Bevrijding


Van de Tilburgse historicus, tekstschrijver en literair recensent Olivier Rieter verscheen Bevrijding, zijn eerste dichtbundel. Hij citeert de literator Bruno Schulz op de cover: ‘woorden zijn brokstukken van oude mythologieën, poëzie is het herscheppen van de oude mythen van de wereld, het revitaliseren van verstarde woorden’. Olivier Rieter doet een verdienstelijke poging deze these vorm te geven in 35 ogenschijnlijk niet geordende gedichten. Toch zijn de teksten gelieerd, soms naar inhoud, soms naar vorm. In het gedicht Rossmore revisited evoceert de dichter een oerlandschap, met kenmerkende punten en lijnen als rotsen en kronkelpaden en velden en een beek, dimensies die hij in het laatste gedicht van de bundel, Ierland 1980, op fraaie wijze herhaalt.
Rossmore revisited / Miniwigwams bind ik uit vele soorten gras / ik loop over de kronkelpaden van de rots / overzie velden vol weldadig oogstgewas / op mijn stenen bouwsels ben ik nogal trots… een brede beek met stapstenen… Ierland 1980 / Ik lig in de zon op de grote steen / loop door de wei naar het oude klooster/ bind gras aaneen tot mini-wigwams / ruik kamperfoelie / ga over het pad bij de varens…
Naast idyllische poëzie schrijft de dichter voornamelijk verzen over de manipulaties van de werkelijkheid, de geschiedenis, de actualiteit en de dikwijls nefaste invloed die echte en onechte feitelijkheid heeft op de menselijke psyche. In het felle openingsgedicht Bevrijding verwoordt Olivier Rieter zijn onbehagen. Hij smeekt om los te komen van zijn beklemming, zijn onrust, zijn hunkering opdat ik vrij kan zijn om te zeggen wat ik niet voel om me te vormen tot wie ik / nooit had moeten worden. In het gedicht Werelden herschept de dichter de wereld in ‘de meest mogelijke van de onmogelijke werelden’, waar je zorgeloos kunt wandelen over paden / over holle wegen door blauwe heuvels tegen roze luchten / als in een Belgische kaart.
De relatie van Olivier Rieter met de geschiedenis is dubieus en ironisch. In het bittere Werdegang zegt hij dat ‘zij’ beweren dat onze voorouders autisten waren, onvolkomen wezens zonder taal, ‘zij’ verkondigen de doem. Liegen en bedriegen maken ons allen tot zombies zonder oorspronkelijkheid. Toen het leven zonder sterven kwam, werd de mens een machine, het brein werd een computer en toen hield alles op.
Olivier Rieter schrijft actuele poëzie, verdeelt zijn gedichten meestal netjes in strofen. Sommige teksten ogen echter als brede monologen, aanleunend tegen oeroude incantaties. Toch verzint Olivier Rieter ook grappige verzen als wij barbecueën ons naar grote hoogten en ik ben het cassettebandje van de moderne tijd. Enigmatische woorden als mijn prothetisch geheugen en een bicamerale geest (die berichten zou ontvangen van Zeus) zullen de lezer een glimlach ontlokken, evenals verwijzingen naar actoren als Marlon Brando, Scrooge, Haroen al Rachid, Mata Hari en Van Oldenbarnevelt. De intentieverklaring van Bruno Schulz/Olivier Rieter voor Bevrijding klinkt wellicht een beetje hoogdravend-intellectueel, maar de neerslag ervan in Rieters gedichten is interessant, prettig leesbaar en concreet.
Olivier Rieters poëziedebuut doet ons hunkeren naar meer!           

Bevrijding, OIivier Rieter, Demer Uitgeverij, Leusden, 2018, ISBN 978-0-244-671817-6

(Nicole Van Overstraeten)

In elk zwijgen ligt spreken verborgen *


Wat moet je als je als dichter geboren wordt, maar rond je dertigste levensjaar geconfronteerd wordt met een andere liefde die je bijna 40 jaar van de gedichtenstraat houdt? Je geeft daar volhartig aan toe. Richard Foqué wordt na dichter architect en hoogleraar architectuur- en ontwerpwetenschappen. Zijn werk bestaat uit meer dan 200 gebouwen in de domeinen van de gezondheidszorg, openbare gebouwen, kantoren en sociale huisvesting. Winnaar ook van een groot aantal architectuurwedstrijden -en prijzen. Hij is auteur van tientallen wetenschappelijke artikelen over ontwerpen en architectuur. Zijn meest recente boek Building Knowledge in Architecture verscheen in 2010 bij The University Press Antwerp.
Na zijn emeritaat neemt de pen het weer over van het potlood op de tekentafel en publiceert hij 5 bundels met nieuw werk. En nu is er dan een lijvige bloemlezing uit zijn werk, Alleen maar later.
De bundel wordt ingeleid door Antoon Van den Braembussche die uitgebreid ingaat op de poëzie uit beide perioden. Net als in de architectuur zijn lijnen belangrijk zolang zij effectief zijn. Dat is precies wat (ook) de poëzie van Foqué kenmerkt. “Suggestieve poëzie,” volgens Willy Spillebeen, die vervolgt “Hij depouilleert het woord en balt het samen tot zijn essentie.” De inleiding biedt een goed houvast om de gedichten ten volle te genieten.

In zijn gedichten zoekt Richard Foqué naar een anker om in de leegte een vrijplaats te creëren waar het gedicht een brug vormt tussen dichter en lezer:

Hier staan wij zijn wij.
Hier bezegelen wij ons lot.
Niets zal nog verdwijnen
alles kan dus vergaan.
Zo wordt de eeuwigheid ontsloten
moeten wij de sterren dragen
terwijl het licht
zijn webben weeft
en oorverdovend schittert
aan een mateloos firmament.

In zijn poëzie verstaat Foqué zich met aloude thema’s als eeuwigheid en vergankelijkheid, vrijheid en determinatie. Daaraan ondergeschikt zijn menselijke relaties die steevast te laat een landschap kleuren. Zoals een huis vooral een huis is, totdat mensen het invullen met hun voorkeuren en de structuren verdwijnen achter het interieur. Pas als je alles er weer uit weg neemt, blijft de essentie over:

En aan het einde verliest de taal het woord
de tijd zijn betekenis zelfs de herinnering
dat je ooit bent geweest
uit lucht gebeiteld
in de aarde geëtst
in een wereld zonder namen.

Wat rest zijn lijnen een handvol tekens
verdwaalde stappen langs een vloedlijn
getekend straks door water gewist
door de tijd verlaten.
Verdwijn in het landschap
kras een dier in de rots.

Er is in zijn poëzie geen sprake van een terugverlangen naar een oertijd, wel van een opheffing van tijd. In zijn laatste zelfstandige bundel, Vermoeden van licht (2017), speelt Foqué met de tijd die verloren gaat, instort, op zoek gaat en zich herwint. De dichter vecht met woord en daad tegen de dreigende leegte, tegen de vallende tijd. En, inderdaad, het woord overwint:

Dichters schrijven niet, ze spreken.


1) Een knipoog naar het gedicht Spreken


Alleen maar later, Richard Foqué, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978 94 92339 65 2

(Wim van Til)

Vuur


Deze keer ontving ik een kanjer van een dichtbundel, een lijvig ding, zeg maar een soort van omnibus, waarin 5 dichtbundels worden gepresenteerd. Een heel mooi boek en sterk vormgegeven. 200 bladzijden waarin Maria Sesselle een staaltje van haar schrijfkunst de wereld instuurt.
In Jonge adem krijgt de lezer de observaties van de jonge mens in al zijn geledingen, verschillen, hoedanigheden en vooral ook tegenstrijdigheden. De dichteres trekt als het ware het uniform aan van sociologe. De stijl in dit deel is swingend. De metaforen zijn sensueel, dubbel geladen, maar hier en daar lees ik te gemakkelijk, te voorspelbaar rijm en dat fnuikt de leeservaring.

Het meisje en de mustang

Zij klemt zijn flanken
in de greep van been – en knieslag
en de warme weelde van haar dijen.
Haar polsen spannen vleugels aan zijn manen.
Rank en gewillig drijven zij, in draai,
langs uitgelijnde banen.
Door wind bijeen gebonden,
in harmonie getraind en opgewonden.
Met wilde dromen in hun hoofd
van verre weiden en die gewaagde oer-sprong:
hier in de getemde drift en durf.
Zij bundelen hun spieren
in waaiers haar en huiver, één hartslag,
gulzige spurters naar galop.
Schuiven gestroomlijnd hoog en hoger,
feilloos top.
Zij streelt zijn schoft,
hij trilt en hinnikt met zingende lippen.

In Gebalde vuist passeren de minder mooie menselijke emoties. Ze tekenen de contouren van getormenteerde zielen. De dichteres heeft oog voor de destructieve invloeden, de bedreigingen die simpel geluk in de weg staan. Oorlogsconflicten en andere omwentelingen worden breed uitgeschreven. De auteur legt de vinger op de wonde en dat is moedig. Maria Sessiele schrijft in een begrijpbare taal en zoekt geen moeilijk gedoe; dat maakt haar verzen toegankelijk en degelijk.
Open vleugels zijn dan weer reisgedichten die misschien ontstaan zijn door letterlijke verplaatsingen, alhoewel... In deze teksten zou ik wat meer geschrapt hebben. Maar de originele metaforen maken dan weer veel goed. Bijvoorbeeld: Geduldig waait zijn krant tot reuzenvogel open… In deze bundel zijn heel wat gedichten geschreven in opdracht. De dichteres stuurt haar poëzie naar de maatschappij en zet het vast in onder andere een cartoon, in een metaalplaat, enz.
Straatlopers. De dichteres werkt graag samen met de natuurfotograaf Peter De Craene. Die symbiose leidde tot een reeks liefdespoëzie versterkt door exquisiete fotografie. Die insteek verrijkt de bundel heel sterk. Veel openbare plekken en scholen zoals onder andere in: Maldegem, Knesselare, Aalter, Nevele, Lovendegem enzovoorts gaven haar werk de terechte attentie. De poëzie gaat op die manier op zoek naar de mens en durft de confrontatie aan te gaan.
De poëzie-omnibus wordt afgesloten met Toro. Hier staat de liefde centraal. De communicatie die tederheid, blijheid en heerlijk optimisme baart. Maria Sesselle schrijft geladen, verfrissend en zorgt ervoor de typische clichés op afstand te houden. Ik heb Vuur graag gelezen. Een bundel van 200 bladzijden is geen sinecure. Het boek is na lezing zeker niet uitgelezen. De meeste gedichten nodigen uit om opnieuw bezocht te worden.

Vuur, Maria Sesselle, VKH Torhout, 2018, ISBN 9 789080 469709

(Frank Decerf)

Een liefdevol vervaardigd document


Bij Uitgeverij Contramine zag onlangs Namaste Ivo Michiels van Christiane Faes het licht. Het is een persoonlijke hommage aan Ivo Michiels, de man met wie Christiane Faes in 1965 in het huwelijk trad. Ze had hem leren kennen toen ze als 19-jarige Filmscenario en Geschiedenis van de moderne kunst bij hem studeerde. 47 jaar lang, vanaf de sneeuwdialoog uit Het boek Alfa tot Maya Maya dat enkele maanden na zijn overlijden in 2012 verscheen was zij zijn muze en bondgenoot. Namaste (een Indische groet die zoveel betekent als Het mooiste in mij groet het mooiste in u) ontstond als antwoord op de postume vraag van Michiels, teruggevonden in een laatste manuscript.
Op een aantrekkelijke manier roept Faes herinneringen op aan de merkwaardigste momenten van hun samenzijn. Deze episodes illustreert zij met gelijklopende literaire fragmenten uit het oeuvre van Ivo Michiels.
Zo leert de lezer dat Michiels EXIT schreef in het boerderijtje in Zonnegem (onlangs werd daar nog een Ivo Michielsweg in gebruik genomen) waarnaar ‘de jubelende koningskinderen’ in de weekeinden verhuisden vanuit hun woning aan de Antwerpse Groenenborgerlaan: ‘Een waterpomp op het binnenhof. Het wc-huisje, eveneens buiten. Binnen een kachel en een butaanvuurtje om te koken.’ Op weg erheen, zo herinnert Christiane zich, zong Michiels wel liturgische gezangen die hij als jongetje had leren kennen: Dominus vobiscum. Et cum spiritu tuo. Gloria tibi domine.
In Zonnegem was ook kunstenaar en pink poet Albert Szukalski regelmatig te gast. Michiels stond overigens model voor het Verwisselbaar Neuzen-project van de man aan wie in Antwerpen nog vele ‘spoken’ herinneren. Szukalski was niet de enige kunstenaar waar Ivo en Christiane contacten mee onderhielden. Daartoe behoorden ook onder meer Jef Verheyen en Lucio Fontana, dichters als Dirk Christiaens en cineasten als Roland Verhavert en André Delvaux. Delvaux draaide Vrouw tussen hond en wolf / Femme entre loup et chien naar een scenario van hem én Ivo Michiels. Christiane weet nog goed hoe fier ze waren toen de rolprent in Cannes was genomineerd en hoe ze na een heuse galavoorstelling op de rode loper liepen met sterren als Rutger Hauer in de directe nabijheid.
Ontroerend zijn de terugblikken op Ivo’s laatste dagen, waarin hij moe was en door zijn zwakke hart zijn werkkamer niet meer kon bereiken. Christiane richtte op de benedenverdieping van hun huis in Zuid-Frankrijk een fijne werkplek voor hem in. Hij mocht in zijn laatste levensjaar nog meemaken dat hem The America Award for a Lifetime Contribution to International Writing (het Boek Alpha en Orchis Militaris waren in Amerika in vertaling verschenen) ten deel viel.
Het boek bevat 4 handschriften van Ivo Michiels in fac simile alsmede 26 originele foto’s die nooit werden gepubliceerd, waarvan 19 in kleur en 7 in zwart-wit. De editie verscheen, gebonden in wit karton met de titels in goudfolie, in een eenmalige, beperkte oplage. Namaste is een liefdevol vervaardigd document, zonder hetwelk een ernstige Ivo Michielsbibliotheek niet volledig is.

Namaste – Ivo Michiels, Christiane Faes, Uitgeverij Contramine, Wilrijk, 2018, D/2018/1794/1

(Bert Bevers)

Meerstemmig raken


Met graagte zet ik af en toe de koptelefoon op om naar een werk van Mo Rooneh te luisteren. Naar Dead Man Walking bijvoorbeeld, of naar Insomnia. Bijzonder fascinerend vind ik voorts zijn Carrousel, dat hij bouwde op de toon van een testbeeld. Mo Rooneh is het pseudoniem van Jacco Lauret (˚ Goes, 1963). Voor zijn bestendige zoektocht naar nieuwe klankenreeksen ontving de componist in 2016 de in Bergen op Zoom en bij uitbreiding West-Brabant prestigieuze Sakkoprijs voor culturele verdiensten.
Jacco Lauret heeft nog een andere creatieve persoonlijkheid onder de huid: Hero Noom. Onder deze nom de plume schrijft hij teksten. Soms ook voor zijn eigen composities. Twee jaar geleden vatte hij een nieuw project, Zonard, aan. Tijdens het werken daaraan ontstonden tijdens het experimenteren met geluid en taal zoveel teksten dat hij vond dat hij daar ook buiten de ruimte van een opnamestudio iets mee moest doen. Het resultaat is een eerste gedichtenbundel, die Lauret dus als Hero Noom op zijn publiek losliet onder de titel Het vertrek vanuit vandaag.
Het boekje bevat vijftig (dixit de flaptekst) ‘liefdesgedichten, overdenkingen en hersenschimmen’. Aan het ritme van de teksten kun je, zeker als ze hardop voorleest, horen dat er muziek bij beoogd werd. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat er elementen uit de wereld van de muziek de wereld van de taal binnen worden gehaald: in De grondtoon van het leven / resoneert diep in mijn lijden. bijvoorbeeld. En geluiden tout court: Zingende vogels hun vlucht vlechtend / door het geluid van kerkklokken.
Hij beschrijft zijn leven van toen en de toekomst / in regels van oneindig geluid. Zelfs licht lijkt bij hem na te galmen: Het kind reist achteruit. / Rug naar de toekomst. / Verrast over wat binnen het gezichtsveld verrijst. / Eindeloos starend naar de echo van het licht. Hij kan niet leven in stilte: (zoals) Lucht de eerste adem verzamelde. / Geluid iets zei. / Zo ontstond jij in mij. Al heel vroeg was Lauret, pardon Noom zich bewust van wat hij hoorde: Als teruggebracht in de moederschoot. / Mijn hartslag weer de hare. / Alles één. / Alleen / één hartslag.
Water kolkt in Het vertrek vanuit vandaag, bedrog stroomt door aderen, huiden raken elkaar meerstemmig. Zelfs het twijnen van schuld en onschuld in een streng lijkt niet geheel geruisloos te geschieden.
De taal van het gedicht componeert divers in vers / Levend of dood / de melodie van dit vergezicht. Het sterkst is Noom wanneer hij zo compact schrijft als zijn muziek klinkt. Wanneer hij schrijft dat zijn geliefde mooi is bijvoorbeeld: De maan is rood. / De wijn is rond. De nacht is diep. / De liefde ook.
Het vertrek vanuit vandaag biedt een inzicht in wat een creatieve duizendpoot in media vita zoal aan het papier toevertrouwt met zicht op vroeger, heden en later. En nu schakel ik weer even over naar Jacco Laurets andere alter ego Mo Rooneh.

Het vertrek vanuit vandaag, Hero Noom, Uitgeverij Boekscout, Soest, 2018, ISBN 9 789402 246322

(Bert Bevers)

Panorama's en portretten


Ach, wat zou de Laaglandse poëzie toch zijn zonder het werk van de ondertussen 71-jarige jonge meester Hendrik Boudewijn Carette die zich geen dichter noemt maar de maker van gedichten?
Ik ben reeds sedert zijn eerste bundel Winter te Damme uit 1974 liefhebber van ’s mans oeuvre, dat nu ruim een halve eeuw later wordt uitgebreid met Panorama’s en portretten.
Zijn geboortestad Brugge (waar hij reeds in de zeventiger jaren door eenzaamheid overvallen in paniek hoorde hoe zijn stenen stem boven de daken aan de gewelfde huizen hing), blijft hem trekken al is het meer en meer zijn oude spookstad: Alle levenden zijn hier ziek en verontrusten / het volk dat van ver buiten de vesten komt. // Alle doden lopen hier rond als levende spoken / en vele levenden slapen staande aan de staken.
De West-Vlaamse hoofdstad vormt niet alleen het decor: daarvan maken onder veel meer ook de Gran Sasso (Boven de top het azuurblauwe uitspansel / in een ijlte met een strak gespannen stilte / en diep daaronder de afgrond van de angst.), de zompige wadden tussen Ameland en Vlieland (voor de trekvogel in de trektijd / en voor de spartelende drenkeling / bij het vluchthuisje op de Vliehors [….]), een kasteel in Moravië, een kamp in Siberië, de Achterhoek, Tübingen en Brindisi deel uit. Panorama’s te over.
Wat de personages betreft werd Carettes pen in beweging gezet door (ook hier slechts een keuze) Ingeborg Bachman (Wie haar lach zag en haar ogen / was voorgoed verloren), H. H. ter Balkt (de dichter die door Carette zeer wordt bewonderd), Benno Barnard, Hildegard von Bingen, Ida Gerhardt (Een geur van zwarte kousen woei uit haar vandaan.), Michel de Ghelderode, Peter Holvoet-Hanssen, Maarten ’t Hart (Hij kent de ortolaan, de regenwulp, / de vogelspin, de rat en de rattenkoning, / het leven van Bach, de oude vertrouwde Bijbel / en alle verhalen van zijn vriend, die andere Maarten.), Adolf Hitler (Had hij maar voor forel of gevogelte gekozen / en Moezelwijn of Bourgognewijn van een goed jaar.), Tadeusz Kantor, Nescio (Hij was niet gedoemd en werd pas na zijn dood beroemd), Renaat Ramon (Gaande tussen tomben en zuilen / tussen stèles en pilasters / ver van de betreden wegen / zingt hij zich een weg door de gangen), Sappho, Herwig Verleyen (Hij loopt naar de poort, stamelt een zin / van Gezelle en keert terug naar de zwanenstad) en Xenophon.
Inhoudelijk slechts één spijkertje op laag water: Het riviertje dat door Monschau stroomt is de Rur (een zijrivier van de Maas), en niet – zoals Carette in Monschau schrijft – de Ruhr (dat is een zijrivier van de Rijn).
Voor het overige: juicht, liefhebbers van breed meanderende poëzie vol doorkijkjes en fascinaties, eigenzinnige plaatsbenaderingen en wijsheden. Hoed af voor Hendrik Carette. Ik verheug me nu reeds op het vervolg van Panorama’s en portretten. Dat het er maar rap mag zijn.

Panorama’s en portretten, Hendrik Carette, Bordeaux 48, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2018, ISBN 978 949 251 9245

(Bert Bevers)

Droomballonnen blijven leeg


Thematisch lijkt deze tweede bundel van Jana Arns (Nergens in het bijzonder) in het verlengde van haar verrassend en succesvol debuut Status: het is ingewikkeld (2016) te liggen. Dit keer geen foto’s (op de kaft na), wel meer tekst. Het openingsgedicht Het huwelijk geeft aan waarover het op het anekdotische niveau in deze gedichten gaat: het relationele spanningsveld binnenin een particulier gegeven - het gezin, de verhouding tussen man en vrouw, de moederrol, de ouder wordende ouders en zelfs de dementerende ouders die zich mentaal langzaam ‘nergens in het bijzonder’ aan het terugtrekken zijn. In zekere zin krijg je als lezer een scherpe inkijk op hoe het er in een hedendaags gezin (uit het middenveld) aan toe gaat. Vooral vanuit een moederperspectief. Onderhuids laat een zekere ontevredenheid met die opgedrongen moederrol zich voelen.

Moeders zijn als taxi’s:
Altijd gehaast met koffie in file.

Ze spreken in agenda.
Zitten altijd overvol:
de kinderen, yoga, bekkenbodemspieren

Dat particuliere territorium wordt even verlaten in de uit twee gedichten bestaande cyclus Hier blijf je jong tot je sterft waarin het gezinsgegeven op indringende wijze naar een oorlogsgebied wordt getransponeerd. 

Vader plooit speelgoed uit prikkeldraad.

Die anekdotiek is buitenkant. Binnenskamers vinden we in de kern van deze gedichten existentiële kwetsuren terug. Ze gaan over het onvoltooide en het onvervulde. De breuklijnen die zich in het dagelijks leven voordoen en waartegen geen ‘homeopathie’ of illusie bestand is. De dichotomie tussen droom en werkelijkheid (droomballonen blijven leeg), de insomnia (die met geen ‘strip met pillen’ is te omzeilen) de dreigende, neerwaartse spiraal van de entropie. Ergens willen zijn en zich nergens thuis voelen. De vervreemding. Het ongerepte verlangen dat door de routine van de weekdagen wordt aangetast en dat het samenleven in een huis (het huis en zijn woordveld is een terugkerend motief) conflictueus maakt.

De kamer in ons hoofd

verhuurt ons niets dan dit:
nergens staan wij samen op,
gaan wij samen slapen.

Dit is een poëzie van de ontnuchtering. Zeker. Maar Arns (en dit is haar kracht en de kracht van haar poëzie) zoekt niet naar een hard-assertieve maar naar een kwetsbare, zelfs quasi ingetogen verwoording voor die gegevens. Haar schriftuur is subtiel en sensitief, op zoek naar een empathische lezer. Het afsluitend gedicht brengt dan toch iets zonnigs, een mogelijkheid tot verwondering in deze interessante bundel aan.

Nergens in het bijzonder

We dekken de tafel als
nabootsing van een verleden tijd:

kruimels op onze kamerjas,
een krant met enkel goed nieuws.
De dag, kraakvers en zonder bijlagen.

Straks wandelen we in huis.
We zullen een kamer uitkiezen
en ons verwonderen dat ze

er alweer anders uitziet.
Misschien halen we nog eens een foto
van onder het stof

en misschien
als we de lakens omslaan,
lezen we een happy end.

Nergens in het bijzonder, Jana Arns, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978-94-92339-51-5

(Alain Delmotte)

De dichter en de andere dingen


Ton van ’t Hof was ons bekend van Mijn poëzie (Uitgeverij Stanza, 2014), waarbij hij een procedé volgde van de Canadese dichter David Bromige (1933-2009). Als uitgangspunt selecteerden beide heren fragmenten uit recensies van hun werk en voegden die samen tot een nieuwe tekst. Het resultaat was een essay, waarin Ton van ’t Hof zijn poëzie analyseert en situeert.
Mijn poëzie is ook opgenomen in Dichter & andere dingen, een bundel met nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk. Dit is trouwens reeds de tweede verzamelbundel. Eerder al werden Van ’t Hofs eerste drie bundels gebundeld in Ergens wordt lankmoedig geschoten (UniBook, 2009).
Van ’t Hofs stuurde de eerste Nederlandstalige flarfbundel de wereld in: Je komt er wel bovenop (2007), gedichten waarin zoekresultaten van het internet zijn verwerkt. De dichter heeft flink geëxperimenteerd met deze vorm van readymade of collage. Het gedicht Kamer, waarvan in deze bundel slechts een fragment is opgenomen van de oorspronkelijke tekst uit Aan een ster / she argued (2009), is een doorlopende aaneenschakeling van alle teksten die hij, als beroepsmilitair enkele maanden uitgezonden naar Afghanistan, in zijn kamer tegenkwam en woord voor woord overschreef.
Niet minder confronterend is Archieflichamen, een litanie voor de doden van koloniaal geweld. Frank Keizer in zijn inleiding (Een taal van Nederland): In het bestaande archief (…) liggen winnaars en verliezers zij aan zij. Maar is er ook een vorm van herinneren, van bewaren mogelijk die de geschiedenis van het verdrukte en verpletterende kan vertellen? / Voor Van ’t Hof is de dichter de archivaris die steeds weer het licht aanknipt om iets wat in de schaduw lag opnieuw, of voor het eerst, te laten schitteren. En wij zijn getuige.
In Aan een ster / she argued is een keerpunt merkbaar. Frank Keizer: (…) in de tweede afdeling komt een meer zoekende, existentiële lyriek naar voren, en die blijft sterk aanwezig in het latere werk. De dichter gaat op zoek naar een zuiverder spreken, naar echtheid, al die zaken die voor flarf belachelijk waren geworden.
Dat levert in Dichter & andere dingen naast taalexperimenten met als centraal uitgangspunt de vraag hoe je beschikbare taal kan hergebruiken wat “traditionelere” poëzie op en die is beslist niet minder interessant.
Hierbij het zesde gedicht uit de cyclus Dichter & andere dingen:

Radicaal zijn,
is doordringend zijn,

tot de kern van de zaak,

dichter, nieuwe taal
die zo oud is als de dichtkunst zelve

en naar nieuwe betekenissen graait, hevige overloop
die tot de lippen van de status quo dreigt te komen,

dichter,
dichter & andere dingen, monstrueuze schikkingen
die uit zijn op onstuimig effectbejag, dichter,
dichter, zo wild als onze planeet is.

Laat Van ’t Hof maar naar nieuwe betekenissen en bekentenissen graaien. We zijn er graag getuige van. Poëzie is niet zozeer een kwestie van diepzinnigheid / als wel een ervaring van een andere orde.

Dichter & andere dingen, Ton van ’t Hof, Uitgeverij Stanza, Leeuwarden, 2017, ISBN 978-94-90401-35-1

(Roger Nupie)

Afzien in 68 etappes


Het is nog niet vastgesteld of Miel Vanstreels ter wereld kwam met een pen in de hand of op een fiets. Feit is wel, dat hij beide regelmatig combineert. Schrijven over fietsen en fietsend gedichten schrijven in zijn hoofd, die dan later hun weerslag krijgen op papier.
Onlangs verscheen van hem de bundel Lekker afzien zuivert het gemoed bij Calbona Uitgeverij. De bundel bestaat uit 68 senryu, de wereldlijke variant van de haiku. Het is niet het eerste bundeltje dat in zijn geheel gewijd is aan fietsmijmeringen. Drie jaar geleden verscheen Rijmend de berg op, 16 rijmpjes met op de achterflap een zeventiende toegift. De begeleidende tekst onder dat extra rijmpje vermeldt: ‘Miel Vanstreels (1951), wielertoerist avant la lettre, wordt beschouwd als één van de betere wielerdichters in ons taalgebied. Niet dat er veel wielerdichters zijn. En hij wordt ook al meer dan een halve eeuw op zowat iedere berg door zowat iedereen uit de wielen gereden, maar zelfs dát kan voor hem de pret niet drukken.’ Het is een feit dat in bijkans al zijn bundels wielergedichten zijn opgenomen, of verwijzingen bevatten naar die edele sport van het afzien. Het resulteerde in 2016 in een forse bloemlezing met zijn wielergedichten van 120 bladzijden (Een toerist met altijd tegenwind, eveneens bij Calbona Uitgeverij verschenen).
Mijmeringen noemt Miel Vanstreels de poëtische teksten die hem tijdens het fietsen invallen. In een vroege bundel (Klein joernaal, 1979) lees ik:

Bij de eerste en enige wedstrijd
die ik ooit fietste
zag ik het na twee van de tien
af te leggen rondes
al niet meer zitten
Toen ik het parkoers verliet
zag ik hem tussen
de toeschouwers staan
Hij schudde zijn hoofd

Het inzicht dat het met (professioneel) wielrennen niets zou worden, heeft hem natuurlijk definitief aan de poëzie gebracht, eveneens een vrolijke verslaving. En eentje die uitmondt in onder andere de bundel Lekker afzien zuivert het gemoed. De eerste senryu geeft meteen aan wat de lezer kan verwachten:
Senryu op de fiets

Al lettergrepen
tellend de juiste woorden
uit je ziel fietsen

Het ritme van de (traditionele) haiku en senryu kent inderdaad een vast lettergreeppatroon: 5-7-5, 17 in het totaal (nota bene: denk aan dat boekje met 16 rijmpjes + het 17de op de achterflap!). Na een uurtje oefenen gaat dat een gestaag ritme opleveren en kun je elke woordenberg beklimmen in een rustgevende cadans:

Rue Tesny

Steil en roemruchtig –
zo’n muur waarop ik mijn ziel
in vervoering klim

In 68 kleine etappes maakt Vanstreels ons deelgenoot van zijn wel en wee op de fiets, waarbij hij het landschap, de onvolmaakte mens, liefde, relaties en verlangen, alle thema’s uit zijn werk, de revue laat passeren. Zoals in

Mont Ventoux

Ze zucht en ze kreunt –
laat mijn liefste zich ooit nog
door mij verleiden

Hoewel het even afzien is om alle etappes in één keer af te werken, nodigen ze wel uit om de hele ronde na een kortere of langere pauze volledig uit te lezen. Lekker en luchtig.

Lekker afzien zuivert het gemoed, Miel Vanstreels, Calbona Uitgeverij, Rotterdam, 2018, ISBN 978 9492 954 213

(Wim van Til)

Oefening in het herinneren


Kreek Daey Ouwens debuteerde in 1991 met Stokkevingers. Centraal in haar oeuvre staan jeugdherinneringen en gebeurtenissen die ze op vrij fragmentarische wijze evoceert. Dat is niet anders in haar nieuwste, zevende publicatie, Oefening in het alleenlopen, gedichten - maar net als in eerder werk is de lijn tussen poëzie en proza dun en kunnen de teksten even goed als indrukken, observaties of ietwat bevreemdende notities omschreven worden.
Gaat de bundel over het onvermogen van mensen elkaar door middel van de taal te bereiken, dan geldt dat beslist voor het gezin waar de schrijfster als jong meisje deel van uitmaakt en waarvan ze de volwassenen observeert: de moeder (Het hart van de moeder is een kersenpit: zo klein, zo hard), de grootmoeder, twee grootvaders, twee zussen, op de achtergrond een vader die opgezocht wordt achter hekken en een doodgeboren broertje: Als jouw broertje was blijven leven, was jij niet / geboren.
Vandaag zetten moeder en grootmoeder een / vierde bord op de tafel. Ze leggen er behoed- / zaam een lepel naast. Bij de lepel ligt de / foto van het jongetje. Na het eten wast / onze moeder het lege bord af en zet het / terug in de kast.
Het kind tracht de wereld van de volwassenen te begrijpen in een kluwen van gevoelens waar zowel verbondenheid en isolement als liefde en angst hand in hand gaan. Ouwens legt vast wat verloren zou kunnen gaan: Hoe begrijp je het woord verlies?
Een oud speelgoed, een eendenplank, staat symbolisch voor de geladen sfeer in het gezin: Als je de / plank heen en weer beweegt gaan de eenden / met hun kop omlaag en weer omhoog. De stem- / men raken in een knoop. De andere grootvader / plant zijn mes in de tafel. Moeder loopt / weg. We laten de snavels van de eenden zo / hard mogelijk tikken tegen het / hout. Ze / buigen alle drie tegelijk hun kop, hoewel / ze elkaar niet kunnen zien.
Deze teksten zijn vaak gehuld in een vreemde, mysterieuze sfeer: “Waar bent u toch zo bang voor?” vroeg iemand mij / ik zei: “Wilt u met me ruilen van huid?”. Geregeld wat witruimte. Soms slechts één regel op een pagina: Wat zit er op de plaats van je hart, of één woord op de volgende: Wat?
Als de ik volwassen wordt, kondigt de liefde zich aan, met als tegenpool de eenzaamheid. Wat blijft is de taal. De taal waar omzichtig moet mee omgesprongen worden om vat te krijgen op de realiteit, want The highest things are beyond words - citaat van Ben Okri dat de bundel afsluit.
Wie de mogelijkheden van de taal als middel om herinneringen in kaart te brengen in vraag stelt als Kreek Daey Ouwens en rond dit thema een even eigenzinnig als fascinerend oeuvre heeft opgebouwd dat garant staat voor een aparte leeservaring, weet ons hart te beroeren.

Oefening in het alleenlopen, Gedichten, Kreek Daey Ouwens, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2017, ISBN 978-90-284-2704-4

(Roger Nupie)