Ik weet ongeveer hoe het kruispunt Desselgemseweg met de Expresweg en de Jozef Duthoystraat in Waregem oogt, en dat dankzij GoogleEarth en Xavier Roelens. Die meldt in zijn jongste bundel Wildnissen terloops dat hij daar even met zijn zoon voor het stoplicht moet wachten, een bijna-ongeluk registreert en tegelijkertijd ziet dat er in de berm onder een smeltend sneeuwtapijt bezemkruiskruid groeit.
De bundel volgt naar eigen zeggen van de auteur, wiens debuut Er is een spookrijder gesignaleerd (2007) me destijds al opviel, exact de nummering van de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Toen ik dat in de aantekeningen las had ik al een poos zitten peinzen over het hoe of wat van de indeling, maar die is me nu duidelijk. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik alleen die titel van Wittgenstein kende. Ik geloof Xavier op zijn woord.
Dit is geen bundel voor hoi polloi. Wie zich aan Wildnissen zet dient over een leeshouding te beschikken die het consumerende lezen te boven gaat: de dichter maakt het zijn lezer niet gemakkelijk. Ik sla er bij het lezen van deze bundel behalve GoogleEarth ook Wikipedia regelmatig op na.
Roelens trekt zich niet terug op traditionele verworvenheden van de poëzie maar durft buiten de vormen te verkennen, hetgeen in een bundel resulteerde die op het eerste gezicht kan ogen als een stilistisch bont allegaartje maar tegelijkertijd uitnodigt al die verschillende geoffreerde kanten mee op te denken.
De bundel getuigt van een verscheurd hart. De dichter vindt eigenlijk dat deze wereld er geen is om nieuwe kinderen op te zetten, maar doet wat in zijn mogelijkheden ligt om er toch het beste van te maken (we planten afval aan de deur, / angst in onze kinderen). Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de frustratie van het besef dat hij mee de boel vervuilt (asfalt slaapt nooit rouwt nachtenlang) en de onlesbare dorst naar schoonheid. De natuur krijgt ruimhartig her en der aandacht (zo richt zijn loep zich op niet alledaagse flora als basterdwederik, biestarwegras, duindoorn en zeewolfsmelk), maar niet zonder dat de mogelijkheden der Moderne Techniek worden vergeten (zal ik je vergelijken met een verslaving? // of zal ik je namaken met een 3d-printer [….]).
Roelens heeft oog voor een bos dat een menigte is: een bos slaagt erin ruwweg tevreden te zijn met / spechten en / kevers als knusse / prullaria, maar noteert ook meedogenloos de politicus belegt in / tweets en / dansjes voor de / camera voor de stijgende / hebzucht van een nukkige / achterban. Roelens heeft weet van klassieke poëzie, maar ook van AI.
Her en der duikt in Wildnissen het charmante beeld van zelfgemaakte kinderen op. De fysieke zijn van Roelens, maar de literaire las ik toch echt eerder (en dat zie ik – of ik moet eroverheen gelezen hebben – nergens geduid) bij zijn gouwgenoot Philip Hoorne (cf. Ze heeft alles en alles nog voor zich, / straks een vriendje met een piemel / en zelfgemaakte kindjes die dollen in de zon [….] in diens gedicht dochter). Wel jammer dat juist de herkomst van dit beklijvende beeld niet wordt vermeld in de Bronnenwildnis.
Dat laat onverlet dat Wildnissen een fascinerende, pluriforme bundel is waarin Xavier Roelens zich toont vanuit verschillende invalshoeken van waaruit hij met een bewonderenswaardige regelmaat verrassende perspectieven opent.
Een dappere poging om de caleidoscoop die de alledaagse werkelijkheid is in poëzie te vatten.
Wildnissen, Xavier Roelens, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 9 789025 477868
(Bert Bevers)
