'De maan legt glans over de dingen'


Dubbelkunstenaar Mark Meekers (pseudoniem van Marcel Rademakers) is een heel bezige bij. Behalve als beeldend kunstenaar en (mede)oprichter van internationale kunstgroepen als Lumen Numen (1967) en Fusion, artistes peintres du Sud-Ouest (1982) is hij actief als romancier, essayist en – vooral – als dichter. Zo publiceerde hij vorig jaar, bij wijze van protest tegen de genocide waarvan de Palestijnen het slachtoffer zijn, de opmerkelijke bundel Tabula Gaza (2025) en het jaar daarvoor de monumentale roman Het verfwinkeltje van Père Tanguy (2024). Dat Meekers een sociaal bewogen schrijver is, bleek eerder al uit zijn engagement als eerste dorpsdichter van Doel (2007-2009) en zijn aanwezigheid als ‘poëzie-ambassadeur’ op het grensoverschrijdende Woordfees in Namibië (Windhoek, 2013).

Ook in MA TA DI, dat een lyrische inkijk geeft in de gelijknamige ‘tuinwijk’, architectonisch erfgoed aan de rand van Leuven en vernoemd naar de Congolese havenstad, duiken sporen op van verzet tegen sociale ongelijkheid. Zo verheft hij zijn stem tegen bejaarden die ooit in / verbrande bedjes lagen en rechtse liedjes fluiten en burgerlijk tuttige diplomaten. En soms krijgt die ongelijkheid zelfs een ideologische of politieke dimensie: wij waren het witte huis waarin de zwartjes / woonden. een die met de hond van de / burgemeester praatte. Toch overheerst meestal een nostalgische toon, zeker wanneer het ‘vaderhuis’ en het ‘geadopteerde’ eigen huis ter sprake komen. Tegelijk tracht de dichter een zekere afstandelijkheid te bewaren. Daarvoor geldt het ‘ganzenperspectief’ als een mooie metafoor. Dat keert treffend terug in Nederig neerbuigend: ik bind mijn vleugels weer aan, blik vanuit / de hoogte op de tuinwijk. Wellicht kijkt Icarus mee over de schouder van de dichter.

De bundel bestaat uit zes reeksen van vijf of zes rijmloze gedichten die telkens uit vier strofen – meestal kwatrijnen – opgetrokken zijn, al sluipt spaarzaam binnenrijm in het naar parlando neigende register binnen. De dichter, die woordenfluisteraar / treurt om de taal die haar tong verliest, maar kruidt zijn eigen idioom met verrassende beelden. Zo ‘danst’ in het entreegedicht, een enkele stokroos nog de charleston, terwijl elders kwajongens de vlekken [vangen] in een vlindernet, en klinkt nog deze aforistische zekerheid op: morgen knikkeren / de kinderen weer met onze tranen.

Bovendien grossiert de dichter in personificaties van allerlei aard. Die suggereren wellicht dat de wijk, hoewel gelegen onder de stolp van erfgoed en conventies, een levenskrachtig organisme is gebleven, dat deint op de wisseling van de seizoenen. Zo loopt de stilte zelden gehoor- / schade op, schrijdt de tijd op slepende voeten, [lopen] de dakpannen weer rood aan, en [kijkt] de hortensia mij aan met haar lapis / lazuliblauwe ogen. In enkele gedichten krijgen respectievelijk ‘het huis’ en ‘de storm’ bijna animistische proporties: de storm / was onstuimig, maar kortademig, gaat // liggen. De van jong leven gonzende wijk lijkt te gedijen onder het overvloedige licht van de maan. Zij is de vaak opduikende compagnon van de zon, zoals uit wij lossen op als sneeuw / onder de maan mag blijken. Het kan niet verbazen dat in het slotgedicht de maan glans [legt] over de dingen. En meteen over de hele bundel.

MA TA DI - Gedichten uit een tuinwijk, Mark Meekers, ARTsenicum, Leuven, 2026

(Yvan De Maesschalck)

Het zware woord heimwee


Tijs van Bragt is een dichter die meer erkenning verdient. Al vier bundels lang winnen zijn gedichten aan scherpte en pregnantie. Op de voorgrond staat het Zeeuwse landschap (dat door een panoplie van planten, vogels en andere dieren wordt bewoond). De zee maakt van dit landschap deel uit. Alsook de kleine dorpen die in al zijn bundels sporadisch vernoemd worden. In het geval van deze nieuwe bundel Anatomie van de grassen is dat Nieuwerkerke Schutje. Een smalle wereld zou je kunnen zeggen maar in de breedte lijkt het op een poëtisch archetype. Een metafoor voor ‘Leven’ – het woord wordt effectief met een hoofdletter geschreven. Op de achtergrond woedt een tweespalt. Er is de natuur die vurig met de taal wordt beleden (opsommingen van planten en vogels). Maar er hangt altijd iets duisters en bedreigends boven deze gedichten. Het is die tweespalt, die kwetsuur die zijn schriftuur beklemmend maakt.

Van bij het begin is de aardse toestand duidelijk: De staat van de wereld vind je in die weide./ze bouwt aan de verte en spiegelt klein te blijven voor./En de mens schuift op. De ‘mens’ eist de verte voor zich op, hij wenst niet klein te blijven. Hij verbreekt, verliest hiermee het evenwicht dat we oorspronkelijk met de omgeving hadden. De breuk tussen de mythische tijd (toen we nog weet hadden van de ’anatomie van de grassen’) en de geseculariseerde tijd van de massaconsumptie die is overgeleverd aan de zee van handel, van slavernij, de plezier- en ijscozee. De wereld is die van het antropoceen: ik ben opgestaan in het antropoceen/heb de eindigheid van een voorraadkast/en een vloedlijn dichterbij zien komen. De breuk betekent het verlies van oorspronkelijkheid: ik die niet meer weet om te keren/tot mijn oorspronkelijke vorm. Er ontstaat een ‘gemis’. De bundel wenst dit gemis in beeld te brengen door een ‘kartografie van een ontbreken’ uit te tekenen. Het wordt als volgt geresumeerd: een oude melodie zoekt een stem boven de velden/je wil het geen hymne noemen, maar dat is het wel/het oude thema van mist, nacht en het zware woord/heimwee. Het kinderlied van de ‘wildeman’ werd een lied van ontbreken en dat betekent een lied voor lijden, voor verdergaan.

De dichter stelt vast: er brandt gemis in je vuisten en er valt iets zwaars over je waar je vanaf moet raken. Want het zwart van de nacht overviel hem: sinds de mens en het dorp verging/kleden zij zich in een dek van rouw//een zwarte sluier ligt over de polder/de ondiepte van het water licht op. Zou de poëzie een baken, een compensatie voor het ontbreken kunnen zijn? geef me een woord om in te geloven/en ik zal het schrijven.

Het ecologische thema van de bundel lijkt modieus maar dat is het bij deze dichter in de kern niet. Zoals Van Bragt het ziet wordt de verloedering als een metafysisch probleem ervaren. De betrokkenheid met de natuurlijke omgeving zit hem namelijk diep in het vel, diep in zijn gedichten. Het is een quasi ontologische kwestie. Het behoort tot het wezen van zijn menszijn. Hiervoor vond hij ontroerende, intens dwingende en verdichte verwoordingen. Uit het gedicht Affirmatie deze passus:

en als ik weg ben
vergeet dan de vogels niet
dagelijks in mijn plaats

één goede hand pitten
uit de emmer in de schuur

Anatomie van de grassen, Tijs van Bragt, Ezo Wolf Uitgevers, Sint Pancras, 2026 ISBN 97890836535071

(Alain Delmotte)


Helixer


PieterJan Mellegers is schaakleraar en redacteur en was zeven jaar recensent bij het Utrechts Nieuwsblad. Sinds 1978 publiceerde hij zes dichtbundels. In 2024 verscheen bij Uitgeverij Volzin in Middelburg Hier stokt het hanige heilige woord (titel ontleend aan een gedicht van Mustafa Stitou), dat hij schreef samen met Martien E. Brinkman, over tien moderne dichters, met als thema ‘Wat maakt het leven voor deze dichters zinvol?’

Helixer is zijn zesde bundel en daar verscheen een tweede druk van. De bundel is geïllustreerd door Anna Naboka, die voor ze naar Nederland kwam in Oekraïne illustrator van kinderboeken was en lesgaf op een kunstopleiding.

Op de achterflap: Helixer: Je ziet wel eens vogels in/ een dichte zwerm/ vliegen, alsof ze samen/ één organisme zijn. Zo’n/ zwerm beeldt soms een vorm uit. Ik zag ooit zo’n/ zwerm in de vorm van/ een helix. Die doet/ denken aan een kurkentrekker. Het is een structuur die ook in ons DNA, ons erfelijk materiaal voorkomt.

De bundel opent met een gelijknamig gedicht Helixer: De vogels vliegen in een helix/ freestyling door het heelal, /schroeven omhoog zoals een feniks/ die aan het kwaad ontstijgt.// We zijn voor geluk geboren./ Het zit gewoon in onze genen. In de aantekeningen verduidelijkt de dichter wat een helix is: een wiskundige figuur die ontstaat doordat iets omhoog beweegt in (schijnbare) cirkels. Vergelijk het met een wenteltrap: je loopt rondjes maar gaat ook omhoog. (…) Of vogels ooit in een helix vliegen weet ik niet, maar sommige spreeuwenzwermen doen eraan denken.

De poëzie van PieterJan Mellegers is uiteenlopend van thematiek, vrij prozaïsch en ongecompliceerd, wat een vlotte lezing garandeert. Vaak fijnzinnig, zoals in de beginregels van Voor een onbekend lief: Als je komt, kom zachtjes, /en onverwacht en het sterkst als ze van enige introspectie getuigt. Twee voorbeelden. Uit de cyclus Aforistisch: Laten we het verstrijken van de tijd omarmen/ zoals woede en liefde elkaar omhelzen,/ in uitbundige verwarring./ Zorg voor elke seconde,/ de uren zorgen wel voor zichzelf. Uit de cylus Intermezzo: Gedeelde tijd (Silent reading): Sommigen rechtop, anderen onderuitgezakt,/ iemand met haar voeten onder zich opgevouwen/ zoals vroeger toen ze bij ons op de bank zat.// Al die mensen, al die stiltes/ alsof we samen in één bed liggen, voor het eerst./ We proberen niet te woelen.

Het laatste gedicht is Poëzie, voorafgegaan door een citaat van Remco Campert (een vogel, natuurlijk nu een vogel/ die opklapt uit een boomtop), met een ironische ondertoon in de laatste regels: De zwermen, de zwaluwen,/ De helix, de feniks, het elixir,/ De vlucht, het vliegen,/ De vleugels, de arend,/ De vliesvleugeligen./ Poëzie nodigt je uit/ om vaker omhoog te kijken./ Zelfs al is er niets te zien.

Na de gedichten volgen info over de auteur, reacties op eerdere dichtbundels, aantekeningen en info over de taalkundige Geert Koefoed (aan wie het gedicht Deze pijn is opgedragen en die naast tal van andere vrienden in het dankwoord wordt vermeld) en Anna Naboka.

Helixer, PieterJan Mellegers, Uitgeverij Helixer, De Bilt, 2026
(bestellingen: helixer@pieterjanmellegers.nl
).

(Roger Nupie)

De transformatiemachine


Bo Vanluchene is transgender. In de debuutbundel De transformatiemachine wordt het transitieproces gethematiseerd. Daar is niets op tegen. Verre van. Alleen mogen we ons daar niet op blind staren. In poëzie gaat het over hoe iets wordt verwoord, over de veelzijdige spankracht aan expressiviteit. Bo Vanluchene is in de eerste plaats een dichter. Daar valt niet over te twijfelen. Ik zal Vanluchene daarom verder als dichter aanspreken. Ik zal hier proberen na te gaan wat er in deze teksten aan poëzie te lezen valt.

De bundel bestaat uit ‘5 stappen’ genoemde cycli. Vijf stappen naar transitie, vijf stappen als een zoektocht naar zichzelf (iets waarin iedereen zich kan herkennen). Dit betekent alle opgedrongen ‘camouflage’ van zich afwerpen. Die zoektocht is niet vanzelfsprekend en is nooit af: mezelf leren kennen is een langetermijnproject.

De eerste reeks speelt zich op het particuliere terrein af. Een vader, een moeder, een grootvader en -moeder worden herkenbaar geëvoceerd. Het gezin als broedplaats voor een identiteit in de maak. Het eerste gedicht haar handen, haar handen is zonder meer een voltreffer. De handen van de dichter worden vergeleken met de handen van de moeder totdat ‘haar handen in mijn handen’ passen. Meteen maken we hier kennis met Vanluchenes stijl en taalvermogen: doordenkt met een oraal-ritmische klank-, woord- en taalspel. Er is luchtigheid. Maar onderhuids blijft iets onuitspreekbaar: Elke geboorte start met een schreeuw.

In de tweede cyclus Verander had de ingreep plaats. koelbloedig tol ik rond mijn as/(…)/mijn omhulsel uit, ik kijk om/& schrik van de holle huid die ik was. Grappig zijn de twee gedichten onder de titel in mijn broek. Een antwoord op de vraag die cisgenders stellen: wat zit er in je broek?’. Het antwoord is laconiek open het knoopje /zeg/eigenliefde.

Het transgender-zijn, roept vragen op want het stelt maatschappelijke normen in vraag. Wat niet altijd in dank wordt afgenomen waardoor transgenders in het bijzonder en de LHBTIQ+ gemeenschap in het algemeen op een soms vijandige manier in een geïsoleerde positie teruggedrongen worden. In de derde cyclus Error richt de focus zich naar het maatschappelijke. Dat gebeurt wel eens op een ludieke manier zoals in het gedicht hel, help waarin een dystopisch beeld wordt geschetst van een wereld die gedomineerd wordt door zombies. De veiligheidsraad kwam bijeen/moeten we uitroeien opvangen/kernbom/erop. De stemming wordt verdaagd: want de amerikaanse president kon helaas niet/aanwezig zijn/omdat zijn overleden moeder plots was opgedaagd.

De cyclus Stop bevat geen gedichten maar verzamelt wellicht al het onuitspreekbare waarover ik het daarnet had.

Hoewel we in de laatste cyclus Opnieuw een eerder militant gedicht wanneer (niet) te vluchten naar het buitenland te lezen is, stellen de gedichten meer existentiële vragen zoals in het gedicht sollicitatiegesprek met mezelf. De dichter maakt een persoonlijke en dubbelzinnige balans op met de nodige zelfironie: ik ben wolf met huidhonger, duif met pleinvrees/bromvlieg met vliegangst, dakloze huismus/ik ben niet wat het lijkt, uilskuiken/dat een zwaan lijkt. In ik nader de veertig is er een groeiend tijds-en doodsbesef. De vraag naar een toekomst wordt gesteld: ik nader het punt dat ik zal leren of ik echt/meer had moeten smeren/of ik mijn grijze wijze haren zal laten staan/of ik het pad naar mijn moeder of mijn vader/zal inslaan.

Vanluchene weet intelligent met de taal om te gaan. Een dichter met veel potentieel. Dit lichtjes (en vrolijk) provocerend debuut doet uitkijken naar komend werk.

De transformatiemachine, Bo Vanluchene, Uitgeverij P, Leuven, 2026, ISBN 978 94 64757 98 9

(Alain Delmotte)


Literair panorama


Hoewel Andreas Van Rompaey een nog jonge literatuurwetenschapper is, heeft hij een behoorlijke staat van dienst. Behalve aan literaire idolen als Paul de Wispelaere en Johan Sonneville, wijdde hij essays aan diverse verhaaltechnische aspecten in Verhalen in perspectief (2021). En aan auteurs, die ondanks het grensverleggende karakter van hun projecten, niet helemaal mainstream zijn geworden. Auteurs als Tony Rombouts en Sybren Polet zijn daar voorbeelden van. Van Rompaey bundelde interviews met hen en anderen – zoals Noud Bles en Dirk Kroon – in De literaire roeping (2023). Ook aan de misdaadroman besteedde hij aandacht in De detective ontmaskerd (2025), dat besluit met een interview met Atte Jongstra (die inmiddels een spraakmakende biografie van Leo Vroman publiceerde). Daar voegde hij onlangs een groot aantal beknopte ‘boekbesprekingen’ aan toe in Literair panorama, dat treffend wordt ingeleid door Roger Nupie.

In het nieuwe essayboek presenteert de auteur de oogst van zijn kritische arbeid ‘tussen 2018 en 2026’. In het eerste luik Kritiek gaat zijn aandacht eens te meer uit naar auteurs die veeleer in de marge zijn gebleven of onvoldoende naar waarde zijn geschat (als Kris Delameillieure, Ina Stabergh, José Vandenbroucke) én auteurs die dankzij hun volgehouden vernieuwingsdrang intussen deel uitmaken van het literaire middenveld (als Alain Delmotte, Peter Holvoet-Hanssen, Willie Verhegghe, Paul Rigolle). Opvallend is dat de recensent álle schrijvers recht wil doen en zich onbevooroordeeld opstelt, al blijft het soms bij iets te algemene of vrijblijvende typeringen. Onder meer in het stuk over Guy van Hoofs jazzbundel Combinaties is sprake van ‘een zelfdestructief kantje’, waarbij nadere precisering achterwege blijft. Hetzelfde geldt voor de recensie van B.P. Arends debuutbundel, waarin gewezen wordt op ‘kernachtige verzen’ en ‘groeipotentieel’ maar concrete aanwijzingen ontbreken.

Los daarvan getuigen de recensies van synthetisch talent en stilistische helderheid. Tot de opmerkelijkste behoren die over de constrained writing-techniek, die Isha Van Alsenoy hanteert in het als scheurkalender geformatteerde boek Pierewaai (2024) en Willem M. Roggeman in zijn uit één zin opgebouwde novelle Een warme stem op een winteravond (2022): een monoloog die doet denken aan proza van Claude C. Krijgelmans, Samuel Beckett en Marcel Proust, en die leest als een bespiegeling over ‘de zin van dit leven’ en het schrijverschap. Roggeman wordt overigens uitvoerig gefêteerd in het in de Kroniek opgetekende interview van 25 oktober 2025 naar aanleiding van diens negentigste verjaardag.

In dezelfde kroniek zijn nog drie essays opgenomen die Van Rompaeys ruimhartige kijk op de hedendaagse literatuur illustreren. Er is een essay over concrete en visuele poëzie in Vlaanderen, met aandacht voor Renaat Ramon, Paul de Vree en Erik Slagter. Het sluit naadloos aan op het door Ramon, Willy Tibergien en hemzelf sinds kort verzorgde tijdschrift AⱭDA (met in nummer IV een uitstekend essay van Delmotte over ‘de spatialistische poëzie’ van Ilse en Pierre Garnier). Van veeleer periliterair belang lijkt het opstel over Julien Weverberghs ‘ufoboeken’, waarvan onduidelijk is ‘in hoeverre de auteur deze als onderdeel van […] zijn oeuvre beschouwde’. Instructief is wél het opstel over ‘de representatie van technologie’ in enkele vroege romans van Ilja Leonard Pfeijffer en Peter Verhelst. Het demonstreert dat Van Rompaey indringend leest en oog heeft voor verbanden/parallellen tussen Noord en Zuid.

Literair panorama. Verzamelde boekbesprekingen, Andreas Van Rompaey, Eburon, Utrecht, 2026, ISBN 9789463015981

(Yvan De Maesschalck)

Raamsopranen


De Nederlandse dichter Henk Ester debuteerde in 2013 met de bundel Bijgeluiden, bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut van het jaar 2013, uitgereikt op Poetry International. Bijgeluiden is het eerste deel van de gelijknamige bundelcyclus. Daarna volgden, met telkens drie jaar tussen de opeenvolgende bundels, E-groot is rood (2016), Het vermoeden van Witten (2018), Wiskunde van lyriek (2021), Kameren van Vuur (2023) en recent verscheen het zesde deel, net als de vorige uitgegeven bij De Arbeiderspers: Raamsopranen.

“In dit zesde deel van Esters bundelcyclus Bijgeluiden legt de dichter zijn oor te luisteren bij de klank als klank”, lezen we op de achterflap. En ook: “Wie in Utrecht over de Mariaplaats loopt, hoort – met een beetje geluk – flarden violen en raamsopranen. Toonladders. Of de ramen nu openstaan of niet, het conservatorium laat van zich horen. Klanken. De kunst van beginnen”.

De 17 cycli, variërend van twee tot vijf gedichten, op vier na alle zonder eindpunt, kregen ook de titel Bijgeluiden mee en zijn Romeins genummerd. Klanken blijken inderdaad een centraal gegeven. Uit de cyclus Bijgeluiden LXXXVIII- Stilaan het gedicht Doorslaan:

Klanken zeggen niets, maken van verre buren
lokaal publiek, kennen geen territoriumdrift
het zijn lokalen die marcheren Klanken zijn
non-lokale drift, geven aan alles en iedereen
de ruimte, niet specifiek, citeren zonder waarom
Klanken zoeken niet, zijn: publiek, vrij, open
wegkijkend beginnend kamermuziek Klanken
zeggen niets, vieren geven, kameren publiek

Uit de cyclus Bijgeluiden XCI - Doorslaan het gedicht Binnenskamers:

klanken wachten niet op woorden

zij wachten buren binnenskamers
het vermoeden van een taal

wachtwoorden waarin klanken resoneren

rondzingend kameren klanken de vreugde
van verlopen rituelen en wachten woorden

ruimte van vertrek

De dichter is een (over)denker. Uit de cyclus Bijgeluiden XCIII – Inwonen het gedicht “Mijn brein staat open”. In de Aantekeningen wordt vermeld dat dit een uitspraak is van de Hongaarse wiskundige Paul Erdös.

Het spookdeeltje in het denken schreeuwt tutti en vertrekt
Motor van meercelligheid Drijft kamers uiteen Voordat zij
zijn ingericht Zijn lyriek is vreugde Opmerkzaamheid
Dirigeert een onuitgesproken vlucht Verlangt niets
Hoort eenvoud, neemt afscheid Deelt geen begrip, geen
onbereikbaar slotakkoord Spookdeeltje Dat het diepste
zwart bedacht Het felste licht heeft voorgesteld Het duurt
Blijft achter bij wat het voorstelt en vertrekt Er huist
een dichter in het denken.

Muzikaliteit troef in deze bundel. De plaat Kind of Blue van Miles Davis inspireerde de dichter tot dit gedicht:

Blue in Green

hoe hij
in de vanzelfsprekendheid van de grond
wegsterft op 39 kilometer hoogte
hoe hij
opvliegend in de vreugde van vertrek
weegt
de vleesvergeten chaos van afwezigheid

hoe hij
roept in herinnering
windkamers wachtend de zweefdraad
hoe hij
instantaan dáár op hoogte
wordt
een lofzang op verlaten

Met deze aantekening bij “verlaten”: Van Dale: over of uit laten vloeien; wijn verlaten, van het ene vat in het andere gieten.

Henk Ester heeft binnen dit streng gestructureerde en volgehouden concept van Bijgeluiden een intrigerende, gevarieerde bundel afgeleverd.


Raamsopranen, Henk Ester, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 978 90 295 5559 3.

(Roger Nupie)

Wie is bang van possibilisme?


De term was mij onbekend, voorgaande ‘odes’ heb ik niet gelezen. Voor mezelf en de onvoorbereide lezer formuleer ik een korte inleiding, voor meer info verwijs ik naar het woord vooraf van Frank De Vos.

‘Het possibilisme was een reformistische, socialistische stroming die tussen 1881 en 1905 een belangrijke (politieke) rol speelde in Frankrijk. Grondlegger was Paul Brousse, die wilde het socialisme invoeren door middel van geleidelijke politieke hervormingen.’ (met dank aan Wikipedia). De beweging ging op in een groter geheel, de naam geraakte blijkbaar in onbruik maar werd weer opgepikt door de Zweed Hans Rosling. Men raadplege hierover de Ted lezingen op YouTube waar de wetenschapper vlot, humoristisch en gewapend met statistieken zijn vooruitgangsoptimisme weet over te brengen. Op haar beurt pikte wijlen VUB-rector Caroline Pauwels de term op, maakte die tot steunpilaar van haar ideeën omtrent Verlichting en levenskunst, dit vanuit Humanistisch perspectief; een radicale inzet voor een betere toekomst, uitgedrukt in publicaties als Ronduit. Vat men de term filosofisch op dan stelt het possibilisme dat er dingen (gebeurtenissen) zijn die niet bestaan maar wel hadden kunnen bestaan, noem het een alternatieve actualiteit. De vraag luidt dan: zijn waarschijnlijkheden onmogelijkheden als je de complete gegevens hebt? Possibilisme staat hier tegenover determinisme.

In de bundel Ik wil begrijpen, tegenspraak en vernieuwing brengen zes dichters een (volgende) ode aan het possibilisme. In drie delen brengen ze per thema elk één gedicht naar voor.

Eerste deel: IK WIL BEGRIJPEN, HANNAH ARENDT

Astrid Arns, Grip (fragment)

We vonden een mompelend lichaam in het gras.
Ooit iemands dochter, onder kranten en vodden,
de armen gekruist. Vuil likte met tongen.


Is begrijpen mogelijk, worden we niet voortdurend geconfronteerd met het onbegrijpelijke? Bestaat er zoiets als een maakbare samenleving?

Max Temmerman, Sterrenkijker (fragment)

Het is een grijs niet-weten dat ons bindt.
We hebben nachten vandoen met sterren
die op één lijn lijken te staan, blindelings.
Verbind de stippen en wat zie je?


Ook deze dichter twijfelt aan de greep die we hebben op de werkelijkheid, oriëntatie is moeilijk, we turen in de nacht en verbinden de stippen.

Tweede deel: TEGENSPRAAK

Bart Stouten, In stille dialectiek (fragment)

Storm schrikt de zee op. Zo plots.
Ik wil mijn tegenspraak begrijpen
ontgrendel een donker universum
dat nieuwsgierig op me wacht


De dichter zet een stap richting het onbekende, een raadselachtige mogelijkheid dient zich aan, dit roept verzet op.

Frank De Vos, -isme fobie (fragment)

Met dit vers breek ik open.
Bij het haar sleur ik woorden over dit blad
en trek een frontlijn.


De ik-figuur verzet zich tegen elk -isme, wil van geen wijken weten, vol vertrouwen vuurt hij woorden af. Gaat het om een papieren tijger?

Derde deel: VERNIEUWING

Jana Arns, Aokigahara (fragment)

De klok wijst overuren aan
wanneer ze inlogt, zich verbindt
met wie ook een eindtijd koos.


Zelfmoord blijft een mogelijkheid, oud als de mensheid, nieuw is deze Japanse manier, websites die uitnodigen tot de dood.

Paul Demets, Zandvorm (fragment)

Zand stuift op tot meer zand.
Het andere is hetzelfde.
Er is geen vreemde die ligt te slapen
Die vreemde dat zijn wij.


Een steeds veranderend landschap, creatie van zand en wind, kan er sprake zijn van wezenlijke vernieuwing? Ook de andere dichters dragen in het laatste deel bepaald niet bij tot een hoopvolle conclusie, men beluistert hier eerder ironische en droevige tonen. Enigzins spijtig? Had het anders gekund of moest het zo zijn? Het antwoord van de possibilist laat zich raden.


Ik wil begrijpen, tegenspraak en vernieuwing. Een volgende ode aan het possibilisme, met tekeningen van Anne Van Herreweghen, Uitgeverij P, Leuven, 2025

(Cel Vermeulen)