Het zware woord heimwee


Tijs van Bragt is een dichter die meer erkenning verdient. Al vier bundels lang winnen zijn gedichten aan scherpte en pregnantie. Op de voorgrond staat het Zeeuwse landschap (dat door een panoplie van planten, vogels en andere dieren wordt bewoond). De zee maakt van dit landschap deel uit. Alsook de kleine dorpen die in al zijn bundels sporadisch vernoemd worden. In het geval van deze nieuwe bundel Anatomie van de grassen is dat Nieuwerkerke Schutje. Een smalle wereld zou je kunnen zeggen maar in de breedte lijkt het op een poëtisch archetype. Een metafoor voor ‘Leven’ – het woord wordt effectief met een hoofdletter geschreven. Op de achtergrond woedt een tweespalt. Er is de natuur die vurig met de taal wordt beleden (opsommingen van planten en vogels). Maar er hangt altijd iets duisters en bedreigends boven deze gedichten. Het is die tweespalt, die kwetsuur die zijn schriftuur beklemmend maakt.

Van bij het begin is de aardse toestand duidelijk: De staat van de wereld vind je in die weide./ze bouwt aan de verte en spiegelt klein te blijven voor./En de mens schuift op. De ‘mens’ eist de verte voor zich op, hij wenst niet klein te blijven. Hij verbreekt, verliest hiermee het evenwicht dat we oorspronkelijk met de omgeving hadden. De breuk tussen de mythische tijd (toen we nog weet hadden van de ’anatomie van de grassen’) en de geseculariseerde tijd van de massaconsumptie die is overgeleverd aan de zee van handel, van slavernij, de plezier- en ijscozee. De wereld is die van het antropoceen: ik ben opgestaan in het antropoceen/heb de eindigheid van een voorraadkast/en een vloedlijn dichterbij zien komen. De breuk betekent het verlies van oorspronkelijkheid: ik die niet meer weet om te keren/tot mijn oorspronkelijke vorm. Er ontstaat een ‘gemis’. De bundel wenst dit gemis in beeld te brengen door een ‘kartografie van een ontbreken’ uit te tekenen. Het wordt als volgt geresumeerd: een oude melodie zoekt een stem boven de velden/je wil het geen hymne noemen, maar dat is het wel/het oude thema van mist, nacht en het zware woord/heimwee. Het kinderlied van de ‘wildeman’ werd een lied van ontbreken en dat betekent een lied voor lijden, voor verdergaan.

De dichter stelt vast: er brandt gemis in je vuisten en er valt iets zwaars over je waar je vanaf moet raken. Want het zwart van de nacht overviel hem: sinds de mens en het dorp verging/kleden zij zich in een dek van rouw//een zwarte sluier ligt over de polder/de ondiepte van het water licht op. Zou de poëzie een baken, een compensatie voor het ontbreken kunnen zijn? geef me een woord om in te geloven/en ik zal het schrijven.

Het ecologische thema van de bundel lijkt modieus maar dat is het bij deze dichter in de kern niet. Zoals Van Bragt het ziet wordt de verloedering als een metafysisch probleem ervaren. De betrokkenheid met de natuurlijke omgeving zit hem namelijk diep in het vel, diep in zijn gedichten. Het is een quasi ontologische kwestie. Het behoort tot het wezen van zijn menszijn. Hiervoor vond hij ontroerende, intens dwingende en verdichte verwoordingen. Uit het gedicht Affirmatie deze passus:

en als ik weg ben
vergeet dan de vogels niet
dagelijks in mijn plaats

één goede hand pitten
uit de emmer in de schuur

Anatomie van de grassen, Tijs van Bragt, Ezo Wolf Uitgevers, Sint Pancras, 2026 ISBN 97890836535071

(Alain Delmotte)