Wat een geluk

Gerry van der Linden, docente poëzie aan de Amsterdamse Schrijversvakschool, publiceerde acht dichtbundels. Wat een geluk is haar negende. Het kaft oogt vrolijk: auteursnaam en titel zijn verticaal geschikt, in art deco-achtig lettertype. De achtergrond is zachtroze, de letters rood, oranje, blauw, donkerblauw, groen, mauve.
Ondanks het speelse en kleurrijke van de verpakking is de inhoud van Wat een geluk intrigerend. Spontane, eenvoudige gedichten wisselen af met verrassend vakkundige poëzie. De auteur heeft haar gedichten in 4 cycli (van ongelijke lengte) ingedeeld: Agfa Clack bevat 6 gedichten, Altijd wonen 10 en  Als ik mensen zou opzoeken 9. De laatste cyclus, De handigheid van oordoppen, telt 22 gedichten.
Cyclus 1 bevat idyllische jeugdherinneringen. Een zomerse tuin, kinderen in een plonsbadje, fietsen, een schommel. Een gedicht over de winter, met als attributen: muts, oorwarmers, een besneeuwde trui, een rafelige wollen jas. Gerry van der Linden doorbreekt de illusie met absurde beelden:

de teil is bijna vol
de lucht plonst in de teil
vader is een havik op de rand

(Zomer 1957)

en:

Ze pakt de muts
kopt de sneeuw
in huis en gezelschap
oorwarmer in het slot
het tuinhek klikt

kom hier! heb ik je gezegd

(Winter)

In cyclus 2 wil de dichteres, ondanks haar gehechtheid aan familie en herinneringen, ontsnappen uit de cluster van de kindertijd. Zij wil de wereld verkennen, een plekje vinden voor zichzelf:

nog zijn er draden
overzichtelijk vroeger
weg was wat ik wilde weg
van hoe ze mijn naam noemden
zonder proeven wie er achter klonk

(Visser)

Dit proces is een strijd:

Zij heeft gevochten in het vooronder
(uitgemergelde schoot van voorouders)
vlot opgemerkt
hup! de oversprong gemaakt
[….]
ze heeft gevochten
weet niet meer waartegen
zachte krachten duwen
de artillerie opzij.

(Badwater)

 Na haar zwerftochten beseft de dichteres dat de illusie voorbij is. Zij voelt zich hulpeloos:

 ik fiets langs het water
…
ik hoor hulpgeroep
dat ben ik

(La vie en rose)

Toch klinkt in deze 3de cyclus niet het kind, maar de volwassen vrouw die haar leven stuurt en moedig incasseert. Haar vader sterft, haar moeder zoekt nog steeds de vermiste broer. Maar zoon Luan heeft dezelfde startklare mannenogen marmerkop als zijn vader.
In cyclus 4 waaiert het leven open. Diverse thema’s volgen elkaar op: liefde en vriendschap, ontmoetingen, de natuur, de zeedijk in Oostende, poëzie schrijven. In het laatste gedicht ironiseert Gerry van der Linden het geluk. Daarbij is poëzie een knoop in de tong, een peuk op de vensterbank, een kruisverhoor:

kijk!
poëzie zit
op een stoel aan een tafel onder een lamp
poëzie is een kruisverhoor.

(Wat een geluk)

De dichteres observeert en registreert, wikt en weegt, schrapt en verdicht. Zij schrijft associatief en trefzeker. Zij ervaart de onmacht tegenover de veranderende wereld en beseft dat liefdesbanden fragiel zijn en efemeer. Gerry van de Linden schreef een ietwat deconstructieve bundel, maar het uiteindelijke verhaal is levensecht en authentiek.

Wat een geluk, Gerry van der Linden, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2012, ISBN 978 90 468 13225

(Nicole Van Overstraeten)

Virtualia. Teletonen

Het oeuvre van Sybren Polet heeft altijd in het teken gestaan van het taalexperiment, het zich losmaken van het traditionele en het zoeken naar tegendraadse vernieuwing. Op die wijze heeft hij zich een bijzondere plaats toegeëigend in de beweging van de Vijftigers. Controversieel en eigenzinnig heeft zijn werk dan ook alleen maar bejubelaars en verguizers. De bundel Virtualia. Teletonen is niet anders: of je laat na lezing van de eerste versregels de bundel voor wat die is, vol afschuw voor de niet aflatende stroom van neologismen en intellectualistische woordkramerij of je laat je onvoorwaardelijk meevoeren en onderdompelen in een ‘sprakeloze’ woordensymfonie, die een vaak huiveringwekkend toekomstig universum creëert. De auteur heeft altijd een dubbelzinnige en kritische verhouding gehad met de technologische vooruitgang, die onze maatschappij drijft. Een zeker cultuurpessimisme is hem niet vreemd. Ook in deze bundel heeft de inmiddels bejaarde Polet niets aan engagement en gedrevenheid ingeboet. Als een jeugdige stormram beukt hij op de ontmenselijkte vermarkting van onze samenleving. De beginregels zetten de toon: Rating van het mensdom gedaald / van AAA naar AA, A en A-. Alles & allen op naar het min-nul, ons aller eindbegin / en optimale zelfverevening in zeroïsche onschuld. Het doet onwillekeurig denken aan de laatste profetische versregels van die andere Vijftiger, Bert Schierbeek, in zijn onvolprezen bundel De andere namen uit 1952: en over ons allen valt de schaduw van de naamloze daden die aan ons worden gedaan van binnen en buiten ons zelf…
Polet beschrijft en herdicht op een fascinerende wijze een muterende werkelijkheid, de komst van een nieuwe (cyborg)mens. Verborgen dimensies, diepe orde. / De mutaties volgen elkaar steeds sneller op, / muteren elkaar en volvoeren eindspelen… De tijd is daarbij tegelijkertijd vriend en onoverwinnelijke vijand: Het tandenknarsend fijnmalen van tijd,/ het herkauwen. / Nultonige tijd, alle hertijd verterende.
Polet is één van die zeldzame dichters, die in staat is om het nieuwe technische jargon en cybertaal in te bedden in zijn poëtica. Hij doet dat  met een benijdenswaardig vanzelfsprekend raffinement. Saaie en vaak onbegrijpelijke woorden krijgen plotseling kleur en beweging in een nieuw contextueel geheel. Je digitale existentie gehalveerd / of misschien heel ergens anders opgeslagen,/ bijvoorbeeld / in een lichtjaren verre duistere nis / van een ontzagwekkend groot elektronenheelal…
Hij kneedt de taal, zet die naar zijn hand en herschept zo de realiteit. Voor wie de moed heeft om de wereld van Sybren Polet onbevangen binnen te treden en zich te laten meevoeren in zijn vaak apocalyptisch universum zal aan een fascinerende zoektocht beginnen naar zichzelf in een vervreemdende wereld. In zijn notities refereert Polet naar Four Quartets van T.S. Eliot, ‘In my beginning is my end’ uit East Coker, het kan aangevuld worden met die andere versregel uit The Dry Salvages, ‘We had the experience but missed the meaning, / And approach to the meaning restores the experience.’  Virtualia. Teletonen is een monumentale bundel van een grootmeester van de taal.

Virtualia. Teletonen, Sybren Polet, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2012, ISBN 978 90 284 24531

(Richard Foqué)

Boeiende vertalingen

Shang Ch’in (1930-2010) schrijft over het individu, gevangen in zijn eigen lichaam, geest en leefwereld, en de poging om daaraan te ontsnappen. Ondanks regels als geluk is datgene wat een mens wordt onthouden en ik heb vastgesteld dat ik aan gelukverbeeldingsgebrek lijd, is er in zijn werk geen spoor van sentimentaliteit en wrok te ontdekken. Leed en eenzaamheid zouden tot zwaarmoedigheid kunnen leiden, maar niet bij deze dichter die over een fijne humor beschikt en meer wil tonen dan het direct waarneembare, wat zijn werk een surrealistisch tintje geeft, al kiest hij zelf liever voor de term hyperrealisme. In de bundel zijn ook pentekeningen van de dichter opgenomen, en die zijn net als zijn poëzie (veelal prozagedichten): de uitdijende zinnen zijn hier kronkelende lijnen die uit herkenbare elementen bestaan maar toch een onwezenlijk karakter hebben.

Giraf

Toen de jonge cipier merkte dat de maandelijkse toename van de lengte van de gevangen bij elke lichamelijke inspectie in de nek zat, rapporteerde hij aan de directeur: Meneer, de ramen zitten te hoog! Maar het antwoord dat hij kreeg was: Nee, ze kijken uit naar de tijd.

De goedhartige jonge cipier kende het gezicht van de tijd niet, wist zijn geboorteplaats niet en had geen idee van zijn verblijfplaats; daarom patrouilleerde en waakte hij elke nacht in de dierentuin, voor het hek van de giraf.

“Dat is de dichter én de mens Shang Ch’in ten voeten uit: melancholiek en toch glunderend,” schrijft vertaalster Silvia Marijnissen terecht bij dit gedicht in haar nawoord.
Zij vertaalde tevens poëzie van Hsia Yu (1956). Als kattenogen is een bloemlezing uit het werk van een dichteres die bladzijde na bladzijde blijft verrassen. Ze studeerde film en toneel (iemand / heeft ooit de film uitgevonden alleen om de kamer / te verdonkeren) en schrijft popsongs en filmscenario’s. Zij speelt schaamteloos met clichés over mannen en vrouwen:

Algemeen bekend

een vrouw
bloedt
eens per maan
begrijpt de taal der slagen
is geknipt voor verrassingsaanvallen
ongeschikt voor afspraken

Hsia Yu steekt al eens de draak met de dichterlijke authenticiteit (Ploert I) en experimenteert met de mogelijkheden van de taal (“Extreme taalexperimenten waarin ze onderzoekt wanneer taal ophoudt taal te zijn, of taal ooit ophoudt taal te zijn”, schrijft de vertaalster in haar nawoord). Uit In den beginne was het woord:

6

natuurlijk zijn er andere woorden
die nooit hebben gewacht op wat dan ook
voor gelegenheid waarin ze ingelegd konden worden
en het is onmogelijk te weten of ze wachten
wachten op iemand zoals ik
die ze dwingt het begin van een gedicht te worden

7

die gedichten
ik merk dat ze veranderen met het licht
als kattenogen

Een pluim voor vertaalster Silvia Marijnissen en Uitgeverij Voetnoot om deze dichters in het Nederlands bereikbaar te maken met deze fraai vormgegeven bundels.

Ontsnappende hemel, Shang Ch'in, vertaling en nawoord: Silvia Marijnissen, Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam, 2012, ISBN 9789078068884; Als kattenogen, Hsia Yu, vertaling en nawoord: Silvia Marijnissen, Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam, 2012, ISBN 9789078068877

(Roger Nupie)

Hiel opnieuw in de belangstelling

Het Willemsfonds publiceerde een wat op de cover vermeld staat kort en eigenzinnig essay over de emancipatie van de Vlamingen te Brussel, aan de hand van de biografie van Emanuel Hiel, een vergeten Dendermondse dichter. Vrij onbekend misschien wel, maar niet helemaal vergeten want Dr. Emiel Willekens, in 1984, schreef een boek over hem. De auteur van dit nieuwe essay, Alistair Dempsig, heeft al lang belangstelling voor de problematiek van de Vlamingen in onze hoofdstad. Dit is geen saaie levensbeschrijving, maar Hiel is dan ook een dankbaar onderwerp! Dempsig gaat vooral in op de ontvoogdingsstrijd en emancipatie, die niet zonder slag of stoot verliep. Hiel (1834-1899), geboren in Dendermonde, was liberaal progressief, dichter en verdraagzaam flamingant en hij ging om met vele bekende figuren van die periode. In Brussel stichtte hij het Willemsfonds, dat hem af en toe dus vanonder het stof van de tijd weer tot leven brengt en herdenkt. Samen met Conscience, Benoit en Julius Hoste zette hij zich met hart en ziel in voor onze taal en de emancipatie via het onderwijs. Dempsig heeft tal van details en achtergrondinformatie opgediept en slaagt erin de tekst altijd boeiend te houden. Het zal diegenen plezier doen die het culturele leven in Brussel genegen zijn en hen meer inzicht verschaffen. De politieke en culturele situatie in de tweede helft van de 19de eeuw in de hoofdstad is nog nauwelijks voor te stellen: 90 % van de bevolking was Vlaming maar dan wel ongeletterd en Brussels pratend, terwijl de burgerij en de administratie Franstalig waren. Er was geen algemene taal die boven de veelheid van dialecten stond. Hiel begon naam te maken als dichter, werkte vooral samen met Benoit en profileerde zich duidelijk als een militante Vlaamsgezinde en vrijmetselaar. Zijn fysieke verschijning was voer voor karikaturisten. Hij veroverde mét Peter Benoit Parijs naar aanleiding van de opvoering van Lucifer en daarover valt hier een boeiend relaas te lezen. Dempsig is kritisch genoeg op het gebied van de kwaliteiten van het poëtische oeuvre dat Hiel naliet, maar tekent hem levendig en als een opvallende figuur in het artistieke leven van zijn tijd, een voorvechter voor de Nederlandse taal en de gerechtvaardigde eisen van de Vlamingen. Voorheen werd er in het Frans les gegeven en het Vlaams-Nederlands kwam pas in het vijfde jaar aan bod en dan nog maar één uur per week. Het vijfde jaar was meestal ook het jaar dat arbeiderskinderen de school verlieten om in de fabriek te gaan werken of om leerjongen te worden. Willem I had beslist dat het Nederlands de taal van de overheid moest worden in Brussel, maar door gebrek aan een politieke consensus veranderde er niet veel. De rol die Emanuel Hiel speelde moet in de herinnering blijven en deze uitgave is zonder meer een cultureel-historisch document dat hem de eer gunt die hem toekomt.

Emanuel Hiel. Essay over de emancipatie van de Vlamingen te Brussel, Alistair Dempsig, Brussel, Willemsfonds Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Schaarbeek-Evere, 2011

(Guy van Hoof)

Een boeiende zoektocht

Toen Albert Hagenaars in 2007 de Sakko-prijs voor Kunsten en Letteren ontving werd erop gewezen hoe Hagenaars in zijn proza en poëzie de werkelijkheid niet altijd beschrijft hoe ze is, maar vooral hoe ze zou kunnen zijn of beleefd zou kunnen worden. In zijn nieuwe bundel Bloedkrans doet Albert Hagenaars dat 80 gedichten lang, ingedeeld in 4 cycli van telkens 20 gedichten. De kleur rood, kleur van het bloed, is het leidmotief doorheen de bundel. Het is de kleur, die in alle culturen de krachtigste symboliek meedraagt. Ze staat zowel voor liefde, hartstocht en seksualiteit als voor gevaar, oorlog en dood. De auteur gebruikt deze symboliek bewust in al haar gelaagdheden en betekenissen. De 4 cycli evolueren –zoals de titels aangeven- van het oranjeachtige lichtrode vermiljoen over het vol rode karmozijn, het dieprode scharlaken naar het purper. Het is de bloedkrans, de cirkel rond het leven en de afkomst, van geboorte naar dood, zoals in de laatste versregels van de bundel: Hoe diep begraven in mijn moedertaal,/ hoezeer onttrokken aan de bloedkrans / lijkt nu, voortwoekerend in nieuw leven, / de goedertieren dood. De auteur aanvaardt maar is tezelfdertijd hoopvol: er zal altijd nieuw leven zijn. Dit optimisme, hoe donker sommige gedichten ook zijn, spreekt uit de ganse bundel.
In Bloedkrans ontvouwt zich een leven, dat ergens begint op het platteland in het katholieke Brabant en uitwaaiert naar de wereld in vele reizen. Is het autobiografisch? Is het verzonnen? Eigenlijk doet dat er helemaal niet toe. Zonder twijfel put Albert Hagenaars uit zijn herinneringen en ervaringen, zonder twijfel verwoordt hij eigen emoties, verwerkt hij wellicht traumatische gebeurtenissen, maar in elk gedicht transcendeert hij zijn eigen positie naar een algemeen menselijk ervaren. Hij noemt concreet namen en gebeurtenissen maar ze worden irrelevant ten aanzien van de universele context waarin ze worden geplaatst:
Insulinde / Zo werd hier gedorst, kaf van rijst / waaide in wolken op tot in onze hof, / bedekte vader en moeder / … / Toen ik eindelijk aangekomen was, / eiland na eiland, naam na naam / moest gaan verbinden, man en vrouw, / nam jij het over: het aftellen begon.
Begenadigd schrijver als Albert Hagenaars is, weet hij als geen ander de taal te bespelen. Geen kunst en poëtisch vliegwerk hier maar een afgewogen beeldspraak, rijk aan ritme en klanken. Geen barokke overdaad van gestapelde bijvoeglijke naamwoorden maar dwars door de ziel snijdende zinnen, die blijven branden. rood in het hart maar luchtig al lezende: Achter de schuren, de geteerde keten, / vond het andere leven plaats. / Daar ritselde het, en dan weer was het soms stil, /… / en ik wist, hij had gelijk, de kapelaan: alleen wat wij kunnen zien verdwijnt.
Albert Hagenaars maakt in Bloedkrans haast op een natuurlijke wijze het vertrouwde vreemd en het vreemde vertrouwd. Het maakt de bundel tot een boeiende zwerftocht door een levensloop, waarin elke lezer eigen stapstenen zal ontdekken.

Bloedkrans, Albert Hagenaars, In de Knipscheer, Haarlem, 2012, ISBN 978 90 6265 675 2

(Richard Foqué)

Blinde gedichten verrassend

Met de publicatie van Blinde gedichten zorgde Delphine Lecompte voor een totale verrassing. Wat dadelijk in deze (haar derde) bundel opvalt is dat zij geen korte gedichten schrijft. Het zijn allemaal breed uitgesmeerde boterhammen, voorzien van een rijk geassorteerd beleg. De lijvige bundel van 128 pagina’s bevat vijf delen.
De titel van het eerste Het Kwade Amen is echt niet kwaad bedoeld, maar veeleer realistisch. De dichteres schrijft haar gedichten in de ik-vorm, maar het resultaat heeft helemaal niets met belijdenispoëzie te maken. Zij schrijft ogenschijnlijk realistisch getekende fragmentaria, die echter de weergave zijn van een eigen creatief realisme. Zo creatief dat ik het een vorm van crealisme zou willen noemen. Zij schrijft beschrijvend en beklijvend. Er komen tevens vreemde figuren in haar gedichten voor, zoals de oude kruisboogschutter en er worden indringende vragen gesteld, waarop adequate antwoorden volgen, die echter net zo goed onderling verwisselbaar zijn, We worden geconfronteerd met een poëtisch credo, een doorleefd traktaat. Je zou het ook een traktaart kunnen noemen.
In het tweede deel Kind van kinderen, geschreven in dezelfde authentieke stijl, komen vooral de ouders aan bod. Zowel de moeder als de vader en het lijkt een beetje op een afrekening, maar niets is minder waar. De ober heeft niet alleen zijn briefje verloren, ook het rekenmachientje is stuk. Ironie, sarcasme en zelfspot, het zit er allemaal in verwerkt, maar op een listige manier. Het speelse spel is een bloedernstig spel en sierlijke strikken maskeren valkuilen en schietgeweren.
Deel drie, dat Terug naar straffeloosheid is getiteld, bevat erg weerbarstige gedichten. Je moet niet alles geloven en je moet niet alles begrijpen om iets mooi te vinden. Raadsels boeien, raadsels bloeien. Soms kan het ook bloeden zijn. Zoals humor soms doet schateren om wat later heel erg schamper blijkt te zijn.
De lezer weet nu reeds dat veel Tegen beter weten in is, de titel van het vierde deel en opnieuw staat er dikwijls niet wat er staat, al speelt veel zich af op de kermis, of aan zee, of in bed, maar zelfs de doden blijven proper. Ook verkrachtingen worden vermeld, maar hoegenaamd niet uitgeprobeerd of beschreven. Daarvoor is de uitbater van het spookkot te rechtvaardig. In dit deel lopen ook veel moeders en vaders af en aan, maar ja, die willen zich toch met alles moeien.
In het laatste deel Wie niet weg is is geschoten / Wie niet tam is is gezien leren we onder meer dat de show niet mag doorgaan en dat kinderen gênante volwassenen worden. Mooi en levendig, maar soms had de dichteres toch een en ander mogen schrappen: Marcella zegt dat ze naar de visboer gaat om pladijs te kopen / Mijn grootmoeder snauwt dat het haar weinig kan schelen / Het kan mij eerlijk gezegd ook niet boeien. Wanneer ik eerlijk ben, zijn we met zijn drieën. Maar toch, Blinde gedichten blijft een prachtige dichtbundel.

Blinde gedichten, Delphine Lecompte, Bezige Bij, Antwerpen, 2012, ISBN 978 90 8542 345 4

(Tony Rombouts)

De tuinen van Thevenet

Een bundel door een vrouw geschreven (eindelijk), een veld met bloemen op de cover (gemakkelijk), een karakteristiek paarse kleur (kom nou) en dan de titel… Wat zal dit worden?
Meteen na de eerste kennismaking en de eerste grondige doorlezing, valt de maturiteit van de schrijfster op. Gedicht na gedicht brengt de poëzie je in de verleiding; dit is gaaf werk. Qua structuur is de bundel goed gebalanceerd, stevig opgebouwd en elke cyclus trekt zijn eigen spoor. De inspiratie, die Nicole Van Overstraeten vond, ligt enerzijds bij beeldend werk (dat zij bewondert neem ik aan) en anderzijds in de tableaus van eminente kunstenaars als Hopper en Thevenet. Het resultaat van zoveel inspanning zijn gedichten die het louter visueel beschrijvende grotendeels overtreffen. Nicole Van Overstraeten heeft het vak van het dichten zonder meer onder de knie. Ze kent beslist haar metier en concentreert zich op haar sterktes: originele invalshoeken, afgelijnde woordrelaties, weloverwogen adjectieven en harmonieus parende verzen. Ze kneedt ‘gewone’ woorden tot verrassende metaforen, ze toont hoe de parlando-stijl extra waarde kan scheppen. Ze schrikt er niet van terug om diverse stijlen te hanteren. Zo staat ook het prozagedicht stevig in deze bundel. Ter illustratie daarvan hier een fragment:

Orp

we zijn dus weeral zover, zover zijn we gekomen.
in dit prachtig chromaatgroen ardens dorp
met de even prachtige naam orp, onooglijk op de kaart
(een trollennaam, zegt n. en kijkt daarbij bedenkelijk),
te midden van boomgaarden, bossen, koeien en boerderijen,
druilen hier de ochtenden als milkshakewolken.
vanmorgen vroeg holderdebolder – wie slaapt hier op zolder ? –
de blauwgeschilderde trap afgehotst en ons ervan vergewist,
vrouw appel, of wij bij het ontbijt aan je sappig vel
kunnen knabbelen, of wij met onze heksentanden
(bobbellippen, tepeltong) kunnen raken aan jouw veredeld
couperosehuidje, rood rozig rafelsatijn, opgepoetst fluweel.

Langsheen emoties van twijfel, zoeken, fragiliteit, doorzettingskracht en intimistische erotiek zet deze dichteres mooie pluimen - die ze meer dan verdient- op haar hoed. Ze recycleert sterke persoonlijke ervaringen tot universele beeldspraak die haar poëzie in kracht doet toenemen. Ze gebruikt passende alliteraties en nooit storende binnenrijmen. Ze experimenteert met interpunctie en lapt conventies aan haar laars, omdat het op dat moment moet, mag en beter maakt. Haar beeldspraak is afhankelijk van haar noodzaak, vaak gul en dan weer wat frugaal. Aan deze bundel is gewerkt en dat verdient onze oprechte attentie. Dit boek is geen vlug samenraapsel. Hier werden geen bureauladen leeggeroofd om gedreven door ijdelheid, uiteindelijk tot een bundel te komen. Nicole Van Overstraeten put haar inspiratie uit diverse bronnen. Werkelijk alles lijkt bruikbaar voor haar: van schilderijen via vakantieherinneringen tot zelfs reality-shows. Deze dame bewerkt haar gedichten als een diamantslijper die met kennis van zaken tot de kern komt en een juweel achterlaat. Haar bescheiden gedichten verdienen trompetgeschal. Deze bundel zet aan tot respect en de erkenning van een talent; de bloempjeskaft ten spijt… Wie zei ook weer Never judge a book by its cover?

De tuinen van Thevenet, Nicole Van Overstraeten, Demer Uitgeverij, Diepenbeek, 2012, ISBN 978-1-4709-3398-2

(Frank Decerf)

Op safari met Glen Baxter

De in Leeds geboren Glen Baxter (68) heeft een nieuw boek uit. Dat werd weer eens tijd. De cartoonist debuteerde in 1979 met Atlas, bij de Nederlandse uitgeverij De Harmonie, waar nu ook Colonel Baxter's Dutch Safari het licht zag.
In de loop der jaren bouwde de Engelsman een stevige reputatie op. Hij exposeerde ondertussen over de hele wereld (onder meer in de grootsteden Londen, New York, Parijs, San Francisco en Tokio), en zag zijn tekeningen gepubliceerd in gerenommeerde tijdschriften als The Independent on Sunday, The New Yorker, Vanity Fair en Vogue.
Het is zoals immer een groot genoegen zijn werk, vrijwel steeds goed voor een glimlach of grijns, te bestuderen. Hij kan best aardig tekenen, maar de facto eigenlijk niet echt werkelijk goed. Het lijkt wel of hij zijn stijl reeds vond als middelbare scholier, en daaraan steeds vast is blijven houden. Zijn tekeningen, die passen in de school van de zogenaamde Klare Lijn, ogen hier en daar zelfs wat houterig maar o, wat zijn ze toch charmant. Glen Baxters kracht ligt echter niet zozeer in die tekeningen, als wel in de combinatie daarvan met de tekst. Die oogt in se meestal 'normaal' maar zorgt samen met de afbeelding voor een verfrissend absurdisme.
Sedert zijn debuut heeft de Engelsman altijd een boontje voor Nederland, het land waar hij werd ontdekt, gehouden. Dat blijkt overduidelijk uit deze uitgave die op iedere linkerbladzijde een bizar Delftsblauw tegeltje toont, en op elke rechter een prent waarin haringen, tulpen en werk van kunstenaars als Theo van Doesburg, Piet Mondriaan en Gerrit Rietveld figureren.
Naar het oeuvre van Gerrit Rietveld verwijst hij overigens opvallend dikwijls. Vaak tekent hij in een stijl die doet denken aan oude westernstrips. Zo is er een saloon te zien met de naam Wetering Galerie waarvoor twee paarden staan vastgebonden met op hun rug geen zadel maar zo'n typische Rietveldstoel. Het onderschrift: The situation looked serious. The Rietveld Gang was back in town.
Elders zie je drie bevers aan een Rietveldstoel knagen. De titel: Trouble in the Design Museum. Onder een schemerlamp zit een man met klompen aan en een papiertje in de hand met voor zich twee (letterlijk: met touwen!) geboeide jongeren: "Welcome, my friends to another evening of Dutch poetry."
Het voert in het kader van een korte bespreking als deze te ver om te veel uitleg te geven, maar wees er van overtuigd dat wie van ’s mans werk houdt ook deze keer niet zal worden teleurgesteld.
Je moet om het oeuvre van Glen Baxter te smaken zeker over een bepaald gevoel voor humor beschikken, maar indien dat het geval is valt er enorm veel plezier aan te beleven. Het voorbeeldig vormgegeven boek bevat een inleiding van de curator van The Dutch Glen Baxter Museum, niemand minder dan Wim de Bie (die bij de oudste bewonderaars van het werk van Baxter hoort). De moeite waard!

Colonel Baxter's Dutch Safari, Glen Baxter, uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2012, ISBN 9 789061 695325
 
(Bert Bevers)

Kerouac blijft keigoed

Jack Kerouac hield van zwerven en jazz, hij voelde zich soms één met de kosmos en soms ook beangstigd religieus. In zijn inleiding bij de roman Eenzame engelen staat dat zijn stijl niets gezochts had, niets artificieels, geen berekening of onwaarachtigheid. Zijn levenskracht of -lust werkte en werkt aanstekelijk, zijn jongensachtigheid blijft ons vertederen. Hij stelde het leven voor de literatuur of maakte van (be-)leven en schrijven één allesomvattend geheel. Als een kunstenaar die schetsen maakt zat hij overal iets neer te schrijven, notities en ervaringen en dat groeide uit tot een caleidoscoop van gebeurtenissen en een handleiding voor een bepaalde manier van existeren, onconventioneel en gekant tegen academisme, zonder regels of beperkingen.
De boeken van de zogenaamde Beat Generation (waarvan Kerouac met onder meer Allen Ginsberg en Gregory Corso deel uitmaakte) waren dan ook bevrijdend, in meer dan één opzicht: (...) wanneer critici en leraren zich de rol van wetgevers pogen aan te meten zullen zij uiteindelijk heel hun macht verliezen, met hun pogingen om anderen geestelijk te castreren. Kerouac bezat een brede kennis, belezenheid en hij groeide uit tot een James Dean van het woord. Maar hij zelf was de bezieler en gangmaker van een beweging en een stijl. Een stijl die doordrongen was van actie, reizen, jazz, literatuur en schilderijen, naast mediteren en religie. Maar deze Frans-Canadees of Kanoek beleed net zo goed zijn liefde voor de natuur, mens en maatschappij, altijd gevoelig, leergierig en nieuwsgierig. Als zwerver trad hij in de voetsporen van Jack London, als schrijver moest hij zich eerst de taal eigen maken en een stem vinden om zich uit te drukken. Als kind was hij verlegen, later ontpopte hij zich tot een goed student met een hoge graad van intelligentie. Hij sloot bizarre literaire vriendschappen, verdiepte zich in wereldliteratuur zowel als in boeddhisme, schreef haiku's en verdiende een blijvende plaats met de romans On the road en The subterraneans. Zijn eerste roman verscheen al in 1950, nog onder de invloed van Thomas Wolfe. Het onderbewuste, een stroom als een innerlijke ontdekkingstocht maakten van hem een tovenaar met de taal. Veertien romans die de dwaasheid van de wereld onder de loep nemen en niet, zoals Proust, het verleden tot leven brachten maar juist de hartslag van zijn tijd beluisterden en autobiografisch weergaven.
Een soort J.J. Rousseau die lijden en loutering verenigt. Menselijkheid stond hoog in zijn vaandel. De mooi verzorgde bundel gedichten, blues, haiku's en schetsen, door Uitgeverij Nadorst gepubliceerd, toont aan dat eigenlijk alles wat Jack Kerouac schreef poëzie was, een dagboek vanuit het hart. Deze aan te raden bloemlezing van een van de meest authentieke schrijvers van de 20ste eeuw kan een aanzet zijn om meer te lezen. De zichtbare en de onbegrijpelijke ongrijpbare wereld, vol tegenstellingen: Denken is net als niet-denken- Dus hoef ik nooit meer / na te denken. Een bundel om te koesteren !

Verzen, schetsen, haiku's & blues, Jack Kerouac (verzameld en vertaald door Joris Lenstra), Uitgeverij Nadorst, Rotterdam, 2011. ISBN 978-94-90338-04-6

(Guy van Hoof)

Een bidon met Zen

Miel Vanstreels is de huisdichter van W.I.L. (Wielrennen in Limburg). In deze bundel brengt hij verslag uit van en over zijn fietstochten: 29 teksten, 36 bladzijden. Iedere tekst is voorzien van een titel die zelfs bij veel niet-sportliefhebbers een belletje zal doen rinkelen: Oude Kwaeremont, Mont Ventoux, Col du Tourmalet, Alpe d’Huez…
Miel Vanstreels noemt de teksten: fietshaiku’s. Dit wijst er op dat wij niet echt met haiku te maken hebben maar met teksten in haiku-vorm, die over fietsen gaan. En inderdaad, een klassieke haiku zult u niet vinden in deze bundel. Onmiddellijk moest ik denken aan wat Kuwabara Takeo in 1946 in Sekai Magazine schreef: “Er bestaan geen objectieve normen om de kwaliteit van haiku te beoordelen.” Als men deze stelregel aanvaardt, is er geen enkel probleem. Alhoewel de meeste ervaren haikudichters moeilijkheden hebben om hier over haiku te spreken. De typische haiku vertrekt van een natuurbeeld en roept daardoor een moment, een gevoel van schoonheid op.

Winterkaal verhaal -
geen struik meer om ongezien
de blaas te legen.

Deze tekst is een van de voorbeelden hoe de auteur zijn fietsbelevenissen verwoordt. Zij kunnen de lezer wel een glimlach ontlokken maar meer dan dat niet.

Mijn broer rijdt weer o
zo hard - kreeg één van ons maar
een lekke tube.

De lezer begrijpt uiteraard deze tekst onmiddellijk maar een haiku-moment is ver te zoeken. De schrijver had mijn inziens een andere omschrijving voor zijn teksten gekozen, bijvoorbeeld Korte reisindrukken op de fiets. De lezer zou het bundeltje met plezier doornemen en niet met het wrange gevoel zitten: haiku of geen haiku? De titel van het boek doet ons vermoeden dat wij een aantal zen-wijsheden te lezen krijgen. De zen-boeddhist zal hier en daar genieten. De gewone sterveling zal, als hij moeite doet, af en toe dieper nadenken over deze speelse teksten.

Afstapverdriet - iets
wat je regelmatig
in toertochten ziet.

Het is heel gewoon dat niet-ervaren wielertoeristen bij het beklimmen van een van de reuzen uit de Tour even moeten afstappen. Bij het verder denken kan men deze tekst ook toepassen op het leven. Hoe vaak moet men als volwassen mens afstappen, stil blijven staan. Verdriet verwerken.

Klarend water -
hoe beter de benen hoe
mooier het geluid.

Wanneer heeft de mens tijd om te genieten van de natuur? Om gewoon rond te kijken naar de eenvoudige dingen rondom ons? Alleen als het goed gaat met ons, wie in de miserie zit heeft geen oog voor een ontluikende bloemknop, of voor merelgezang op een zachte meiavond. Hier heeft de fietser goede benen, het fietsen is een plezier, hij heeft tijd om te genieten van het fietsen, van datgene wat hem omringt. Soms is het beter helemaal niet na te denken en gewoon te ondergaan. Zich niet druk te maken voor iets waar je toch niets kunt aan verhelpen:

Geen mens meer te zien -
een kudde lome schapen
regelt het verkeer.

Een bidon met Zen, Miel Vanstreels, Uitgeverij Calbona, Rotterdam, 2012, ISBN 978-94-91254-30-7
 
(Ferre Denis)

De stamboom van Hooyberghs

Deze mooi uitgegeven bundel is verdeeld over de cycli: Stamboom, Naast me, Kleur, Wie zee hoort en Envoi. De gedichten die ik met veel graagte mocht bespreken zijn ritmisch en streng afgebakend. De dichter houdt de teugels in de hand en controleert zijn ontboezemingen. De krachtige metaforen verschijnen in sober spaarzame woordselecties, waarin vooral de aparte associaties de lezer doen stilstaan. Hooyberghs houdt van het enjambement en laat hier en daar wat vergeten woorden uit hun as herrijzen. Hier is geen sprake van, wat ik zou noemen, consumptiepoëzie, geen vlugge hap uit een alledaagse woordenbrij want hier is de nasmaak te sterk, de afdronk nodig en de restwaarde genietingvol. Visueel lijken de gedichten klassiek, maar dat is een trompe-l’oeil. In de cyclus Stamboom speelt nostalgie haar rol. In Naast me vond ik tijdloze verzen over de liefde, het gemis aan menselijke warmte en vooral de vertwijfeling om wat nog komen moet. De dichter wil waarschuwen en speelt zijn rol als radar voortreffelijk. Hij houdt zijn woordenpalet strak in toom en bewaakt de helderheid en de ongebonden, tijdloze waarheid. Hij schikt de puzzel tot een mooi panorama.

Dooien

Krimpend van genot, vol
vertrouwen in het lichaam
dat naast het mijne
de nachten tart
word ik wakker als sneeuw
voor de zon. Zo verglijdt
de winter in zijn brakke plas
van tweezaamheid.
Met dooien is het nu
wel genoeg geweest.
Rest nog het dorre van de spar
die op de buurvrouw druipt
het schorre van de zwarte vogel
die aast op restjes kaas.

In Kleur passeren ook diverse plastische kunstenaars de revue. Zo inspireerden Rothko, Cranach, Friedrich en Kandinsky. Verder zijn er reisgedichten zoals Paestum, en impressies op de lievelingsmuziek van de dichter. In Wie zee hoort zorgt René Hooyberghs voor een caleidoscoop waarvan de betekenis mij ontgaat. Ik meen dat de dichter het hier wil hebben over de moeilijkheid van de schrijfact, het creëren, het traag wikken en secuur afwegen, het kappen en de overtollige ballast schrappen, de langzame groei van het gedicht. Maar ik kan verkeerd zijn. Misschien verwoordt Hooyberghs de struggle for words waarmee de dichter te kampen heeft om als uiteindelijke overwinnaar tot een gaaf einde te komen, een goed gedicht als beloning voor zoveel inzet, zoveel arbeid. Maar laten we naar de dichter luisteren en hem zelf aan het woord laten komen: Na twee vroege bundeltjes zoek ik, decennia later, terug aansluiting bij het peloton. Tijdens die decennia: de omzwervingen van de rusteloze, het slopende van het materiële. Ook die vinden hun weerslag in de woorden die hier staan. Liefde en dood, wat anders zou de pen bewegen? Ik doop ze in de warmte die ik rond mij vind, en in het ijle van wat niet te mijden valt.
Wat mij betreft heeft René Hooyberghs na al die tijd wel weer aansluiting gevonden bij het peloton, hij trappelt rustig mee. Zijn fiets is duidelijk anders, maar haalt de nodige snelheid…

Stamboom, René Hooyberghs, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2011, ISBN 978-90-5927-288-0

(Frank Decerf)

Het uur van de pad

Sinds Liesbeth Lagemaat in 2005 de C. Buddingh debuutprijs kreeg voor haar bundel Een grimwoud in mijn keel publiceerde ze nog 2 bundels. Het uur van de pad is haar vierde. Het is een omvangrijke bundel geworden van 81 gedichten, genummerd in minuten, van de nulste tot de tachtigste: een uur in tachtig minuten als het ware. Maar dichters mogen deze vrijheid nemen, want poëzie moet tijdloos zijn of niet?
Na in de nulste minuut de pad te hebben gedefinieerd: Hij blaast met een rietje in de kont van bang en het klapt. Pad is inwisselbaar, begint de dichteres veelbelovend en sterk in de eerste minuut: Uw tuinfluiter ben ik. Wat ik u toeroep, echoot langs het brokkelsteen omlaag, uw muren van honderd jaar zwijgen. De pad en paddengedrag als metafoor voor retrospectie en overschouwing van je eigen zijn en leven: We bewogen ons en zaten gesloten in een bol van glas, / je was veel verder dan ik verwijderd van het centrum. / Waar jij liep waren de treden minder warm…De grenzen tussen proza en poëzie vervagen en al lezende wordt de bundel hybride, een beproefd maar interessant recept, waarop de dichteres schijnbaar patent heeft.
Maar langzaamaan echter schrijft Lagemaat zichzelf klem. En precies daar wringt het in deze bundel. De metafoor wordt systeem, de dichteres valt in herhaling en verliest naar het einde toe alle perspectief. Bijna voorspelbaar eindigt de bundel dan ook met de verwijzing naar de sprookjes waar de pad steevast gekust wordt door een prinsesje en verandert in een beeldschone prins: Zeg! Moet ik u dan 100x kussen voordat u wakker wordt / in een klank die ik niet kan eten? / Is dat het? Is dat wat u wilt? Waar sal ic u vinden? Zelfs de valkuil om er ook nog wat oud-Nederlands aan te koppelen omzeilt ze niet. Dit is jammer, want Lagemaat is ontegensprekelijk een begenadigde woordkunstenares, die een ontzettende taalvaardigheid koppelt aan een sterke verbeelding en beeldspraak: Wij dolven gewelven vol mos en kleine, kleine geknakte vogels. / Geschroefd en gespleten de snavels: een lied, terug in die groef.
Op de literaire weblog Poëzierapport wordt het, naar aanleiding van haar vorige bundel Handlanger – Het witte kind, poëtische overkill genoemd en dat omschrijft vrij aardig wat er ook met deze bundel aan de hand is. Lagemaat weet bijwijlen geen maat te houden. Gedreven door een magisch enthousiasme raakt ze als het ware beroesd en bedwelmd door de taal en haar zeggingskracht. Ze verdwaalt in haar woorden en zinnen, verliest richting en weg: Een vacht die zich strakker trekt en mij, nog voor ik / de drang krijg tot schrikken – de adem. Snijdt./ Mij de benen de pas af….
Eens te meer wordt bewezen dat overdaad schaadt. Lagemaat holt zichzelf voorbij en zou wellicht toch beter Het uur van de pad beperkt hebben tot de klassieke 60 minuten.

Het uur van de pad, Liesbeth Lagemaat, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2012, ISBN 978 90 284 2456 2

(Richard Foqué)

Een vrouw, een mysterie

De impressionisten zijn een onuitputbare bron van inspiratie voor schrijvers en documentaire makers, of intendanten die niet meer weten welke tentoonstelling op te zetten. Wedden op wat voorspelbaar is en dan doen alsof de verrassing compleet is. Zo iets van, geef de kinderen pannenkoeken want dan weten we dat ze tevreden zullen zijn... Een beetje flauw. En moest Ina Stabergh zich ook laten verleiden om daar zo nodig een boek over te schrijven? Is het sowieso mogelijk om een mensenleven – van wie dan ook en hoe interessant ook - in 41 gedichten vast te leggen? Of was dat met dit werk niet de bedoeling? Het idee toch uitwerken tot een publicatie was in elk geval een uitdaging die de schrijfster niet uit te weg ging. Haar bundel Berthe Morisot, een vrouw, een mysterie is opgedeeld in 5 cycli: Hoe alles begon, Een stap in de wereld, Een dame aan de zijlijn, IV en Als tijd verschrompelt. Ina Stabergh (die nog stadsdichter is geweest van het fraaie Diest) neemt ons mee naar de periode van het Franse impressionisme en probeert daarvan de sfeer op te roepen. Haar fascinatie voor het gekozen personage is duidelijk, maar ze zoekt het in de kleine aardse dingen, in de twijfelende verzuchtingen, in de lichtheid van het lentelicht, in de intimistische overpeinzingen en in de elegant erotische poses. Ze geeft haar impressies over hoe het volgens haar kon geweest zijn. Ze stelt voor, overdenkt, schrijft plausibel en levert gaaf werk af. Ze karakteriseert door middel van rake menselijke analyses en geloofwaardige interpretaties. De lezer die daar de tijd voor neemt gaat helemaal mee in dit verhaal. Berthe werkt mee aan die verleiding. De speurhond volgt het spoor. In de cyclus Een dame aan de zijlijn, mijn favoriet deel van de bundel, komt Berthe Morisot geloofwaardig tot leven. Een vrouw van vlees en bloed, vol passie en wilskracht. Ina Stabergh beschrijft alsof ze haar eigen vriendin voorstelt; pretentieloos, menslievend en zeer respectvol. Deze cyclus zit ritmisch goed in elkaar, de beeldspraak boeit en verrast. Knelt nergens. De verleiding om met stereotiepe clichés af te komen wordt vermeden. In deze gedichten zijn de associaties minder gebruuskeerd.
Doorheen dit werk hanteert de dichteres een fijn scalpel om de huiselijke sfeer, de ongeschonden natuur, de traagheid van het bestaan (toen) en de moeder-kind-verhouding afgemeten te stileren. Flinterdun schilt zij haar taal om tot de kern te komen. Wat op het eerste zicht makkelijk lijkt, maar in essentie het tegenovergestelde bereikt, is het bewijs van vakmanschap en controle. Het resultaat is een frisse leesbare bundel die uitnodigt om de impressionistische tableaus opnieuw te gaan bewonderen en daarna de gedichten opnieuw door te nemen. Of nog meer over die merkwaardige vrouw te gaan lezen. Daarom moest Ina Stabergh zonodig deze bundel krachtige gedichten aan Berthe Morisot wijden. Beide dames mogen blij zijn, al zal dat voor Berthe een beetje moeilijk zijn…

Berthe Morisot - Een vrouw, een mysterie, Ina Stabergh, Uitgeverij De Brouwerij, 2011, ISBN 978-90-78905-39-4

(Frank Decerf)

Op windveren van verlangen

Peter Schotman is één van die goed bewaarde geheimen in de Nederlandstalige poëziewereld. Wat opzoekwerk leert dat hij naast zijn werk als medisch-biologisch onderzoeker reeds 25 jaar geleden begon met schrijven. Dat waren toen korte verhalen, maar reeds vrij snel keert hij zich tot de poëzie. In tijdschriften zoals Taalpodium en Concept kan je zijn gedichten vinden zoals ook in de in 2001 door Kleinood & Grootzeer uitgegeven verzamelbundel Stemmen.
Nu pas is er zijn debuutbundel: Op windveren van verlangen. Dat late debuut kenschetst reeds op zich de uiterst zorgvuldige en zelfkritische aanpak van de auteur. De taal moet uitgepuurd worden, het overbodige geschrapt, de woorden aan zichzelf teruggegeven tot een maximale zeggingskracht ontstaat: Leven / ijlt langs hem / verleden / huilt / door dichtgeklapte luiken / lopen lichtstralen / dood / in lege duisternis /… / een kind kijkt toe / gekooid in prille / afwijzing.  
De bundel bestaat uit vier cycli die elk 9 gedichten omvatten, waarbij de titel van elk gedicht meteen ook de eerste versregel is, die de lezer meteen het gedicht binnen zuigt.
Het centrale thema is het onbestemd verlangen naar evenwicht in het leven, het tot rust komen met zichzelf, de zoektocht naar innerlijke vrede als lotsbestemming. Tezelfdertijd is de Peter  Schotman zich terdege bewust van het onbereikbare daarvan. Het is dit spanningsveld dat hij in deze bundel evoceert. Jij trekt mij aan / ik stoot je af / wat delen wij  / in relatieve  / eenheid / onzichtbaar / voor het leven / mijn denken / metafoor voor eeuwigheid. Schotman gebruikt hierbij systematisch het enjambement maar doet dat in een strakke staccato stijl: geen punctuatie en versregels, die soms slechts uit één woord bestaan. Dit geeft het gedicht een soort tranceachtig ritme, dwingt als het ware tot meermaals herlezen en doet de lezer langzaam de meerlagigheid ervan ontdekken.

Schotmans poëzie drijft op zijn herinneringen, op verloren dromen uit zijn geboorteland Nederlands-Indië en op het trachten te plaatsen daarvan binnen het heden. Hij is de zoekende reiziger ‘à la récherche du temps perdu’. Als je weggaat / brandt een silhouet van pijn / zich in mijn vlees tot eeuwige / herinnering /… / je hand wuift / lucht onwezenlijk / ver van ons / leven / neem je mee in een valies. In die zoektocht is het hem omringende landschap constant op een bijzonder pregnante manier aanwezig.

Peter Schotman bewijst met deze bundel dat dichten moet steunen op uiterst vakmanschap en een volledige beheersing van het taalinstrumentarium. Pas dan kan je met taal je gedachten en emoties vormgeven en communiceren. Op windveren van verlangen is alleen reeds daarom poëzie pur sang, die verlangt gelezen en herlezen te worden. Zoals steeds bij Kleinood & Grootzeer is de grafische vormgeving van de bundel door graficus Gerrit Westerveld daarbij van een ontroerende en eenvoudige schoonheid, die de zeggingskracht van de dichter ondersteunt en versterkt.

Op windveren van verlangen, Peter Schotman, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2011, ISBN/EAN 978-90-76644-00-4

(Richard Foqué)

Een stap terzijde in de tijd

Buchstabenlicht * Letters van Licht * Letters of Light, een meertalige gedichtenbundel, biedt een overzicht van het rijke oeuvre van de Brusselse dichteres Annie Reniers.
In het eerste deel van deze bundel vinden we Nederlandstalige gedichten; op de rechterpagina de Duitse vertaling. Het tweede deel omvat dezelfde gedichten, maar dan in het Engels. Achteraan is nog een bio- en bibliografie toegevoegd.
De dichteres publiceert in Buchstabenlicht * Letters van Licht * Letters of Light 17 gedichten, verdeeld over 3 cycli. Liefde is de titel van de eerste cyclus en omvat 6 gedichten. Licht is de titel van de tweede cyclus (10 gedichten) en de laatste cyclus omvat eigenlijk maar 1 gedicht, namelijk Stap terzijde.
Annie Reniers studeerde wijsbegeerte en letteren en is docente esthetica aan de Vrije Universiteit Brussel. Het spreekt vanzelf dat haar professionele achtergrond diepe sporen heeft nagelaten in haar oeuvre. Haar gedichten zijn een transpositie van abstract-wijsgerige begrippen als het zijnde, de (tussen)tijd, de ruimte, het licht... op talige wijze verwerkt tot verrukkelijke poëzie.
De natuur is een belangrijke inspiratiebron. Dan zijn niet gedachten of klanken het uitgangspunt, maar concrete begrippen als kleur, wolken, rotsen, gras, wier, regen... Mooi is dat de dichteres de natuurelementen personifieert en dus menselijke eigenschappen toedicht:

wees zachter zegt de taal
en laat de woorden drijven

vissen zwemmen in de ogen
wieren glijden door de hand

wat de regen doet
is dompelen

luister naar de zuchten
van het gras

Met een sprong van het zintuiglijke naar het abstracte (de ruimte, het sterven, het andere zijn) sluit zij dit gedicht af:

de slaap van het verdriet
leert zinken

en het beeld zal opstaan
opstaan met ons
taalvergroeid

Annie Reniers’ etherische beleving van de natuur doet bijna oosters aan:

verlaten rekt de rivier zijn rotsen
naverlangend

naaldstil een laatste wesp
in spichtig gras
vertelt

Maar tegelijk betrekt zij de mens in haar observaties en doet zo een stap naar de andere toe:

en wij
waaiend met het wuivende
vurig met het smeulende

in het ondergegane blauw
van wolken

we leggen het oor aan luistergras
en vernemen een hartslag
van ruimte

In haar laatste gedicht stap terzijde maakt Annie Reniers trouwens een opening naar een nieuwe onmiddellijkheid, een nieuwe stilte, een nieuwe vorm van taal:

de stap terzijde in de tijd
brengt ons terug

naar het onmiddelijke
van opstand en heropstanding

een vorm doemt op
van takken en lucht
grootmoedig in ontmoeting
…
schets
getekend naar niemands beeld

onvervalst
in letters van licht

Annie Reniers wil zich beslist niet opsluiten in de beperkingen van het denken. Door de moderniteit ervaart zij een wereld die niet meer kan herleid worden tot een enkel punt. Zij beseft dat zij tegelijkertijd leeft in vele werelden en in vele talen. Buchstabenlicht * Letters van Licht * Letters of Light is een exclusieve bundel.  Ondanks haar eenvoudig en uitgepuurd taalgebruik en haar aandacht voor de mens presenteert Annie Reniers mysterieuze gedichten, die wellicht kunnen gesavoureerd worden door trage, aandachtige lezers.

Buchstabenlicht, Annie Reniers, World internet books, Duisburg am Rhein/Antwerpen, 2012, ISBN 978 3 8423 4379 5

(Nicole Van Overstraeten)

De onsterfelijke lever van Swarth

Nick J. Swarth schrijft gedichten, verhalen en theaterteksten en is tevens performer. In druk verschenen eerder Horror Vacui, een docudrama in 14 staties (1999), Kaka, Kuus & Knikker (2002), Vier zure zultsculpturen (2002), Het pikkie met de kale wup (2005), de bundel-dvd de napalmsessies (2005), Naked City Poems (2007) en ¡Mondo Manga! (2009).

In mijn gedichten, in mijn teksten, zegt Nick J. Swarth, beweeg ik me door de taal alsof ik door een stad loop. Ik teken klanken op, reproduceer kreten en toon scènes voor wat ze zijn. Ze laten zich verstaan zoals een stad zich laat verstaan, zonder zich ooit in hun geheel te laten bevatten. Een tekst is voor mij dus ook geen eenheid, maar een veelheid. Mijn poëzie is steeds in beweging.

Nick J. Swarth is met deze bundel alvast in zijn opzet geslaagd. Met wat hij registreert en optekent dompelt hij ons onder in een caleidoscoop van ervaringen en sferen - teksten die al eens lang en prozaïsch durven zijn en waarbij hij ook vaak goochelt met typografie. Het krioelt van de verwijzingen (achteraan keurig vermeld) naar literatuur, figuren, muziek, e-mails. De teksten worden afgewisseld met tekeningen van zichzelf (hij stond ook in voor foto’s en omslagontwerp). De drie cycli, XL, X en XS worden telkens aangekondigd met twee citaten. De flaptekst zet de sfeer:

Hij die poogt. Onderbreekt al haar gewijde bezigheden.
Hij bedekt een oppervlakte van niet minder dan 36 are.
Occupy. Bezet.
Bezet het plein. Het plein van de zondaars.
Wat heb je op je lever? Laat de gieren maar vreten.
Het kan zijn dat de opstand is mislukt.

En de dichter nodigt de lezer uit: Kom, til gerust de deken op, ik heb niets op mijn/ onsterfelijke lever. Door het vuur en de dynamiek van de gedichten schreeuwen ze om live gebracht en gehoord te worden. Bij wie poëzie het liefst bij een knapperig haardvuur leest, leeft vaak de overtuiging dat teksten die zich uitstekend lenen om te performen aan strikt literaire waarde inboeten. Swarth bewijst dat dit een dooddoener is, we kunnen hem dan ook bijtreden als hij schrijft: nu wek ik mijzelf / andermaal tot leven / ik lees dat ik het las / in dit vers (dus hier)/ en zag dat het goed/ was- op papier. De laatste twee strofen uit:

Tijdvakkenvullend in Luik, onbetaald

Op een avond ging je dansen. En je danste tot je stierf
van de dorst.
Weet je nog waar je was?
De flats, de flessen (tafels, fantomen, gespuis). De bar
van JULIA waar Mme de Stripper stripte, haar affreuze
vrijage met de vulgaire huis, tuin- en keukenstoel HOP-

LA BEENTJE HOP!

En toen naar het Zuiden
en dan naar het Noorden, een hok, lucifers, een peuk.
Geen roomservice of minibar. Geen kleur, geen tv.
Wel een radio
en ruis

een orgel ontstemd DE PRETDIVISIE KEERT

VAN HET SLAGVELD TERUG

het juiste mes in de juiste rug.

Mijn onsterfelijke lever, Nick J. Swarth, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2012, ISBN 9789086840861

(Roger Nupie)

Avondluchten in Diepenbeek

De poëzie van Hannie Rouweler zoekt graag raaklijnen met de natuur, maar daarnaast schuwt ze het niet om in de hedendaagsheid der dingen ook haar pen te scherpen. Voor haar kunnen zelfs lege toiletrollen een reden tot dichten zijn. Toch ligt de kracht van deze dichteres in haar ervaring als natuurobservator. Voor haar zorgen kilte, natheid, regen voor een balans in het leven. De natuur na een regenbui is een territorium die haar poëtisch dwingt tot schrijven. Voor haar lijkt de regen een zuiverende kracht en dat zet ze onder andere in deze nieuwe bundel neer. Bij haar ook veel verwijzingen naar de zon en de daarbij horende lichteffecten; de dichteres wordt natuurmens. Ze capteert de stilte, het eindelijk gevonden rustpunt, het kantelmoment waar bestaan leven wordt. Haar gedichten draagt ze op en deelt ze met collega-auteurs. Op die manier bewijst ze haar bewondering, haar appreciatie. Bij haar geen gif van egocentrisme. Maar Rouweler, die naar ik vermoed ook een fervente dierenactiviste is, staat met beide benen in de actualiteit van de moderne samenleving. Ze schuwt het zwaarwichtig werk niet. Met gedichten over de politieke splitsing van België bewijst ze op wacht te staan en waarschuwt ze ons. Voor deze dichteres is poëzie als tabak; ze is er voortdurend mee bezig en kan het moeilijk loslaten. In Avondluchten in Diepenbeek brengt zij eveneens een kritische kijk op de moderne poëziewedstrijden. Rouweler schrijft in een vrije stijl. Ze durft onderwerpen aan te halen die ander schrijvers links laten liggen en dat is moedig. Ze laat het gevoel de leiding nemen, maar doseert niet te vergeten waarheden op een effectieve manier. Kleine dagdagelijkse details boetseert ze tot grotere exponenten van haar leefwereld. Ze vergeet daarbij haar overleden dierbaren niet. Anderzijds lijkt alles voor haar als thema bruikbaar. Ze overwint de sleur die in andere poëziebundels wel eens voorkomt. Zij daagt haar kunst uit en verlegt haar eigen grenzen. Ze neemt haar lezers mee naar een caleidoscoop van ervaringen.

Twee vuilniszakken in de regen

Twee vuilniszakken, een zwarte en een grijze,
staan in het gele licht van een lantaarnpaal
te glanzen in het gras langs de kant van de weg.
Het sijpelt een beetje en de felle koplampen van
voorbijrijdende auto’s zetten hen in volle schijn.
Niemand zal erover peinzen ze mee te nemen.
Niemand zal stoppen om ze nog één keer aan te raken.

[….]

Hannie volgt haar muze, soms iets te slaafs. Daar waar de dichteres kritische onderstromen legt, waarop het huis van haar poëzie wordt gebouwd, is de spankracht tussen die poëzie en proza ongecontroleerd. Er is sprake van overvloeiing. Avondluchten in Diepenbeek is een mooie bundel. De kracht ligt in het ongecompliceerde. Tussen haar versregels ligt het paradijs, het verstilde zalig ogenblik dat bij de echte dichter(es) de kracht oproept om die ervaring met anderen te delen. De gedichten van Rouweler laten een vermoeide mens weer ademen; ze redden…

Avondluchten in Diepenbeek, Hannie Rouweler, Demer Uitgeverij, Diepenbeek, 2012,  ISBN 978 1 4709 3327 2

(Frank Decerf)

Goudkoorts in de zomer

Wielrennen is en blijft populair. Dat de sport steeds overeind blijft komt voor een groot deel door het volume aan heldenverering en de verhalen die doorheen de jaren tot de verbeelding blijven spreken: wielrennen gebeurt tegen een achtergrond van tijd en ruimte: altijd afwisselende streken, steden, cols en aankomstplaatsen waar feest wordt gevierd. Wat men ook moge denken over het spektakel- en circusgehalte van de Tour, het is een aantrekkelijk schouwspel met kleurrijke winnaars en verliezers, valpartijen en dramatische wendingen. Voor wie verder kijkt dan louter het commerciële mag het voor mijn part een vorm van kunst worden genoemd, vol kleuren en mode, zon of sneeuw, futuristisch materiaal dat uiteindelijk soms slechts luttele seconden oplevert in een proloog.
Het grote aantal boeken dat gewijd werd aan wielerhelden of wedstrijden bewijst dat er alleszins méér verhaal in zit dan in menig roman. De Tour van 2011 zette vijf auteurs tot schrijven aan. Vijf dichters die telkens een rit voor hun rekening namen. Geelzucht II is, net als Geelzucht I en straks GeelZucht III, de papieren versie van de ondertussen veelgelezen blog www.geelzucht.wordpress.com (die intussen aan de editie van 2012 bezig is). Een mooi boek, dat mag gezegd worden. GeelZucht is alvast een goed gekozen titel: de strijd om het geel rond de schouders, en dat precies in de zonnige maand juli. Ieder heeft zo zijn stijl, of haar stijl, want onder het vijftal heeft Sylvie Marie een plaats veroverd: een gemengde wielerploeg als primeur.
Op 17 juli deelt ze mee, over de rit Limoux-Montpellier: en al maken stemmen nog gewag / van rotondes, bochten, smalle paden en tocht / aan de streep, het blijft droog / en groen. Patrick Cornillie, die reeds verscheidene bundels en boeken publiceerde met het wielrennen als thema, herdacht op de rustdag dan weer de laatste landgenoot die de Tour won, Lucien Van Impe: Op de berg de dwerg, / maar in zijn nietigheid het grootst. Alle dichters samen maakten ook een gedicht, als het ware een ploegentijdrit uit pen en pedalen aldus de voetnoot. Paul Rigolle is de bedachtzame, de filosoof die naar de diepte reikt en het wonder van Lisieux weet te combineren met het wonder van de sprint. Frank Pollet is de spontane verslaggever, die houdt van het pittoreske en in poëzie zowat alles weet te integreren. Norbert De Beule doet verslag over twee tijdritten, o.a. Honderd klokken in Grenoble doen Grenoble bonzen / Vier klaplopers klappen veel te hard / In de verte blaft een hond / Koest Molly! Baasje komt zo / gooit even nog een leeuwtje in de lucht / De dichter veegt de straten schoon. Deze laatste regel vat alles mooi samen en zou als ondertitel niet misstaan. Voor wie de Tour 2011 nog eens wil overdoen of herbeleven is dit een uitgelezen dessert.

Geelzucht II - De Ronde van Frankrijk in 2011 en enige gedichten, Patrick Cornillie, Norbert De Beule, Sylvie Marie, Frank Pollet en Paul Rigolle, Puyvelde, vzw De Letterloods, 2011

(Guy van Hoof)