Die goeie ouwe taal


Elf en twaalf zijn de gekste telwoorden tussen tien en twintig. Toegegeven, dertien en veertien lopen ook een beetje uit de pas, want je zou drietien en viertien verwachten, maar elf en twaalf komen niet eens in de buurt van eentien en tweetien. In e- en tw- kun je met veel fantasie een en twee ontdekken, maar waar komt -lf dan vandaan?’

Op dergelijke taalkundige probleemstellingen ben ik dol. Net als Yoïn van Spijk, die een van zijn essays in Die goeie ouwe taal met bovenstaande vraag begint. Hij geeft er uiteraard ook het antwoord op, en hij kan dat vermits hij taalwetenschapper is. Het boek staat boordevol boeiende weetjes over de (eigen)aardigheden van onze taal. En dat zijn er heel wat.

Neem: ‘Zet je het woord vlag in het meervoud, dan krijg je vlaggen, maar bij dag gebeurt er iets geks: dat wordt dagen met een lange klinker. Zo zijn er nog meer gevallen: bij pot hoort potten, maar bij slot krijg je sloten, en heg verandert in heggen maar weg in wegen. Waarom?’

Van Spijk, die onder meer op zijn website Taal aan de wandel over taalontwikkeling schrijft, legt het uit. Hij doet zulks op een onderhoudende, enthousiasmerende manier. Hij bewijst dat taalwetenschap geen gortdroge discipline is, maar een verrassend levendige. Taal is immers op het moment dat u dit leest wel ergens aan het veranderen, en het is fascinerend om die linguïstische bewegingen vakkundig in perspectief gezet te zien worden. Van Spijk brengt de lijnen in beeld van de ontstaansgeschiedenis die woorden van het Proto-Indo-Europees over het Proto-West-Germaans en later Oud- en Middelnederlands door hebben gemaakt. Hij legt ook relevante linken naar onder meer zustertalen Duits en Engels en naar Romaanse invloeden. Het Latijn heeft ook in onze taal vele sporen achtergelaten. Zo komen boter en kaas van būtyrum en cāseus, en kelder en keuken van cellārium en cocīna. Die c’s werden als een k uitgesproken. Julius Caesar heette in zijn tijd dan ook Julius Kaaisar en niet Julius Sezar (Ons woord keizer komt van caesar). Yoïn van Spijk, zelf Noord-Brabander, signaleert ook invloeden en verwantschap van varianten als het Nedersaksisch, Vlaams en Zeeuws. Je moet Die goeie ouwe taal niet in één ruk uitlezen want dan begint het je met al die oeroude woorden uit verdwenen talen soms te duizelen. Neen, je moet deze opstellen geduldig savoureren.

Veel van de door Van Spijk te berde gebrachte voorbeelden zijn dan misschien in de dagelijkse praktijk niet werkelijk núttig om te weten, maar zeker voor taalliefhebbers wel léuk. Ik wist bijvoorbeeld niet dat de woorden vriend en vijand van oorsprong de facto geen zelfstandige naamwoorden zijn, maar dat ze afkomstig zijn van de onvoltooide deelwoorden van respectievelijk het Proto-Germaanse frijōnan (liefhebben) en fijēnan (haten).

Die goeie ouwe taal is een bijzonder onderhoudend boek, waaraan je veel leesplezier beleeft maar waarvan je beslist over de etymologie van woorden ook enorm veel opsteekt. Aanrader!


Die goeie ouwe taal, Yoïn van Spijk, Uitgeverij Ambo|Anthos, Amsterdam, 2025, ISBN 9 789026 369971

(Bert Bevers)


Vreemde gezichten


Het valt me op hoe dikwijls dichters, terwijl dat in se toch uit hoofde van hun bezigheid per definitie einzelgänger zijn, zich verenigen in allerhande al dan niet losse verbanden. Je kunt daarbij al terugdenken aan de Rederijkers en de Tachtigers. Maar ook aan de Vijftigers en Zestigers. Vaak zijn dat literair-historische benamingen. Je hebt ook groepen die zich bewust vormden als de Pink Poets, de Maximalen, De Nieuwe Wilden en de Dichters uit Epibreren. In jonger jaren zijn er bijvoorbeeld Het Venijnig Gebroed, De Sprekende Ezels en meer recent Dichterscollectief Obsidiaan. Hieraan kan voortaan ook Donsai worden toegevoegd.

Het destijds door Martin Carrette beatae memoriae, de eerste stadsdichter van de Oost-Vlaamse stad, geïnitieerde Dichterscollectief Deinze, DéCéDé, koos voor Donsai als nieuwe naam. Carrette kreeg als opvolgers Luc C. Martens en Steven Van de Putte en het momenteel in functie zijnde duo Jana Arns en Herman Van Rompuy. De verzamelbundel Huis van vreemde gezichten is een initiatief van Jana Arns, die het belangrijk vindt gedichten te schrijven met een maatschappelijke waarde. De ondertitel van dit – met illustraties van Martijn Bruneel – smaakvol uitgegeven boekje illustreert dat duidelijk: Veertien dichters over dementie en verlies.

De thematiek van Huis van vreemde gezichten is natuurlijk een aansprekende vermits eenieder zich daarbij wel iets kan voorstellen. Soms komen vreemden / je van laatste zinnen voorzien. weet Jana Arns in Beslagen. Steven Van de Putte besluit Kerst met het eveneens verontrustende onhandig lezen we het braille van geschenkpapier. / om jou uit te pakken is het nog te vroeg. Ontroerend vind ik Luc C. Martens’ gedicht dat begint met de strofen vanuit de deuropening zie ik een kind, / vermomd in een oude wijze vrouw en eindigt met wat is er nu van jou geworden, het meisje dat ik / graag had gekend voor ze mijn moeder werd. Wim Vandeleene ziet hoe het geheugen als gistend vat / een moeilijke puzzel is, hoe verbazend klare momenten op kunnen duiken: wat je vergat, keert helder terug / alsof je een beslagen ruit droog veegt // het uitzicht valt binnen / terug van nooit weggeweest. Abel Dossche rondt zijn Wanneer het gestorven is af met de meesterlijke regels wanneer we de hemel zelf tegen de grond / werken tot hij liggen blijft als een moeder bij haar kind. Eddy Vaernewyck registreert in Germaine: Zij draagt haar jaren als een weids vertakt gewei / en vult haar dagen in onschuldig blauw., Matthias Haeck ziet in Er is geen iemand de brieven uit mijn tijd / verbergen tussen de naden en Nikki Petit legt in De laatste rechte lijn genadeloos vast ze verveelt hen met haar herhalingslus / ze ziet het wel, kent ze door en door / heeft hun luiers nog verschoond. Dementie is een gruwel weten ook Sven De Potter (mooi: ik heb enkel verhalen in dode talen / over de eeuwen waar ik er wel toe deed), Janis Derie (ik schrei op de houten tafel / En ik wens dat het je lijf was, van mahonie gemaakt / Dat ik je kon kopen in een meubelzaak), Mieke Geldhof (ik word schaduw, / weet, mijn handen herinneren jouw huid), Rob De Winter (Zijn vergeten stem klinkt // als een uitgezwaaide wals), Patrick Verstraete (En morgen zal weer / niet zijn waar jij was) en Martijn Bruneel (Sommige opzichters hier beweren zelfs / dat zij hun moeder is). 
Huis van vreemde gezichten is een navrante verzameling, die je je bewustzijn extra doet koesteren.


Huis van vreemde gezichten – 14 dichters over dementie en verlies, Donsai, Deinze, 2024

(Bert Bevers)


De metriek van eb en overvloed


Na een tiental dichtbundels, werd van dichter, beeldhouwer, essayist Renaat Ramon dit jaar Visum uitgegeven. Visum is een document dat toelaat om in het buitenland te reizen, maar is ook een vorm van ‘kijken’. In de bundel is dat een dialoog tussen gedichten en beeldmateriaal. Dit laatste bestaat uit foto’s die door zijn partner Lieve Terrie tijdens hun reizen werden gemaakt, van schilderijen, beelden, ready-mades, naast zijn eigen ‘iconische’ werken, zoals Ramon zijn visueel poëtisch werk noemt. Op de kaft prijkt zo’n iconisch werk, Marine die de zee afbeeldt als ‘een eindeloos vloeien van jamben en trocheeën’ die ‘de metriek van eb en overvloed’ oproepen. 
De 28 gedichten die de bundel bevolken bevatten telkens een dialoog tussen woord en beeld waar symmetrie en concrete realiteit, clair-obscur, recto-verso, licht en schaduw, kunstgeschiedenis en moderne concepten wedijveren met elkaar.
In het gedicht Hoofdzaak is dat de sculptuur van een hoofd bedekt door ‘een weelde van letters’ die ‘eindeloos te combineren zijn’ tot een ‘woordeloos gedicht’. In Schoonschrift zijn het de netkousen van de benen van een vrouw waar in elk van de mazen een letter komt, wat haar zal toelaten om te ‘bewegen als gedicht’. Ook vertoont zijn poëzie met Code verdieping in het juridische in de vorm van een ‘koploze’ sculptuur die zich afvraagt ‘wat van het recht de oorzaak is’ en als ‘elk woord een valstrik is’, een vonnis ‘al dan niet conform de wet’ kan beschouwd worden. Dit voert ons naar de voorliefde van de dichter voor het rebelse waarbij hij zich solidair toont met de zestiende eeuwse Matteo Palmieri wiens beeltenis omwille van zijn als ketters beschouwde Libro della Vita Civile postuum werd verbrand. Hij eindigt zijn gedicht met het ironische ‘Wie in deze stad (Firenze) voelt nog de vlammen’? In Paar beschouwt hij de beenderen van een 5500 jaar oud liefdespaar, als bewaard in een soort ‘tijdcapsule’ waarbij de tijd hen ‘gehavend’ en ‘bewaard’ heeft en hierbij ook ‘barmhartigheid’ heeft gekend. In het laatste gedicht Zondagsschilder verwijst Ramon naar een eigen schilderwerk in ruitvorm met het spectrum van de regenboog, waarbij de onderste helft een verschoven weerspiegeling is van de bovenhelft, wat een golvende beweging tot gevolg heeft. Iedere dag van de week wordt door een kleur bepaald, maar de zondag van de ‘zondagsschilder’ kent alle kleuren van de regenboog. 
Er volgt nog een diepgaand essay over de dichter door Alain Delmotte, waar hij onder meer wijst op de standvastigheid van Ramons visie, zoals die al in zijn eerste gedicht voorkwam, namelijk ‘de wil tot vorm’ die van dit grote oeuvre, zowel plastisch als literair, de katalysator was.

Visum, Renaat Ramon, Poëziecentrum, Gent, 2024, ISBN 978-90-141-4

(Francis Cromphout)

Alsnog!


J. Heymans publiceerde monografieën over onder anderen beeldend kunstenaar, schrijver en acteur Armando; verhalenverteller en film-, theater- en tv-figuur Cherry Duyns; auteur J.J. Voskuil en Simeon ten Holt, de componist bekend van pianocomposities waarbij bij de uitvoeringen, vanwege de lengte van de composities, zowel pianisten als publiek elkaar aflosten.

De bundel Alsnog bestaat uit zes cycli: Een soort Siberië, Zes sentimentele dansen, Onbevreesd en ontvankelijk, Overgeleverd – zes gedichten van Herman Heida, Foto’s en andere feesten en Antilliaanse bronnen. De gedichten zijn opgebouwd uit één of tweeregelige strofen van meestal tien regels. Herman Heida - auteur en vertaler die van 1979 tot 1983 in het Friese literaire tijdschrift Trotwaer publiceerde - is een pseudoniem voor J. Heymans en Goaitsen van der Vliet, zo leert ons de rubriek Nog iets over Herman Heida die volgt na de zes cycli.

De eerste en langste cyclus uit de bundel, Een soort Siberië, opent met Uitkijken op een wachttoren: Daar zagen we de uitkijktoren, gestaalde/ trots, de overtreffende trap in dit bos, toen// in ons een zinnebeeld zich roerde, rechtop / onder welke weerspreuk ook – de depressies// die het verduurde (…) en eindigt met De uitkijktoren beklimmen: Het levenspad had ons tot hier gebracht, de treden/ beklommen, stilaan versneld het ritme van ons hart,// adembenemend, stap voor stap onze hoogtevrees/ beproevend, om terug te kunnen kijken naar de weg/ die we hadden afgelegd, van jongs af (…) we hoorden de wind van vroeger zingen, lied na lied// gelukzalige duizeling die we de rug toekeerden, en toen/ zagen we het voor ons: de avonturen, het verstoven zand.

De Zes sentimentele dansen draagt de dichter op aan zijn dochter Eva: (…) nu je oud genoeg bent/ om weg te gaan, blijf nog even en dans. Dat verzoek komt nog terug in het laatste gedicht van de cyclus: (…) Dat jij dochter bent/ van mij, ooit eeuwig student die bij de vloer// aan de kant bleef staan. Ik wil maar zeggen, ga/ dansen op Stromae – en dans dan ook voor mij.

Herinneringen en een zekere vorm van berusting zijn een grondtoon in deze bundel. In het laatste gedicht uit de cyclus Foto’s en andere feesten lezen we: Liever had ik deze foto buiten beschouwing/ gelaten, een snapshot van een vergeten feest,/ een man verdacht veel mij, een jongere versie,/ een ouwelijk vest dat ik nooit meer dragen zou.

In de laatste en al even sterke cyclus, Antilliaanse bronnen, belicht hij zijn jeugd op Curaçao én boegbeelden uit de Antilliaanse literatuur, onder wie de auteurs Frank Martinus Arion, Tip Marugg (hoe hij, vrijwel blind en lam, nog zwaaide naar mij) en Boeli van Leeuwen: Wij staan hier naakt op deze rots, een versregel/ nooit in het Papiaments te boek gesteld, voor ons// maakt dat niets uit, we spreken in tongen, zonder grammatica.

Dat er ‘alsnog’, na meer dan twintig jaar (Vlagvertoon, 2001), een tweede dichtbundel van J. Heymans is verschenen, is een meer dan verheugend feit.


Alsnog, J. Heymans, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2024, ISBN 978 90 8684 294 0

(Roger Nupie)

Geschonden binnenwegen


Gerlinde Weze debuteerde eerder laat. Maar in hun zoektocht naar het juiste woord, debuteren dichters telkens opnieuw. Haar eerste bundel Kind van één zomer verscheen in 2020 en was een in memoriam aan haar overleden dochtertje. Een motief dat we in haar nieuwste publicatie zijKant sporadisch terugvinden. Onder meer in de gedichten Dochterloos en Seizoenen missen je niet langer: mijn van deze wereld vergeten kind/op ontdekkingsreis in mijn hoofd./Ik heb jou al zolang niet meer.

De titel zijKant geeft aan vanuit welk perspectief de bundel werd geschreven namelijk vanuit de positie van een/de vrouw. Dit perspectief wordt flink doordesemd met scherpe levenservaring en spitse mensenkennis. Die levenservaring is ontnuchterend en haar mensenkennis is kritisch en ironisch. De themata variëren maar onderhuids zijn elementen als ‘zich ouder voelen’, ‘ouder worden’, ‘ouder zijn’ te ontwaren. Gemoedsstemmingen die subtiel van elkaar verschillen maar die toch getuigen van het besef dat de tijd begint te ontbreken: Achterlaten doet pijn, liefste./Weggaan niet. Hoe dan ook, jong of oud, blijvend is er die honger naar meer – want er is altijd iets dat onbeantwoord en onvervuld blijft en zal blijven. We krijgen gedichten te lezen die in lagen herinneringen verstrengeld zijn. De moeder, bijvoorbeeld: Hoe ze oogde, hoe ze klonk, hoe ze wijs dacht./Heel zij.

De dichter betracht niet meer: dan de hang naar een leven/tot gedicht schrijven. Zij doet dat heel bedaard en onverbloemd. Ze haalt haar geheugen open/aan geschonden binnenwegen. Aan dat sobere zelfonderzoek (het is niet anders/dan overeind blijven) dankt de bundel zijn kracht.

Sporen van zelfonderzoek vinden we in het gedicht Spiegelzucht, waarin de dichter haar eigen spiegelbeeld benadert: zij die nooit ouder wordt dan ik/stalkt me precies zoals ik ben./On-grijp-baar. Vaststelling die op fundamentele menselijke eenzaamheid uitdraait. Vandaar wellicht dat in een aantal gedichten weinig glansrijke momenten geëvoceerd worden. De dagen die niets beloofden, dagen zonder uitdagingen, de routines, de existentiële ongemakken. Dat gebeurt in onder meer het waarschijnlijk voor velen herkenbare gedicht Dagelijkse kost: Elke ochtend draait ons/over de bedrand voor weer/een vangst muizenissen. Wat opvalt zijn een aantal gedichten die een koppel, een relatie, een huwelijk ter sprake brengen.

Wat blijft er van de liefde over wanneer de passie is geweken (liefde is geen vangst meer) en een milde intimiteit overblijft (Dat ik van je hou dekt je tekorten). Als Gewoontegetrouwd wordt dit soort toestand omschreven: Elk aan een kant van het bed klinkt het genadeloos, maar toch niet wrang. Weze is een dichter zonder illusies maar niet zonder kwetsbaarheid. Dit is sensitieve, broze poëzie. Meligheid wordt ontweken. In ieder geval is ze een dichter die in onze tijd staat. Het woord ‘Netflix’ valt. En een gedicht heeft het over een file: een optelsom geduld loont tot de eindmeet thuis. En dat er ergens bommen vallen leren we uit het pakkende gedicht Oorlog. Alsook het leed dat dit bij dieren (in dat geval een hond) teweeg kan brengen: Hij kent geen land./Alleen mij.

Dan zijn er nog gedichten met een ironische ondertoon waarin personages worden getypeerd. Zo onder meer Madame Snob (Daags poetst zij naast haar/tanden ook haar imago). Een onpretentieuze, van authenticiteit getuigende bundel waarin het lucide voorrang krijgt op het lyrische.


zijKant, Gerlinde Weze, Uitgeverij Het Punt, Dendermonde, 2024, ISBN 978946070745

(Alain Delmotte)

Even zweven


Pim te Bokkel groeide op in het Achterhoekse Aalten op landgoed Hackfort, hij verhuisde naar Noord-Holland waar hij met vrouw en kinderen in Schoorl woont.
Het moet een louterende week zijn geweest voor. De week waarin zijn vader uit de tijd gleed maar waarin ook zijn nieuwe bundel Even zweven de levende wezens verscheen. Het leven dat in de titel van de gedichtenbundel binnenrijmend zich lijkt te herhalen. ‘Het is niet alleen maar taalspel maar behelst ook de tijdelijkheid van het leven en het ervaren van geluksmomenten’ zoals de dichter onlangs in een interview opmerkte.

Ik ben de vader die ik had, zoals ik mijn bespreking in De Boekhouding van zijn bundel Dit en alles en heel het heelal beëindigde. De vader die hij nu zelf, met het tikken van de tijd is geworden. Veertig jaar, vier kinderen.
De natuur, het landschap, tijdloosheid, eindeloosheid van de dingen die samen komen in het spiegelpunt van die jaren. Dood en leven. Het zijn de thema’s die in de achtste van Pim resoneren.

De verzameling is opgedeeld in vijf delen, telkens voorafgegaan door een inleidend prozagedicht. Respectievelijk in I een korte inleiding met daarna één gedicht Een lam springt waarin ook de typografie wordt ingezet

kijk ze hoger
                  hoger
                      gaan

              daar zweeft
              het

              LAM

     boven
de grondmist uit

              heel even dan
      mag het bestaan

      als
      de wens van een wolk
              om in de lucht op te gaan


Daarna in II vanuit de hoogste kamer van de Achterhoekse havezate jeugdherinneringen, de rebellenclub in het bos dan de vader die kennis laat maken met de teletijdmachine, een commodore.

Op een kleine planeet groeide het idee
 dat je in deze wereld
 helemaal
 je hele zelf kan zijn

 astronaut
 in het diepst van je gedachten


Vervolgens in III, filosoferend over de verglijdende tijd, de veranderende wereld, met als startende metafoor de toverkauwgumbal. Steeds ouder verwacht Pim de dagen.

Vervolgens in IV met een groter kind op zijn arm gedichten met een Noord-Hollandse inslag. Spaak voor spaak draait de dichter het landschap af, wolken ontstaan en verwaaien.

Altijd verstuift hier de tijd
met het wuifgras
kruist mettertijd het duin het fietspad


Tenslotte in V het inzicht, de belichaming van de voortgang in een serie excellente natuurgedichten. Hierna wat lukrake citaten, met het gevaar van zinnen die uit het verband gerukt worden. Het zij zo. Het is niet anders:

Wat mist is wat de polder is
de mist, het gemis

&

Soms kijkt een mus aan gene zijde van het glas
naar binnen, als een oude kameraad
dan is het weer alsof we niet bestaan

Wat beweegt deze wezens, de kauwen
de spreeuwen, de mezen
in de wereld die ons dorp is?

&

Een leven is meer dan dit even
het zweven
heeft meer om het lijf
dan dit lichaam
dan wij van inhoud ontdaan teruggeven

Prachtige schitterende poëzie, het wachten waard en om te koesteren.

Even zweven de levende wezens, Pim te Bokkel, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2025, ISBN 9789028453784

(Hans Mellendijk)

Niet verdwalen, maar toch


Henk Ester (1952) publiceerde in 2013 zijn eerste bundel en noemde die Bijgeluiden, een bundel die bestaat uit 19 cycli die alle bijgeluiden heten. De meeste cycli dragen ook een eigen naam, bestaande uit een werkwoord: bouwen, verplaatsen, beginnen, vertragen, spelen, lichten, verwijlen, voorlezen, dichten, wegkijken, lopen, roepen. Met wat fantasie zie je de dichter aan het werk en dit is wat hij doet!

Dit ‘spel’ zet Ester voort in zijn volgende drie bundels: E-groot is rood (2016), Het vermoeden van Witten (2018) en Wiskunde van lyriek (2021). Nu is er Kameren van vuur, zijn vijfde. De zestien cycli vormen de bijgeluiden 68 tot en met 83. ‘Poëzie is gekamerd vuur’ stelt de achterflap. Opnieuw zijn de meeste cycli ‘bewerkwoord’, de achtste met Kameren. Henk Ester houdt van consistentie. Niet alleen in de titels, ook in de opeenvolgende verschijningsjaren, maximaal 3 jaren tussen de een en de ander. Die bijna-cadans is typerend voor zijn werk, dat sterk leunt op ingehouden emoties, minutieuze observaties en grondig onderzoek naar wat taal vermag:

2 – Naakt

Door aandachtig kijken heeft hij zich naakt in groen gelezen
Door opmerkzaamheid heeft hij in de grond een grens gehoord
Hij heeft zijn tuin verlaten, de planten uit elkaar gespeeld
schimmels nagewezen Zijn portret heeft hij onverschillig
zwart gemaakt op dood hout gesluierd heeft hij zijn naakt aan
galactisch wit geweten en van tijd zijn dans in steen vertaald


(Bijgeluiden LXXVI – Aarden)

Daarbij lijken veel woorden te verwijzen naar andere gedichten uit deze en de voorgaande bundels. Ester werkt aan een kunstwerk dat bestaat uit collages van begrippen, flarden kennis, opgedane inzichten en beperkingen.

5 – Het

Het ontbreekt niets – als het al iets is
Het is maken en aanschouwen ineen
Het is een kamer die door en door verlaten duurt
Het is actueel, wijdverbreid, verre van eenzaam
Het is het, niet zomaar wat
Het is beginnen nooit voorbij
Het danst de straten van onmiddellijkheid

(Bijgeluiden LXXVII – Zweven)

Het motto van deze bundel luidt: Wie geen bestemming heeft, verdwaalt nooit wat goed aansluit bij veel van zijn gedichten. De lezer krijgt de kans niet te verdwalen, want wat er staat zijn ondubbelzinnige beweringen die je zomaar voor lief kunt aannemen.

Doe je dat niet, en ga je op zoek naar zingeving en avontuur, dan loop je het risico wel te verdwalen. Je komt dan terecht in een wirwarwereld van betekenissen die eerder een labyrint vormen dan een weg naar een horizon.

3 – De tafel van Milosz

Poëzie verbijstert door te zien
dat binnen van buiten wordt gemaakt
dat er geen overgang is
dat het verschil tussen beide werkt
dat een buitenstaander niet staat en zeker niet buiten
maar wacht: oneindig binnen
dat oneindig binnen is, overal tegelijk
dat oneindig denkt in plaatsen, talen en getallen
in tafels, messen en blauw porselein
dat oneindig verlaten ligt: alles is mogelijk
surreëel, onmiddellijk
Poëzie verbijstert door te zien
dat zij een tafel is die schrijft


(Bijgeluiden LXVIII – Duren)

Net als je denkt, dat je de buitenstaander in de smiezen hebt, word je tot de orde geroepen: ‘alles is mogelijk surreëel’. Kun je opnieuw beginnen.
En dat is nu juist het prettige aan dit werk, je kunt weer helemaal opnieuw beginnen en anders verder gaan. Maar houd je wel aan de ‘rechte weg’ 2013-2016-2018-2021-2024 en wacht verder tot 2026!


Kameren van vuur, Henk Ester, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2024, ISBN 9789029550680

(Wim van Til)

De bokkensprongen van Weverbergh


BOK en andere gedachtesprongen
is een selectie van Leo de Haes uit het werk van Julien Weverbergh, met fragmenten uit Bokboek (1965), Puin (1970), Hard tegen hart (1992) en zijn memoires Weverbergh '30-'70 (2005).

Weverbergh was vanaf 1966 medewerker bij uitgeverij Manteau; in 1971 werd hij er directeur, tot hij in 1986 zijn eigen uitgeverij begon, Houtekiet. Leo de Haes volgde hem op in 1991. Het uitgeven kon hij niet laten: als bijna tachtiger maakte hij een korte comeback met Wever & Bergh (2007).

Als criticus van de Nederlandse letteren was hij een waar enfant terrible. Het literaire establishment moest het ontgelden: auteurs als Hubert Lampo, Piet Van Aken en Ward Ruyslinck werden de grond ingeschreven, ook over Herman Teirlinck en Johan Daisne geen goed woord in zijn tijdschrift BOK. Niet mis te verstane bedenkingen over Louis Paul Boon, Hugo Claus en Gerard Reve: Geen mens zal hen nog lezen. De vergetelheid zit reeds als zwamsporen in hun verhalen, kritieken, gedichten. Niet verwonderlijk dat zijn scherpe pen, evengoed over onder meer de katholieke kerk en links snobisme, leidde tot heel wat geruzie en aanvaringen.

Ook Jeroen Brouwers kreeg er flink van langs vanaf het moment dat Weverbergh in 1967 redacteur en nadien directeur werd van uitgeverij Manteau, waar Brouwers op de loonlijst stond. Brouwers bood weerwerk in zijn polemisch essay Weverbergh en ergher, waar een fragment van is overgenomen. Het was een haat-liefdeverhouding tussen beide heren. Uiteindelijk werd het geruzie jaren later bijgelegd.

Op 3 april 2023 verschijnt boven Aalst een mysterieus object in de lucht. Het Belgische ufo-meldpunt noteert die datum. Diezelfde dag overlijdt Weverbergh, sinds het begin van de jaren zeventig tevens ufo-deskundige, wat leidde tot een handvol boeken over ufo’s. Daar is niets van terug te vinden in deze uitgave, de samensteller heeft er zich naar eigen zeggen niet aan willen wagen. Ook Weverberghs boeken over de dictator Ceaușescu en Roemenië komen niet aan bod, omdat ze, weer volgens De Haes, gedateerd zijn. Als creatief auteur komt Weverbergh met slechts één fictieverhaal aan bod; van zijn vertalingen werd welgeteld één uit het Roemeens vertaald gedicht van Marin Sorescu opgenomen. Deze beperkte keuze wordt wel verantwoord door de samensteller.

Of dat literair gekibbel het uiteindelijk allemaal waard was? Weet je, diep in mijzelf heb ik spijt van de bokkensprongen. Ik krijg het overigens liever met niemand aan de stok, kom liever niet ‘in het nieuws’, heb het liever rustig. Maar dan is er weer wat, dan reageer ik impulsief, zoals ik op alles reageer, om er nadien spijt van te krijgen.

Ondanks de eerder beperkte selectie uit het werk van Julien Weverbergh geeft dit boek een markant beeld van een legendarische figuur in het literaire wereldje die er met (of ondanks) zijn bokkensprongen een gezonde relativering op nahield, getuige de laatste zin: We zijn met ons allen een scheet in een fles.


BOK en andere gedachtesprongen, Julien Weverbergh (auteur), Leo de Haes (redacteur), Houtekiet, Antwerpen-Amsterdam, 2023, ISBN 978 90 5240 474 5

(Roger Nupie)


De witte bundel


Waarom Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles zo’n klassieker is geworden heb ik nooit helemaal begrepen. Niet vanwege het zogenaamde principe van concept-lp. Want ‘het concept’ bestaat uit het beginnen en eindigen met het titelnummer, da’s feitelijk alles (Arthur van The Kinks is pas een écht conceptalbum). De échte klassieker van The Beatles, die iedereen in de popmuziek van toen en later de weg wees, is natuurlijk Revolver. Maar hun productie waarvan ik het meest houd, omdat ik me daar in mijn tienerjaren door liet doordrenken en die ik van a tot z ken is het dubbele witte album, uit 1968. Waarom deze ‘muzikale’ inleiding? Omdat ik ontdekt heb dat er nog een dichter is die The White Album als een monument koestert. Johan Meesters werkt aan een conceptbundel maar schreef tussen door zo veel ‘losse’ gedichten dat hij die ook wilde verzamelen. Dat gebeurde in Bescheidenheid is een doodzonde, waarmee hij een hommage brengt aan het witte Beatles-album dat ook een staal is van wat de vier in 1967 en 1968 zoal bedachten en aan de magnetische band toevertrouwden. Meesters gaf Bescheidenheid is een doodzonde zelfs vórm naar analogie van de dubbel-lp: volledig wit, met de naam van de maker rechtsonder in het voorfront geponst.

Zoals Back in the U.S.S.R. tot en met Happiness is a Warm Gun, Martha My Dear tot en met Julia, Birthday tot en met Long, Long, Long en Revolution 1 tot en met Good Night de facto niets met elkaar hebben uit te staan, hebben de gedichten in Bescheidenheid is een doodzonde evenmin amper iets meer met elkaar te maken dan dat ze hun schepper gemeen hebben.

En dat leest ook wel eens lekker. Regelmatig dwingen bundels je in een bepaald stramien te lezen, thematieken te volgen die de dichter erin legde. Stilistisch valt op dat in de gedichten van [Een poppenhuis….] tot en met Waarde wel hoofdletters worden gebruikt, maar dat in de extra’s van het tweede deel van de bundel van kreupeldicht tot en met zwaluw de onderkast regeert.

Zijn relatie tot de taal en de verhouding van de taal tot de werkelijkheid worden in veel, soms vrije dan weer vormvaste, gedichten bevraagd. ik geef u geen gedicht / maar slechts een lijst / met dode woorden is de dichter in geen gedicht wel erg zwartgallig. Een vrolijke Frans is de dichter niet (Ik ben een zwart gat. / Een lege zwarte doos / een sterrenloze nacht), maar humor heeft hij wel (Een ieder wil hier lof verdienen. / Beweent mij om mijn somber lot. / De kastelein vol wrede spot / schenkt cassis in met glycerine. – uit Zuurstof).

Meesters weet dat zijn ‘woordenvloed’ door iedereen anders gelezen kan worden: [….] Vaarwel geloosde tekst, het ga je goed. // ’t Is maar voor nu: de keuze wisselt met het vel. / Grillig en slinks is het dichtersgebroed. / Er wordt meer niet gezegd dan wel. (uit Darlings). Een dichter is volgens Meesters echter niet alleen een verzwijger, maar blijkens Een dichter is…. tevens krijger, tijger, reiger, zwijger en hijger. Hij weet regelmatig te verrassen met zijn rijm (in Some living, some standing alone bijvoorbeeld met fatsoendrempels op samples, en razernij op eight miles high), in gedichten die over van alles en nog wat gaan.

Het motto van de bundel is toepasselijk If you don’t know where you’re going, any road will get you there. Van George Harrison. Niet toevallig een Beatle.


Bescheidenheid is een doodzonde, Johan Meesters, Uitgeverij Leeuwenhof, Oostburg, 2024, ISBN 9 78 94 93 155 220

(Bert Bevers)


Op de bres voor diepgang


Qua vorm oogt deze ‘bundel’ als een gedicht in 53 delen, de inhoud getuigt van vakmanschap (er worden veel stijlfiguren gebruikt die menig dichter jaloers kunnen maken) en naar de titel te oordelen is het geheel opgedragen aan Calliope, de muze van onder meer de retoriek. Maar het is geen gedicht al presenteert het zich wel als zodanig. De ondertitel biedt uitkomst: een tirade!

Apologie voor Calliope is een verdedigingsrede, een rechtvaardiging. In dit specifieke geval is het de verdediging van een bundel die in 2023 uitgegeven is door Uitgeefhuis De Manke God: Op falende furiën, mieren en ander leven van Odile Schmidt.

De schrijver van deze tirade is niemand minder dan de uitgever zelf, Th. Brumming, die in de pen geklommen is om zijn uitgeverij en zijn auteurs te hulp te schieten. Dat doet hij dus op een originele en erudiete wijze.

De aanleiding is een recensie over het debuut van Odile Schmidt die volgens Brumming niet getuigt van een serieuze benadering en daardoor de plank volledig misslaat.

Hij geeft in deze tirade aan waarin de recensent naar zijn beleving tekortschoot. Hij spreekt daarin Calliope toe op een wijze die mij aan de klassieke Griekse en Romeinse filosofen deed denken. Th. Brumming kent zijn klassieken en past hun stijl toe in deze repliek. Na een vrij lange inleidende aanloop komt hij met zijn hink-stap-sprong:

En dan nu Calliope mijn betoog
[...]
Uw recensent
Acht het tevens van zeker belang zijn eruditie te tonen
Door de
Meent hij
Argeloze lezer
Op semiwetenschappelijk
En aldus warrige wijze
In een
Zeker voor een recensie
Uitputtende evocatie uiteen te zetten
Hoe dat nu ongeveer
Zit met die x en die y
Een enkele blik op Wikipedia
Naar mijn mening Calliope
Zou meer dan volstaan

En dan
Waarom Calliope
Eerst de zwaarwegende frase
Met symboliek beladen parlando dat zelden zingt en nimmer danst
Om vervolgens
Wanneer je als lezer verwacht dat uw recensent ons
Een en ander eens haarfijn uit de doeken zal gaan doen
Uw recensent doodleuk verder gaat
Met een vertoog dat over iets geheel anders gaat


(bladzijden 23/24)

De tirade tegen een recensent die in zijn ogen veel te lichtzinnig, gemakzuchtig en misschien wel routineus te werk is gegaan, wordt langzaam opgebouwd tot een vernietigend slot:

En dan Calliope
Jawel het is wonderlijk
Zijn wij inderdaad weer bij die poel
Naar mijn mening
Zwaar riekend
Stilstaand water aangekomen
Om te eindigen
Met waar deze brief zijn aanleiding in te vinden wist
Te weten
Samenvattend
De kwaliteit die uw recensent te leveren wist
De
Naar mijn mening
Zo nare toon die hij aansloeg
Alsook de mijns inziens
Schrikbarende naïviteit
U mag eveneens lezen

Arrogantie
Van uw recensent die
In zijn bescheiden zelfgenoegdzaamheid
Hoogstwaarschijnlijk gedacht heeft
Dat er toch niemand op dergelijk briljant broddelwerk
Reageren kon
Vanwege dat gesloten circuit natuurlijk

(bladzijden 55/56)

Waarna de tiradeur afscheid neemt van 'zijn' Calliope. Deze Apologie voor Calliope is wat mij betreft verplichte kost voor wie recensies gaat (leren) schrijven.


Apologie voor Calliope, Th. Brumming, Uitgeefhuis De Manke God, Julianadorp, s.a.

(Wim van Til)

Godefrooij's wolkbreuk van begeerte


Van Kees Godefrooij verschenen eerder bundels als Rouge Noir (De Witte Uitgeverij, 2011) Amoureuze mechanieken (Poëziefonds Open, 2015), Voorleesbundel (Stichting Spleen, 2020) en de verzamelbundel Je bent heel vervelend want je doet niet wat ik zeg (Uitgeverij Spleen, 2024). Hij is tevens de bezieler van Stichting Spleen, die geregeld Grote Dode Dichters van onder het stof vandaan haalt, met uitgaven waarin hun werk wordt ingeleid, vertaald en waarbij dichters uit Vlaanderen en Nederland bijdragen leveren geïnspireerd op het werk van grootheden als Baudelaire, Dèr Mouw, Horatius, Marsman, Rilke, Rimbaud en Verlaine.

Nu is er Wolkbreuk van begeerte. Na het voorwoord volgt als eerste cyclus Kwatrijn met 35 gedichten, meteen ook de omvangrijkste cyclus in de bundel, openend met Gammel Dansk en De Sade. In de verklarende woordenlijst lezen we dat Gammel (of Gameel) Dansk staat voor een Deense kruidenbitter. Meteen spat de erotische lading van het blad - en dat is, samen met enige ironie, een rode draad in het merendeel van de gedichten. Uit De ware (spelonk, jezus, seks, behang): (…) wij liggen zondig/ nu te spelevaren// met ferme klitbeten/ en klaarkomdrang// want seksen hier valt/ niet te evenaren// tot slot plak je mij/ dan op het behang// dat mag jij doen jij/ bent voor mij de ware.

De tweede cyclus, Sonnet, bestaat uit 11 gedichten. Zij… en wij opent met Ontpopt uit poëzie voor ons genoegen/ laaft zij zich aan een bron die niemand kent/ omdat zij weet hoe diva’s zich gedroegen/ richt Amor nu zijn pijl op elke vent.

Na drie gedichten in de cyclus Prozagedicht volgen zes gedichten in de vierde cyclus Op herhaling, maar net iets anders, waaronder het titelgedicht Wolkbreuk van begeerte: De kromming/ van je geest// waarlangs voor jou/ mijn liefde waart// wat is dat/ voor een beest// dat ons zoveel/ obstakels baart?

Twaalf gedichten in de voorlaatste cyclus Nagekomen kwatrijnen, waarin Barbie Q verschijnt: Zo’n Barbie met/ een sloopcontract// voor wie het bed/ weemoedig kraakt// vermaalt je man-/ zijn tot gehakt// dat in haar vlees/gebraden raakt.

De bundel eindigt met de cyclus Karel van de Woestijne. Slechts twee gedichten. Op de linkerpagina het bekende gedicht van van de Woestijne ’k Ben eenzaam droef, met de beginregels ’k Ben eenzaam-droef, in ’t geel-teêr avond-dalen… en op de rechterpagina de bewerking van Godefrooij, waarbij hij hetzelfde eindrijm en dezelfde opbouw van het origineel behoudt: Ben triest en zit afgrijselijk te balen… (…) - en weet niet of ik van haar houden zal/ die leuke dame komt in vele steden/ voor haar zal buurmanlief wel niet bestaan// ben triest, en hoor haar hoge hakken gaan,/ koket getrippel in de tuin beneden.

(…) vol (zwarte) romantiek, erotiek, humor, melancholische juweeltjes en inventieve gedachtesprongen lezen we op de achterflap en die omschrijving dekt de lading. Ook in zijn vorige bundels staat Godefrooij garant voor heel wat leesplezier en dat is in Wolkbreuk van begeerte niet anders.


Wolkbreuk van begeerte - Geliefkoos, Gammel Dansk en De Sade, Kees Godefrooij, Stichting Spleen, Amsterdam, 2025, ISBN 978-90-833918-2-3

(Roger Nupie)

Terug in het ei


Het is uiteindelijk de afscheidsbundel van Esther Jansma gebleken, We moeten ‘misschien’ blijven denken. De bundel werd op 15 november 2024 gepresenteerd, Esther overleed op 23 januari 2025.

Ze wist al lang dat ze terminaal was, dat er voor haar geen ‘misschien’ meer zou zijn. Maar toch!

Deze bundel is doorspekt met mogelijkheden, onzekerheden die wellicht een houvast bieden, vragen die mogelijk beantwoord worden met een nieuwe werkelijkheid. Een reis is pas ten einde als een nieuwe reis begint.

In We moeten ‘misschien’ blijven denken komen diverse stemmen aan het woord die alle een eigen werkelijkheid vertegenwoordigen: de Romanticus, Oud, het hoofd, een lyrisch ik, een eitje. Al die stemmen vertegenwoordigen het oeuvre dat Esther Jansma met deze bundel afsluit, het lijkt een organisch geheel, een sluitstuk dat in het laatste gedicht van de bundel alleszeggend is:

Word

Overal is water en alles zingt, wolken
bewegen in de diepte van plassen
op straten die de wolken niet kennen
en de hemel heeft geen weet van de aarde

vingertoppen van bomen, die van gevoel
dat sterft in de herfst en er nu nog is
zijn klankkastjes voor al die vingers van regen

overal schuilen mensen en iemand
loopt door tijd die al bijna verdwenen is
koud watergetokkel op het gezicht

en weet: de wolken weten niet van de regen
het water weet niet van de bladeren
waaruit het muziek slaat, ritmes, taal

en de snelle zilveren aanrakingen
die leven heten en beweging
kennen de druppels op mijn gezicht niet

en straks ben ik dit allemaal


De titel van de bundel is ontleend aan de slotregel van Picknick op de wenteltrap dat in 1997 verscheen, het is niet de enige ‘herhaling’ uit haar eerdere werk. Ze heeft gedichten en strofen uit vroegere bundels opnieuw ten tonele gevoerd. Een middel dat zij eerder toepaste, maar nu benoemt ze dat expliciet in haar naschrift.

De bundel is gecomponeerd naar de klassieke tragedies: na de proloog volgen 5 ‘bedrijven’ die gevolgd worden door een epiloog. In het eerste ‘bedrijf’, Het begin, worden de begrippen geïntroduceerd die nodig zijn om straks het geheel te kunnen plaatsen. Vervolgens wordt het (nood)lot geschetst waar het lyrisch ik schommelt tussen hoop en wanhoop (Eitje en het universum), waarna in Wij en de anderen de spanning tussen alle ‘spelers’ uitmondt in die ene ontkenning: “Daarom bestaan er geen dichters”. Niet voor niets is dit de grootste afdeling. Die wordt dan gevolgd door een afdeling waarin de gedichten nog eenmaal tevoorschijn komen tot ze met de woorden van de Romanticus de kamer uitgaan: “En met jullie goedvinden ga ik nu weer gewoon een kind zijn”. Tenslotte vindt in de laatste afdeling, Vloeibaar landschap, de reiniging plaats die eindigt met het hierboven geciteerde gedicht Word.

We moeten 'misschien' blijven denken is een intrigerende bundel die volledig rechtdoet aan het dichterschap van Esther Jansma, een reis door een universum dat oneindig is, waarin tijd hersteld wordt tot een gedicht, en nog één en nog één en ...


We moeten ‘misschien’ blijven denken, Esther Jansma, Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2024, ISBN 9789044658330

(Wim van Til)


De roes van andere oorden


Lief Vleugels (Herentals, 1953) schrijft proza en poëzie. Ze was als docente schrijftraining en poëzie verbonden aan de Antwerpse SchrijversAcademie, de Schrijversvakschool in Paramaribo en diverse scholen, bibliotheken en gevangenissen. Ze debuteerde met proza in 1999 met Zullen we dansen, prinses, gevolgd in 2001 door Schelpen en lege dozen. In 2013 verscheen Omdat de dagen liegen, in 2015 de (auto)biografische roman Alles stroomt, over het leven en de zelfdoding van haar dochter, Inge. Haar gedichten verschenen bij Uitgeverij P, Leuven. In 2005 Getij, in 2007 In de adem van Zeus, in 2008 Mensen, in 2017 Vrije val met hindernissen en in 2024 De roes van andere oorden. Verhalen en gedichten verschenen in bloemlezingen en literaire tijdschriften.

De titel van de bundel verwijst met het woord ‘roes’ al naar een weggaan om een (tijdelijke) verdoving te vinden. Dat is niet hetzelfde als vluchten. Het is vertrekken om beter naar jezelf te kunnen kijken. Spiegels in andere streken vertellen misschien wel diepere waarheden. Kunnen confronterender zijn.

Het is een lijvige bundel, met gedichten die verschillende decennia omvatten. De ondertitel spreekt van Gedachten & gedichten onderweg. Een gedachte ligt aan de oorsprong van een gedicht en gaat in het gedicht op zoek naar passende beelden. De bundel bestaat uit vier seizoenen, begint bij de lente, gevolgd door zomer, herfst en winter. Primavera, verano, otono, invierno in het Spaans. Van Noord-Amerika tot India, van Sicilië en de Griekse eilanden naar Letland en dan terug naar Spanje of Ibiza. Over Frankrijk, Oostenrijk naar Bosnië Herzegovina. Van Friesland naar de Belgische kust of Ardennen. Van Rhodos naar Noorwegen en Oekraine….

De gedichten zijn gecomponeerd in vaste vormen met een duidelijk onderscheid tussen de verzen. De dichter speelt met witregels als adempauzes die de blik even tot stilstand brengen, doen kijken naar de horizon. Alle gedichten zijn doordrongen van melancholie. Het soort melancholie dat antwoordt op de vraag of je gelukkig bent met: ik ken momenten van geluk, dat is iets anders. Kinderen (aan het begin ), ouderen (aan het einde ), en geliefden (midden in het leven, die proberen het leven vast te houden maar beseffen dat het allemaal snel voorbijgaat). Eén gedicht, Rozenhoedkaai, Brugge, 2008, is een ode aan Rainer Maria Rilke. Het gedicht Brood en wijn is opgedragen aan haar broer Gie. Twee gedichten zijn opgedragen aan Lief Meeus, Pareo uit 2016 en Baai van de Draak uit 2019, het jaar waarin Lief Meeus overleed. Een vierde gedicht Je zwijgende stem tegen de mijne is opgedragen aan haar dochter Inge (1976-2014):


In Spakenburg klotste het water tegen de botters
je zwijgende stem tegen de mijne. Er waren
geen vissers die dag, jij was niet bij me.
….


Treffender woorden als de laatste uit de cyclus van vijf gedichten Het huis bij de zee zijn er niet:


Je blijft de woorden horen
die je zweeg, je blijft de stilte wegen.


De roes van andere oorden, Lief Vleugels, Uitgeverij P, Leuven, 2024, ISBN978 94 64757 55 2

(Frans August Brocatus)


Door jou mag ik er zijn


Giselle Ecury werd geboren op Aruba als het jongste kind van een Nederlandse moeder en een op Curaçao geboren vader. Ze debuteerde met de poëziebundel Terug die tijd (2005). In 2010 verscheen een tweede dichtbundel, Vogelvlucht. De dichteres schreef ook de romans Erfdeel (2006), Glas in lood (2009) en De rode appel (2013).

Haar derde en nieuwste bundel is Door jou mag ik er zijn. Een lijvige bundel: 86 gedichten, verdeeld over zes cycli: Wat anders zou verdwijnen, Mijn hart huppelt open, Weemoed om wat had kunnen zijn, Een leven zonder liefde, Zo ik iets ben…, en Van oude en soms veel te jonge mensen.

In de eerste cyclus Wat anders zou verdwijnen, komt De waarde van woorden (ondenkbaar, die waarde van woorden/ om de wondere wereld mee te bezingen), de taal en het schrijven aan bod: mijn woorden waken in watervaste kleuren/ dringen zich door droom en werkelijkheid/ tot ik ze rangschik in voltooide tijd:/ schrijven naar mijn hand.

Haar onvoorwaardelijke liefde voor en de dito trouw van honden wordt belicht in de tweede cyclus Mijn hart huppelt open: hoor ik haar lopen?/ ja – daar! in de verte/ ze holt naar me toe/ op snelle voeten// mijn hart huppelt open/ en zij rent erin rond.

De ups en downs van de liefde staan centraal in de derde cyclus Weemoed om wat had kunnen zijn: Weemoed om wat had kunnen zijn is beter dan nooit te ervaren wat liefde kan doen. Dan pas: en weet je/ als het waarom is leeggebloed/ het verleden is verworden tot weemoed/ om wat was - verloren tijd, teruggewonnen -/ pas dan// lijkt alles toch// verrassend mooi/ en lief en goed/ omdat ik zag/ wat mij werd toegebracht.

De vierde cyclus Een leven zonder liefde, bevat gedichten die Ecury schreef voor bruidsparen. De slotregels uit het titelgedicht Door jou mag ik er zijn: laat ons zó vertaald/ samen oud worden: /een gebonden boek

In de vijfde cyclus Zo ik iets ben… gaat de dichteres op zoek naar zichzelf. Eiland: alsof de inkt uit mijn pen/ woorden laat ontstaan/ die een eiland vormen/ het eiland dat ik ken// eiland dat ik ben. De cyclus bevat ook sterke gedichten opgedragen aan haar vader (Boven de blauwe zee) en haar moeder: De dood en mijn moeder: geef je toch aan hem over/ toe maar, pak zijn hand/ hij heeft het beste met je voor,/ brengt je naar de overkant.

De laatste cyclus, gedichten ter nagedachtenis aan overledenen, kreeg een titel mee vrij naar Couperus: Van oude en soms veel te jonge mensen, de dingen, die voorbijgaan.

Liefde is duidelijk een centraal thema in het werk van Giselle Ecury, maar er is meer: de zoektocht naar een identiteit die heen en weer slingert tussen de Caraïben en Nederland, tussen het verleden en het heden. Ook de natuur is een belangrijk element in deze hartverwarmende bundel.


Door jou mag ik er zijn, Giselle Ecury, Uitgeverij In De Knipscheer, Haarlem, 2023, ISBN 978-94-93214-89-7

(Roger Nupie)

Geen gedichten


Gert de Jager (° 1957) studeerde Nederlands en Algemene literatuurwetenschap aan de universiteit van Utrecht. Hij wordt dus terecht omschreven als Neerlandicus en literatuurwetenschapper.

Over zijn capaciteiten als essayist en literatuurwetenschapper laat ik me hier niet uit, omdat ik in deze literaire categorieën ook nog geen werk van hem heb gelezen. Over zijn hoedanigheid als dichter kan ik na lezing van zijn bundel O, lichtkelk alleen maar zeggen dat deze dichter niet het minste benul heeft van wat poëzie is.

Wat in de bundel O, lichtkelk wordt voorgesteld als gedichten zijn dus geen gedichten. Ik pluk een willekeurig gedicht uit deze bundel met als titel Twee of drie hoog:

Luisteren naar de middelmatige componist / terwijl de regen valt / nee, dreigt te vallen / net niet valt, / de middelmatige uitvoering / van ik weet niet wat / ik weet niet hoe hij heet, de componist, / middelmatig stuk misschien / middelmatige componist misschien / of uitvoering / terwijl de regen valt / nee, net niet valt uit de hemel / en de muziek klinkt uit het raam / van twee of drie hoog, schat ik, hoe dan ook een woning in deze straat.

Dit gedicht is op de een of andere manier een beetje tekenend voor de meeste gedichten in deze bundel: dit is geen gedicht. Dit is een zeer matig stukje proza, waarin een schrijver verslag uitbrengt van het feit dat hij uit het raam bij de buren muziek hoort die hij maar middelmatig vindt en waarvan hij de componist niet kent. That’s it. Deze dichter denkt dat een gedicht gewoon proza is, waarbij je de regels gewoon afbreekt en niet tot het einde van de pagina laat lopen.

Ik breng nog graag een gedicht aan om te illustreren wat ik hierboven over de poëzie van Gert de Jager beweer. Het is het gedicht waar de bundel mee afsluit, namelijk Zijn schrijfmachine:

Everybody ’s going home in October, schreef / Jack Kerouac, terwijl hij on the road was? / Ik las niets van hem behalve die ene regel. / Dus zelfs dat boek niet. Waarschijnlijk / zat hij achter zijn schrijfmachine, / hamerend, ritmisch hamerend. / Op weg naar huis. Het boek dat iedereen / las: On the road.

Weer een stukje proza, waarvan de regels voortijdig zijn afgekapt. Als een dichter dergelijk soort gedichten schrijft, dan vraag ik me ook af hoe deze schrijver een graad als algemene literatuurwetenschapper heeft verworven.

Gert de Jager is trouwens een literatuurwetenschapper die On the road van Jack Kerouac nooit heeft gelezen, en daar dan ook nog een beetje prat op gaat. Bij lezing van dergelijke onzin rijzen de haren me te berge.

De bundel O, lichtkelk is uitgegeven bij Gaia Chapbooks, de uitgeverij van Ton van ’t Hof. Ook hierbij stel ik me de vraag hoe deze uitgever het ingezonden werk van zijn auteurs beoordeelt. Als een uitgever een dichtbundel uitgeeft, dan mag de lezer toch verwachten dat hij gedichten krijgt te lezen, niet?


O, lichtkelk, Gert de Jager, Gaia Chapbooks, Leeuwarden, 2024, ISBN 978-1-304-13524-7

(Joris Iven)


Zijn, maar waar ben je dan?


Encuentros
is het debuut van Mirjam Musch (1955) dat in Guatamala verscheen en nu in een tweede druk ook in onze contreien beschikbaar is. Mirjam is pedagoge en sociologe en was onder meer directeur van een bilateraal gezondheidsproject in Bolivia. De bundel is tweetalig (Spaans en Nederlands) en telt 12 gedichten (in de Spaanse sectie staan er 15!). Zij heeft de gedichten deels in het Nederlands, deels in het Spaans geschreven en vertaald. Ik ben het Spaans niet machtig, dus ik beperk mij bij de bespreking tot de cyclus Nederlandse gedichten.

Encuentros kan vertaald worden met vergaderingen, maar ook met ontmoetingen. Het subtiele verschil tussen die twee speelt mee in de gehele bundel; draait het nu om een confrontatie met een andere wereld, een andere cultuur, een andere taal of gaat het om inzicht verkrijgen, leren van anderen, luisteren naar die andere wereld? Beide blijven naast elkaar overeind.

De ondertitel van de bundel luidt gedichten op reis, wat ook een dubbele betekenis oplevert: het zijn gedichten die onderweg zijn ontstaat of het zijn gedichten die onderweg zijn naar de lezer.

En wellicht is die derde mogelijkheid ook een serieuze: gedichten die de dichter bijstaan op haar reis.

De cyclus van 12 gedichten draait om vragen die ieder zal stellen die geconfronteerd wordt met andere culturen, andere gewoonten, andere situaties. Maar ook vragen die te maken hebben met vrouw zijn, moeder zijn of worden:

wie heeft bepaald
dat je in smart een kind moet baren

wie weet wat het betekent
je leven te geven, met liefde

wie had gedacht dat,
al zo snel,
zij voor jou zou zorgen

Het gedicht draagt de titel cyclus; in drie strofen vat het gedicht als het ware het leven samen. Ondertussen zijn twee belangrijke vagen gesteld, die voor het dichterschap van Mirjam Musch essentieel zijn: wie bepaalt hoe iets gaat en welke rol speelt liefde.

Wie met deze ‘tweedeling’ in het achterhoofd de resterende gedichten leest, leest herkenning tussen de regels, achter de beelden.

In het achtste vers dat een Spaanse titel draagt (Qué será) wordt opnieuw een tegenstelling geopperd door vragen te stellen:

is het de cultuur
die ons verdeelt
of de communicatie?

[...]

is het de afstand
die ons van elkaar scheidt
of is het de zee?

Encuentros is de ontmoeting met een dichter die in eenvoudige bewoordingen haar vragen en haar observaties vastlegt op reis naar de dichter die ze wil of moet worden. Haar komende bundel wordt al aangekondigd op haar website: Bloedlijn. Daar ben ik benieuwd naar, vooral om te lezen wat Mirjam Musch op haar (poëtische) reis heeft meegenomen en hoe zij dat vertaalt.


Encuentros (gedichten op reis), Mirjam Musch, Casa Bukowski, Colchagua, 2024, ISBN 9929803874

(Wim van Til)


Blindganger


Gerda Berckmoes debuteerde met het pseudoniem Lieve Lava in 1965 met de dichtbundel Schier eiland (eigen beheer). Daarna verschenen, onder haar eigen naam, de bundels Idee-fixe (met houtgravures van Michel Bracke, 1969, Colibrant), Mijn tweede huis (1976, Colibrant), Noodtoestand (1984, Stichting Mercator-Plantijn Antwerpen), Valstrikken (1987, Point), Verzachtende omstandigheden (1992, Leuvense cahiers), Heelhuids maar niet gered (met etsen van Raf Coorevits, 1997), Drijfanker (met foto's van Joost Goethals, 2007, eigen beheer) en Reconstructie (2014, Het Punt).

Op 28 april 2024 werd in de bibliotheek van Zele haar nieuwste en tiende dichtbundel voorgesteld: Blindganger, net als de vorige uitgegeven bij Het Punt. De bundel bestaat uit drie cycli: De dood breekt geen beloftes (veertien gedichten), Familiesaga (elf gedichten) en Wat geweest is blijft (twaalf gedichten). De gedichten zijn kort, bestaan uit één strofe (met als enige uitzondering het tweestrofige De vrouw en de schoen en de zee uit de cyclus Familiesaga). In elk gedicht kreeg het eerste woord een hoofdletter en nergens is er een leesteken te bespeuren.

De thematiek wordt al snel duidelijk: de vergankelijkheid, herinneringen aan overledenen en het verwerken van verdriet in het kader van een rouwproces. Het lijkt wel of alleen het verwoorden in poëzie enige loutering biedt, zoals in de gedichten Excursie en Repatriëring.

Excursie: Afdalend in het graf/ op zoek naar wat/ van ons nog over was/ verraste mij de maan/ en in haar lieflijk licht/ omarmde ik de droom/ en opende de deur/ naar het gedicht

Repatriëring: Het graf was open/ de steen loodzwaar/ was weggehaald/ de aarde week gewillig/ ik boog over de rand/ en fluisterde nog/ voor het ochtendlicht/ krijg jij een onderkomen/ in mijn gedicht

Hoe Berckmoes dit rouwproces een plaats geeft en verwoordt levert in de hele bundel poëzie op die even ingetogen als krachtig is: ik schreef brieven/ die sneden als messen/ later besefte ik/ hoeveel dieper/ poëzie kan snijden. In Verdickt, een gedicht over haar moeder, lezen we: de stiltes wegen als grafstenen/ en dan valt zacht als sneeuw/ haar onomkeerbaar woord. Erfgoed eindigt met in de geteisterde grafkelder/ nam de stilte het over; Wat geweest is blijft met het verhaal was uit/ maar bij het graf/ ademt een nieuw begin/ niets is nu zo levendig/ als de herinnering.

Het is een zoektocht naar een vorm van rust en een poging om het rouwen, het verdriet een plaats te geven: vertrouw dit licht/ wek het woord/ voorlopig/ verschalken wij/ de dood – met dit streven indachtig: de dodelijke angst/ bezweren/ voor de ontmoeting/ met de blindganger. De taal is haar middel, al blijft ze wat dat betreft op haar hoede voor ‘de valstrikken van de taal’. Happy end: Bewegen/ achterwaarts in de tijd/ maanlicht als manna/ de zee van lapis lazuli/ bewegen/ in een buitenaardse stilte/ in een nooit verteld verhaal/ eindelijk/ontkomen aan/ de valstrikken van de taal.

Aan die valstrikken is ze ontkomen, getuige hiervan de 37 gedichten in deze evenwichtige bundel.


Blindganger, Gerda Berckmoes, Uitgeverij Het Punt, Dendermonde, 2024, ISBN 978 94 607 9729 3

(Roger Nupie)


Het verfwinkeltje van Père Tanguy


Met Het verfwinkeltje van Père Tanguy heeft Mark Meekers zijn magnum opus afgeleverd: 460 pagina’s geschiedenis/roman/biografie. En dat alles tegelijk.

Sommigen onder ons kunnen zich gedreven voelen om de wereld te veranderen met politiek; anderen doen het met verf.

Het panorama dat de auteur schetst, in een zeer leesbaar verhaal, is het sociale Parijs van de negentiende eeuw, en meer in het bijzonder de periode van 1870 tot 1890. Deze drie decennia kenmerken zich door de politieke Frans-Duitse oorlog (1870-1871) en het ontstaan van de revolte van de Parijse Commune (1871) en de artistieke opkomst van de impressionistische schilders.

Vooraf moeten we even de periode van 1825 tot 1870 doornemen die de jeugdjaren van Julien Tanguy behandelen en zijn professionele loopbaan die uiteindelijk zal leiden tot het vermalen van pigmenten, het maken van olieverf en het op poten zetten van een verfhandeltje in de Rue Clauzel in Montmartre.

Dat ontstaan van de verfwinkel van Père Tanguy valt samen met de politieke gebeurtenissen in Parijs rond de Frans-Duitse oorlog, de Franse capitulatie en het ontstaan van de sociale revolte die de Commune van Parijs wordt in 1871. Precies in de periode gaan en aantal kunstenaars aan de slag met licht en kleur om de schilderkunst in een nieuwe plooi te leggen.

Vanuit zijn omvangrijke lectuur van levensverhalen van de betrokken schilders, maatschappelijke en sociale essays, krantenartikelen, brieven van kunstenaars, en ontelbare bezoeken aan Parijse musea en dwaaltochten door Montmartre in de loop der jaren is Mark Meekers tot zijn verhaal gekomen, dat een eigenzinnige cocktail vormt van biografie/roman/historiek van het impressionisme in het woelige tijdskader van politieke Parijse leven van die dagen.

Net zo kleurrijk met woorden als de schilders met de verf omsprongen schetst Mark Meekers de zorgelijke omstandigheden en armoede, waarin de impressionisten moesten werken, om erkend en gewaardeerd te worden en hoe ze, in de vroege dagen van de nieuwe kunstrichting, bespot en belachelijk gemaakt werden en met weinig middelen moesten rondkomen.

Père Tanguy zien we stilaan zijn cliënteel uitbouwen tot de meest bekende namen van de impressionisten: Cézanne, Renoir, Monet, Manet, Pissaro, Bernard, Gauguin en Van Gogh. De auteur heeft een uitgesproken voorliefde voor Vincent Van Gogh en diens broer Theo en laat niet na hun levensloop, doorheen de relaties met Père Tanguy, in de verf te zetten.

Het fijne aan dit boek is dat het de zo bekende namen van kunstenaars, die wij vaak slechts fragmentair kenden –hier en daar tegengekomen op tentoonstellingen of in lectuur – nu in een bredere artistieke, maatschappelijke en alledaagse context plaatst, zodat we hun werk kunnen zien in het kader, waarin het tot stand gekomen is. Het alledaagse leven in Parijs, de kleine kantjes en karaktertrekken van de schilders: het zijn zoveel interessante impressies van tijdsmomenten, van mensen en feiten, die het impressionisme kleur geven en de lectuur tot een aangename en verrijkende bezigheid maken.

Het verfwinkeltje van Père Tanguy, Mark Meekers, Uitgeverij Les Iles, Elzele, 2024, ISBN 9789 4915 45757

(Marc Bruynseraede)

Neem ruim zei de zee


Sholeh Rezazadeh is een Iraans-Nederlandse schrijfster van zowel proza als poëzie. In 2015 verhuisde ze van Iran naar Nederland voor de liefde. Ze begon meteen Nederlands te leren en binnen de drie jaar tekende ze een contract voor haar Nederlandstalige boek. Zij schreef voor onder meer NRC, De Standaard, De Gids, Awater en Poëziekrant. Haar debuutroman, De hemel is altijd paars, verscheen in 2021 en won verschillende prijzen (De Bronzen Uil 2021, Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in 2022) en werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2022. Het boek gaat onder meer over haar vader, die verslaafd was aan opium. Dit jaar deelde ze mee, dat het boek in het Nederlands makkelijker te schrijven was vanwege de afstand tot het Nederlands, als ze het in het Perzisch had geschreven, was het te emotioneel geworden.

De vertrouwde elementen die ze in haar romans gebruikt: rivieren en zeeën, bomen en bergen, vissen, vogels en vlinders,… vinden we ook terug in haar poëzie. De natuur is echter geen achtergrond maar een levend personage dat alle zintuigen extra voedt.

Je wordt op elke bladzijde meegetrokken naar die natuur, waarin de zee allesoverheersend is. Je kunt de bundel op gelijk welke bladzijde openslaan en beginnen te lezen en, waarom ook niet, van de laatste bladzijde naar de eerste bladzijde. De bundel is één lang gedicht, een zee die verdeeld is in golven, die komen aanrollen, of zacht tegen het strandzand aan strelen. Op bladzijde 37 duikt de titel van de bundel op:

neem ruim, zei de zee
haar natte armen wijd open
als het leven voorbij is
dan heb je ons oude zwijgen
onze zelfdruppels met mysterieuze zeewaarheden
die in het kloppend hart van elke golf
kloppen
tegen de borst van de strandrots


De dichter nodigt uit: kijk naar mij, … zeg welkom…, duw je zachte lichaam op het zijne…, kom naar mij toe…, vertel me een verhaal dat ik niet ken… pak mijn hand en plant een ster in je hart…. Ze stelt vragen: in welk accent kan ik van je houden…, waar ga je naartoe mijn naïeve reiziger?

Maar er is en blijft de onmogelijkheid en de onvolkomenheid om de ander te doorgronden, te kennen, jezelf te verwisselen met de ander.

Ik ben getroffen door de verrassende beelden die na de trage golfslagen van de gewone, dagelijkse woorden plots opduiken:

…ik heb de zon jaren geleden achter een berg laten rusten…

plant een ster in mijn borst
elke dag
bloei ik wat gedichten
uit mijn mond



de zee paste niet in mijn koffer
ik nam het blauwe van je ogen mee

….


Ik wil niet oneerbiedig zijn door deze bovenstaande regels los te weken uit hun gedichten, deze golven uit een zee te plukken, nee, zie het als een ode, zie het als het vinden van mooie schelpen, al dan niet met een glinsterende parel in.

Neem ruim zei de zee, Sholeh Rezazadeh, Ambo|Anthos, Amsterdam, 2024, ISBN 978 90 263 6786 1

(Frans August Brocatus)


Vertalersweelde: Hölderlin


Kees Godefrooij laat de lezer in de reeks Vertalersweelde kennis maken met nieuwe vertalingen van het werk van grote poëten van weleer en het resultaat van Vlaamse en Nederlandse dichters die zich lieten inspireren door dat werk. Deze reeks is een uitgave van Stichting Spleen, de Nederlandse culturele instelling die zich onder meer toelegt op het uitgeven van zowel bloemlezingen als individuele bundels van hedendaagse dichters.

Eerder verschenen al projecten rond onder anderen Slauerhoff, Baudelaire, Rilke, Marsman, Dèr Mouw, Horatius en Verlaine.

In Vertalersweelde, Hölderlin in de handen van Mereie de Jong vinden we de poëtische reflecties van negenveertig Vlaamse en Nederlandse dichters op vier gedichten van Hölderlin vertaald door Mereie de Jong. De bundel opent met een boeiende inleiding van Kees Snoek die leven en werk van Hölderlin belicht. In het Nawoord – Niets is wat het lijkt heeft de vertaalster het over de moeilijkheden en mogelijkheden van en haar werkwijze bij het vertaalproces.

De poëzie van Friedrich Hölderlin (1770-1843), die de klassieke en romantische scholen overbrugt, wordt heden ten dage erkend als een hoogtepunt van de Duitse en westerse literatuur. Tot midden 19de eeuw was zijn werk niet onbekend. Daarna nam de belangstelling voor zijn oeuvre zienderogen af. Hij werd beschouwd als een romantische dweper die bovendien krankzinnig was. Pas begin 20ste eeuw nam de interesse voor Hölderlin weer toe dankzij de inzet van Norbert von Hellingrath om een verantwoorde en complete uitgave van Hölderlins werk samen te stellen.

Deze uitgave biedt niet alleen voortreffelijke vertalingen van Mereie de Jong (Wee mij, waar haal ik, als/ het winter is, de bloemen, en waar/ de zonneschijn/ en schaduw van de aarde?/ De muren staan/ sprakeloos en koud, in de wind/ kletteren de weerhanen.), maar eveneens boeiende gedichten van de dichters die er zich door lieten inspireren. We kunnen ze niet alle achtenveertig citeren; hier een kleine keuze als smaakmakers:

Gerard Scharn: tussen de karikaturen van de bourgeoisie/ en de herenboeren van dit druivenland loopt/ een man op stelten in wie ik mezelf zie

Bert Bevers: Soms vervult hem geluk.// Dan overvallen hem, voorlopig wanhopig, tranen. Als/ het waait draaien geluidloos kraaiend de weerhanen.

Michael van Caeneghem: mooi zo, je bent alweer de held/ in dit afgezaagde verhaal./ hebben ze je dan niet verteld/ dat ik met klank en beeld en taal// je aanwezigheid uit mijn botten jaag?

Paul Rigolle: Aan elk schrijven, Hölderlin, hoort een visioen/ vooraf te gaan. Eerst komt het oerbos,/ diep en stil.

Vera Steenput: Waar ontspringt die woede?/ Aan de verlaten veldweg achter jou,/ een schaduw die van de muur valt,/ de onmacht van het spreken?

Will van Broekhoven: Het meest verblind nog is de dichter/ een zelf verkoren godenzoon/ die tastend en schuifelend/ zijn weg zoekt naar normale mensen/ getuigt van wat niet zichtbaar is

Wim van Til: gun mij nog dit gedicht, het hangt/ in zijn kinderjas terwijl het groeit

Vertalersweelde, Hölderlin in de handen van Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2024, ISBN 978-90-833918-0-9

(Roger Nupie)

Al schrijvende een stem geven


Dichter en essayist Alain Delmotte (°1957) bundelt in Breedschrift een aantal essays en recensies uit de periode 1998 -2020. Dit één jaar na de merkwaardige bloemlezing prozagedichten Elementen van warhoofdigheid. Het hoofdonderwerp zijn beschouwingen over het prozagedicht. Delmotte die met ‘blanke’ poëzie debuteerde, verklaart: “In 1997 botste ik tegen de limieten van de taal en koos resoluut voor het prozagedicht.” Ook de (taal) figuur Warhoofd duikt op, een personage die de auteur overstijgt en zijn bedenkingen op ironische wijze in een originele stijl poëtisch verwoordt.

Meer nog dan het tegenover elkaar stellen van versvorm en prozagedicht, gaan deze teksten over het wezen van de poëzie. Hierbij verklaart hij zijn absolute toewijding voor de poëzie in al haar vormen: “Ik beschouw de poëzie als een fundamentele menselijke interactie”. Delmotte vangt zijn betoog aan met het prachtige inleidende essay De queeste naar de lezer waar hij de vraag van Hölderlin herhaalt “Wozu Dichter in dürftiger Zeit”. In een tijd waar alles snel moet gaan, zou poëzie een tekort compenseren en een poging zijn tot een ‘open taal waarmee men kan ademen’. Hij refereert hierbij aan verwante dichters. Hij ziet poëzie niet enkel als ‘alleenspraak’ maar wijst op het dialogische ervan. De afdeling Breedschrift bevat een zoektocht naar voorlopers, die vooral binnen de Franse literatuur te vinden zijn. Zo stelt Jules Renard in zijn dagboeken: ‘des vers, des vers et pas une ligne de poésie’ en staan er in zijn Histoires Naturelles al een aantal prozagedichten, waarbij hij een voorloper is van de poëtica van Francis Ponge.

Voor Delmotte is er het besef dat het prozagedicht meer met zijn persoonlijke ervaringswereld vervlochten is omdat poëzie voor hem een spreken is, ‘de woorden al schrijvende een stem geven’. Volgt dan een persoonlijk apologie van het prozagedicht. Hij wijst op de foutieve tegenstelling proza-poëzie waarbij een vorm tegenover een genre wordt geplaatst en poëzie ook nog meer is dan een genre, eigenlijk een zoektocht naar een taal die zich distantieert van de opgelegde conformiteit. Het prozagedicht is voor hem een ‘breedschrift’, een tekstuele ruimte waarbinnen het verticale van het reguliere vers meer naar het horizontale neigt en ook spaarzamer wordt omgegaan met de lyrische flux die zich omvormt tot ‘kritische’ lyriek. Het meest bevrijdende in de overgang naar het ‘breedschrift’ is dat het hem meer technische middelen aanreikt om de woorden op hun verhaal te laten komen. Het is een vertellen dat ook ‘spraak’ is. Wat duidelijk wordt als Delmotte voorleest.

Volgen dan nog enkele recensies van geestverwanten zoals René Char die horizontaliteit en verticaliteit verbindt en in zijn poëzie het lyrische en beschouwende de grenzen van het genre doet overstijgen. Van Peter Ghyssaert wordt het desoriënterende karakter uitgelicht. Bij Frank de Crits het grappige en subversieve van zijn prozagedichten. Bij Luuk Gruwez wordt het narratieve aandeel van zijn gedichten en het lyrische van zijn proza geduid. Voor de Franse dichter Jame Sacré geldt het poëtisch karakter van zijn ‘bavardages’ en dit eveneens bij Nyk de Vries. Tenslotte toont hij het belang van de collectieve anti-ego vraagstelling van Onze kinderjaren van Xavier Roelens. In de laatste afdeling worden de Elementen van Warhoofdigheid belicht, niet als een bespreking, maar als een duik in de creatieve wereld van dit fictief personage, dat tegelijk een alter-ego en een allegorie is voor zijn poëtische perceptie. En er is de vraagstelling van Marjoleine de Vos: ‘dit moet het leven zijn of is het soms weer taal.’ En Delmotte die dit ziet als ‘de vluchtige verwoording van waardigheid in iemands leven’.

Breedschrift, Alain Delmotte, Uitgeverij P, Leuven, 2024, ISBN 978-94-64757-50-7

(Francis Cromphout)


Kleefkruid, voor gemis en troost


Jenny Dejager schrijft poëzie, romans en is tevens kunstschilder. Na haar romandebuut Een pauze voor passie (2010), gevolgd door Thérèse Levaseur: Weduwe van Jean-Jacques Rousseau (2019), verscheen nu haar derde roman: Kleefkruid, met als ondertitel Voor gemis en troost.

Ze publiceerde eerder negen dichtbundels, waaronder Duinglas (2012), Avondreizen van muurzweet en parels (2017), Alles begint bij het aanraken (2020) en twee bundels waar het woord ‘troost’ ook al in de titel voorkwam: De aanhalingstekens van liefde en troost (2011) en Een glimlach in de mondhoeken van de troost (2016). In verschillende buitenlandse bloemlezingen werden gedichten van haar opgenomen in Engelse vertaling.

Kleefkruid is het levensverhaal van Yette, geboren in een Vlaams dorp in 1962. Ze vindt op een rommelmarkt een boek, De reiskoffer, over Odile Rossignol, het weesmeisje dat in het warenhuis Au Bon Marché werkte te Parijs op het einde van de zeventiger jaren van de negentiende eeuw. Ze zal er geregeld passages uit herlezen. De levens van Yette en Odile hebben veel gemeen: ze gingen niet bepaald over rozen.

Uit het verhaal van Yette: Als kind moest ik een soort ongeval gaan uitvinden om mijn huilbuien als zinvol te laten overkomen. (…) Ik was een papa’s kindje die mijn moeder het bloed van onder de nagels haalde. Ik had geen idee waarom mijn moeder zo over mij dacht. (…) De dag dat ik op mezelf ging wonen, liet mijn familie mij vallen. (…) Maar: Wie blijft er nu struikelen over een wereld die zolang geleden is ingestort. In hun zoektocht naar geluk in hun gehavend bestaan vinden zowel Yette als Odile beiden troost in de kunstwereld: kijken naar kunst, het beluisteren van muziek, het lezen van poëzie.

Yette vertelt haar verhaal en last daarbij geregeld fragmenten en gedichten uit haar dagboek in. In haar zoektocht naar troost en zingeving van haar leven duikt een eclectisch gezelschap op van componisten (Schubert, Massenet), beeldende kunstenaars (de Poolse schilder Wojciech Weiss, de Amerikaan James Abbott McNeill, de Fransman Jean-Baptiste Camille Corot en van eigen bodem Emile Claus en Georges Minne) en literaire figuren (Baudelaire, Stephane Mallarmé). Vaak worden ze door de auteur in een voetnoot toegelicht. Geciteerde tekstfragmenten in een andere taal dan het Nederlands krijgen een vertaling mee. Dat alles meteen begrijpelijk moet zijn voor de lezer is een taak die schrijfster duidelijk au sérieux neemt. Achteraan in het boek is ook nog een bronvermelding opgenomen.

Dejager citeert Karen Blixen: Alle smarten zijn te dragen wanneer men ze verwerkt in een verhaal of er een verhaal van maakt. Zelf zei ze in een interview: Verlangen naar liefde en geborgenheid is van alle tijden. Dat verlangen heeft ze alvast knap uitgewerkt in Kleefkruid, een roman – met op de cover een van haar schilderijen – die door het concept dat ze heeft toegepast (de afwisseling van de verhaallijn met de dagboekfragmenten en de verwijzingen naar de kunstwereld) een boeiend leesavontuur heeft opgeleverd.

Kleefkuid, voor gemis en troost, Jenny Dejager, Uitgeverij Boekscout, Soest, 2024, ISBN 978-94-648-9879-8

(Roger Nupie)