Oog voor detail


Harry G. de Vries (º Enkhuizen, 1961) is behalve leraar Engels ook vertaler Engels-Nederlands. In 2003 verscheen bij Wagner & Van Santen Sneeuw valt op een zondag in april, zijn vertaling van An April Sunday Brings the Snow van Philip Larkin. Dat was zijn debuut als vertaler. Nu is er de bundel Colourisations, zijn debuut als dichter. Een aangename, en ook passende titel want in deze bundel staan veel inkleuringen. Van beschouwingen, van beschrijvingen, van herinneringen.

De Vries heeft oog voor detail. Voor vlaggenmasten in een inkttekening die Rembrandt maakte van Nieuwendam, de biotoop van het zandoogje, de bereidingswijze van pladijs, hoornkapsel langs de vloedlijn of een oude foto van zijn vader als marconist aan boord van de SS Thedens (It is the most intriguing snap / of a mere handful that show / him in his twenties, in a novel / world as handsome as himself.).

In Fresh view vraagt hij zich af of het leven er echt op zit als je sterft. Volgens zijn vader wel. Die vertelde hem een paar weken voor hij stierf dat uitzicht op leven na de dood een zwendel van de religie is. De dichter kan zich daar bij neerleggen. Maar: I will simply watch him again, / through the window of our house, / holding the small, metal jet he had / bought me, pretending a flypast. Waarbij hij afsluit met de voor iemand die zich heeft neergelegd bij het definitieve van de dood verrassende regel I think I can live with that. Leuk dubbelzinnig! Stilistisch past deze poëzie (Ze is eerder verhalend, en niet bang voor wat lengte) echt in de Angelsaksische traditie.

Ontroerend vind ik 247: A few days before his 89th birthday, / my father woke up at 2:47 AM / and wondered why the glowing / digits of his clock looked so familiar. // He then recalled the telephone number / of his parent’s house, back in the 1930s; / as if they had wanted him to know / that he could get in touch.

Ik blijf wel met wat kleine vragen zitten. Met Greetings from London bedankt hij the Indian lady die zijn 8-jarige zoon zo vriendelijk groette vanachter het raam op het bovendek van een passerende bus. Ik vraag me hier af of the lady niet volstaan zou hebben, want het belang van dat adjectief wordt niet duidelijk in het gedicht en bovendien vraag ik me af hoe je vanaf de stoep kunt zien of een mevrouw achter het raam op de bovenverdieping van een bus uit India komt en niet uit Sri Lanka, of uit Pakistan of Bangladesh. Terwijl hij in Farm girl met a falcon / presides over the farm’s airspace juist weer niét specificeert. Is het een boomvalk? Een slechtvalk? Een torenvalk?

Ook vraag ik me af waarom iemand poëzie gaat schrijven in een taal die niet zijn moedertaal is.

Al met al slaagt Harry de Vries prima in wat hij in het titelgedicht aangeeft: I want to preserve / how and where the world / left its marks and build my / own colourised track. Een bundel vol zelfgemaakte dan wel zelfgekozen ingekleurde sporen. Met genoegen gelezen.

Colourisations, Harry G. de Vries, Uitgeverij WEL, Bergen op Zoom, 2020, ISBN 90 6230 102 9

(Bert Bevers)

 

Rode lippen en onkruid


Rode Lippen en onkruid
is de tiende misdaadroman van Hubert Van Lier en de tweede met als hoofdpersonages onderzoeksjournalist Robbe Tjerk en politiecommissaris Jasmien Kraay. De auteur liet zijn lezers met dit sympathieke tweetal eerder kennismaken in de vorige roman De Straffelozen. Beiden zijn ook in het ‘gewone’ leven een paar, en het wordt al vlug duidelijk dat ze daardoor in hetzelfde web verstrikt geraken.

Reeds op de eerste bladzijden wordt Robbe Tjerk, en meteen ook de lezer, met zijn neus op de feiten gedrukt: Robbe krijgt bij thuiskomst van een congres van onderzoeksjournalisten een verdacht telefoontje en vindt een beschuldigend bericht in zijn mailbox. Iemand verdenkt hem van de moord op een zekere Reger, een gewezen lid van de Duitse geheime dienst, die door duistere zaakjes, waaronder wapensmokkel met Afrikaanse landen, in ongenade was gevallen.

Op het bewuste congres waren ook de Oostenrijkse journaliste Grete Maier en haar landgenoot Kurt Bergman aanwezig, én de Rus Bolganov, die het gezelschap in bedekte termen over de activiteiten van de Russische geheime dienst in België polste, wat Robbe ongewoon vond bij een eerste ontmoeting. Niet lang daarna krijgt Robbe een zichtkaart uit Kenia van de mysterieuze Heidi Palt met de boodschap ‘Kom me helpen!’ Hij kent haar vaag, weet niet aan welke kant zij staat, maar gaat samen met Jasmien op de uitnodiging in omdat ze dan het moordonderzoek aan een vakantie op die paradijselijke plek kunnen koppelen.

Na enkele zorgeloze dagen stellen ze vast dat ze in een hinderlaag zijn gelokt en dat men het op hun leven heeft gemunt omdat ze te dicht bij de waarheid zijn gekomen. Jasmien heeft Bolganov in de omgeving van het hotel op Funzi herkend, maar na het bloedstollende avontuur op zee, waar ze op het allerlaatste ogenblik van de verdrinkingsdood werden gered, groeit het vermoeden dat hij waarschijnlijk hun bewaarengel is geweest.

Opnieuw in eigen land is het gevaar niet geweken, integendeel. Het tweetal moet zelfs een periode onderduiken voor ze zich weer wat in hun vertrouwde stad Antwerpen thuis kunnen voelen. Maar zonder het te willen zijn ze in een spiraal terechtgekomen van macht en geld, een wereld zonder moraal of empathie. Afluisteren van gesprekken en cyberaanvallen zijn dagelijkse kost, niemand weet nog wie verdacht is of te vertrouwen. De Krimaffaire, wapenhandel, spionage, machtsmisbruik door grote mogendheden en multinationale ondernemingen, zijn het raster waarop deze spannende roman werd geschreven.

Welke rol speelde Heidi Palt, Bolganov, Bergman? Is het wel waar dat Grete Maier aan een kortstondige ziekte is overleden? Wie of welke organisatie had de touwtjes in handen van het hele complot? Waarom had men een onderzoeksjournalist in het vizier? Niet verwonderlijk dat Prof. Dr. Rik Pinxten over dit boek schrijft ‘De auteur opent op een fijne manier werelden die buiten de gewone ervaring van de lezer vallen’.

Rode Lippen en onkruid leest zeer vlot en bezorgt de liefhebber van het genre, hoe tegenstrijdig het ook klinkt, heel wat spannende en ontspannende uren. 

Rode Lippen en onkruid, Hubert Van Lier, Uitgeverij Aspect, Soesterberg, 2020, ISBN 978 9463 3884 29

(Christina Guirlande)



Tussen glas & gordijn


Erna Schelstraete publiceerde twee romans: Koningin voor één dag (2013, Uitgeverij Van Halewyck) en Blauw is voor een meisje (2017, Uitgeverij Het Punt). In opdracht van de stad Oostende schreef ze Metamorfoxia, een theatermonoloog als hommage aan Raoul Servais, de pionier van de animatiefilm. Ze schrijft al meer dan 40 jaar gedichten, maar het was wachten tot 2019 vooraleer haar eerste dichtbundel het levenslicht zag: Tussen glas en gordijn, met beeldend werk van haar echtgenoot Roland De Winter. Het is hun eerste samenwerking op artistiek vlak, al zijn ze al meer dan vijftig jaar samen.

Voor alle duidelijkheid: dit is geen ‘bundel met illustraties’. Zowel de gedichten als het beeldend werk nemen hun eigen, zelfstandige plaats in, al hebben de beelden inspiratie opgeleverd voor de dichteres. Er is een bepaalde wisselwerking, maar het werk van de ene verwordt nooit tot illustratie bij het werk van de andere. Erwin Steyaert in zijn Nawoord: Wie zich wegens de conjugale achtergrond in de bundel aan harmonie van beeld en woord verwacht, komt bedrogen uit.

Het is niet alleen werk van haar echtgenoot die haar inspireert, zo zijn er gedichten geïnspireerd door Edward Hopper, Salvador Dali, Michaël Borremans, David Hockney en Rik Wouters en haalt ze Rosa Bonheur van onder het stof vandaan, de rebelse Franse dierenschilderes die als eerste vrouw de Légion d’Honneur kreeg.

Het werk van Roland De Winter - gespecialiseerd in diepdruk, naast tekenen met potlood en zilverstift, met een palmares van tientallen tentoonstellingen in binnen- en buitenland - baadt in een surrealistische sfeer. Niks is wat het lijkt op het eerste zicht, en dat maakt het nu net zo boeiend. Het is be- en vervreemdend en zit een flinke dosis spanning in.

En de dichteres? In elk geval leeft de dichter in de realiteit. Ze dialogeert met mensen uit haar heden en verleden, mediteert over de natuur of haar ambacht, interpreteert kunstwerken die haar beroeren. Daarbij streeft ze naar verstandhouding. Ze benoemt weliswaar de existentiële pijn.

Dat benoemen uit zich in een milde, verzoenende toon en dat levert mooi uitgebalanceerde gedichten op.

Als: Als je weggaat,/ ga dan niet als er nog sneeuw ligt,/ ze naait de wonden van ons landschap dicht,/ borduurt kapotte vezels/ met zacht wit garen.// Als je weggaat,/ ga dan niet in de kortste maand,/ je zou het jonge licht breken/ dat onstuitbaar valt door populieren/ blozend van lente groen.// Als je weggaat,/ ga dan op de langste dag,/ ga als zomer vol in ons stroomt/ als inkt op vloeipapier.// Of blijf dan.

Haak in, ik bel je nog vóór de dagen/ op hun langst zijn zo spoedig mogelijk/ terug. Maar nu ben ik er even niet lezen we in Coda, het laatste gedicht. Maar gelukkig is Tussen glas & gordijn er nog wel. Een zegen voor lezer en kijker, stelt Erwin Steyaert. We kunnen dat alleen maar bevestigen.

Tussen glas & gordijn, Erna Schelstraete (gedichten) en Roland De Winter (beeldend werk), Uitgeverij P, Leuven, 2019, ISBN 978 94 92339 97 3

(Roger Nupie)

Uiteindelijk


De betekenis van Wim van Til, oprichter en bezieler van het Poëziecentrum Nederland, voor de Nederlandstalige poëzie in Noord en Zuid hoeft geen betoog. Tien jaar na zijn vorige bundel verschijnt nu bij die andere steunpilaar van de poëzie in de lage landen, graficus Gerrit Westerveld en zijn uitgeverij Kleinood & Grootzeer, een nieuwe dichtbundel met de toepasselijke maar ook veel betekenende titel Uiteindelijk. Na het lezen en herlezen van de bundel openbaart zich die meerduidige betekenis van de titel, ondersteund door de wijze waarop Westerveld die grafisch heeft weergegeven op de kaft. Want het is veel meer dan alleen maar een verwijzing naar het lang uitblijven van een nieuwe bundel. Op de kaft is verticaal het woord uiteindelijk opgesplitst in zijn samenstellende delen: uit - einde - lijk. Het verwijst subtiel naar de thematiek van de bundel: de dood als een essentieel kenmerk van het leven, wiens onoverkomelijkheid telkens opnieuw moet verwerkt en aanvaard worden.

De openingsverzen zetten de toon en verwijzen meteen naar de dubbelzinnigheid van het gewone en het onbegrijpelijke van de dood: Die avond heb ik de dood omarmd. / Ze zat gewoon aan tafel in een restaurant / gebogen over een cijferpuzzel.

Aan het einde van de bundel in het Envoi wordt dan die ambiguïteit tussen begin en einde van het leven, waarmee gans de bundel doordrenkt is, geduid maar niet verklaard: het leven als een gescript toneelstuk, een indirecte verwijzing naar de bekende uitspraak van Vondel, die van Til meesterlijk verwoordt in die uitzonderlijk mooie verzen: zij is de tijd en van de tijd steevast het eerste uur / dat zich herhaalt in andere gedaanten / zij is de enige de eerste en de laatste, zij is niet hier, zij is / vervat in inkt, regieaanwijzingen, papier / haar spel is uit, het decor wordt verhandeld. Terwijl zij / het boek sluit, verlaat de souffleur zijn post.

Van Til heeft zijn bundel ingedeeld in twee delen. Een eerste deel van 18 schijnbaar op zich losstaande gedichten, maar die stuk voor stuk refereren naar de voorbije tijd van zijn jeugd en vergane plaatsen: Vandaag, op je geboortedag, een graf gegraven / in de tuin. Stenen gekraakte jaren in stilte gedijden.../...Toen er niets meer was, wat van je bleef / voorzichtig laten dalen tot afstand geen waarde / meer gaf. Toen heengegaan.

Een tweede deel van 26 sterk gestructureerde gedichten van telkens twee strofen, een eerste van vier verzen, een tweede van drie. Met het Envoi als afsluiting. In dit deel is de moederfiguur centraal, waar dat in het eerste deel de vader was. Maar elk gedicht in dat tweede deel maakt je langzaam toeschouwer in dat Vondelse schouwtoneel. Deze inhoudelijke verschuiving is tevens illustratief voor de subtiele wijze waarop de dichter de taal gebruikt om die inhoud te verwoorden. Via een ingehouden taalbeheersing en geraffineerde syntactische wendingen slaagt van Til erin om het ongrijpbare en het vluchtige tastbaar te maken om het dan meteen opnieuw te laten verdampen in een onbestemde en efemere waas van nostalgie en beschouwende droom. Hij laat zo leven en dood, schijn en wezen als het ware probleemloos in elkaar vloeien. Het is weinige dichters gegeven. Alleen al daarom is deze bundel een kleinood voor elke poëzieliefhebber.

Uiteindelijk, Wim van Til, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2020, ISBN 978-90-76644-99-8

(Richard Foqué)

Epitaaf voor een vader


Amina Belôrfs debuut Zonder het licht te breken verscheen net na de corona-lockdown. Dit was evenwel geen belemmering voor drie herdrukken en de aandacht die ze via sociale media en de media tout court kreeg. In ieder geval meer dan met debuten doorgaans het geval is. In het boekje vertelt ze het verhaal van haar vader én verwoordt ze het verdriet om het verlies van haar vader. Dat laatste maakt haar debuut broos en ontwapenend. Er is nergens sprake van pose, niets wordt geveinsd.

Haar vader: hoe die Marokko verliet om in niet altijd optimale omstandigheden in de Limburgse mijnen te gaan werken totdat die gesloten werden. Hoe hij zich via allerlei, eerder onwaardige jobs uitslooft om zijn uit zeven kinderen bestaande gezin te onderhouden. Dit in een maatschappij die hem au fond niet echt waardig acht, noch naar waarde schat. Later wordt hij door de ziekte van Altzheimer belaagd waaraan hij na een aantal jaren bezwijkt. Met deze tekst brengt Belôrf dus een hommage aan en bouwt ze een epitaaf voor haar vader op. Maar in dit boekje wordt ook de moeder geportretteerd. We leren een kranige, moedige, bewonderenswaardige vrouw kennen. Met gevoel voor humor.

Het lijdt geen twijfel dat we hier te maken hebben met een ontroerend ‘document humain’. De auteur komt in deze teksten een aantal zaken te boven. Het lijkt een soort rouwverwerking. Ze levert een gevecht voor menselijke waardigheid en erkenning. Ze gaat expliciet xenofobie en dergelijke te lijf en maakt hiermee een politiek statement. Ik schreeuw tegen u/ik schreeuw tegen u/tot mijn adem op is/en niet kan vatten/ hoe ongelijkheid zich/in uw systemen/ heeft ingebed/dagelijks zie ik hoe angst/ de voegen van de straatstenen bezet/paracommando’s op elke straathoek/ als was liefde met geweld te verkrijgen.

Alles goed en wel. Zeer verdienstelijk. Maar brengt Belôrf ook poëzie? Of heeft dit boekje enkel maar als getuigenis waarde? Is er sprake van een literaire meerwaarde? Belôrf zelf heeft het over een ‘poëziebundel’.

We lezen prozastukken en verzen. De verzen hebben een expressief karakter, zijn vanuit de emotie (vanuit het hart) en zonder ornament geschreven en dienen van daaruit worden gelezen. Soms gebeurt dat direct zoals in het gedicht Antwerpen, waaruit ik daarnet citeerde. Maar vele gedichten geven ook blijk van teergevoeligheid en verstilling: alles wordt ondernomen om het licht in de taal zomin mogelijk te breken. Ter plaatse kousenvoeten/omdat omhoog omlaag/de aarde raakt/rug recht//Licht uit.

Bijzonder interessant evenwel zijn de prozastukken: hoe die zich langzaamaan transformeren tot heuse prozagedichten – of hoe je het ook noemen wilt. De eerste stukken zijn narratief, van een bijna journalistieke afstandelijkheid. Een tekst als Spiegels heeft de allure van een column. Later in deze verzameling staat drie overtuigende prozateksten die het prachtige hoogtepunt van het geheel vormen: Zuurstofarm, Ontvouwen en Generatietranen die elk blijk geven van een (oraal-geritmeerde) dynamiek en waarin Belôrf (die we vaak voor de micro zien), al haar talige potenties de vrije loop geeft.

Zonder het licht te breken, Amina Belôrf, Mammoet (imprint van EPO), Berchem, 2020, ISBN 9789462672116

(Alain Delmotte)          

 

Het failliet


Arnoud van Adrichem debuteerde in 2008 met de dichtbundel Vis (Hugues C. Pernathprijs 2009,  Charlotte Köhler Stipendium 2009), in hetzelfde jaar gevolgd door de bibliofiele bundel Buiten. In 2010 verscheen Een veelvoud ervan (genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs 2011) en, samen met Jan Lauwereyns, Stemvork, een bundeling essays, gedichten en vertalingen. In 2015 publiceerde hij zijn derde dichtbundel, Geld. Een jaar later bracht het duo Lauwereyns-van Adrichem de dichtbundel Het riool uit. Arnoud van Adrichem is lid van de kernredactie van DW B, medeoprichter van De Reactor, een Vlaams-Nederlands platform voor literaire kritiek en was tien jaar lang hoofdredacteur van literair tijdschrift Parmentier.

Het bedrijf waar Arnoud van Adrichem voor werkt wordt failliet verklaard. Om aan zijn schuldeisers te ontkomen verblijft hij op een eiland of laat hij zich opsluiten in een atelier. In gedachten gaat hij dagelijks naar kantoor om plaats te nemen achter zijn bureau. Wat dit alles met een mens doet en welk emotioneel gevecht dat oplevert, daarvan lezen we de neerslag in de bundel Het failliet. Ik weet alleen/ dat we bankroet zijn// en gefilmd worden. De bundel leest als een soort filmreportage, waar je als lezer willens nillens bij betrokken raakt. Wij lichten het deksel om/ je bankroet te zien.

Ik ben klaar voor mijn close-up. De wallen en rimpels. De moeten en groeven. De pukkels en butsen. Laat het allemaal maar zien. Woorden maken krassen, op alle foto’s rode ogen. Dit is een film, geen foto.

Tarantino zou hier benzine bij gebruiken. Misschien een ijspriem, een ijzerzaag. Een simpel scheermesje. Zet er muziek onder en alles krijgt betekenis. Ik wil dat het bloed zo rood is dat het zwart wordt. Jij vindt dat sinister.

Deze lijvige bundel (142 pagina’s) bestaat uit bladzijdenlange gedichten (Schelp, Verf, Fles) - de laatste twee lezen als een dialoog (Ik wil tekst met je) - afgewisseld met korte fragmenten in de vier cycli Strandscènes.

Van de gedichten Kennissen en vooral Maren gaat een hypnotiserende kracht uit. Uit deze laatste, die we best als een soort litanie kunnen omschrijven:

We hoorden dat een schrijver de lezers krijgt die hij verdient. Jij hoorde dat alle kunstenaars schoften zijn. Ik hoorde dat ik moet stoppen met drinken omdat ik anders onmogelijk ben om mee samen te leven. We hoorden dat je moeder ’s ochtends vroeg in haar nachtjapon over de snelweg doolde in de hoop dat een auto haar zou scheppen. Jij hoorde dat ze bij de crisisdienst belandde. Die mare doet de ronde, maar ik hoorde dat ze niet waar is. (…) Jij hoorde dat ik geen olifant ben, maar een steenmarter. Ja, dat hoorden wij ook en we schrokken er een beetje van.

Geruïneerd? Ik?/ Blut en gebutst misschien, maar/ nog kredietwaardig. Zijn bedrijf mag dan failliet verklaard zijn, deze literaire revanche van de dichter levert winst op: de poëzie van Arnoud van Adrichem is springlevend. Sommige woorden vragen erom.

Het failliet, Arnoud van Adrichem, Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2020, ISBN 978 90 254 5802 7

(Roger Nupie)

Innerlijk gewoel


Een midlifecrisis, een gespletenheid die zich ontvouwt vanuit een zucht naar eerlijkheid? Wie zal het zeggen. Uit Nachtlus, het poëziedebuut van Jeroen Messely (1978), komt in ieder geval een weinig harmonieuze persoonlijkheidsstructuur naar voren. De dichter worstelt met wat achter hem ligt en draait zich daarbij gretig door de wringer van de taal. En die wringer is niet lullig. Messely blijkt over een welhaast onbeperkte metaforen-lenigheid te beschikken.

‘Ieder vers is een gevecht tegen de herhaling’ staat er op de achterflap te lezen. De vraag dringt zich op of in dit geval hinderlijke herhaling afdoende is bevochten. Waarom moet de lezer zo overdadig en indringend met innerlijk gewoel behept worden? Het gevaar van veel van hetzelfde moet je vermijden.

De dichter schudt met dit debuut een aantal levens van zich af. Zo waren er bijvoorbeeld zijn onbedaarlijk recenserende alter ego Achille van den Branden, zijn relatie met een vrouw en zijn voorbij gegane jeugd.

De prangende onrust die de rode lijn is door alle gedichten wordt opvallend vaak met beeldende kunst verbonden. Zo is er een cyclus van maar liefst twaalf gedichten gewijd aan het werk van de Amerikaanse fotograaf van street life Garry Winogrand (1928 – 1984). Messely put zich uit in beschrijvende beeldspraak: (taal) beelden bij (foto) beelden. Een hachelijke onderneming. Om tot een oordeel te komen over de toegevoegde waarde van deze gedichten zou je in de bundel een aantal  weergaven van de behandelde foto’s verwachten. Nee, dus.

Niet als een vis.

Je beweegt als een steen in de rivier.

Verdwijnt als een spion in de horde.

In de incoherente cohorte die je vizier doorboort.

De goede banen laten zich niet herscheppen, ziften.

Je locomotief rijdt loom spook

in een collectief van einzelgängers.

Als de dichter zichzelf meer tot onderwerp maakt, dan zijn de gedichten het sterkst. Vooral in het begin en aan het eind van de bundel zijn voorbeelden te vinden.

Steeds vaker herkadreert

het voormalig kind de wereld

nadat het benaderen van

een andere planeet die eerst

enkel parallel leek nu

helemaal buiten bereik blijkt.

Deze bundeling is, wellicht als reactie op het door Jeroen/Achille jarenlang analyseren van het werk van anderen, te veel een etalage van stilistische vaardigheden geworden. Het overvloedig uitwijken naar poëzie bij beeldend werk en het te frequent indrukken van het metaforen gaspedaal werken nadelig uit. Maar Messely heeft toch veel in zich om een intrigerende en trefzekere dichter te worden.

hecht na verloop van tijd de wonde als de niet-steriele stalen

naald van verlopen liefdesbanden zijn pijn door je neus boort.

Zo staan er nog meer mooie strofen her en der in deze volgeladen bundel.

O, soms dramt mijn droom door in fast forward.

Dan wordt mijn kunde bekroond noch verzilverd.

Besprekers? Tuig van de richel. Hun vonnis? Vullis.

De president van de prijs van de jury? Een nitwit.

Kijk, dat leest een recensent graag. En nu met strakke regie en beheersing op naar de tweede bundel.

Nachtlus, Jeroen Messely, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2020, ISBN 978-90-254-5946-8

(Erick Kila)

Voorleesbundel in groot lettertype


Hoe fraai poëziebundels vaak ook uitgegeven zijn, een klein lettertype maakt het de lezer niet altijd makkelijk - ijverige recensenten al evenmin. En er is meer: dichters die om wereldroem te vergaren het podium bestijgen, zijn maar al te vaak genoodzaakt hun pennenvruchten in een groter lettertype uit te printen om niet met de wijsneus op het papier te moeten declameren.

Maar, hoera, Kees Godefrooij heeft dit euvel voor eens en altijd verholpen. De gedichten in zijn Voorleesbundel staan er, bladspiegelvullend, in GROOT! lettertype; de kortere gedichten zo mogelijk nóg groter. Handig voor de dichter om eruit voor te lezen, en dat was precies de bedoeling: Kortom, het is de bundel die ik meezeul als ik een podium beklim. Over deze 311 pagina’s tellende kanjer zegt hij: Deze uitgave koester ik omdat het de meest recente versies zijn van mijn gedichten. Het zijn ook de gedichten die ik het liefst voordraag.

Het was het eerste kwatrijn van een gedicht van Charles Baudelaire dat de poëzie in Kees Godefrooij ontketende, wat resulteerde in sonnetten en vrije verzen. De thema’s? Vooral erotiek, ontrouw en liefde: Want liefde is/ een mengeling// van ietwat hemel/ ietwat hel// je spartelt als/ een drenkeling// tussen de engel/ en de del. Aan diezelfde Charles Baudelaire wijdt hij trouwens ook een gedicht: (…) hij leefde aan de oevers van de Lethe/ waar vrouwen syf schonken in ruil voor zaad/ als waren zij de bloemen van het kwaad/ van zoete folter leek zijn geest bezeten. 

Mogen we Godefrooij, van wie eerder de bundels Rouge Noir en Amoureuze mechanieken verschenen, er van verdenken een spelletje te spelen met de lezer als éénzelfde gedicht tweemaal in de bundel voorkomt met een verschillende titel? Miauw en PsssPsssPsss…: Hij heeft haar met/ wat melk gevangen// nu ligt ze in/ d’r blote kont// met van die roze/ klaarkomwangen// tevreden ook dept/ hij zijn mond.

Wie houdt van erotische poëzie komt hier stevig aan zijn… trekken, maar ook over het dichterschap en de poëzie wil Godefrooij wel wat kwijt: Dichter: Beland in de/ Bermudadriehoek van// slechte vrouwen, goedkope/ wijn en mooie// regels, plukt hij de dag/ zoveel hij kan// al kent zijn pen/ de stijfheid van een dooie.

Een zolderkamer is zo gek nog niet: Wil een dichter in files staan/ met overvolle treinen reizen/ om voor zijn poëzie te gaan?// Of scholen bezoeken/ in nieuwbouwijken// die zelden of nooit/ de bouwkunst verrijken?

Ha!: In huizen waar/ de onrust woont/ waar menigeen/ zijn biertje lept/ en eerlijkheid/ zich nimmer loont/ daar wordt gewoonlijk/ flink gemept// het gekke mokkel/ constant stoned/ dat zich met films/ van Johnny dept/ een eentje die hier/ rijmt en hoont/ genoegen in dit/ drama schept.

En hoe moet het verder met de dichter? Intussen hoop ik op een nieuwe orde/ en draag ik voor, voor wat wijn en een zoen.

Deze nieuwste van Kees Godefrooij levert heel wat lees- én voorleesplezier op.

“Vurrukkulluk”, zou Remco Campert zeggen.

 Voorleesbundel, gedichten, Kees Godefrooij, Stichting Spleen, Amsterdam, 2020

 (Roger Nupie)

 

De discipline van het impliciete


Als poëzielezer kan je nooit alert genoeg zijn. Zo las ik de titel van de nieuwste bundel van Erick Kila eerst als Syllaben van verdwijnen. Pas later drong het tot mij door dat er ‘verdwijn’ staat, niet ‘verdwijnen’. De laatste syllabe ontbreekt: het leek of de titel zichzelf waar wou maken. Het woord ‘verdwijn’ bestaat enkel in de gebiedende wijs van ‘verdwijnen’. Waarmee een dubbelzinnigheid ontstaat: alsof er sprake is van een hoogdringendheid, iets dat bezworen moet worden. In de bundel zelf vallen de woorden ‘schrik’ en ‘angst’. Voor de dichter bieden woorden als woorden, werkelijkheid en waarheid noch zekerheid noch houvast: ze dwalen in de tijd op zeeën onbestemdheid van vroeger gaat de twijfel je tegemoet. Die twijfel richt zich op het bestaan zelf: niets bestaat echt/even, even is er. Het voorbijgaan laat besef na.

Door de hele bundel is de lezer getuige van dat verdwijningsproces. Wat is er uit Kila’s gedichten verdwenen? Alles wat aanleiding zou kunnen geven tot fiorituren. Geen uitweidingen, geen confessies: gedichten tot hun essentiële kern teruggebracht. Bijzaken ontbreken. Het narratieve wordt vermeden: want verhalen, ze zijn niet waar, het zijn resten na het vergeten. De gedichten maken bochten rond het expliciete en het anekdotische. Het expliciete is weg-geërodeerd want een deel van de werkelijkheid is immers verloren.

Wat blijft er dan in en van de gedichten over? Het taalstaketsel. Sommige gedichten worden gereduceerd tot een handvol woorden, los van enige syntaxis. Zoals in Jazz & de steen van de wereld:


laden, vuren

afzien van hapering in

klanktijd

steeds een leegte vol, 4 tellen

prik in steen van wereld

niet bedacht

tegendroom

stroom

tegen

Opvallend in dit gedicht is het ‘tegenstroomse’ – het verweer. Een karaktertrek die onderhuids in vele gedichten een plaats vindt. Wat nog overblijft is datgene wat poëzie waarschijnlijk in essentie is: de discipline van het impliciete. Al gebruikt de dichter hiervoor andere formuleringen: alleen het ongenoemde is nog/duidelijkhet verhulde verraadt zich/in gevoel van peilloze diepte - het woord (…)/(…)herinnert zich mist/ en licht/ een rimpeling in ragfijn/iets.

Concreet registreert het gedicht wat overblijft van het ooit aanwezige: de mentale residuen van wat ‘tijd’ is geweest, wat er in het geheugen over die tijd nog is terug te vinden: …brokkelige resten/in verbijstering, passages door een vervlaagd moment. De notities van het verleden (verleden is notitie). De ‘denksporen’.

Denken is een sleutelwoord in deze bundel. Geen cartesiaans, berekend denken (cogito ergo sum): de dichter stelt er zich in een antinomie tegenover op. wij hebben nergens op gerekend/zelf zijn wij er niet/wij denken. Denken, het komt van alle kanten. Het is een denken in beweging (gedachten in verschuiving), een organisch denken: de ingewanden denken. Het is evenwel geen helder denken: het zijn vaak duistere gedachten die opwellen. Duisternis en schaduwen die een grens trekken: die van het vergeten, het ongewisse, het vermoedelijke impliciete.

Met deze verdwijn-gedichten schenkt Erick Kila de alerte lezer een magnifieke bundel.

Syllaben van verdwijn, Erick Kila, Bordeauxreeks nr. 56, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2020, ISBN 978 94 92519 51 1

(Alain Delmotte)

En niet bij machte

 

J.V. Neylen publiceerde haar gedichten in diverse tijdschriften, waaronder De Revisor, Het Liegend Konijn en Hollands Maandblad. In 2017 ontving zij de VOCATIO-beurs voor jong talent. Juni 2020 verscheen haar debuutbundel En niet bij machte, uitgegeven door Atlas Contact. De kartonnen kaft heeft de weldadig sobere uitstraling van een werkcahier, met een lichtbruine voorkant en een grijsblauwe rug en achterzijde. In zijn omslagontwerp speelt Melle Hammer een typografisch spel met de titelwoorden, in luchtige kapitalen, terwijl de naam van de auteur klein, zwart en compact wordt weergegeven. De dichter kiest ervoor om het bij één letter te laten wat haar voornaam betreft; dat zij bijvoorbeeld Jenny of Joke heet is dus niet relevant. Op sociale media zoekt men ook vergeefs naar personalia en biografische gegevens.  In die zelfgekozen anonimiteit ervaar ik een ernst, die zich in haar poëzie blijkt voort te zetten in de vorm van gedrevenheid en compromisloze zelfanalyse.

De bundel bestaat uit achtenveertig gedichten, ondergebracht in drie hoofdstukken, Grondmens, Geometrie en Barok. Geometrie is onderverdeeld in Ochtend, Middag en Nacht. Nacht bevat onder meer twee en vier bij elkaar horende en genummerde gedichten. Barok bestaat uit twee clusters, Harnas en kegelrok en Marionet. Het geheel wordt door een gedicht voorafgegaan en besloten. Het openingsgedicht is voorzien van een cirkel, het slotgedicht van een lemniscaat. Zij moeten symbool staan – vermoed ik – voor het niets, respectievelijk de oneindigheid. Deze ver doorgevoerde ordening interpreteer ik als een poging van JVN om de sluimerende losbandigheid van haar poëzie in het gareel te houden, of op zijn minst tegenwicht te bieden.

Een vrouw met lippen als vlammen,/ bloemen slapen in haar armen. Ze kust// zichzelf tot gloed, een paspop grijnst haar toe.// En jij, met je faraohanden, hoe zwol de wereld/ toen een schaterlach van het fietspad gleed/ recht in de kom van je handen. (Het glanst als een muntstuk)

De gedichten zijn niet van een titel voorzien. In die zin zijn ook zij anoniem. In de index worden zij aangeduid met hun eerste woorden.

Een stijlfiguur die de dichter veelvuldig gebruikt, is het afbreken en laten doorlopen van een zin in de volgende strofe. Een korte leespauze die een momentje van spanning oproept en extra aandacht vestigt op wat komen gaat, zoals bij het omslaan van een bladzijde? Of laten weten: niets is ooit afgerond?

Aangename verrassing: een variant op Het Huwelijk van Willem Elsschot, nu vanuit perspectief van de echtgenote:

Zij zweeg en trok naar binnen toe, waar zij klein/ en overzichtelijk werd. Zij kon niet meer/ naar buiten keren, kon niet meer/begeren en liet de tijd de vonken uit haar ogen doven. // …// En wanneer zij rillend een kop thee naast zijn hart had gezet/keek zij smekend als een stervend paard. De eens rode woede/ in haar gezwollen gelaat was doorschijnend blauw geworden. (Zij zweeg)

Het slotgedicht, aangegeven met die lemniscaat, bevat een slotsom en een voornemen. Zodat we toe kunnen leven naar de volgende bundel! 

En niet bij machte, en niet in staat/ met rechte rug je kromme tijd te belopen. /
…..het oog ziet, het oog zwijgt. Je manier van lachen heb je van hen afgekeken – doe nu maar mee/of niet. Word voor mijn part de nacht//maar begin. En kijk niet met dit oog dat weigert te bestaan. 
(Begin)


En niet bij machte, J.V. Neylen, Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2020, ISBN 978 90 254 5787 7

(Will van Broekhoven)

 

Het stad in Maud


Is het de dichter die bepaalt wanneer een tekst een gedicht kan worden genoemd, of is dat de taak van de lezer? Dat vraagt Maud Vanhauwaert zich af in Het stad in mij, een boek dat bol staat van Maud Vanhauwaert en haar blik op de wereld, haar beleven van poëzie: De poëzie, zij is geen genre / maar een label // het is niet de dichter die haar schrijft / maar de lezer die haar strijkt // voorzichtig op de kraagjes / van wat hij niet kan vatten // maar zo graag aan wil doen.
Onder de mensen die zich te eniger tijd stadsdichter van Antwerpen mochten noemen was zij, na Joke van Leeuwen, pas de tweede vrouw. Haar passage is beslist niet onopgemerkt gebleven. Op diverse plaatsen in Antwerpen liet zij haar werk achter in de openbare ruimte. Nou deden ook haar voorgangers dat. Een gedicht van Tom Lanoye bijvoorbeeld sierde de Boerentoren, en een van Joke van Leeuwen de voetgangerstunnel. Monumentale teksten dus. Vanhauwaert wist ook monumenten in te lijven, naar haar hand te zetten: het Havenhuis van Zaha Hadid, en de toren van de Onze Lieve Vrouwekathedraal (Al eeuwen waak ik over alle daken [….] / stel ik een vraag die niemand kent). En op nog veel meer plaatsen in ’t stad (zoals inwoners Antwerpen noemen) drukte zij haar merkwaardige poëtische stempel.
Het stad in mij is beslist meer dan een overzicht van de verzen die zij als stadsdichter in functie heeft geschreven. Het is een smakelijk bladerboek waarin ook teksten zijn opgenomen die de dichteres eerder debiteerde tijdens bijvoorbeeld performances, of het licht deed zien in bibliofiele uitgaven. Daarenboven zijn er vele, vele illustraties.
Poëtische spring-in-’t-veld Maud Vanhauwaert wist van geen ophouden, en bracht behalve eigen werk ook poëzie van illustere verre voorgangers als Hendrik Conscience en Paul van Ostaijen onder de mensen. Ook actief waren haar voorleessessies op het Conscienceplein, waar ze passanten vroeg of ze hun een gedicht mocht voorlezen.
Je zou gedacht hebben dat een vergelijking met illustere eerdere stadsdichters als de hierboven genoemde en de eveneens niet voor het grote gebaar terugdeinzende Ramsey Nasr en Peter Holvoet-Hanssen gedoemd was om te haren nadele uit te vallen, maar ze kreeg menigwerf bijval, zelfs van lieden van wie men eerder de indruk krijgt dat alle poëzie voor hen identiek is. Haar installaties sprongen in het oog: de opblaasbare en leeglopende ballonletters die de vergankelijkheid van de macht verbeeldden, haar Toren van Babel die stond voor de vele talen (Thuistalen van verre oorden waar wij zelf de zonderling zouden zijn) die in de Scheldestad klinken. Vanhauwaerts stadsdichterschap was een geslaagd, vertolkte […] gaandeweg // de blote ziel van de stad, en verdient het om – mét al die andere woorden die ze voor ons isoleerde – nageslagen te kunnen blijven worden in dit kloeke (dik 350 bladzijden tellende) boekwerk. Een compliment moet er zeker ook af voor Jelle Jespers, die tekende voor de hoogst originele vormgeving ervan.

Het stad in mij, Maud Vanhauwaert, Uitgeverij Das Mag, Amsterdam, 2020, ISBN 9 789493 168091

(Bert Bevers)

De omtrek van water

Op 7 maart jongstleden werd in Bibliotheek Oostende de meest recente gedichtenbundel van Philippe Cailliau ten doop gehouden, De omtrek van water. Bij die gelegenheid gaf Alain Delmotte een zeer doorwrochte beschouwing die ik van harte in uw geconcentreerde aandacht aanbeveel. Hij is integraal te lezen op de site www.dighter.blogspot.com. De bundel werd degelijk en aantrekkelijk vormgegeven door Kleinood & Grootzeer. Het is Cailliau’s elfde en, na Het boek nul, Niets verloren en Tot de stenen wortel schieten, de vierde achtereenvolgende bij deze uitgever.
De gedichten zijn geordend in drie cycli. De eerste, Gulzig water, sluit het meest aan bij de intrigerende titel. In elk van de 25 gedichten handelt het om water in enigerlei vorm: zee, meer, bron, plas, dauw, druppels. Of elementen die bij water horen, zoals eiland, vis, schubben. In alle gedichten, ééntje uitgezonderd vinden we het woord ‘water ’terug. Als antipoden gelden land, vuur, as, droogte, smeulen, rook. Water heeft op zich geen omtrek, alleen datgene waarin water wordt vastgehouden. Water komt in steeds veranderende golvenpartijen aanrollen. Al stromend verandert het voortdurend van gedaante. Tot overmaat van ramp is het ook ons waarnemende bewustzijn dat onophoudelijk stroomt. Valt de werkelijkheid dan nog te vatten, laat staan in woorden uit te drukken? Daar hebben we nu poëzie voor. Onze gangbare ervaringspatronen bevinden zich hier op glad ijs. Ons vertrouwde idioom leent zich slechts voor metaforisch gebruik om een niet vertrouwde en moeilijk te benaderen werkelijkheid te beschrijven.
De cyclus opent niet met het titelgedicht, maar meer basaal: Alles begint bij het water. Ik citeer de veelzeggende slotstrofe: Niets gaat terug en niets is ongewild./ Uiteindelijk wordt alles lichte as./Begint hier water, eindigt land/ waar oude mensen perkament,/ waar mondig kind zichzelf embryonaal/vertelt dat het geboren wordt.
In het titelgedicht lezen we: Waarom heeft water ieder uur een andere/kleur, een nieuwe geur, waarom verschuift/in elk gezicht een nieuwe rimpelkaart?
De tweede cyclus, Niets is argeloos, beslaat acht gedichten, waarvan het tweede drie volle pagina’s lang is. Het heet Onzegbaar koud en beschrijft nu eens een realiteit die ons maar al te vertrouwd voorkomt en toch, in zijn gruwelijkheid namelijk, niet te bevatten is. Een medisch experiment met concentratiekampgevangenen. In het volgende gedicht vindt de gruwel een echo. Brussel 22 drie. Zaventem en metrostation Maalbeek. Het eindigt aldus: Geen mens zichzelf de rug toekeert./Vergeven is de kunst van de tragiek. En niemand,// niet iemand die vergeten wordt. De andere gedichten van de cyclus ademen juist een vredige, contemplatieve sfeer.
De derde cyclus, Topografie van de stilte, is net als de eerste duidelijk thematisch. Hij bestaat uit zes gedichten, die deze keer niet gaan over de ongrijpbare werkelijkheid, maar over het dichten zelf dat evengoed een vorm van zwijgen als van spreken kan zijn. Aldus is hij de Zwijger van zijn taal./ Men hoort hem niet, geluiden/ breken in zijn mond. En: Zelfs als hij stil onhoorbaar/sluipt is hij rebels, is hij/de Zwijger die betekenissen/ in zijn mond ontwerpt.

Omtrek van water, Philippe Cailliau, Uitgeverij Kleinood en Grootzeer, Bergen op Zoom, 2020, ISBN / EAN 978 90 76644 95 0

(Will van Broekhoven)

Graven in het kwetsbare


Zo’n honderdvijftig pagina’s gedichten telt Hemelingen, de nieuwe bundel van Koen Stassijns (Ninove, 1953). De bundeling werd, volgens de flaptekst, lang verwacht. De vorige, Zwijghout, dateert van 2000.
Stassijns’ poëtische productie van de laatste twee decennia haakt aan bij de weinig opwekkende thema’s ‘dood’ en ‘verlies’. Door middel van de herinnering probeert de dichter zijn pijn als het ware te vangen in taal. Het is een poging om wat diep verborgen zit te objectiveren.
Bij het graven in kwetsbare en heftige emoties passen matigheid en soberheid. De lezer moet ruimte krijgen. In Hemelingen pakt het niet goed uit. Stassijns’ palet aan beeldspraak wordt, in combinatie met zijn register aan zintuigelijke gewaarwordingen, al te overvloedig duidelijk. Er is heel veel van hetzelfde. Daar kleeft iets zelfgenoegzaams aan. Wel jammer, want Stassijns kan sterke en ontroerende gedichten schrijven.
Onmatigheid vinden we in de kwantiteit, de weergave van seksuele genietingen, het grijpen naar beeldspraak en het behandelen van persoonlijke trauma’s. ‘Kan het niet een onsje minder’, denk ik dan en ‘Ja, we weten nu wel dat je kunt allitereren en metaforeren’. Het omvangrijke geheel aan zwarte herinneringen, erotische ontspanningsoefeningen en ‘mental cases’ is te particulier. Het dringt zich te zeer op.
Klaarkomen in b&b surplace heet een van de gedichten. Het klaarkomen zal zeker belangrijk zijn voor de vitale senior, maar ik hoef het niet te weten.  
De ‘hemelingen’ uit de titel zijn de doden die in het geestelijk domein van Stassijns een rol spelen. In positieve of negatieve zin zijn ze aanwezig. Sommigen worden door de dichter ongenadig aan het kruis genageld, anderen worden enigszins mild en  met weemoed beschouwd. Achter veel van de hemelingen gaat voelbaar een sfeer van tragiek schuil. In gedichten over de ouders komt deze sfeer ingehouden en overtuigend tot uitdrukking.

Genesis 1

Ik ben verwekt op de koudste dag van het jaar,
en geboren toen de prille najaarszon de laatste
zoetheid stuwde in de druiven. De eerste blaren
bruinden en vielen almaar hulpelozer neer.

Mijn moeder droeg me gelaten en rigoureus.
Ze had geen keus. En ik werd de derde van zeven.
Geen enkele herinnering aan haar draag ik
als een liefdevolle ring rond mijn leven.

Mijn vader vervaagde uit het beeld van elke dag.
Hij loste op, voerde een heroïsch gevecht, roerde
medicijnen in elkaar en trachtte te genezen
terwijl hij ons daarbij vergat. Wij werden wezen.

Het woord ‘zelfmoord’ werd een refrein. Moeder
zong het ieder seizoen, en later aldoor vaker.
Ze sloot zich op en slikte dan de dodelijkste pillen.
Ik hoor haar janken nog, een lamgeslagen hond.

Mijn ouders werden wilde dieren voor elkaar.
Alles wat waar was geweest en klaar, was verkeerd
in een strijd op leven en dood. Ik zag het aan,
en besefte dat ik de liefde nooit heb geleerd.

Waar Koen Stassijns alleen sober verslag doet, overtuigt hij moeiteloos. Zijn ‘hemelingen’ hebben niet meer dan dat nodig om te schrijnen en te intrigeren.

Hemelingen, Koen Stassijns, uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2019, ISBN 978-90-254-5834-8

(Erick Kila)

Juist wat je niet zegt


De poëzie van Margreet Schouwenaar staat borg voor vakmanschap. Actief en productief als schrijver van kinderboeken en dichtbundels, bouwde ze in de loop der jaren een benijdenswaardige reputatie op. Haar laatste bundel De overmaat van ontbreken bevestigt die. 
Verlangen op allerlei fronten (en de daarbij horende antinomie, ‘de overmaat van ontbreken’ die het gemis is), nood aan verwondering, confronterende ontnuchtering, maatschappelijke betrokkenheid, verontwaardiging: motieven die we in dit en ander werk terugvinden. Existentieel getinte poëzie waar geen plaats is voor grote mirakels – die komen pas later (wellicht als het al te laat is).  Poëzie met een lyrische en warmbloedige ijver geschreven. Gedichten die een neiging tot breedvoerigheid vertonen maar die nooit tot langdradigheid of pathos leiden. De verdichting valt op. Dit wil zeggen dat veel voor een groot deel impliciet blijft.
Op het maken van illusie betrappen we deze dichter niet. Ze getuigt van een lucide realiteitszin: De werkelijkheid is zo ver: geen brug leidt/naar feiten, getallen of de lekke waarheid, laat/staan naar het harde bed van verwantschap. Ontbreken maakt deel uit van de werkelijkheid. De werkelijkheid is het ontbreken zelf. Gevoelsmatig neigt ze daarom af en toe naar het melancholische, in geen geval nooit naar het lethargische, al schrijft ze moe van de tijd te zijn. Veel gedichten dragen in hun eb en vloed herinneringen met zich mee. 
Voor Schouwenaar is poëzie een manier om zich naar de wereld toe te schrijven. De woorden duwen haar voort, al stelt ze zich sceptisch op ten aanzien van de woorden.  Ze beseft dat die niet altijd volstaan, vaak zonder bestemming of bereik blijven: Wat een gebrek aan woorden, zwijgend/schuiven zij ontwricht als een gezin/aan tafel. Wil je de betekenis even doorgeven? / Niemand reikt. Heel wat in deze bundel speelt zich op het draagvlak van het spreken versus het zwijgen op. Het mooie van een gedicht is juist wat je niet zegt/juist het zwijgen dat de engte van haast-begrijpen/bepaalt en het reiken Of variërend: Taal is de zin die/we geven, zodat we niet hoeven te begrijpen.
Het betreft een vrij lijvige verzameling met één introgedicht en zeven cycli die evenveel verschillende gezichtspunten en stilistische middelen impliceren maar waarbinnen het geheel zich toch een thematische eenheid aftekent.
Ik sta even stil bij de cyclus Berichten naar. Een knap werkstuk lijkt me. Uit de titel spreekt al de gesignaleerde nood naar ‘bereik’. Vijf gedichten die een soort brieven zijn naar respectievelijk ‘een weg’, ‘de zee’, ‘een minuut’, ‘toen’, ‘een eenzaamheid’ en ‘mijn moeder’. Deze gedichten vertellen verhalen over de tijd al zijn ze niet eenduidig. Al de verhalen hebben hun raakpunten binnen die zes gedichten en culmineren op een fugatische manier in het laatste, mooie gedicht mijn moeder. De verhalen zijn tot één punt terug te brengen: (…)op dat punt waar alles/wordt herhaald en begint, zodat we, we,/bij de weg, de weg naar het huis dat niet/meer bestaat, uitkomen?

De overmaat van ontbreken, Margreet Schouwenaar, In de Knipscheer, Haarlem, 2019, ISBN 9789062657865

(Alain Delmotte)

Tot ze koud is


De dubbelbundel Tot ze koud is van Luc C. Martens en Steven Van Der Heyden ziet er aantrekkelijk uit. De kaft is fraai geïllustreerd door Jesse van Gompel. Voor Luc C Martens is het zijn vierde bundel, na Hoop op stille muren (2012), Tussen Arend & Schildpad (2015) en Stad van alle seizoenen (2019). De laatste bevat gedichten die hij schreef als stadsdichter van Deinze. Steven Van Der Heyden publiceerde in 2014 het dicht- en kunstboek Klein geluk, klanken van een hongerende ziel. In 2017 schreef hij in alliantie met kunstenares Katrin Dekoninck Breath, een ontmoeting tussen woord en beeld. Bij de presentatie van Tot ze koud is, op 1 februari, las Yves T’Sjoen een diepgaande analyse voor, die je kunt lezen op de site luccmartens.be.
 De bundel is zo ingedeeld dat hij de lezer getuige laat zijn van een interactie tussen twee zielsverwante dichters, met elk zijn eigen stijl. Dat creëert een dynamische chemie, die alleen maar verstoord kan worden wanneer je als lezer toegeeft aan een ingebakken neiging om de dichters met elkaar te vergelijken. Ieder deel bevat tien gedichten. Het eerste deel, Tot zij een godin is, bevat tien gedichten van Luc C. Martens. In het tweede deel, Ik ben het die wegsluipt, zijn beide dichters aan het woord, in een ogenschijnlijk willekeurige, maar weloverwogen volgorde. Het derde deel, Wie zal ons bewaren, is helemaal gereserveerd voor Steven Van der Heyden en het vierde, Tot ze koud isn biedt weer plaats aan allebei. Ieder deel is voorzien van een of twee poëtische ‘twoliners’. Luc C. Martens: In jou kan ik niet wonen/er zijn teveel nooduitgangen. Steven Van Der Heide: Dit zijn we geworden: twee mensen die hun best doen,/ een handdruk die een omhelzing had kunnen zijn.
Het werk van Luc C. Martens heeft in deze bundel de liefdesrelatie tot thema. Soms is de toonzetting teder of hartstochtelijk. Maar vaker nog gaat het om gespannen relaties waarin vrouwen worden geprostitueerd, misbruikt, bedrogen. Relaties die hen woedend, verbitterd, wraakzuchtig, angstig maken - of juist zelfbewust. Twee citaten. We waren groen en bang van elkaars lippen,/ de liefde stuwde. In de schaduw van de Driftweg/streek ik je vlasblonde haren één met de duinen (uit We waren groen). En: het bed vol geesten en demonen/ruikt ze nog het duur parfum/dat zij nooit kocht, de rode naaldhak/stevig aan de voet zet ze hem betaald//Zij baalt, hoont hem, kwijlt, krijst luid/ terwijl hij een andere huid bewoont (uit Betaald).
De gedichten van Steven Van der Heyden zijn bespiegelend. Bij hem gaat het over verlies,  verwording en vergeten.  Als verstekelingen in oude aarde graven we/ kille geuren op, willen we afdrukken bewaren/ tasten ons een weg richting vergeten (uit In deze kamer). En: onze bewegingen worden tweedehands/ traag scheurde ons nest uit de lakens/ in onze ogen lazen we elkaar niet meer (uit Wie zal ons bewaren?).

Tot ze koud is, Luc C. Martens en Steven Van Der Heyden, Uitgeverij P, Leuven, 2020, ISBN 978-94-93138-08-7

(Will van Broekhoven)