De transformatiemachine


Bo Vanluchene is transgender. In de debuutbundel De transformatiemachine wordt het transitieproces gethematiseerd. Daar is niets op tegen. Verre van. Alleen mogen we ons daar niet op blind staren. In poëzie gaat het over hoe iets wordt verwoord, over de veelzijdige spankracht aan expressiviteit. Bo Vanluchene is in de eerste plaats een dichter. Daar valt niet over te twijfelen. Ik zal Vanluchene daarom verder als dichter aanspreken. Ik zal hier proberen na te gaan wat er in deze teksten aan poëzie te lezen valt.

De bundel bestaat uit ‘5 stappen’ genoemde cycli. Vijf stappen naar transitie, vijf stappen als een zoektocht naar zichzelf (iets waarin iedereen zich kan herkennen). Dit betekent alle opgedrongen ‘camouflage’ van zich afwerpen. Die zoektocht is niet vanzelfsprekend en is nooit af: mezelf leren kennen is een langetermijnproject.

De eerste reeks speelt zich op het particuliere terrein af. Een vader, een moeder, een grootvader en -moeder worden herkenbaar geëvoceerd. Het gezin als broedplaats voor een identiteit in de maak. Het eerste gedicht haar handen, haar handen is zonder meer een voltreffer. De handen van de dichter worden vergeleken met de handen van de moeder totdat ‘haar handen in mijn handen’ passen. Meteen maken we hier kennis met Vanluchenes stijl en taalvermogen: doordenkt met een oraal-ritmische klank-, woord- en taalspel. Er is luchtigheid. Maar onderhuids blijft iets onuitspreekbaar: Elke geboorte start met een schreeuw.

In de tweede cyclus Verander had de ingreep plaats. koelbloedig tol ik rond mijn as/(…)/mijn omhulsel uit, ik kijk om/& schrik van de holle huid die ik was. Grappig zijn de twee gedichten onder de titel in mijn broek. Een antwoord op de vraag die cisgenders stellen: wat zit er in je broek?’. Het antwoord is laconiek open het knoopje /zeg/eigenliefde.

Het transgender-zijn, roept vragen op want het stelt maatschappelijke normen in vraag. Wat niet altijd in dank wordt afgenomen waardoor transgenders in het bijzonder en de LHBTIQ+ gemeenschap in het algemeen op een soms vijandige manier in een geïsoleerde positie teruggedrongen worden. In de derde cyclus Error richt de focus zich naar het maatschappelijke. Dat gebeurt wel eens op een ludieke manier zoals in het gedicht hel, help waarin een dystopisch beeld wordt geschetst van een wereld die gedomineerd wordt door zombies. De veiligheidsraad kwam bijeen/moeten we uitroeien opvangen/kernbom/erop. De stemming wordt verdaagd: want de amerikaanse president kon helaas niet/aanwezig zijn/omdat zijn overleden moeder plots was opgedaagd.

De cyclus Stop bevat geen gedichten maar verzamelt wellicht al het onuitspreekbare waarover ik het daarnet had.

Hoewel we in de laatste cyclus Opnieuw een eerder militant gedicht wanneer (niet) te vluchten naar het buitenland te lezen is, stellen de gedichten meer existentiële vragen zoals in het gedicht sollicitatiegesprek met mezelf. De dichter maakt een persoonlijke en dubbelzinnige balans op met de nodige zelfironie: ik ben wolf met huidhonger, duif met pleinvrees/bromvlieg met vliegangst, dakloze huismus/ik ben niet wat het lijkt, uilskuiken/dat een zwaan lijkt. In ik nader de veertig is er een groeiend tijds-en doodsbesef. De vraag naar een toekomst wordt gesteld: ik nader het punt dat ik zal leren of ik echt/meer had moeten smeren/of ik mijn grijze wijze haren zal laten staan/of ik het pad naar mijn moeder of mijn vader/zal inslaan.

Vanluchene weet intelligent met de taal om te gaan. Een dichter met veel potentieel. Dit lichtjes (en vrolijk) provocerend debuut doet uitkijken naar komend werk.

De transformatiemachine, Bo Vanluchene, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978 94 64757 98 9

(Alain Delmotte)


Literair panorama


Hoewel Andreas Van Rompaey een nog jonge literatuurwetenschapper is, heeft hij een behoorlijke staat van dienst. Behalve aan literaire idolen als Paul de Wispelaere en Johan Sonneville, wijdde hij essays aan diverse verhaaltechnische aspecten in Verhalen in perspectief (2021). En aan auteurs, die ondanks het grensverleggende karakter van hun projecten, niet helemaal mainstream zijn geworden. Auteurs als Tony Rombouts en Sybren Polet zijn daar voorbeelden van. Van Rompaey bundelde interviews met hen en anderen – zoals Noud Bles en Dirk Kroon – in De literaire roeping (2023). Ook aan de misdaadroman besteedde hij aandacht in De detective ontmaskerd (2025), dat besluit met een interview met Atte Jongstra (die inmiddels een spraakmakende biografie van Leo Vroman publiceerde). Daar voegde hij onlangs een groot aantal beknopte ‘boekbesprekingen’ aan toe in Literair panorama, dat treffend wordt ingeleid door Roger Nupie.

In het nieuwe essayboek presenteert de auteur de oogst van zijn kritische arbeid ‘tussen 2018 en 2026’. In het eerste luik Kritiek gaat zijn aandacht eens te meer uit naar auteurs die veeleer in de marge zijn gebleven of onvoldoende naar waarde zijn geschat (als Kris Delameillieure, Ina Stabergh, José Vandenbroucke) én auteurs die dankzij hun volgehouden vernieuwingsdrang intussen deel uitmaken van het literaire middenveld (als Alain Delmotte, Peter Holvoet-Hanssen, Willie Verhegghe, Paul Rigolle). Opvallend is dat de recensent álle schrijvers recht wil doen en zich onbevooroordeeld opstelt, al blijft het soms bij iets te algemene of vrijblijvende typeringen. Onder meer in het stuk over Guy van Hoofs jazzbundel Combinaties is sprake van ‘een zelfdestructief kantje’, waarbij nadere precisering achterwege blijft. Hetzelfde geldt voor de recensie van B.P. Arends debuutbundel, waarin gewezen wordt op ‘kernachtige verzen’ en ‘groeipotentieel’ maar concrete aanwijzingen ontbreken.

Los daarvan getuigen de recensies van synthetisch talent en stilistische helderheid. Tot de opmerkelijkste behoren die over de constrained writing-techniek, die Isha Van Alsenoy hanteert in het als scheurkalender geformatteerde boek Pierewaai (2024) en Willem M. Roggeman in zijn uit één zin opgebouwde novelle Een warme stem op een winteravond (2022): een monoloog die doet denken aan proza van Claude C. Krijgelmans, Samuel Beckett en Marcel Proust, en die leest als een bespiegeling over ‘de zin van dit leven’ en het schrijverschap. Roggeman wordt overigens uitvoerig gefêteerd in het in de Kroniek opgetekende interview van 25 oktober 2025 naar aanleiding van diens negentigste verjaardag.

In dezelfde kroniek zijn nog drie essays opgenomen die Van Rompaeys ruimhartige kijk op de hedendaagse literatuur illustreren. Er is een essay over concrete en visuele poëzie in Vlaanderen, met aandacht voor Renaat Ramon, Paul de Vree en Erik Slagter. Het sluit naadloos aan op het door Ramon, Willy Tibergien en hemzelf sinds kort verzorgde tijdschrift AⱭDA (met in nummer IV een uitstekend essay van Delmotte over ‘de spatialistische poëzie’ van Ilse en Pierre Garnier). Van veeleer periliterair belang lijkt het opstel over Julien Weverberghs ‘ufoboeken’, waarvan onduidelijk is ‘in hoeverre de auteur deze als onderdeel van […] zijn oeuvre beschouwde’. Instructief is wél het opstel over ‘de representatie van technologie’ in enkele vroege romans van Ilja Leonard Pfeijffer en Peter Verhelst. Het demonstreert dat Van Rompaey indringend leest en oog heeft voor verbanden/parallellen tussen Noord en Zuid.

Literair panorama. Verzamelde boekbesprekingen, Andreas Van Rompaey, Eburon, Utrecht, 2026, ISBN 9789463015981

(Yvan De Maesschalck)

Raamsopranen


De Nederlandse dichter Henk Ester debuteerde in 2013 met de bundel Bijgeluiden, bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut van het jaar 2013, uitgereikt op Poetry International. Bijgeluiden is het eerste deel van de gelijknamige bundelcyclus. Daarna volgden, met telkens drie jaar tussen de opeenvolgende bundels, E-groot is rood (2016), Het vermoeden van Witten (2018), Wiskunde van lyriek (2021), Kameren van Vuur (2023) en recent verscheen het zesde deel, net als de vorige uitgegeven bij De Arbeiderspers: Raamsopranen.

“In dit zesde deel van Esters bundelcyclus Bijgeluiden legt de dichter zijn oor te luisteren bij de klank als klank”, lezen we op de achterflap. En ook: “Wie in Utrecht over de Mariaplaats loopt, hoort – met een beetje geluk – flarden violen en raamsopranen. Toonladders. Of de ramen nu openstaan of niet, het conservatorium laat van zich horen. Klanken. De kunst van beginnen”.

De 17 cycli, variërend van twee tot vijf gedichten, op vier na alle zonder eindpunt, kregen ook de titel Bijgeluiden mee en zijn Romeins genummerd. Klanken blijken inderdaad een centraal gegeven. Uit de cyclus Bijgeluiden LXXXVIII- Stilaan het gedicht Doorslaan:

Klanken zeggen niets, maken van verre buren
lokaal publiek, kennen geen territoriumdrift
het zijn lokalen die marcheren Klanken zijn
non-lokale drift, geven aan alles en iedereen
de ruimte, niet specifiek, citeren zonder waarom
Klanken zoeken niet, zijn: publiek, vrij, open
wegkijkend beginnend kamermuziek Klanken
zeggen niets, vieren geven, kameren publiek

Uit de cyclus Bijgeluiden XCI - Doorslaan het gedicht Binnenskamers:

klanken wachten niet op woorden

zij wachten buren binnenskamers
het vermoeden van een taal

wachtwoorden waarin klanken resoneren

rondzingend kameren klanken de vreugde
van verlopen rituelen en wachten woorden

ruimte van vertrek

De dichter is een (over)denker. Uit de cyclus Bijgeluiden XCIII – Inwonen het gedicht “Mijn brein staat open”. In de Aantekeningen wordt vermeld dat dit een uitspraak is van de Hongaarse wiskundige Paul Erdös.

Het spookdeeltje in het denken schreeuwt tutti en vertrekt
Motor van meercelligheid Drijft kamers uiteen Voordat zij
zijn ingericht Zijn lyriek is vreugde Opmerkzaamheid
Dirigeert een onuitgesproken vlucht Verlangt niets
Hoort eenvoud, neemt afscheid Deelt geen begrip, geen
onbereikbaar slotakkoord Spookdeeltje Dat het diepste
zwart bedacht Het felste licht heeft voorgesteld Het duurt
Blijft achter bij wat het voorstelt en vertrekt Er huist
een dichter in het denken.

Muzikaliteit troef in deze bundel. De plaat Kind of Blue van Miles Davis inspireerde de dichter tot dit gedicht:

Blue in Green

hoe hij
in de vanzelfsprekendheid van de grond
wegsterft op 39 kilometer hoogte
hoe hij
opvliegend in de vreugde van vertrek
weegt
de vleesvergeten chaos van afwezigheid

hoe hij
roept in herinnering
windkamers wachtend de zweefdraad
hoe hij
instantaan dáár op hoogte
wordt
een lofzang op verlaten

Met deze aantekening bij “verlaten”: Van Dale: over of uit laten vloeien; wijn verlaten, van het ene vat in het andere gieten.

Henk Ester heeft binnen dit streng gestructureerde en volgehouden concept van Bijgeluiden een intrigerende, gevarieerde bundel afgeleverd.


Raamsopranen, Henk Ester, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 978 90 295 5559 3.

(Roger Nupie)

Wie is bang van possibilisme?


De term was mij onbekend, voorgaande ‘odes’ heb ik niet gelezen. Voor mezelf en de onvoorbereide lezer formuleer ik een korte inleiding, voor meer info verwijs ik naar het woord vooraf van Frank De Vos.

‘Het possibilisme was een reformistische, socialistische stroming die tussen 1881 en 1905 een belangrijke (politieke) rol speelde in Frankrijk. Grondlegger was Paul Brousse, die wilde het socialisme invoeren door middel van geleidelijke politieke hervormingen.’ (met dank aan Wikipedia). De beweging ging op in een groter geheel, de naam geraakte blijkbaar in onbruik maar werd weer opgepikt door de Zweed Hans Rosling. Men raadplege hierover de Ted lezingen op YouTube waar de wetenschapper vlot, humoristisch en gewapend met statistieken zijn vooruitgangsoptimisme weet over te brengen. Op haar beurt pikte wijlen VUB-rector Caroline Pauwels de term op, maakte die tot steunpilaar van haar ideeën omtrent Verlichting en levenskunst, dit vanuit Humanistisch perspectief; een radicale inzet voor een betere toekomst, uitgedrukt in publicaties als Ronduit. Vat men de term filosofisch op dan stelt het possibilisme dat er dingen (gebeurtenissen) zijn die niet bestaan maar wel hadden kunnen bestaan, noem het een alternatieve actualiteit. De vraag luidt dan: zijn waarschijnlijkheden onmogelijkheden als je de complete gegevens hebt? Possibilisme staat hier tegenover determinisme.

In de bundel Ik wil begrijpen, tegenspraak en vernieuwing brengen zes dichters een (volgende) ode aan het possibilisme. In drie delen brengen ze per thema elk één gedicht naar voor.

Eerste deel: IK WIL BEGRIJPEN, HANNAH ARENDT

Astrid Arns, Grip (fragment)

We vonden een mompelend lichaam in het gras.
Ooit iemands dochter, onder kranten en vodden,
de armen gekruist. Vuil likte met tongen.


Is begrijpen mogelijk, worden we niet voortdurend geconfronteerd met het onbegrijpelijke? Bestaat er zoiets als een maakbare samenleving?

Max Temmerman, Sterrenkijker (fragment)

Het is een grijs niet-weten dat ons bindt.
We hebben nachten vandoen met sterren
die op één lijn lijken te staan, blindelings.
Verbind de stippen en wat zie je?


Ook deze dichter twijfelt aan de greep die we hebben op de werkelijkheid, oriëntatie is moeilijk, we turen in de nacht en verbinden de stippen.

Tweede deel: TEGENSPRAAK

Bart Stouten, In stille dialectiek (fragment)

Storm schrikt de zee op. Zo plots.
Ik wil mijn tegenspraak begrijpen
ontgrendel een donker universum
dat nieuwsgierig op me wacht


De dichter zet een stap richting het onbekende, een raadselachtige mogelijkheid dient zich aan, dit roept verzet op.

Frank De Vos, -isme fobie (fragment)

Met dit vers breek ik open.
Bij het haar sleur ik woorden over dit blad
en trek een frontlijn.


De ik-figuur verzet zich tegen elk -isme, wil van geen wijken weten, vol vertrouwen vuurt hij woorden af. Gaat het om een papieren tijger?

Derde deel: VERNIEUWING

Jana Arns, Aokigahara (fragment)

De klok wijst overuren aan
wanneer ze inlogt, zich verbindt
met wie ook een eindtijd koos.


Zelfmoord blijft een mogelijkheid, oud als de mensheid, nieuw is deze Japanse manier, websites die uitnodigen tot de dood.

Paul Demets, Zandvorm (fragment)

Zand stuift op tot meer zand.
Het andere is hetzelfde.
Er is geen vreemde die ligt te slapen
Die vreemde dat zijn wij.


Een steeds veranderend landschap, creatie van zand en wind, kan er sprake zijn van wezenlijke vernieuwing? Ook de andere dichters dragen in het laatste deel bepaald niet bij tot een hoopvolle conclusie, men beluistert hier eerder ironische en droevige tonen. Enigzins spijtig? Had het anders gekund of moest het zo zijn? Het antwoord van de possibilist laat zich raden.


Ik wil begrijpen, tegenspraak en vernieuwing. Een volgende ode aan het possibilisme, met tekeningen van Anne Van Herreweghen, Uitgeverij P, Leuven, 2025

(Cel Vermeulen)