, vergankelijkheid en tijdloosheid. Nooit zijn tederheid en melancholie ver weg. De weg van de rede is hier overgegaan in het bospad van de fantasie. De dichterlijke intuïtie loopt vooruit op het rationele en biedt meer verrukking dan de kille logica. Bovendien heeft het intuïtieve ook altijd de charme van het ongekende, het verrassende. En dit onverwachte roept vanzelf de aha-erlebnis op.
Alles bijeen een bundel die de rijpere expressie is van een dichter die tot een zekere maturiteit gekomen is. Niet alleen ontvouwt hij een panorama van grote innigheid maar tracht hij wezenlijke vragen te stellen en vorm te geven. Astronaut De Boeck neemt ons met Minnelijke Schikking mee langs kosmische wegen van ongekende en raadselachtige schoonheid tot beangstigende echtheid. Is dit allemaal wel reëel en zo ja: hoe lang kan deze tijdloosheid wel duren ?

Minnelijke schikking, Al de Boeck, Vita, Zingem, 2014, ISBN 978-907-332-353

(Marc Bruynseraede)

Doortocht

Doortocht, een verzamelbundel van de Vlaamse dichteres Katelijne van der Hallen (° 1942) is een sober maar toch stevig boek. Bijna honderdvijftig gedichten, bijeengesprokkeld uit negen bundels: Stille regen (1969), Transparant (1974), Herkenbaar als de lente (1981), Avondademen (1982), Na de nachtegaal (1986), Verdraagzaam de tijd (1992), De binnenzijde (1997), Zwijgtaal (2002) en Woordzang (2009). Deze reeksen gaan een selectie aan Kinderversjes vooraf en ook veertien Onuitgegeven gedichten. Literair criticus Joris Van Hulle schreef een verhelderende inleiding.
Van der Hallen schrijft minimalistische gedichten. Royale witruimtes dirigeren de aandacht van de lezer naar gecentreerde verzen, die opvallen door hun concentratie en intensiteit. De dichteres polijst haar poëzie zorgvuldig. Overbodigheden worden genadeloos geschrapt, met als resultaat: uitgepuurde gedichten, die via beelden en impressies leiden naar de essentie. Desondanks gebruikt de dichteres poëticale stijlvormen als assonantie en enjambement, metafoor en paradox. Ook de afgebroken zegging, waarbij een vloeiende zinsbouw overhoop wordt gegooid, is kenmerkend voor haar oeuvre.
De dichteres verinnerlijkt natuurimpressies. In haar eerste bundel Stille Regen stelt zij het intens doorleefde geluksverlangen centraal. In de bundel Transparant maakt zij een synthese van zintuiglijke ervaringen. Contact met water blijkt heilzaam. De op het ‘ik’ gerichte verzen worden opengebroken tot een aftastende benadering van de relatie met een jij-figuur. Herkenbaar als de lente openbaart een ambivalent lentegevoel, met een diep besef van vergankelijkheid. Met het motief van het raam, vanwaar zij de natuur waarneemt, wordt metaforisch een afstand en een afstand nemen opgeroepen. De dood van haar vader op Tenerife resulteerde in een afscheidsgedicht, dat zijn kracht ontleent aan het tot drie maal toe herhaalde lamento:

het licht is avond geworden/ hoog op de berg van het eiland in de zee/ de stilte schuift/ over de wind/ de zee legt zich/ hoog op de berg van het eiland in de zee/ hebben wij u neergelegd/ tussen bloemen/ de lege wind/ ademt uit/ hoog op de berg van het eiland in de zee (p. 45).

De bundel Na de nachtegaal valt op door de opdeling in vier afdelingen. De titels zijn tussen opschortingstekens geplaatste verzen uit een van de gedichten. In Verdraagzaam de tijd is de tijd het hoofdmotief. In 1987 overleed haar man Hugo Heyens en de bundel staat in het teken van afscheid en afwezigheid. De binnenzijde exploreert de binnenzijde van de binnenzijde en suggereert een wereld die achter de dingen leeft. In Zwijgtaal stelt ze de taal nadrukkelijker als onderwerp; in Woordzang overheerst een sfeer van sober geluk. 
Alhoewel Katelijne van der Hallen zich verwant voelt met Anton van Wilderode, wordt zij gelinkt aan oosterse poëzie. In de cyclus Avondademen neemt ze tien tanka’s op, die echter het typische Katelijne-label dragen: ze onderbreekt schalks de vloeiende poëtische lijn. Maar het laatste gedicht is een pareltje:

avondademen
aan het raam roerloos de boom
hoe zacht worden wij
tussen verwarde takken
de nachthemel als fluweel

Verzen die even sober, stijlvol en elegant klinken als in een authentieke Japanse tanka.

Doortocht, Katelijne Van der Hallen, Uitgeverij P, Leuven, 2013, ISBN 9789491455322

(Nicole Van Overstraeten)

Meester Mitraillette schot in de roos

De verzonken jongen, het debuut van Jan Vantoortelboom, een semi-autobiografische roman gesitueerd in het West-Vlaanderen van zijn jeugd, bleef  niet onopgemerkt: het boek stond op de shortlist voor de Zeeuwse Boekenprijs 2011 en werd bekroond met De Bronzen Uil 2011 én de Prijs Letterkunde West-Vlaanderen 2012. De opvolger, Meester Mitraillette, werd in dezelfde maand dat hij verscheen op 26 februari door het DWDD-boekverkoperspanel (De Wereld Draait Door, het VARA-programma met Matthijs van Nieuwkerk) uitgeroepen tot Boek van de Maand.
Al vanaf het eerste hoofdstuk houdt Jan Vantoortelboom zijn lezers in de greep: David Verbocht, een jonge schoolmeester staat op het punt om geëxecuteerd te worden: Ben ik bang? Want ze gaan me doden. Mikken op dat witte lintje op mijn uniform gespeld, op de plek waar mijn hart nu hamert en hamert. Zo luid dat ik het hoor bonzen in mijn keel, achter mijn slapen. De hartenklop van het leven dat ze mij willen laten verlaten. Ik ben niet bang. Ik heb mijn best gedaan.
Dan ontrafelt zich het verhaal van David die als onderwijzer werk vindt in het zesde leerjaar in Elverdinge, waar hij al snel geconfronteerd wordt met de bekrompen dorpsbewoners die hem eerder als een indringer zien. Het contact met de pastoor  is ook al geen succes: Opeens vroeg ik me af hoe mijn vader het voor elkaar had gekregen om mij een baan als meester op een katholieke  school te bezorgen. Ik was niet gedoopt, ging als kind niet naar de kerk, had geen communie gedaan, noch godsdienstonderwijs genoten. Met zijn leerlingen vlot het wel, in het bijzonder met de gevoelige Marcus, met wie hij een grote liefde voor de natuur deelt. Beiden proberen zich staande te houden in een omgeving die hen niet welgezind is: Marcus heeft te kampen met een bullebak van een vader; de schoolmeester met de stugge dorpsbewoners.
Intussen laat de auteur David terugblikken op zijn jeugdjaren met zijn vader, klusjesman aan de universiteit, zijn moeder en vooral zijn jongere broertje Rattekop, die nog meer dan hemzelf gefascineerd is door de natuur. Als Rattekop tragisch aan zijn eind komt, kan zijn moeder niet verbergen dat ze David hiervan de schuld geeft. 
De geschiedenis blijkt zich te herhalen: als Marcus verdwijnt en dood wordt teruggevonden, krijgt David hiervan de schuld.  De Eerste Wereldoorlog breekt uit en hij wordt door de rechter naar het front gestuurd.
Daarna wint het boek, dat door de - weliswaar voortreffelijke - sfeerschepping eigenlijk wat traag op gang komt absoluut aan dramatische kracht.
Wie zweert bij een degelijke traditionele roman, zal dan ook ontdekken waarom de eens zo idealistische onderwijzer uiteindelijk voor het vuurpeloton belandt.  De timing kon niet beter: Meester Mitraillette kadert mooi in de stormloop boeken die naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog - die  100 jaar geleden uitbrak  - het daglicht zien. Momenteel werkt de auteur aan De man die haast had.

Meester Mitraillette, Jan Vantoortelboom, Uitgeverij Atlas-Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2014, ISBN 9789025437312

(Roger Nupie)

Door het bos: de bomen en de mens

Een goed gedicht wordt nooit zomaar geschreven. Het lijkt er soms op dat de woorden binnenkomen, bij de dichter aankloppen en als het ware vragen geschreven en geordend te worden. Bij Staf De Wilde doen die woorden dat heel sterk. Gedichten schrijven beheerst heel het leven van deze dichter.
In het gedicht maat der dingen stelt De Wilde de vraag “Waaraan zal men zich meten?”. Dat is één van de grondvragen van ons bestaan. Vragen als: “Wie zijn we?” en “Hoe is het gesteld met de meetbaarheid van ons ten opzichte van de dingen buiten ons?” vloeien daaruit voort. Het zijn ook de grondvragen van de poëzie, waar gedicht en existentie samenvallen.
Hier zijn we meteen dicht bij de werkwijze van De Wilde. Het lijkt erop dat hij al schrijvend ideeën binnenkrijgt en daar dan ook associatief mee verder gaat binnen het gedicht om uiteindelijk tot een afgerond geheel te komen. Dit zie ik als één van de redenen waardoor de gedichten meestal lang zijn. Ze zoeken als het ware naar een voltooiing en het vinden daarvan vergt nogal wat tekst.
In vele titels verwijst Staf de Wilde naar auteurs en namen van bekende kunstenaars. Het eerste gedicht draagt de titel René Descartes. Hij heeft het hierbij over de filosofische twijfel. Deze twijfel is eigen aan Staf De Wilde. Hij is beslist niet vlug tevreden met het resultaat van zijn arbeid.
Er staan in de bundel ook een aantal gedichten die we gemakshalve reisgedichten zullen noemen. Deze reisgedichten staan voor het op weg zijn van de mens. In het woordgebruik van de dichter is er soms een zekere verharding vast te stellen. In de beeldspraak, maar ook in de directe zegging, in het noteren van feiten, is dat zo. Hoewel De Wilde meestal minutieus noteert, leveren veel gedichten in bepaalde strofen prachtige metaforen op.
De gedichten zijn inhoudelijk zinvol, met rake, originele en heel mooie metaforen, nogal eens uit de natuurwereld - het bos en de bomen uit de titel - geplukt. Niet alleen het mooie plaatje of de frisse klank is voor hem voldoende. Een gedicht is voor hem zuivere ernst, en niet zomaar woordenspel. Hij wil iets meedelen, hij wil waarschuwen en af en toe met de vinger wijzen en dwingen naar dat stuk van de wereld te kijken dat wij liever uit het zicht houden zodat we ons gemakkelijk voelen in ons leventje van elke dag. Zijn wereldbeeld is nogal somber. In gedichten waar dreiging van uitgaat en de hardheid van het leven beschreven wordt overweegt de concrete rechtstreekse zegging boven de beeldende.
De bundel vraagt een inspanning, maar het loont duidelijk de moeite de gedichten te lezen en opnieuw te lezen. Dat is ook noodzakelijk, één vluchtige lezing heeft hier geen zin. Af en toe een paar gedichten zodat de inhoud doordringt en kan bezinken. Graag gelezen.

Door het bos: de bomen en de mens, Staf De Wilde, Uitgeverij Het Punt, Dendermonde, 2013, ISBN 9789460791246

(Hervé J. Casier)

De gewichtlozen

Snuffel rond op begraafplaatsen, zwerf in parken, slaap op zolder. Voeg daar esbattementen in de New Yorkse metro aan toe en schrijf dan een fascinerende roman: de Mexicaanse Valeria Luiselli deed dit allemaal in De gewichtlozen.
Aanvankelijk alterneren in de roman twee verhalen, in hapklare stukjes opgedeeld. Je hoort een moeder van twee: een baby en een grappige kleine jongen. Het gezin woont in Mexico-City. Zij (Valeria’s alter ego!) werkt ’s nachts aan een roman. Haar echtgenoot, een scenarioschrijver, leest mee, soms openlijk, soms in het geniep.
Vroeger woonde zij helemaal alleen in een bijna leeg huis in New York. Zij was lector bij een kleine uitgeverij, gevestigd op 555 Edgecombe Avenue. Deze jongedame is de tweede stem. Zij gaat om met vreemde vogels als Moby, verkoper en vervalser van oude boeken, Dakota, zangeres, student filosofie Pajarote en buurman Enrico, een oceanograaf. In de bibliotheek van Columbia University stuit zij op een brief van de Mexicaanse dichter Gilberto Owen, die in de jaren ’20 verbleef op Morningside Avenue, in een gebouw dichtbij haar eigen woonblok. Valeria schrijft: dat was het moment dat ik ben beginnen te bestaan, alsof ik in beslag genomen werd door een ander mogelijk leven dat niet het mijne was, maar dat ik maar voor me hoefde te zien om er helemaal in op te gaan.
De jonge vrouw is geboeid door de dichter Owen. Zij schakelt Moby in om een vals typoscript te maken van Owens poëzie, die zou vertaald zijn door Louis Zukofsky, een dichter die in New York leefde in de eerste helft van de 20ste eeuw. Zij slaagt in haar opzet, maar brengt haar uitgever op de hoogte van de vervalsing. Desondanks volgt in de uitgeverswereld een stortregen van apocriefe manuscripten omtrent Owen. Gedichten uit Linea, een bundel die hij omstreeks 1930 publiceerde, duiken op in een verloren gewaand exemplaar van Exile, een tijdschrift met Ezra Pound als hoofdredacteur.
In het tweede deel van De gewichtlozen is Owen aan het woord. De schrijfster laat hem vertellen over zijn New Yorkse jaren (1928-1930) en (alternerend met de geschiedenis van haar gezinnetje) belicht zijn wederwaardigheden in de artistieke kringen van toen. Als Mexicaan vond Owen in Amerika moeilijk zijn weg; hij werd blind en stierf in Philadelphia. Owens brieven en gedichten fungeren als een spiegel voor Valeria Luiselli’s ervaringen. Aan het einde van de roman lijken hun beide levens in elkaar over te vloeien, ondanks de afstand in tijd en ruimte. Hoe meer het leven van Owen desintegreert, hoe meer de jonge vrouw vaste grond onder de voeten lijkt te verliezen. De schrijfster laat uiteindelijk een dramatische aardbeving in Mexico-City samenvallen met het relaas van de stervende Owen, vechtend tegen waandenkbeelden.
Valeria Luiselli schreef met De gewichtlozen een briljante roman. Zij jongleert met begrippen als fictie, herinnering, tijd en ruimte en schrijft over de onmogelijkheid de werkelijkheid te bewonen in het vluchtige, ongrijpbare hier en nu.

De gewichtlozen, Valeria Luiselli, vertaald door Merijn Verhulst, Uitgeverij Karaat, Amsterdam, 2014, ISBN 9789079770083

(Nicole Van Overstraeten)

Net geen 50 gedichten

publiceert de Antwerpse dichter en podiumkunstenaar Geert Briers in zijn debuutbundel Rots me in al je brandingen. Dit fraaie boekje is niet ingedeeld in cycli; achteraan bevindt zich een duidelijke index. Nog vóór de publicatie van de bundel introduceerde Geert Briers de gedichten live op het podium als volgt: Indien u deze nog niet gepubliceerde zinnelijke gedichten over lijf en liefde reeds kent, is het omdat u ze zélf al hebt beleefd.
De foto op de omslag is bijzonder: via Facebook lanceerde de dichter een oproep naar zijn potentiële lezers, om een voorwerp uit te lenen waaraan een warme (zinnelijke) herinnering gekoppeld is. Twaalf objecten (een koekjesdoos waarop een jonge Koningin Fabiola, een kabouter, een moederlijke portemonnee, een nostalgisch lucifersdoosje) zorgen voor een ludieke opstelling én een originele cover.
De bundel vangt aan met een citaat uit Summer, Highlands Falls uit 1976, een song van Billy Joel: For we are always what our situations hand us. It’s neither sadness or euphoria. In het gedicht Mag ik verwerkt Geert Briers citaten van Toon Tellegen en Stef Bos. Het ampere van fluweel, het laatste gedicht, is ondertekend met een interpretatie van Le vent nous emportera van de Franse rockgroep Noir Désir. Briers’ enthousiaste en soms extatische ontboezemingen over de liefde en de zinnelijkheid, monden voorspelbaar uit in een langgerekt, bitterzoet débacle: zwart verlangen / …alles verdwijnt / uiteindelijk / toch / … ik ben niet bang / voor wat voor ons ligt/ we zien wel / we proeven wel /… van het middenrifverlangen naar elkaar / of het boeten voor een passionele moord / tot het ampere van fluweel / zelfs al dient het tot niets/ deze streling / deze pijn/ deze wonde / die we beiden voelen tintelen…
Geert Briers’ taal is lichtvoetig, lenig en op een leuke manier concreet. Zijn taalgebruik is virtuoos. Als geen ander tovert hij bijvoorbeeld, net zoals in de titel Rots me in al je brandingen, zelfstandige naamwoorden om tot werkwoorden: ik hologram je, ik derwich mezelf en zo schandpaal ik je. Ook voor nieuwgevormde samenstellingen draait hij zijn hand niet om: een ontdekkingsstrooptocht, een sachertortverlangentaart of een kwartfinalewereldbekerverliezer. Briers’ verzen wemelen trouwens van termen uit de moderne communicatiewereld: Je koppelt je geest wireless aan het surround systeem van je zintuigen. Wat natuurlijk aan de bundel een eigentijds en jong cachet verleent.
Geert Briers schrijft lange, verticale gedichten. Soms is een gedicht een reeks korte verzen, onder elkaar opgetekend. Soms is zijn gedicht een lange emotionele en tegelijk abstracte uitweiding. Daar is niks mis mee: het vakkundig gebruiken van witruimte is een kunst, zo ook het uitrafelen van gedachten en gevoelens. Maar soms deinen de draden van zijn verzen weg, als in een eindeloze sleep van mousseline. Wat belangrijk is verliest zo aan kracht. Toch is Rots me in al je brandingen een frisse, tedere bundel, die zeker zijn weg naar het publiek zal vinden!

Rots me in al je brandingen, Geert Briers, Uitgeverij P, Leuven, 2013, ISBN 978-94-91455-27-8

(Nicole Van Overstraeten)

In de war

Het moderne dichten voelt zich uitstekend thuis tussen verwarring en hoop en tussen mislukking en droom. Je kunt er iets mee: de ontnuchterende werkelijkheid die zich van buitenaf opdringt en de innerlijke waarheid die poëzie als vanzelf is.
Op zoek naar een essentie (ach, je moet iets) struikelt een dichter om de haverklap en klampt hij bij onbetrouwbaarheden aan. Daar is niets mis mee. Maar je moet wel (zo onbedacht mogelijk) een slimme regie tot je werk toelaten.
Alain Delmotte is authentiek in de war in zijn gedichten. Hij probeert eens dit, hij probeert eens dat. Zo zoekt hij steun bij de grote Antonin Artaud en verzuipt vervolgens in een brij van ongeremdheid. Ja, je moet van goeden huize komen om overeind te blijven naast de manische genialiteit van een poète maudit.
Ondanks deze pagina’s lange uitglijder, een poëtisch breiwerk met als titel bȇte noire, hommage aan Antonin Artaud, heeft Delmottes nieuwe bundel uit de lucht gegrepen toch iets sympathieks. Deze dichter probeert tenminste en schiet toch ook een paar keer raak.
In de cyclus wat je hoort als je aan haar denkt beschrijft Delmotte wat hij ‘hoort’ als hij aan zijn overleden moeder denkt.

In het geluidloze kon het niet verzinken. Het verbleef / in het intieme, het fijne horen van het kind dat je was. / Je herinnert je hoe je luisterde naar het smeren van / boter op brood – zoals zij dat deed. // Ze neuriede het huis rond, alle kamers door. Haar / pronkkamers. Een huis dat ze je met dit geneurie liet / bewonen. Je hoort het zoals je het toen hoorde, zoals je / het nu hoort. (…) Later, de zekerheid dat ze wakker bleef als je sliep: / wat je hoorde als je deed alsof je sliep. Het op / kousenvoeten piepen van een deur, haar ademen als ze / over je heen boog. Je hoorde het allemaal: zij was het.

Trefzeker en ontroerend, dit verbinden van geluid met gedachte.

In aanbevelingen voor wie met dagdromen wil beginnen en in de daaropvolgende cyclus droomlamentatie meen ik iets van de manier van zeggen van Kavafis te herkennen. Delmotte komt er goed mee weg. (…) Maak dat deel van de droom waar dat niet waar / te maken is met dezelfde, met de nog grotere / onwaarschijnlijkheid als waarmee het licht ergens / neerstrijkt. En wel op dezelfde plek: waar je zit.

De bundel is zeer begaan met ‘warhoofdigheid’. drie feeën heeft – heel subtiel – het karakter van een dialoog. Een warhoofd geeft antwoord.

“Zeg eens, warhoofd, wat kreeg je bij je geboorte van de zon mee?”  Wat in iemand waait, wat in iemand woelt, wat / iemand overeind houdt in het zwijgen: een nood aan / spraak, aan naam.

Er is een en ander aan te merken op deze bundel: clichés, te lange (daardoor zwakke) gedichten en soms het te prozaïsche karakter. Maar de dichterlijke gekte charmeert. 

uit de lucht gegrepen, Alain Delmotte, Uitgeverij De Contrabas, Utrecht, 2013, ISBN 978-90-79432-77-6

(Erick Kila)

Heidens retabel

Na vier bundels te hebben gepubliceerd bij de bibliofiele uitgeverij Kleinood & Grootzeer in Nederland, verschijnt de nieuwe  bundel  van Willem M. Roggeman  onder de titel Heidens retabel bij Uitgeverij De Vries-Brouwers. Het is een van die weinige uitgeverijen die zich nog toeleggen op het uitgeven en verspreiden van dichtbundels. Van de in 1935 geboren en volgend jaar juli zijn 80ste verjaardag vierende Roggeman heeft de afgelopen tien jaar al ongelooflijk veel  gepresteerd. Naast  bundels waren er geregeld vertalingen en werd hij gevraagd om te komen optreden tijdens poëziefestivals, er werden cd’s uitgebracht waarop hij gedichten leest, begeleid door een jazz ensemble. Het buitenland erkent hem als een belangrijk Europees dichter, maar in zijn eigen taalgebied lijkt hij te worden ingehaald en vergeten door de jongere generaties. Geen nood, men herontdekt hem wel wanneer de tijd ervoor rijp is. En de recente bundel kan in die evolutie  een belangrijke stap  betekenen.Want het moet gezegd dat deze verzameling gedichten, opgedeeld in zes aparte luiken of afdelingen, ronduit  subliem mag worden genoemd. Ik vraag me af of hij dit nog wel kan overtreffen, en daarbij geeft  hij  zonder discussie zovele anderen  het nakijken.Op de cover staat de afbeelding van een werk van Jan Cox terwijl achtereen een portret in pastel staat afgebeeld, dat dezelfde kunstenaar in 1980 maakte van Roggeman. In het kort de inhoud en de verschillende elementen opsommen waarmee de bundel werd opgebouwd is geen sinecure, laat staan een analyse geven. De variaties zijn zo talrijk, de verwijzingen, ook de vorm van de gedichten verschilt onderling: enkele kortere, maar overwegend lange gedichten, steeds met die onwankelbare geestdrift geschreven, die ik zou haast zeggen beteugelde overmoed waarmee hij culturen in kaart brengt, schilders en componisten, schrijvers, zodat je niet anders kunt dan de bundel geduldig, aandachtig en met mondjesmaat lezen. Zoals vaak bij hem zit er een essayistisch of zogenaamd documentair element in verweven, het verleden en de actualiteit sluiten naadloos bij mekaar aan, maar het is duidelijk dat de herinnering en de tijd het geheel domineren. Vele langere gedichten bevatten sterk uitgewerkte prozaïsche gedeelten, of zijn zelfs haast een verhaal in poëzievorm. Er staan enkele gedichten in die al in een vorige bundel werden opgenomen, zoals dat over de Amerikaanse dokter en dichter William Carlos Williams, mooi verwoord en vol waarachtigheid. Of er is het gedicht over Goethe, een verstrengeling van data en feiten, verpakt in een fraai taalkader. Natuurlijk ontbreekt de jazzmuziek niet, evenmin het sober-heldere liefdesgedicht voor zijn vrouw, Louise.Hier is een dichter aan het woord die je met zijn métier overbluft, maar niet teveel, ik bedoel dat het geen egotripperij is maar de lezer constant blijft aanspreken. Verdriet komt ook altijd te laat, is er altijd/ achteraf, om iets dat er zelf niet meer is. / Je merkt het, alles wat voorbij is, is al weg,/ En wat je voor het laatst ziet, sterft in jou. Een meesterwerk.

Retabel, Willem M. Roggeman, C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2014, ISBN 978 9059 276 413

(Guy van Hoof)

Trommelvuur

Omdat het een eeuw geleden is dat die onzalige Groote Oorlog uitbrak roken heel wat uitgevers hun kans om in te haken op de belangstelling daarvoor. Het aantal boeken dat routes aanbiedt langs de militaire begraafplaatsen in de Westhoek en Noord-Frankrijk is quasi talloos (terwijl het uitstekende Velden van weleer – Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog van Chrisje en Kees Brant uit 1993 nog gewoon in druk is). In het enorme aanbod toch ook enkele uitschieters van literaire kwaliteit. Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans is een prima roman (die ik hier eerder besprak), maar er is ook een gave bundel verschenen naar aanleiding van het droeve lustrum: Trommelvuur van de Antwerpse dichter Paul Vincent (° 1960).
Net als Hertmans werd Vincent aan het schrijven gezet door wat zijn grootvader aan ‘den Yser’ had meegemaakt. ‘Was het daarom dat hij zelden sprak, onrustig sliep, steeds verdween op zijn verjaardag, bijna doof bleek ? Het kleinkind werd groot, zocht antwoorden, las de verhalen, zag de littekens in het landschap, schreef de zoektocht neer in gedichten.’ licht de flaptekst toe.
Trommelvuur (pakkende titel!) bevat 48 veelal vrij lange (al zijn er ook enkele heel beknopt, als Afwezigheid: geen god te bespeuren / dus daarom vechten we // zelfs op zon- en feestdag) verzen, alsmede een flink aantal – dikwijls wrange – foto’s van het toenmalige front en van verschillende gedenkplaatsen.
Vincent belicht op indringende wijze allerhande facetten van de gruwel van het front. Niet alleen het effect daarvan op de belligerenten, maar bijvoorbeeld ook op de vele paarden die werden geslachtofferd (de hoeven op de stenen / sloegen vonken in de nacht uit Pegasus). De dichter vervalt niet in pathetiek of valse verontwaardiging maar schrijft haast objectiverend nuchter. Enkele voorbeelden : wie zijn wij toch / dat we de aarde doen beven / ons laten ontbinden / tot naamloze lijken (uit Overtocht); iemand heeft jou naar zich toegehaald / de zakken leeggeroofd wat rest / een foto van dame te paard (Uit de vaart genomen) en vanop de dijk halen we de vliegtuigen / neer die wij jong nog dachten te bouwen // van verbleekte krant en gespleten bamboe / we zouden onze namen schrijven in de staart // en vleugels bedenken met een spanwijdte / als het nu doelloze voetbalplein bij de beek (Luchtafweer). Het lijkt soms wel of Paul Vincent er zelf bij is geweest, zo aangrijpend en geloofwaardig weet hij de curieuze mix van angst, doodsverachting, moed en wanhoop op te roepen.
In de lijst met boeken die hij las om zich voor te bereiden op deze bundel mis ik vreemd genoeg wel de voor een beter begrip van deze mensonterende oorlog mijns inziens toch onmisbare boeken als Goodbye To All That van Robert Graves, Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque en In Stahlgewittern van Ernst Jünger. Maar deze opmerking heeft niets met de bundel zelf te maken: Trommelvuur is een ijzersterke bundel !

Trommelvuur, Paul Vincent, eigen beheer, Retie, 2014, ISBN 978 1 291 52019 4

(Bert Bevers)