Literair panorama


Hoewel Andreas Van Rompaey een nog jonge literatuurwetenschapper is, heeft hij een behoorlijke staat van dienst. Behalve aan literaire idolen als Paul de Wispelaere en Johan Sonneville, wijdde hij essays aan diverse verhaaltechnische aspecten in Verhalen in perspectief (2021). En aan auteurs, die ondanks het grensverleggende karakter van hun projecten, niet helemaal mainstream zijn geworden. Auteurs als Tony Rombouts en Sybren Polet zijn daar voorbeelden van. Van Rompaey bundelde interviews met hen en anderen – zoals Noud Bles en Dirk Kroon – in De literaire roeping (2023). Ook aan de misdaadroman besteedde hij aandacht in De detective ontmaskerd (2025), dat besluit met een interview met Atte Jongstra (die inmiddels een spraakmakende biografie van Leo Vroman publiceerde). Daar voegde hij onlangs een groot aantal beknopte ‘boekbesprekingen’ aan toe in Literair panorama, dat treffend wordt ingeleid door Roger Nupie.

In het nieuwe essayboek presenteert de auteur de oogst van zijn kritische arbeid ‘tussen 2018 en 2026’. In het eerste luik Kritiek gaat zijn aandacht eens te meer uit naar auteurs die veeleer in de marge zijn gebleven of onvoldoende naar waarde zijn geschat (als Kris Delameillieure, Ina Stabergh, José Vandenbroucke) én auteurs die dankzij hun volgehouden vernieuwingsdrang intussen deel uitmaken van het literaire middenveld (als Alain Delmotte, Peter Holvoet-Hanssen, Willie Verhegghe, Paul Rigolle). Opvallend is dat de recensent álle schrijvers recht wil doen en zich onbevooroordeeld opstelt, al blijft het soms bij iets te algemene of vrijblijvende typeringen. Onder meer in het stuk over Guy van Hoofs jazzbundel Combinaties is sprake van ‘een zelfdestructief kantje’, waarbij nadere precisering achterwege blijft. Hetzelfde geldt voor de recensie van B.P. Arends debuutbundel, waarin gewezen wordt op ‘kernachtige verzen’ en ‘groeipotentieel’ maar concrete aanwijzingen ontbreken.

Los daarvan getuigen de recensies van synthetisch talent en stilistische helderheid. Tot de opmerkelijkste behoren die over de constrained writing-techniek, die Isha Van Alsenoy hanteert in het als scheurkalender geformatteerde boek Pierewaai (2024) en Willem M. Roggeman in zijn uit één zin opgebouwde novelle Een warme stem op een winteravond (2022): een monoloog die doet denken aan proza van Claude C. Krijgelmans, Samuel Beckett en Marcel Proust, en die leest als een bespiegeling over ‘de zin van dit leven’ en het schrijverschap. Roggeman wordt overigens uitvoerig gefêteerd in het in de Kroniek opgetekende interview van 25 oktober 2025 naar aanleiding van diens negentigste verjaardag.

In dezelfde kroniek zijn nog drie essays opgenomen die Van Rompaeys ruimhartige kijk op de hedendaagse literatuur illustreren. Er is een essay over concrete en visuele poëzie in Vlaanderen, met aandacht voor Renaat Ramon, Paul de Vree en Erik Slagter. Het sluit naadloos aan op het door Ramon, Willy Tibergien en hemzelf sinds kort verzorgde tijdschrift AⱭDA (met in nummer IV een uitstekend essay van Delmotte over ‘de spatialistische poëzie’ van Ilse en Pierre Garnier). Van veeleer periliterair belang lijkt het opstel over Julien Weverberghs ‘ufoboeken’, waarvan onduidelijk is ‘in hoeverre de auteur deze als onderdeel van […] zijn oeuvre beschouwde’. Instructief is wél het opstel over ‘de representatie van technologie’ in enkele vroege romans van Ilja Leonard Pfeijffer en Peter Verhelst. Het demonstreert dat Van Rompaey indringend leest en oog heeft voor verbanden/parallellen tussen Noord en Zuid.

Literair panorama. Verzamelde boekbesprekingen, Andreas Van Rompaey, Eburon, Utrecht, 2026, ISBN 9789463015981

(Yvan De Maesschalck)