Dubbelkunstenaar Mark Meekers (pseudoniem van Marcel Rademakers) is een heel bezige bij. Behalve als beeldend kunstenaar en (mede)oprichter van internationale kunstgroepen als Lumen Numen (1967) en Fusion, artistes peintres du Sud-Ouest (1982) is hij actief als romancier, essayist en – vooral – als dichter. Zo publiceerde hij vorig jaar, bij wijze van protest tegen de genocide waarvan de Palestijnen het slachtoffer zijn, de opmerkelijke bundel Tabula Gaza (2025) en het jaar daarvoor de monumentale roman Het verfwinkeltje van Père Tanguy (2024). Dat Meekers een sociaal bewogen schrijver is, bleek eerder al uit zijn engagement als eerste dorpsdichter van Doel (2007-2009) en zijn aanwezigheid als ‘poëzie-ambassadeur’ op het grensoverschrijdende Woordfees in Namibië (Windhoek, 2013).
Ook in MA TA DI, dat een lyrische inkijk geeft in de gelijknamige ‘tuinwijk’, architectonisch erfgoed aan de rand van Leuven en vernoemd naar de Congolese havenstad, duiken sporen op van verzet tegen sociale ongelijkheid. Zo verheft hij zijn stem tegen bejaarden die ooit in / verbrande bedjes lagen en rechtse liedjes fluiten en burgerlijk tuttige diplomaten. En soms krijgt die ongelijkheid zelfs een ideologische of politieke dimensie: wij waren het witte huis waarin de zwartjes / woonden. een die met de hond van de / burgemeester praatte. Toch overheerst meestal een nostalgische toon, zeker wanneer het ‘vaderhuis’ en het ‘geadopteerde’ eigen huis ter sprake komen. Tegelijk tracht de dichter een zekere afstandelijkheid te bewaren. Daarvoor geldt het ‘ganzenperspectief’ als een mooie metafoor. Dat keert treffend terug in Nederig neerbuigend: ik bind mijn vleugels weer aan, blik vanuit / de hoogte op de tuinwijk. Wellicht kijkt Icarus mee over de schouder van de dichter.
De bundel bestaat uit zes reeksen van vijf of zes rijmloze gedichten die telkens uit vier strofen – meestal kwatrijnen – opgetrokken zijn, al sluipt spaarzaam binnenrijm in het naar parlando neigende register binnen. De dichter, die woordenfluisteraar / treurt om de taal die haar tong verliest, maar kruidt zijn eigen idioom met verrassende beelden. Zo ‘danst’ in het entreegedicht, een enkele stokroos nog de charleston, terwijl elders kwajongens de vlekken [vangen] in een vlindernet, en klinkt nog deze aforistische zekerheid op: morgen knikkeren / de kinderen weer met onze tranen.
Bovendien grossiert de dichter in personificaties van allerlei aard. Die suggereren wellicht dat de wijk, hoewel gelegen onder de stolp van erfgoed en conventies, een levenskrachtig organisme is gebleven, dat deint op de wisseling van de seizoenen. Zo loopt de stilte zelden gehoor- / schade op, schrijdt de tijd op slepende voeten, [lopen] de dakpannen weer rood aan, en [kijkt] de hortensia mij aan met haar lapis / lazuliblauwe ogen. In enkele gedichten krijgen respectievelijk ‘het huis’ en ‘de storm’ bijna animistische proporties: de storm / was onstuimig, maar kortademig, gaat // liggen. De van jong leven gonzende wijk lijkt te gedijen onder het overvloedige licht van de maan. Zij is de vaak opduikende compagnon van de zon, zoals uit wij lossen op als sneeuw / onder de maan mag blijken. Het kan niet verbazen dat in het slotgedicht de maan glans [legt] over de dingen. En meteen over de hele bundel.
MA TA DI - Gedichten uit een tuinwijk, Mark Meekers, ARTsenicum, Leuven, 2026
(Yvan De Maesschalck)
