‘Elf en twaalf zijn de gekste telwoorden tussen tien en twintig. Toegegeven, dertien en veertien lopen ook een beetje uit de pas, want je zou drietien en viertien verwachten, maar elf en twaalf komen niet eens in de buurt van eentien en tweetien. In e- en tw- kun je met veel fantasie een en twee ontdekken, maar waar komt -lf dan vandaan?’
Op dergelijke taalkundige probleemstellingen ben ik dol. Net als Yoïn van Spijk, die een van zijn essays in Die goeie ouwe taal met bovenstaande vraag begint. Hij geeft er uiteraard ook het antwoord op, en hij kan dat vermits hij taalwetenschapper is. Het boek staat boordevol boeiende weetjes over de (eigen)aardigheden van onze taal. En dat zijn er heel wat.
Neem: ‘Zet je het woord vlag in het meervoud, dan krijg je vlaggen, maar bij dag gebeurt er iets geks: dat wordt dagen met een lange klinker. Zo zijn er nog meer gevallen: bij pot hoort potten, maar bij slot krijg je sloten, en heg verandert in heggen maar weg in wegen. Waarom?’
Van Spijk, die onder meer op zijn website Taal aan de wandel over taalontwikkeling schrijft, legt het uit. Hij doet zulks op een onderhoudende, enthousiasmerende manier. Hij bewijst dat taalwetenschap geen gortdroge discipline is, maar een verrassend levendige. Taal is immers op het moment dat u dit leest wel ergens aan het veranderen, en het is fascinerend om die linguïstische bewegingen vakkundig in perspectief gezet te zien worden. Van Spijk brengt de lijnen in beeld van de ontstaansgeschiedenis die woorden van het Proto-Indo-Europees over het Proto-West-Germaans en later Oud- en Middelnederlands door hebben gemaakt. Hij legt ook relevante linken naar onder meer zustertalen Duits en Engels en naar Romaanse invloeden. Het Latijn heeft ook in onze taal vele sporen achtergelaten. Zo komen boter en kaas van būtyrum en cāseus, en kelder en keuken van cellārium en cocīna. Die c’s werden als een k uitgesproken. Julius Caesar heette in zijn tijd dan ook Julius Kaaisar en niet Julius Sezar (Ons woord keizer komt van caesar). Yoïn van Spijk, zelf Noord-Brabander, signaleert ook invloeden en verwantschap van varianten als het Nedersaksisch, Vlaams en Zeeuws. Je moet Die goeie ouwe taal niet in één ruk uitlezen want dan begint het je met al die oeroude woorden uit verdwenen talen soms te duizelen. Neen, je moet deze opstellen geduldig savoureren.
Veel van de door Van Spijk te berde gebrachte voorbeelden zijn dan misschien in de dagelijkse praktijk niet werkelijk núttig om te weten, maar zeker voor taalliefhebbers wel léuk. Ik wist bijvoorbeeld niet dat de woorden vriend en vijand van oorsprong de facto geen zelfstandige naamwoorden zijn, maar dat ze afkomstig zijn van de onvoltooide deelwoorden van respectievelijk het Proto-Germaanse frijōnan (liefhebben) en fijēnan (haten).
Die goeie ouwe taal is een bijzonder onderhoudend boek, waaraan je veel leesplezier beleeft maar waarvan je beslist over de etymologie van woorden ook enorm veel opsteekt. Aanrader!
Die goeie ouwe taal, Yoïn van Spijk, Uitgeverij Ambo|Anthos, Amsterdam, 2025, ISBN 9 789026 369971
(Bert Bevers)