Wildnissen


Ik weet ongeveer hoe het kruispunt Desselgemseweg met de Expresweg en de Jozef Duthoystraat in Waregem oogt, en dat dankzij GoogleEarth en Xavier Roelens. Die meldt in zijn jongste bundel Wildnissen terloops dat hij daar even met zijn zoon voor het stoplicht moet wachten, een bijna-ongeluk registreert en tegelijkertijd ziet dat er in de berm onder een smeltend sneeuwtapijt bezemkruiskruid groeit.

De bundel volgt naar eigen zeggen van de auteur, wiens debuut Er is een spookrijder gesignaleerd (2007) me destijds al opviel, exact de nummering van de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Toen ik dat in de aantekeningen las had ik al een poos zitten peinzen over het hoe of wat van de indeling, maar die is me nu duidelijk. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik alleen die titel van Wittgenstein kende. Ik geloof Xavier op zijn woord.

Dit is geen bundel voor hoi polloi. Wie zich aan Wildnissen zet dient over een leeshouding te beschikken die het consumerende lezen te boven gaat: de dichter maakt het zijn lezer niet gemakkelijk. Ik sla er bij het lezen van deze bundel behalve GoogleEarth ook Wikipedia regelmatig op na.

Roelens trekt zich niet terug op traditionele verworvenheden van de poëzie maar durft buiten de vormen te verkennen, hetgeen in een bundel resulteerde die op het eerste gezicht kan ogen als een stilistisch bont allegaartje maar tegelijkertijd uitnodigt al die verschillende geoffreerde kanten mee op te denken.

De bundel getuigt van een verscheurd hart. De dichter vindt eigenlijk dat deze wereld er geen is om nieuwe kinderen op te zetten, maar doet wat in zijn mogelijkheden ligt om er toch het beste van te maken (we planten afval aan de deur, / angst in onze kinderen). Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de frustratie van het besef dat hij mee de boel vervuilt (asfalt slaapt nooit rouwt nachtenlang) en de onlesbare dorst naar schoonheid. De natuur krijgt ruimhartig her en der aandacht (zo richt zijn loep zich op niet alledaagse flora als basterdwederik, biestarwegras, duindoorn en zeewolfsmelk), maar niet zonder dat de mogelijkheden der Moderne Techniek worden vergeten (zal ik je vergelijken met een verslaving? // of zal ik je namaken met een 3d-printer [….]).

Roelens heeft oog voor een bos dat een menigte is: een bos slaagt erin ruwweg tevreden te zijn met / spechten en / kevers als knusse / prullaria, maar noteert ook meedogenloos de politicus belegt in / tweets en / dansjes voor de / camera voor de stijgende / hebzucht van een nukkige / achterban. Roelens heeft weet van klassieke poëzie, maar ook van AI.

Her en der duikt in Wildnissen het charmante beeld van zelfgemaakte kinderen op. De fysieke zijn van Roelens, maar de literaire las ik toch echt eerder (en dat zie ik – of ik moet eroverheen gelezen hebben – nergens geduid) bij zijn gouwgenoot Philip Hoorne (cf. Ze heeft alles en alles nog voor zich, / straks een vriendje met een piemel / en zelfgemaakte kindjes die dollen in de zon [….] in diens gedicht dochter). Wel jammer dat juist de herkomst van dit beklijvende beeld niet wordt vermeld in de Bronnenwildnis.

Dat laat onverlet dat Wildnissen een fascinerende, pluriforme bundel is waarin Xavier Roelens zich toont vanuit verschillende invalshoeken van waaruit hij met een bewonderenswaardige regelmaat verrassende perspectieven opent.

Een dappere poging om de caleidoscoop die de alledaagse werkelijkheid is in poëzie te vatten.


Wildnissen, Xavier Roelens, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 9 789025 477868

(Bert Bevers)

Onderkoorts


De debuutbundel van Kris De Lameillieure is beslist niet het werk van een debutant. De roeping, als we dit zo willen noemen, kwam op vijftigjarige leeftijd en de uitgave van deze bundel meer dan een decennium later. Een late en trage bloei dus onder mentorschap van Jana Arns. De lessen werden grondig geleerd.

De bundel is verdeeld in vier delen, ongetiteld, maar alle ingeleid door een gedicht van Miriam Van Hee. Dat geeft het thema aan en brengt ons in de juiste stemming. Sleutelzin voor het eerste deel: de ribben zijn van het geraamte het mooiste onderdeel (Van Hee).

In Moederwezen klinkt de grote trom van de dood:

Wij zijn zonen en dragen dezelfde moeder. We houden
onze hoofden koppig, kijken star en hullen ons in wierook.


In sobere bewoordingen, een weinig onderkoeld misschien, verhaalt de auteur over het lijden en overlijden van de ouders. Uit Haven:

Hoe hij wankel door de kamer laveert een dode hoek probeert,
in het hoofd lij en loef verwart. Hoe hij eb over vloed plooit.


In het tweede deel ‘vakantie’ probeert een koppel een stukgelopen relatie te lijmen, vergeefs zo blijkt. Uit een titelloos gedicht:

Nu braakt de nacht ons uit, blaast luchtbellen
in woorden, legt ijsplaten tussen de ruggen
die we mekaar toekeren.


Het volgende deel spreekt van angst, leegte, zelfgekozen isolatie: men komt immers van alle reis terug:

Geen mens aan wie ik nog kleef
naast kind of kind van een kind.
Voor jou ben ik een traan.
Schud mij van je af nu je nog kan.

Het laatste deel (‘als ik mij kon beveiligen’) brengt uiteindelijk meer licht en kleur, al bestaat er geen blijvende zekerheid.

In ons ligt vruchtbaar land.

Uit het laatste gedicht Licht:

zo loopt hij over straat in aquarellen:
een kleurrijk toeval, een schitterend effect.
……..

In dit kader past hij niet altijjd. Hij wil zand zijn
en verstuiven, regen en verdampen.

En als hij kon: licht.


Over de leer van de ‘vier temperamenten’ hoor je in deze tijd niet veel meer. Volgens deze theorie mogen we de dichter typeren als een melancholicus. Uit het gedicht Onderkoorts:

Om te lachen trek je zonder verpinken /kaken op, de ogen onbewogen….
je laat het netvlies los,/ naait de lippen dicht/ schrijft je testament/
in gedichten.


De dichter heeft veel van zich afgeschreven, schoon schip gemaakt. Dit soort belijdenissen zal niet bij iedereen in de smaak vallen, maar voor wie deze situatie herkenbaar is, voor wie bezig is zich tot op de bodem te laten zakken in de hoop daar iets waardevols te vinden, kan dit een hulp zijn. Afgezien daarvan kan men ook een gedicht lezen om het gedicht zelf, om de klank of de sfeer daarvan, zoals men ook een voorkeur kan hebben voor de melancholische, introverte klanken van de altviool.

De vier gedichten van Miriam Van Hee vormen een waardevolle bonus.


Onderkoorts, Kris De Lameillieure, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 9789464757866

(Cel Vermeulen)


Onwelvaart


Steve Marreyt (1983) is muzikant en taalleerkracht. Onder de naam Edgar Wappenhalter bracht hij in 2024 de elpee ijsschots veenlaag mist uit, een muzikale ode aan de Nederlandse dichter Sonja Prins. Men noemt hem een ‘psych folk veteraan’ uit Brugge. Als dichter/schrijver publiceerde hij voornamelijk chapbooks (kleine uitgaven) via Marktcorruptie en zijn eigen micro-uitgeverij Edities Marreyt. Zijn werk, waaronder het project CISWHITEMALE uit 2018 verkent thema’s als het Antropoceen en gender. In februari 2025 debuteerde hij officieel in de literatuur met de bundel Onwelvaart.

De omslag van de bundel is bruin. Terug naar de oorsprong, naar de aarde. De bundel opent met (leestijd: minder dan twee minuten). Wel bewust tussen haakjes gezet. Een uitnodiging aan de lezer:


Toch nodig ik je uit.
We hebben het zo gewild.
Ik wou hier deel van zijn.
Jij wou hier deel van zijn.


Vervolgens is er een zwart-wit tekening van Natasja Mabesoone. Zelf zegt zij over haar werk: “Het narratieve aspect van mijn werk heeft geen plot nodig. Het verhalende potentieel ligt veeleer in de beelden, de materialiteit, de achterliggende culturele associaties of verbeeldingswerelden, de etymomogische achtergrond.”

Een fragment uit een liedtekst van Walter De Buck is de voorbode van wat gaat volgen: “‘k Zou zo gere willen leven in ne wereld zonder geld Da de niet van schrik moet beven Veur nen oorlog en geweld ‘k Zou zo gere willen leven In ne wereld zonder doel Waar gerekend wordt met schreefkens Geen bankiers en genen boel”

Daarna is het de beurt aan Steve Marreyt. In zes cycli vertelt hij ons waar het al dan niet om gaat. De titels lijken zo geplukt uit het boekhouders- en/of bankiersjargon: Transacties, Koers, Kostelijke affaires, Kapitaal, Geld ist Krieg, Aanmaning.

De titel van de bundel is het tegenovergestelde van ‘welvaart’ namelijk ‘onwelvaart’. En ja je zal voor minder ‘onwel’ worden. De dichter fileert ons huidig bestel en de wereld waarin wij leven op een scherpe manier. Geld en menselijke waardigheid staan voortdurend tegenover elkaar. Hij dissecteert een wereld waarin alles op de weegschaal wordt gelegd en alles ten koste gaat van nog meer (geldelijke) gewin. Met zijn teksten stemt hij tot nadenken, hij houdt ons een spiegel voor waarvan we niet kunnen wegkijken.

De teksten zijn pamfletten. Als ze de omschrijving ‘poëzie’ zouden verdienen dan zou ik ze ‘pamflettaire poëzie’noemen. Het is wel duidelijk dat de schrijver met het presenteren van deze rekeningen wilde afrekenen door te revolteren tegen een maatschappij waarin hij zich niet (meer) herkent. Hij besluit de bundel met aanmaning:

Het is 2025 en ik heb nodig:
money and a room of my own.
Ik twijfel over nog een oorbel.

Ik twijfel over schrijven
tegen identiteit want niks
draait om jou en mij

als we niet eerst de banken
in brand steken en ophalen
wat al lang van ons was.



Onwelvaart, Steve Marreyt, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978 90 5655 212 1

(Frans A. Brocatus)

Kratermond


Zeitgeist! Kunnen we de tijd waarin we leven ten volle begrijpen? Kunnen we er dan nog daadwerkelijk in leven? Vragen die bij me opkwamen na lezing van Kratermond, de tweede bundel van Sara Eelen.

Dat zij zichzelf klimaatdichter en activist noemt en daarmee publicatie en lof oogst is alvast één kenmerk van ‘onze’ tijd.

Bij eerste lezing kwam de bundel mij enigszins vreemd voor, het is even wennen en oriënteren, maar talent is hier vanzelfsprekend aanwezig. Het is duidelijk dat Eelen zich een spreekbuis weet, voorstander van een nieuwe eco-spirituele samenleving, een ‘mondiale’ ethiek.

De natuur komt op de eerste plaats, de aarde zelf spreekt door haar ‘Kratermond’. Dat staat duidelijk te lezen in het inleidende gedicht anomalie (I) in de volgende fraaie verzen:

We zochten niet naar voetafdrukken
liever wetmatigheden die wegleiden van onszelf
hoe de havik neerdaalt
in dezelfde spiraal als de nautilusschelp.
We zoeken de navel, het doorgeknipte koord.


Een ander belangrijk kenmerk van haar poëzie valt af te leiden uit het volgende gedicht Glassnijder (dit blijkt een type libel te zijn).

Ik observeer je aan de rand. Wie van ons het dier
het stilstaand water, stukgebeten glas?


Hier spreekt de wens om te verdwijnen, in de plaats van objectiverende observatie komen empathie en osmose:

Bijt je vast in mijn hals, span mijn trillende bovenlip.
We vliegen in tandem langs een krimpend meer.


Wordt de voortplantingsstrategie van de libel (waarbij het vrouwtje dan toch beslist?) hier vergeleken met die van de mens? Hetzelfde thema komt ook terug in het gedicht Sepia:

Na de paring blijft het mannetje haar volgen
bang dat ze met een ander dezelfde vlucht voltrekt.


Waar de dichter het ook over heeft; een orka die treurt over haar dode jong, aangereden wild, geschonden landschappen, het leven van een foetus, alles wat zich afspeelt tussen man en vrouw, het gebeurt met een fanatieke gerichtheid grenzend aan versmelting. Het vrouwelijke, het grenzeloos moederlijke spreekt hier zo luid dat het deze (mannelijke) lezer soms iets te veel wordt… Een en ander kan leiden tot vergezochte associaties en een beeldende, naïeve typografie, bijvoorbeeld in Het waterbekken, cyclus waaruit ik graag deze mooie zin licht: Hoe wij altijd in beweging, in beweging altijd zijn.

Het vrouwelijke en bij uitbreiding de natuur wordt voorgesteld als het kwetsbare, het geofferde. Maar deze natuur heeft ook nog een ander gezicht, dat van de verslindende moeder, ook in psychologische zin! Ik heb de indruk dat het activistische element soms afbreuk doet aan het talent van de dichter, persoonlijk verkies ik de verzen die minder ‘programmatisch’ zijn.

In het laatste gedicht, meer verzoenend in toon, genaamd Anomalie (II) trof mij de volgende regel:

Waarom niet eens een man die zijn hoofd
in zijn hals legt als een zwaan?


Voortreffelijke gedachte die me brengt bij de Griekse mythe van Leda en de Zwaan. Zeus verleidt (middels transformatie) Leda door schoonheid. Heeft de dichter het zo bedoeld? Geen idee! Maar het gegeven dat schoonheid kan triomferen over ideologie vind ik ronduit prachtig.

En dus… blijf ik ten zeerste benieuwd naar een volgende bundel van Sara Eelen.


Kratermond, Sara Eelen, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam-Antwerpen, 2025, ISBN 978 902 148 8936

(Cel Vermeulen)

Gelukkig de mens....


Ton van ’t Hof is poëzieanimator, blogger (samen met Chretien Breukers startte hij de poëzieweblog De Contrabas op) en uitgever. Na zijn uitgeverij Stanza volgde in 2019 de reeks Gaia Chapbooks. Met zijn debuutbundel Je komt er wel bovenop (2007) verwierf hij bekendheid als flarfdichter. Flarf is een genre waarbij internetzoekresultaten verwerkt worden in of tot een gedicht. Je komt er wel bovenop was trouwens de allereerste Nederlandstalige flarfbundel. In 2009 hebben de belangrijkste Nederlandstalige flarfdichters zich als collectief georganiseerd en Flarf, een bloemlezing, uitgebracht.

Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt is de veertiende dichtbundel van Ton van ’t Hof.

Enig experiment was de dichter in vorige bundels niet vreemd, maar dit is vrij traditionele, keurig vormgegeven, uitgepuurde poëzie. De bundel bestaat uit drie cycli: Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt (16 gedichten), Op den duur moet je toch op iets uitkomen (4 gedichten) en Ik heb meer lief dan ik aankan (8 gedichten), telkens voorafgegaan door een tekening die verschillende stadia van een weg suggereert. Wie de tekenaar is wordt niet vermeld – de dichter zelf? Voor en na de cycli een citaat uit zijn dagboek: Ik wilde eerlijk zijn, gedroeg me als een woudezel en Nam een glas wijn, een imposant glas, als een kathedraal.

De dichter neemt de lezer mee op een reis, op zoek naar een nieuwe bestemming. De vraag is waar je terechtkomt/ in het leven. Ik liep verder, toch een tikje/ verontrust. Een mens is omgeven// door omstandigheden. Een geweldig/ karwei. Zo vaag en bewolkt je gedachten/ de diepte van je bestaan.

Zal een nieuwe liefde en/of een nieuwe omgeving ertoe leiden dat hij zijn bestemming bereikt heeft? Of het zijn definitieve bestemming zal zijn, daar heeft de lezer, en wellicht de dichter zelf het raden naar. Veel relativering, zowel over zichzelf als over het dichterschap:

Een middelmatige dichter/ herken je altijd daaraan/ dat alles klopt altijd.// Is het een introverter type/ en beschrijft hij zichzelf/ dan is het eveneens pure eerlijkheid// wat de stok slaat./ De geniale dichter daarentegen/ is vooral onbegrijpelijk.//Dit is een echt goed gedicht./Je wilt met het lezen ervan doorgaan.

Je mag ervan uitgaan/ dat tamelijk veel mensen/ bij het woord poëzie// aan iets duurs denken/ aan iets dat misschien niet eens/ bestaat.// Ieder mens heeft zo zijn eigen/ wereld. We slepen van alles en nog wat/ met ons mee. Taal die nuttig is/ om de werkelijkheid weer te geven.// En dat je net zo goed de ene/ als de andere kant op bewegen kunt.

In het laatste gedicht lezen we: Met welk woord bedoel/ ik iets anders. Wat niet wegneemt dat hij de lezer vanaf het eerste gedicht op sleeptouw weet te nemen.

Gelukkig de lezer die deze bundel ontdekt, al dan niet met een glas wijn erbij.


Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt, Ton van ’t Hof, Gaia Chapbooks, 2025, ISBN 978-1-326-30187-3. De bundel kan ook gratis worden gedownload op de website van Gaia Chapbooks (gaiachapbooks.com).

(Roger Nupie)

Onvolledig alfabet


Annelie David (Keulen 1959) is dichter en vertaler van Duitstalige poëzie. Zij studeerde dans in Keulen en choreografie in Amsterdam. In 1992 richtte zij de Pure Dance Company op, een collectief van dansers, componisten en beeldend kunstenaars die in wisselende samenstelling vijftien dansproducties maakten. Na 2003 ontwikkelt zij zich als dichter en wordt ze bekroond met de Dunya Poëzieprijs (2004). Ze schrijft essays, vertaalt Duitstalige poëzie. Haar bundel Schokbos (2020) werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2021. In 2013 debuteert ze met de bundel Machandel. Haar centrale thema’s zijn ontheemding en natuur.

De bundel Onvolledig alfabet is voorzien van fraaie tekeningen. Grijsblauw. Tegen een achtergrond van gebroken wit met dunne craquelé-lijntjes. Fijn werk van haar man, filmmaker en graphic novelist, Guido van Driel.

Onvolledig alafabet is een eerbetoon aan haar grootmoeder bij wie ze haar kinderjaren doorbracht op een boerderijtje in Noordrijn-Westfalen. In de inleiding, niet toevallig onder de titel Dahlia, vertelt ze dat haar grootmoeder uit Samland kwam, een schiereiland aan de Oostzee dat nu deel uitmaakt van de Russische exclave Kaliningrad. In de winter van 1944/1945 vluchtte zij met haar vier kinderen, voor de Russen uit, naar het Westen.

Het Samlands dat haar grootmoeder enkel binnenshuis tegen haar sprak is een mengtaal van Jiddisch, Nederlands, Nederduits, Pools, Russisch en Nederpruisisch. In de beleving van David is dat de taal van liefde, warmte en geborgenheid. Een taal ook waarin verlangen naar een verloren wereld en pijn van het gedwongen vertrek doorklinken. Deze taal wekte in Annelie een verlangen naar het vreemde, naar vrijheid en de natuur. Maar ook de taal van schaamte, van de vreemdeling die buitengesloten wordt.

Annelie David opent met twee citaten die meteen de spijker op zijn kop slaan: The seemlingly irrational, illogical choice of words, however, is by nature personal, creating a familiar landscape in which one can exist (Mari Mahr) en Heiss willkommen die Fremden. Du wirst eind Fremder sein. Bald. (Johannes Bobrowski)

Een alfabet waarin letters ontbreken is onvolledig. Er vallen gaten. Je mist klinkers, medeklinkers. Woorden ontbreken klanken. Hoe vorm je zinnen met incomplete woorden? Op papier wordt het een landschap waarin vogels en andere dieren pootafdrukken nalaten als om het verdwijnen tegen te houden. Tekens te geven dat er iets is dat blijft. Iets dat weerbarstig is en onbestemd heimwee oproept. Verleden en heden klinken dieper in een taal die bijna verdwenen is.

Het verdient lof dat de dichter een bijzonder experiment aangaat. De spanningsbogen zitten niet in de gedichten apart maar in het geheel. Je begint te lezen, grijpt terug en leest verder. Annelie David verplaatst de taal naar het midden, de navel van ons zijn en omringt, bouwt een decor met bijna verdwenen en bestaande natuurlijke elementen. Er is geen begin, midden, einde. Het is allemaal midden. Je wordt meegezogen in een wonderlijk mengsel van kleuren, geuren, herinneringen die je naar het nu brengen. Niets, geen taal, verdwijnt als je woorden blijft vinden.

Onvolledig alfabet
, Annelie David, PoëzieCentrum, Gent, 2025, ISBN 978 90 5655 262 6

(Frans August Brocatus)

Heelal en stem van Van de Berge


Claude van de Berge debuteerde in 1968 met de roman De ontmoetingen. Daarna volgden nog een 14-tal prozaboeken, die als poëtisch proza kunnen omschreven worden, waaronder Stemmen (1973), De oever (1975), Ergens zijn (1977), Hiiumaa (1987) en Attu (1988). Vanaf 1988 zou hij zich volledig wijden aan de poëzie - met één enkele uitzondering: in 1990 verscheen nog de roman Aztlan – wat twintig dichtbundels opleverde, waarvan het merendeel verscheen bij uitgeverij P, vaak met illustraties en foto’s van Arlette Walgraef - zoals in de bundels Asland (1998), Arctica (2000), White-out (2004), Kristalschedel (2006) en De vonk (2016). Arlette Walgraef begeleidt meestal ook de literaire lezingen van haar echtgenoot met zang, voornamelijk geïnspireerd door de muziek van Noordelijke culturen zoals de Inuitcultuur en de Lapse liedzang. In 2010 verscheen bij P als de tiende titel in de Parnassusreeks (“een eigenzinnige reeks bloemlezingen van dichters van vandaag”) een bloemlezing van de poëzie van de dichter: Het zwijgende woord, met als inleiding een essay van Jooris van Hulle.

Al vanaf zijn debuut was het duidelijk dat het oeuvre van Claude van de Berge een unieke plaats inneemt in de Nederlandse literatuur. Het meditatieve en mystieke karakter van zijn schriftuur werd meermaals door critici benadrukt. Centraal staat de enkeling die op weg is naar een ontmoeting, die ergens moet zijn. Het is vooral een innerlijke reis die de mens confronteert met zichzelf en een mogelijke confrontatie met de ander. Tegenover de dagdagelijkse en maatschappelijke realiteit biedt de auteur een spirituele bewustwording, vergeestelijking en verinnerlijking.

Na Gebed tot de leegte (2021) en De witte zon van de dood (2023) is zijn nieuwste bundel Heelal en stem, de derde uitgegeven door het Poëziecentrum, opgebouwd uit twaalf cycli. Het heelal is een metafoor voor onbegrensdheid; de stem voor het scheppende element: klank (Zoals een klank door een grenzeloze leegte gaat en/ roerloos wordt in zijn echo?), zang (We verlangen dat onze zang zal zijn als de immense zang/ die voorafgaat aan de grondruis van het heelal.) en woord (Ieder woord is een heelal.). Als beide versmelten worden ze de sleutel tot de universele creativiteit. Uit de versmelting van stem en heelal ontstaat het gedicht. Gedichten die ook liefdesgedichten zijn. We zijn niet wie we zijn./ We zijn wat we verlangen. // We zijn wat we liefhebben.

Uit het laatste gedicht, het zesde van de cyclus Sterrensporen: (…) We zijn gekomen bij de bron van het onzichtbare./ We verlangen de ster te drinken als een helder water/ dat ons uitwist, diep in ons.// In ons verschijnt een aanwezigheid zonder grens,/ in zijn niet bestaande oneindigheid./ Het immense.// We kunnen elkaar niet uitwissen./ We kunnen onszelf niet uitwissen./ We worden uitgewist in elkaar.

We wachten op het gouden getij van het licht in ons. Tot dan kunnen we ons laven aan deze bundel, de twintigste in dit uitzonderlijke oeuvre van Claude van de Berge.


Heelal en stem, Claude van de Berge, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978-90-5655-272-5

(Roger Nupie)

Iets dat op een route leek....


Alja Spaan (Sint Pancras, 1957) schrijft vanaf haar elfde dagelijks zowel proza als poëzie. De bundel Misschien moet alles eerst op tekening hersteld (Watervis, 2017) is haar volwaardige debuut als dichter. In 2018 verscheen Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid (In de Knipscheer). Bij Aspekt kwam in 2021 Losse honden uit. Uitgeverij P bracht in 2023 Het langzaam voorovervallen uit. Vanaf 8 april 2006 publiceert ze elke ochtend een gedicht op haar website. Naast het schrijven organiseert zij Reuring, een taalplatform in Alkmaar. Zij is drijvende kracht achter het literaire e-magazine Meander en ook verbonden aan het Dagboekarchief. Bij de Eenzame Uitvaart Alkmaar is zij bestuurslid en al dan niet dichter van dienst.

Haar nieuwe bundel Iets dat op een route leek en een kaart van de andere wereld opent met: gedichten opgedragen aan mijn moeder. De titel komt uit het gedicht. In het gedicht wordt de titel voorafgegaan door: een koord, gespannen tussen twee wereldeneen verkreukeld papiertje met daarop vaag iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld.

De cover is een schilderij van Hans van Marwijk. Er hangt een mist over de kleuren, de titel staat er middenin, een boom die niet uit donkere aarde oprijst maar uit nevel die trapsgewijs naar boven klimt.

Relaties tussen zonen en vaders, tussen moeders en dochters zijn meermaals complex en vol van onder elkaars schaduw kruipen. We willen niet zijn wat ze van ons willen maken.

In de aanvang herken je nog de duidelijke vormen van een gedicht. Naarmate de bundel vordert groeien de gedichten naar uitgebreidere teksten.Gedichten die zich als verhalen laten lezen. Er is veel mededogen, ontroering, heimwee, melancholie. Wat voorbij is komt terug in andere vormen. Vormen die anders benoemd worden, op andere manieren afgebakend worden, niet meer met vragen maar met antwoorden. De antwoorden zijn de gladgestreken vragen op het verkreukeld papier.

In het afwezig zijn wordt juist de aanwezigheid versterkt. Er zijn geen discussies meer. In de aanvaarding kom je dichter. Luisteren wordt belangrijker als spreken. De luisteraar wordt een vertaler van de spreker. De onderlinge verschillen, de machtsverhoudingen worden geneutraliseerd juist door deze omkering. Zowel de spreker als de luisteraar leggen hun pose af, ze kleden zich uit woord na woord en vinden elkaar niet gehinderd door leestekens, komma’s, puntkomma’s, punten, dubbele punten, vraagtekens, uitroeptekens… Ze staan onbevangen tegenover elkaar. Ze scheppen elkaar niet leeg maar vullen elkaar.

Op een treffende en ontroerende wijze verwoordt de dichter de dochter-moederrelatie. De herinneringen ontvluchten het verleden en stappen het heden in zonder toeters en bellen, zonder opsmuk maar met een tedere, alles omhelzende duidelijkheid.

… en ik hoop dat er een vogel langs
vliegt die zich nestelt in de ene boom daar achter en
dat zijn vleugels zacht genoeg zijn om mijn moeders
oren te strelen…


Iets dat op een route leek en een kaart van de andere wereld, Alja Spaan, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 94 64757 90 3

(Frans August Brocatus)