Verhalen van de zandloper


In volle voorbereiding van de publicatie van zijn bundel Verhalen van de zandloper is Guy Commerman onverwacht overleden. Een paar dagen ervoor had hij nog met zijn uitgever Gerrit Westerveld de drukproeven besproken.
In die omstandigheden is het verleidelijk om deze bundel te gaan interpreteren van daaruit. Maar toch, naarmate je lezing van de gedichten vordert kan je je niet van de indruk ontdoen dat de dichter zich bewust is van zijn eindigheid, die wellicht snel zou kunnen komen. Reeds de titel verwijst naar dat oude klassieke symbool van de zandloper: de tijd die korrel per korrel afloopt.
Meer dan zijn vroeger werk vertoont deze bundel een sterke structuur en een coherente thematische eenheid: dertien korte cycli van telkens vier gedichten, omsloten door een openingsgedicht, Voorbij de nacht, en een slotgedicht Zandloper.
De titels van de cycli bevestigen het beeld van een dichter, die reflecteert over het voorbije leven, zoals in de cyclus Zingeving: Elke geboorte herbergt een eindig begin, / het aarzelt, sleept zich lijzig voort, / weet niet waarheen, geeft zich niet bloot. Maar tezelfdertijd bevraagt hij zich ook over het daarna, zoals bijvoorbeeld in de cyclus Zoektocht: In het oosten wachten zon en eeuwige dood, hij mijdt / het verloren woord, volgt het platgetreden pad, begraaft / onderweg verraad en meineed, drinkt water en stilte. Het zijn willekeurig geplukte verzen uit een bundel, waarin elke cyclus verwijst naar dat grote mysterie van het hier zijn en dan verdwijnen.
Het openingsgedicht, dat Commerman opdraagt aan zijn in 2003 overleden vriend en dichter Mark Braet, keert in het licht van zijn eigen plotse dood als een boemerang terug naar hemzelf: Zijn lach, een zachtheid, / zijn beweging, zeilen naar de tijd / van wachten en vertwijfeling. eindigend met de verzen Hij is nooit echt weggegaan, / hij leeft verder dan de woordgrens, / hij blijft geheim en wordt zwerfsteen. Veel beter kan de dichter niet beschrijven hoe wij lezers hem zullen herinneren.
Guy Commerman, de onvolprezen medestichter en hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, die zoveel jonge talenten een kans heeft gegeven om erin te publiceren, was zelf een meester van het woordspel. In een eerdere bespreking van zijn werk verwees ik er al naar, hoe hij in zijn gedichten dat moeilijke pad bewandelt tussen een scherpe, soms zelfs wat cynisch aandoende, analytische observatie en een begrijpende, berustende, naar het weemoedige toe, overgave aan een niet te vermijden realiteit. Deze bundel is daar een meesterlijk voorbeeld van. De dichter laat alle maskers vallen en je ontdekt een zeer gevoelige man, die wars van alle vooroordelen de waarden van de verlichting en de humanitas hoog in het vaandel voerde. Getuige het gedicht Adieu uit de cyclus Afscheid: Maar een vriend die zonder uit te nodigen / verdwijnt, geen laatste, klare verbijstering. // Gisteren wuifde hij nog vaarwel, zijn gebaar / zocht heil bij de kracht van onsterfelijke / acacia’s, adieu, hij die god minachtte.
Deze postume bundel is een pakkend en indringend poëtisch testament van een groot dichter. De uitgave ervan is een passend eerbetoon aan zijn dichterschap.

Verhalen van de zandloper, Guy Commerman, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2019, ISBN 978-90-76644-93-6

(Richard Foqué)

Toegevoegde tijd


Na twee bundels in eigen beheer, Onder de Roos (2003) en Achter de hoek (2004), publiceerde Eric Vandenwyngaerden Het licht stelt de wet (2005), Dit verblijf (2012) en - in samenwerking met fotograaf Maurits Van Roost - Feelings, foto’s en gedichten (2016). Van 2010 tot 2012 was hij Stadsdichter van Diest.
Naast de meetbare tijd is tijd ook een ervaring die op een unieke kwalitatieve wijze kan beleefd worden, zoals in: tijd om te leven, te beleven en lief te hebben; tijd om terug te denken aan vroeger/een bepaalde periode; tijd om in een imaginaire wereld weg te dromen;  tijd om te eren wie of wat weg is. De titel van de recentste bundel van Eric Vandenwyngaerden, Toegevoegde tijd, verwijst naar de tijd die je zou moeten kunnen terugdraaien, om zo nog wat extra tijd (toegevoegde tijd) over te houden om te leven, te beleven, ...
Het werk van deze dichter van het aftasten van de intimiteit met ingehouden adem en dito woordenschat (dixit Daniel Billiet) moet met een zelfde omzichtigheid gelezen worden. Vandenwyngaerden heeft inderdaad geen grote woorden, brede taalgebaren en dito woordenschat nodig om te overtuigen.
De bundel opent met het titelgedicht:

Kun je ASAP komen?

Jetlag is een mooi woord.
De kinderen de kooi uit,
snelde je in zeven haasten.

Zo was je ASAP gekomen,
zeilend op wolken
- een onverhoopte droom.

In de toegevoegde tijd telde je,
woog je,
stond je de uren af.

Liefst nog werd je een hond.

Vandenwyngaerden knipoogt in enkele gedichten naar collega-dichters. Nevelvlek verwijst naar het gedicht Jespers van Gaston Burssens. Binnen handbereik is opgedragen aan Martin Carrette, Voor de leeuwen aan Joke van Leeuwen en de driedelige cyclus Kruimels aan Gerrit Kouwenaar. In het gedicht Altijd is een zin uit Vele hemels boven de zevende van Griet Op de Beeck binnengeslopen.

Er schemert ook wat muziek door. Twee van de vier cycli kregen de titel van een song mee: Once in a blue moon (vier gedichten) van countryzanger Earl Thomas Conley en Fool on the hill (drie gedichten, waarvan er een, We maken ons klaar voor de schaduw uit vijf delen bestaat) van The Beatles.

In deze poëzie, die baadt in een zacht melancholische sfeer, wordt toenadering gezocht tot de ander, terwijl het afstand nemen onafwendbaar lijkt: Zo zit dat dus, na dertig jaar: het vuur,/ de drift nog steeds intact – en toch…// We reizen, zakken naar het zwoele/ zuiden af en toe verdwalen we// en werken aan wat ons nog rest. Dat levert boeiende gedichten op, waarbij het niet draait om het ego, maar om het wij-gevoel: wat dat (nog) inhoudt, wat er van overblijft, wat mettertijd verglijdt…

Het komt erop aan/ te blijven. Niet te zwichten/ voor de leegloop.// Schrijven. We gunnen Eric Vandenwyngaerden alle tijd om het afwezige woord dat hij zoekt in kaart te blijven brengen, want Er is/ nog zoveel te doen/ voor wie weg is.

Toegevoegde tijd, gedichten, Eric Vandenwyngaerden, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2019, ISBN 978-90-5927-595-9, 2019.

(Roger Nupie)

Binnen bereik


is de inmiddels, ongeveer 20ste bundel van Bert Kooijman. Kooijman werd in 1932 geboren in Maren aan de Maas. Zijn moeder stierf toen hij nog geen drie jaar oud was. Daardoor bracht hij zijn jeugd door in verschillende internaten. Bij de Broeders van De La Salle in Baarle-Nassau kwam hij volop in aanraking met literatuur, schilderen en tekenen. Daar ontstond zijn interesse voor de cultuur en het schrijverschap. In 1961 debuteerde hij met de bundel Koningin zwart van woede.
De uitgaven van Kleinood & Grootzeer kenmerken zich door een uiterst verzorgd uitzicht. Alle bundels hebben hetzelfde formaat en de vormgeving is van de hand van graficus/uitgever Gerrit Westerveld. Het zijn kleinoden die perfect in een binnenzak van een colbert passen.
Binnen bereik opent met een citaat van Hugo Claus: “Wie het verleden wil lezen, hij schrijve het neer”. Over Hugo Claus schreef Bert Kooijman een prozawerk, een studie met de titel Verbeelde wegen.
De bundel bestaat uit de cycli: Clair – obscur, In memoriam en Binnen bereik. In de reeks In memoriam herdenkt de dichter zijn moeder, die hij niet gekend heeft, en in haar zijn tante die voor hem en zijn broer een tweede moeder is geweest, zijn vader, zijn enige broer en zijn vrienden Marcel Wauters, Michel Bartosik, Albert Bontridder en Paul de Wispelaere.
De gedichten in deze bundel kennen een gelaten toon. Het zijn woorden van iemand die overblijft en dat is niet hetzelfde als iemand die achterblijft. Het zijn verstilde gedichten, aquarellen van woorden om te benoemen wat geweest is, onherroepelijk voorbij is. Het zijn fijne tekeningen voor de liefhebber, herkenbaar voor de mens, die in dezelfde levensfase zit. Ze overstijgen het particuliere door de ingehouden toon, strakke maar herkenbare beelden. Ze schrijven als het ware verder aan de gedachten van de lezer.
De dichter beweegt zich, zoals in eerdere bundels, tussen licht en schaduw. Deze elementen zijn geen symbolen. Hun existentiële betekenis wordt bepaald door ruimte en tijd. Naast het herdenken van de moeder wordt in deze bundel ook de vader herdacht. Ze krijgen van de dichter dezelfde aandacht. In eerder werk was de moeder zeer aanwezig.
De gedichten die over de familie gaan zijn trefzeker. In de gedichten voor de vrienden proef ik soms een zekere plichtmatigheid. De afstand is groter dan met de familie.
Het woord ‘licht’ komt in vele gedichten voor, een verlangen naar openingen in de schaduwen, een pleister voor de immer aanwezige weemoed. Taal en vorm zijn sober, de gedichten vloeien, zelden onderbroken door komma's. Elk gedicht sluit af met een punt. De gedichten zijn genummerd, hebben titels als moeder, vader, broer, Vrienden Marcel, Michel, Albert, Paul. In de titelcyclus heten de gedichten: doden, minnaars, schaduwman en Het Joodse bruidje. Binnen bereik is een verstild kleinood, wars van grote woorden. Ik citeer uit Schaduwman

3.

Nooit afwezig de man
voor wie taal het laatste
is wat hij aflegt
en in wiens schaduw
ik mijn dagen tel.


Binnen bereik, Bert Kooijman, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2018, ISBN 978-90-76644-88-2

(Frans August Brocatus)

Ontspoord innerlijk


Een dramatische setting: aan een vloedlijn zit een dichter en naast hem zit nog iemand, de ‘ander’, in de meest brede zin (je kan ook zeggen: de lezer). Er ontstaat een vorm van interactie, als het ware opgeroepen door de vloed, de onpeilbare diepte van denken, geest en taal.
Een buitengewoon beeldende mise-en-scène. Wij zitten immers allen aan een denkbeeldige, variërende vloedlijn, in afwachting van wat gaat komen.
Piet Gerbrandy (1958) legt zich in zijn poëzie weinig beperkingen op. Drama (gewoon of gezongen), proza en slapstick: in  zijn bundels tref je het allemaal aan. Gerbrandy schotelt geen gedicht in de klassieke zin van het woord voor, maar een uitgedijd taalweefsel.
Het omvat gewaarwordingen, encyclopedische info, taalspel, kritiek en ga zo maar door. Een overvloed waaruit intrigerende zaken gehengeld kunnen worden, maar die ook de nodige lulkoek bevat. Het lijkt het leven zelf wel.
Belangrijk bij Gerbrandy is zijn ironie. Hoewel, in Vloedlijnen maakt de dichter ook een uitgebreid uitstapje naar een soort vettige kolder: As, een operalibretto, neemt bijna een derde van de bundel in. Hoewel knap in elkaar gestoken, heeft deze creatie een andere diepgang dan het overige van Vloedlijnen. Het is een beetje ‘goed en fout, verklaard voor eenvoudigen’. En dan ook nog te zeer uitgesponnen.
Laten we As buiten beschouwing, dan blijft er een prikkelende gedachtenzee over die een commentaar inhoudt op dit tijdsgewricht. De wereld met al haar verwardheden, dwaalsporen en persoonlijke belevingen krijgt bij Gerbrandy gestalte in verzen die qua toon en vorm  klassiek aandoen, maar die een prettig ontspoord innerlijk hebben. Het schurende en dwarse van deze poëzie wordt extra opgepookt door de steeds weer opduikende gecursiveerde ‘encyclopedische’ toelichtingen.

Graag zocht ik mijn verlustiging in kijken.
Traag mocht ik met stoute tanden de bandijk
        van uw inwitte billen en borsten kneden.
Klaag niet dat het niet ging zoals u wilde.

In Bilderdijks werk merkt men vaak een tweespalt op tussen onbeheerste emoties
en classicistische vorm. Maar is het niet veeleer zo dat die vorm geheel zijn eigen
gang gaat terwijl de gevoelens gekanaliseerd zijn  door antieke concepten?

Zo gaat het. Ben ik hier u daar. Er zitten spaties tussen.
De lussen van mijn vingers missen gratie.
Mijn zinnen zijn zoals natuurlijk rampzalig.
         dus alles wat ik lul schampt langs en mist.

Wie de voorstelling uitzit, vraagt zich tussentijds en aan het eind van het laatste ‘bedrijf’ af waar deze mengeling van poëtische bekwaamheid, ironie en wijsheid toch toe leidt of dient. De laatste, prozaïsche, regels geven een aanwijzing: na alle spektakel gaat gewoon het licht uit en wordt het nacht.
Een theatrale ervaring heeft iets dubbels. Je kunt er helemaal in op gaan, maar uiteindelijk maak je er geen deel van uit. De mens is ten laatste een twijfelende figurant.
Dit waardevolle inzicht en andere spoelen zomaar bij de geduldige lezer aan.

Zijn dingen dan de bron van wat zich voordoet.
Waar welt die bron. Hoe stroomt zijn bitter water.

Vloedlijnen, Piet Gerbrandy, Atlas-Contact, Amsterdam, 2018, ISBN 9789025453145

(Erick Kila)

Stilte in mij


Dichteres en plastisch kunstenaar Marleen de Crée illustreerde meerdere van haar dichtbundels, waaronder Bloedspiegel: een scenario (2002) en liet zich al vaker  inspireren door het werk van andere kunstenaars, zoals in de bundel Erbarme dich (2017) met gedichten bij beelden van Berlinde De Bruyckere. Met grafica Goedele Peeters werkte ze geregeld samen: Sibylla (2005), Heen en weer (2008), Eilanden (2009) en het tweetalige Over en weer – De part et d’autre (2011).
Stilte in mij is het recentste samenwerkingsproject van beide dames. Deze bij Uitgeverij P luxueus en op groot formaat (30,5 x 21 cm) uitgegeven bundel bevat acrylschetsen en houtsneden van Goedele Peeters en gedichten van Marleen de Crée.
Goedele Peeters tracht door middel van dagboekschetsen in het reine te komen met het verlies van haar moeder. Twee ervan kregen een notitie mee: 326 dagen moederloos en Hove op je verjaardag. Landschappen waarin geen mens te bespeuren valt. Landschappen waarin ze de moeder terug wil oproepen, haar een plaats geven? Omzichtig, met een ingehouden tederheid die ook de Crée in de gedichten weet op te roepen (tussen de woorden groeide een/ eindeloze traagheid, schroom), alsof alles in toom wordt gehouden door de vraag of de stilte bij een dergelijk verlies wel kan opgevuld worden met beelden en/of woorden.

alsof ze pas was uitgegaan,/ alsof ze iemand hoorde in/ haar droom. stilte blies haar/ aan. lakens als een open/ veld in een kamer, wit-/ gesneeuwd met niets. wind/ rolde de schaduwen/ voor zich uit. de bomen/ ademden voorzichtig het verlies.

Twee cycli. De eerste, Stilte in mij, bestaat uit tien vrij korte gedichten. In elk van deze gedichten komt het woord stilte ook letterlijk voor: stilte blies haar aan; een witte stilte glijdt zachtjes in het duister; een roerloze stilte sluipt in de stem; stilte als een schaduw waarin ze kan beginnen; een witte stilte zweeft voorbij; stilte op gerafelde mist; de stilte heeft ze in de kieren van haar gedachten gelegd en toegedicht; een vleugje stilte in haar hart alsof het wist waarop ze wachtte. De tweede cyclus, So long, bestaat uit drie gedichten die kunnen gelezen worden als een herinnering, tast de tijd af: toen onze tijd nog ging liggen als openingsregel van het eerste en toen de tijd er nog niet, nog niet/ was begonnen van het derde gedicht.

De vertalingen naar het Frans (Frans De Haes) en het Engels (Willem Groenewegen) worden voorafgegaan door de twee soberste schetsen van Goedele Peeters, alsof de stilte in het landschap lijkt ingebed.
Wie een verlies in woord en beeld weet te vangen als Goedele Peeters en Marleen de Crée, brengt een ode aan een afwezige die nooit echt weg is. Dat dit geleid heeft tot de indrukwekkende woord-en-beeld symbiose die Stilte in mij is geworden, kunnen we alleen maar toejuichen.

Stilte in mij, gedichten van Marleen de Crée, acrylschetsen en houtsneden van Goedele Peeters, vertalingen naar het Frans door Frans De Haes en naar het Engels door Willem Groenewegen, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978-94-92339-64-5

(Roger Nupie)

Wie is die zeeheks?


Je hebt zo van die boeken die eigenlijk verraden hoe de persoonlijkheid van de auteur moet zijn. Bladzijden die eigenlijk als spiegel werken en duidelijk maken hoe de psyche van de schrijver in elkaar zit. Als van een schrijver creativiteit wordt verwacht, dan kan dit bij Katia Van Cauwenberghe zeker gevonden worden. Dit boek is doordrongen van de wil, de energie en een boodschap die een creatieve geest naar de nietsvermoedende wereld stuurt. Bij het ontvangen van dit werk, was ik zeer aangenaam verrast door de vormgeving en de samenwerking met de illustrator Staf Lambrecht. Auteur en illustrator vormen een perfecte tandem. Het resultaat is een zeer aantrekkelijk jeugdboek dat ook volwassenen met een jong hart kan aanspreken. De auteur liet haar fantasie een wereld creëren waarin kinderen zeker aan hun trekken zullen komen. Het is naast een aangenaam en niet te moeilijk gemaakt leesboek, ook een doe-boek voor kinderen. Het geheel bestaat uit intrigerende korte verhalen, speelse gedichten, spelideeën, zoekopdrachten en kookideeën. De verhalen zijn qua lengte binnen de perken gehouden, zodat de kinderen hun concentratie niet verliezen. Dat zorgt ervoor dat dit jeugdboek perfect dient als voorleesboek voor jonge ouders of leerkrachten die hun lessen wat schwung willen geven. De sublieme illustraties dragen bij tot de aaibaarheid van Wie is de zeeheks? Met dit werk is Katia Van Cauwenberghe niet aan haar proefstuk toe. Van haar pen is ook Wat een heksenleven. In dit, haar vierde, boek brengt ze het levensverhaal van heks Shakila die met paranormale fenomenen in contact komt. Zij mengt realiteit en fantasie en lardeert dat alles met kritische beschouwingen. De auteur is een volbloed reiziger. In haar thuisstad Oostende is ze natuurgids, leerkracht en basgitarist. In 2005 debuteerde ze met Ontworteld, een roman voor volwassenen. Vooral de biotoop van de zee en het strand blijft haar parten spelen.

Zeemeermannengedicht

Bovenlichaam mens, onderlichaam vis:
als dat geen rare kwibus is!
Jawel, het gaat zowel over de zeemeermin als over de
-man!
De zee steekt vol raadsels! Alles kan!
Sommige zeemeermannen ontketenen stormen en
laten schepen zinken,
anderen zorgen ervoor dat ze in wijsheid uitblinken.
In de oude Romeinse tijd was Neptunus de god van de
golven en van de zee.
Hij had meestal een staf, drietand of scheepsanker
mee.
In het oude Griekenland werd deze god Poseidon
genoemd
en werd hij om zijn kracht en zijn snelheid geroemd.
Hij is geweldig , bars en trots
en wanneer hij met zijn drietand slaat tegen een rots
ontstaat daaruit een prachtig paard
waarop hij over het wateroppervlak rondwaart…

Wie is die zeeheks? is een merkwaardig, zeer bruikbaar boek voor scholen, educatieve diensten, jeugdgroeperingen of ouders met jonge kinderen die binnen willen treden in de heel aparte wereld van Katia Van Cauwenberghe. Het is een conceptboek dat heel zeker enkele herdrukken zal kennen want haar Wie is de zeeheks? verdient die.

Wie is die zeeheks?, Katia Van Cauwenberghe, Uitgeverij Het Punt, Dendermonde, 2018, ISBN 9 789460 794339

(Frank Decerf)

Niet alles is orewoet & waarheid


Dit is de debuutbundel van Leen Pil. Zij publiceerde eerder al gedichten in diverse literaire tijdschriften in Vlaanderen, Nederland en Duitsland. Ze vertaalt ook gedichten naar het Duits. Ze won meerdere prijzen en werd meermaals genomineerd.
De titel is voor mij nu niet meteen een uitnodiging. Hij past mijns inziens meer bij een filosofisch essay. Maar dat is mijn idee.
Orewoet is een verwijzing naar de 13e eeuwse dichteres en mystica Hadewijch. Het is een vreemd woord dat zoiets betekent als: gloed, hitte, vurigheid, drift, passie, extase. Op bladzijde 34 in het gedicht Drie duikt orewoet op:

De eerste moeder die ik aankijk, is een vrouw.
Het woonhuis is een vrouw. Niet alles is orewoet
en waarheid. Ik dacht dat mijn moeder...

De bundel wordt bevolkt, of moet ik zeggen ‘bevrouwd’ door vrouwen. Zij zoeken de zwakke plekken in het pantser. Ze dringen olie op, ze binden snoepgoed in een doek, steken het in de mond. Zij wrijven het gezicht schoon met linnen, draaien het in een hemd, draaien het om. Maar in vrouwenhanden breekt er niets. Zoals de dichteres in het openingsgedicht Wij zullen milder en wilder zijn dan hier zegt en schrijft.
De bundel is samengesteld uit een aantal cycli: Nice matin, De kunst van het vergrijp, Korte dagen, Rituelen, Verder, In een keer oversteken en C’est l'heure du face à face. Titels die andere verwachtingen scheppen (en inlossen) dan de titel. Leen Pil observeert en neemt deel. Ze neemt tegelijkertijd afstand en is heel nadrukkelijk aanwezig. Vrouwelijk enkelvoud en vrouwelijk meervoud wisselen elkaar af. Ze schept een omarmend universum. Ze deelt haar dromen rechtopstaand. Ze lacht om wie in alle ernst naar waarheid zoekt.
Ze laat de honden toe in haar werk. Zij valt ze lastig. Ze zet de wereld naar haar hand.
Alomtegenwoordig zijn de kinderen, dochters, jongens. De mannen staan aan de rand. Soms lijkt het of ze slechts toeschouwers zijn, kijkers naar een wereld die gebouwd en beheerst wordt door vrouwen.
En dan is er ineens op bladzijde 36 het gedicht Liefdesverdriet, nauwelijks legaal:

Tiens, ils ont repeint. Je simpele tekeningen op de schooltafels,
je grappen in het toilet, je gekraste liefde op het middaguurtje
en op een meter weg van mij keek jij. Zo mooi als jij
me zag, ben ik als vrouw nooit meer geweest.

Prachtig gezegd! Aangrijpend en alles op zijn plaats. Ontnuchterend was wel toen ik in de verantwoording las dat dit gedicht gelezen kon worden als een brief aan Banksy. Dat heb ik dus niet gedaan en ik voel er me ook niet door bezwaard.
Deze debuutbundel van Leen Pil is sterk. Haar beelden scharnieren in korte, pakkende zinnen. Het geeft je de noodzakelijke tijd om een ander ritme in je ademhaling te vinden. Haar gedichten bruggen tussen afstand en nabijheid. Zij heeft de tijd genomen om met deze bundel naar buiten te komen. Verstandig. Ik ben benieuwd naar wat volgt. Zeer zeker.

Niet alles is orewoet & waarheid, Leen Pil, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978-94-92339-62-1

(Frans August Brocatus)

Midden in het leven


Er zijn critici die het een doodzonde vinden. Het dateren van het gedicht met datum en plaats. Het zou het werk bezoedelen met anekdotische nonsens. In de vierde bundel van Pim te Bokkel zijn deze aantekeningen nadrukkelijk wel aanwezig: een drietal (28-08-2014/16-08-2016 en Schoorl 2018) is verspreid over de bundel en geven de eerste tekenen van leven weer van Kjell, Thije en de tweeling Mare en Lena. De kinderen aan wie de verzameling gedichten is opgedragen. De dichter is vader geworden en dat mag de lezer weten ook. Pim staat op zijn 35ste midden in het leven en de lang verwachte vierde worp kan gezien worden als een familiealbum zonder dat daar vervelende anekdotiek aan blijft kleven. Het zijn universele ervaringen van ‘de mensch’ die het leven viert. Zijn verzen op de sleutelmomenten van het leven, van geboorte tot dood.

De volwassen man die bij de afwas zijn geluk beschrijft:   

de avond overvalt de dag
de kleine slaapt
je lacht

en in het water in de wasbak
zie ik het weken van de dagen
dat we hier
als tussen spiegels staan

Zijn jeugdjaren in de Achterhoek bezingt:

Uit het buitenland slingert er
de Slingebeek het landgoed door
de einder in.

Als plattelander in de grote stad een kudde genummerde trams de stalling ziet verlaten. Zoals de padvinder aan de moszijde van de boom zijn richting bepaalt zo ziet de dichter in de eenzijdig besneeuwde bomen de streepjescode van het bos. De zakelijke natuurlyriek die een verbindende factor is en de verglijdende tijd zoals in de speeltuin:

Zo is het op een door de weekse ochtend
of de tijd stilstaat.

Oneindig draait de zweefmolen.

De wip wijst
uit het lood de hemel en de aarde aan.

De schommel
slingert als pendule na.

De bundel is onderverdeeld in vier afdelingen. Met als scharnierpunt in deel drie een eerder in De Gids verschenen serie gedichten bij het werk van de Groningse schilder Pieter Knorr. Waar de theorie van de filosoof Michel Serres lijkt doorgedrongen. De denker die enkele pagina’s daarvoor wordt aangehaald in Kentheoretische overwegingen op het strand van Bretange.
De mytische sfeer over leven en dood:

het  ligt zo uitgelicht
dat mogelijk nu uit de tandeloze bek een engel stapt

De gedichten lieten mij de tot nu toe onbekende schilder ontdekken. Wat wil de dichter nog meer?

In een zeiltocht over het Markermeer weergegeven in zeven haiku’s laat hij zijn ambachtelijkheid zien.

Elk gedicht zijn eigen behandeling qua interpunctie en hoofdlettergebruik. Dan weer wel een eindpunt, dan weer niet. Elk lied lijkt opnieuw uitgevonden te worden. Een bundel om te herlezen.
Om in de ogen van zijn zoon weer het heelal te zien:

In het duister van je kijkers
zie ik nevels
als interstellaire gaswolken ontstaan.

En om die ene zin terug te vinden in Streepjescode:

Ik ben de vader die ik had.


Dit en alles en heel het heelal, Pim te Bokkel, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2019, ISBN 978 90 468 2444 3

(Hans Mellendijk)

Nederzettingen


Met de bundel Nederzettingen publiceert Bert Bevers opnieuw een bundel bij de onvolprezen Uitgeverij Kleinood & Grootzeer. Zoals steeds door graficus Gerrit Westerveld prachtig vormgegeven.
De lezing van deze bundel is een merkwaardige wandeling door tijd en plaats en de wijze waarop we daar mee omgaan. Leidraad daarbij is het persoonlijke geheugen van de dichter dat wordt omgebogen naar een universele belevenis en zo tezelfdertijd fungeert als gids en bewaarplaats voor het verleden.
De bundel bestaat uit drie met elkaar vervlochten cycli: Nederzettingen, Uit de tijd en Gedichten uit een stadje in de heuvels. De dichter verbindt daardoor op een meesterlijke wijze het mythische verleden, opgeroepen in de eerste cyclus, met de dagdagelijkse realiteit in de derde cyclus, waarbij de korte tweede cyclus de overgang bewerkstelligt. Het lijkt moeiteloos uit Bevers dichterspen te vloeien maar het is meticuleus en geraffineerd gedaan. Het laat de lezer achter in nadenkende verwondering.

Reeds in de openingsverzen wordt de aanzet gegeven voor deze elliptische verkenning van een in nevelen gehuld verleden naar vandaag: Wat wist hij van coördinaten, de grijze / wijze van het volk die vanuit de vlakte / deze heuvel zag?
Het is meteen de verwijzing naar de heuvel van de derde cyclus. Door dit ene vers wordt de bundel tot eenheid gebracht en het mythische verbonden aan de realiteit van het nu. Maar het blijft een subjectief interpreteren van een door de dichter waargenomen/ingebeelde werkelijkheid. Wat herinneren we ons en wat is daarvan waar? In de eerste cyclus, geschreven in de verleden tijd, luidt het: Het geheugen bediende zich, schoorvoetend, / van verzachtende balsems (pagina 10), verder, Ze keken elkaar in de ogen en zagen geen leugen. Wisten: / de poten van het onbegrip bewandelen dode paden (pagina 18) en Wie dacht er aan schrift toen taal nog maar amper? (pagina 20). In de derde cyclus schrijft de dichter in de tegenwoordige tijd en krijgen de gedichten heel doordacht een titel,  maar ook hier sijpelt de twijfel over wat we zien, zoals in De burgemeester zucht: Hij zit / wel regelmatig een zaal voor vol gedachten / van anderen, maar ziet zich dan als een open / wonde gapen naar draaimolens op hol. Ach.

De dichterlijke stijl en zegging van de dichter is herkenbaar, zoals die ook al in bijvoorbeeld Arrondissementen sterk uitgesproken was, maar in deze nieuwe bundel is hij nog meer uitgepuurd en dienstig aan de inhoud. Observatie en reflectie vloeien moeiteloos in elkaar en worden gedragen door een tref-rake verwoording en volgehouden ritme. In elke cyclus bezigt de dichter een andere strofenverdeling. Vorm en inhoud ondersteunen zo de boodschap. Bevers is geen barokke dichter. Elk woord is weloverwogen en heeft zijn plaats in het vers. Hij gebruikt adjectieven spaarzaam. Ze zijn telkens een essentiële toevoeging en geen gratuit epitheton, zoals we dat maar al te vaak bij jonge dichters helaas zien opduiken.

Deze bundel moet je in alle rust verkennen en je moet je laten verdwalen in de nederzettingen, die Bevers bouwt. Je zal een klein poëtisch meesterwerk ontdekken.

Nederzettingen, Bert Bevers, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2018, ISBN 978-90-76644-91-2      

(Richard Foqué)