Mereie de Jong is vertaler van onder meer gedichten van Rilke, Verlaine en D’Annunzio. In Wat ik ook schrijf treedt zij ook als dichter voor het voetlicht, daarbij op pragmatische manier gebruik makend van klassieke vormen, voornamelijk het sonnet.
Contrasterend met de vorm is de inhoud van haar werk volledig eigentijds behalve dan de verzen die gegroepeerd zijn onder de titel reflecties, geschreven naar Poe, Baudelaire en Horatius. Deze gedichten verschenen reeds eerder in reeksen uit Vertalersweelde, meer info daarover is te vinden achteraan in de bundel onder Verantwoording. Hoe voortreffelijk ook, ik concentreer me op haar eigen thema’s en persoonlijkheid.
De bundel is verdeeld in zeven deeltjes, achtereenvolgens de weemoed, de wereld, de mensen, de plaatsen, de familie, de reflecties en de rest, telkens tussen de drie en negen gedichten lang. Merk op dat de titels haar inspiratiebronnen duidelijk maken.
Het openingsgedicht Antraciet is meteen een schot in de roos. Wie zich vragen mocht stellen bij de cover en vormgeving van de bundel krijgt hier een antwoord. In het eerste kwatrijn klinkt het als volgt:
Niet zwart, niet wit, maar altijd antraciet.
Mijn leven danst, in dartel donkergrijs.
Ik huppel op een asgekleurde wijs.
Een andere nuance ken ik niet.
…….
om te eindigen met
Ik zwelg in antraciet gemuggenzift.
Gelukkig is er lippenstift.
Daarmee is de toon gezet, letterlijk en figuurlijk: de cover heeft de vereiste grijstint, de titel springt er in het rood uit. Ook de drukinkt heeft de aangewezen tint meegekregen, bovendien zijn de bladzijden lichtdoorlatend zodat alweer een grijstint wordt toegevoegd. En dan is er op de achterflap nog de foto van de auteur zelf! Inhoudelijk maken we kennis met haar sarcasme, ironie en humor, maar dit alles staat wel degelijk in het teken van de weemoed.
In de wereld en de mensen levert de auteur zowel genuanceerde als onbarmhartige kritiek op de omgeving. Een blad voor de mond nemen is er niet bij; Millenials en gen Z., thema’s als dysforie en valse profeten komen aan bod, het levert gedichten op die verfrissend brutaal zijn in een door eufemismen geteisterde en zichzelf voor ‘warm’ uitgevende samenleving. De wereld wil bedrogen worden, dus laat haar bedrogen worden, zegt ze in het latijn. Verschijnselen uit de popcultuur genieten volop haar aandacht en duiding. Ook in de plaatsen (voorzien van enkele prikkelende foto’s) is dit het geval, maar behalve erotiek, rock’n’roll en glitter bespeurt men toch ook enige nostalgie bijvoorbeeld in Miami.
In de familie vier sterke gedichten. Na het rauwe relaas van een broertje dood volgt het ontroerende Sanne, want neen, de hoop is niet dood, zelfs het antraciet moet wijken voor een bloesem van een kind:
Al weten de tirannen niet van wijken
en is geen brandhaard een-twee-drie geblust
toch zal de zwarte gal ons nooit bereiken
nu wij de roze wolk hebben gekust.
Ze vindt het niet de moeite om te kijken
naar al dat vreemde volk en slaapt gerust.
Die wereldvrede gaat vanzelf wel prijken
aan elke horizon, denkt ze, en sust
ons allen, die zich bitter slechts vermannen
‘We doen het samen, niemand is alleen’
lijkt ze te willen zeggen, heel ontspannen.
Haar universum is volmaakt sereen.
Blijf lachen om die strijdende tirannen,
want kleine Sanne slaapt er dwars doorheen.
De twee laatste delen zijn het reeds vermelde de reflecties en de rest, bestaande uit enkele minder gemakkelijk te klasseren gedichten waaronder het geestige Niet meer vet of, over hoe zelfs vet haar kan inspireren.
Samenvattend mag ik zeggen dat ik deze bundel met plezier gelezen en herlezen heb; een pittige bundel die er uitspringt als lippenstift tegen een grijze achtergrond.
Wat ik ook schrijf, Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2026, ISBN 978 9083 023 090
(Cel Vermeulen)
