Gul


Vier pogingen tot ordening
. Dat was de ondertitel die Alain Delmotte eenentwintig jaar geleden al meegaf aan zijn bij het Poëziecentrum verschenen bundel Warhoofd. Een jaar eerder werd Delmotte voor het typoscript van die bundel premiewinnaar van de Prijs voor Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen. De dichter voert er Warhoofd voor het eerst in op in het tweeluik Erfgenaam: Lucky Jim, Warhoofd, / schlemiel en dichter. De naam is bij me blijven hangen. Ook omdat ik de bundel geregeld, en met genoegen, herlas. Delmotte vereeuwigde er wonderschone definities in als (Een foto is een handgeschreven brief van het licht waarin het ‘dank u’ zegt en ‘toch nog eens’ tegen de tijd.) waarmee ik het hartgrondig eens was en ben en waarbij ik me ook na al die jaren afvraag of ‘toch nog eens’ niet ‘tot nog eens’ moet zijn maar dat deed en doet niet ter zake.
In het onderhand meer dan twintig titels tellende oeuvre van Alain Delmotte ontwikkelde zijn Warhoofd zich tot een blijvertje. In 2017 zag Warhoofds gekkenwerk het licht, in 2019 Warhoofds leerdichten 1 – Dag in dag uit en in 2020 Warhoofds leerdichten 2 – Alsof licht niet van de zon komt. En nu is er zelfs Warhoofds leerdichten 3 – Dank dat we mogen verdwijnen. De bundel is opgedragen aan Delmottes overleden vriend Lucas Devriendt (What’s in a name?), van wie een huiveringwekkend pakkend schilderij op het omslag staat. Dat lijkt al meteen de toon te zetten want de pijn van het afscheid nemen, het verdriet van het missen en de geheimen van sterven, doodzijn, doodblijven en onsterfelijkheid zijn de onderwerpen die Delmotte en Warhoofd hier pogen te ordenen. En dat opnieuw in breed waaierende – al een poos een idiosyncrasie van Delmotte – verzen die transparant ogen maar het beschouwde binnen die ogenschijnlijke helderheid geraffineerd fragmenteren. Dikwijls lees ik bundels die ik na de laatste bladzijde omgeslagen te hebben zonder er warm of koud van te zijn geworden ‘uit’ heb.
De bundels van Alain Delmotte pak ik herhaaldelijk om nog eens na te lezen wat me er ook weer zo in trof. Ook Warhoofds leerdichten 3 staat boordevol gedachten en zinnen waarop je kunt blijven kauwen. Als: Het niets is goedkoop. Het is evenveel waard als hoop. // Niets heeft geen marktwaarde. Als: Sterven moet je de tijd gunnen. Bruskeren is ongepast en het helpt niet. Als (het Armando-achtige): Wie dood is heeft daar nooit genoeg van. Wordt gezegd. Als: Probeer niet te verrijzen. Dat loopt faliekant af. Je maakt er vijanden mee en al wie om je treurde stel je ermee diep teleur. Als: Je mag nooit afscheid nemen. Lieg een beetje en zeg ‘We zien elkaar later nog wel eens’. Ik heb van deze bundel, om het wat plechtstatig te zeggen, een ontroerende bekoring ondergaan. Na lectuur van Warhoofds wijsheden ga je niet neuriënd een nieuw behangetje tegen de wand plakken, maar mocht je dat wel doen dan zou Alain Delmotte daar begrip voor hebben. Een wijs man. Een gul dichter.

Warhoofds leerdichten 3 - Dank dat we mogen verdwijnen, Alain Delmotte, Gaia Chapbooks, Leeuwarden, 2022, ISBN 978-1-4710-4699-5

(Bert Bevers)

Loslaten zullen ze nooit meer


Deze bijzonder mooi uitgegeven bundel met subtiele maar erg indringende illustraties van Robert Bosari betekent niet alleen het debuut als dichter van Marius Atmoredjo maar is tevens de eerste bundel in Nederland uitgegeven van een Surinaamse Javaan en meteen een significante bijdrage tot de bescheiden Surinaams-Javaanse literatuur. De dichter werd geboren in 1959 in Suriname, verhuisde in 1980 naar Nederland, waar hij werkzaam is als werktuigbouwer maar ook erg actief is binnen het vrijwilligerswerk in de Surinaams-Javaanse gemeenschap. Zijn overgrootmoeder Sarinah was Javaanse en migreerde als contractarbeider begin van de vorige eeuw naar Suriname.

Loslaten zullen ze nooit meer, de titel van de bundel verwijst meteen naar de thematiek van de bundel, die twintig gedichten bevat. Ze zijn geïnspireerd door de vele verhalen van zes generaties Surinaamse Javanen, die inderdaad de dichter nooit hebben losgelaten.

Het openingsgedicht Tastbaar is dan ook een ode aan die overgrootmoeder: Het enige en tastbare ligt in mijn hand / Haar foto met een nummerplaat op haar borst / genomen ergens in een depot / op een ver eiland / met haar naam erop... Het zet meteen de toon voor een reeks indringende en beklijvende gedichten, zoals Zondagochtend (pagina 39): De zonnesliert schuift tijdloos / van de wand met foto’s van het nageslacht / naar de wand met boeken / aan het einde van de dag / wanneer hij de mooiste verhalen verbleekt... Elk gedicht zoekt trefzeker naar de dichter zijn afkomst en poogt die vast te leggen als een poëtische foto. Een pogen ook om zijn Javaanse afkomst te duiden in dat Nederland, waar hij nu woont.

De Javaanse cultuur was oorspronkelijk oraal en werd via verhalen doorgegeven van generatie naar generatie. Klank en melodie zijn daarom belangrijk als dragers van de boodschap en in dit geval het vers en het gedicht. Dit is duidelijk ook te merken in deze bundel. In een interview zei Atmoredjo hierover dat de gedichten, die hij schrijft, zich in eerste instantie aan hem opdringen in het Javaans en hij die pas daarna tracht te verwoorden in het Nederlands. Het is telkens een soort overwinning op een taal, die hij als het ware steeds opnieuw moet veroveren. Hij doet dat meesterlijk in een op het eerste gezicht simpele zegging maar des te meer dringen ze door naar het hart van de lezer en dompelen ze hem/haar onder in die wonderlijke Javaanse wereld. Het is op zich een tour de force van een begaafde en taalvaardige dichter, die beide talen weet te versmelten tot een dichterlijke symbiose en een weg baant door dat noordelijke lage land.

Verleden en heden, afkomst en toekomst vloeien in elkaar en leiden tot aanvaarding te behoren tot twee culturen en dat te duiden als een verrijking: Maar diep in mijn hart / schuilt die ene rust / die je ooit als kiem had gelegd / maar die niet eerder naar boven kwam / dan op de dag dat ik weer / diep ben gaan graven. (bladzijde 25)

Het gedicht Djati kast (pagina 41) is daar eveneens exemplarisch voor. De vertaling ervan naar het Indonesisch door Siti Wahyuningsih en Albert Hagenaars is dan ook een terecht eerbetoon aan de wortels van de dichter en maakt de cirkel van zijn afkomst rond.

Loslaten zullen ze nooit meer, Marius Atmoredjo, In de Knipscheer, Haarlem, 2022, ISBN 978-94-9321470-5

(Richard Foqué)

Van de straat geraapt


Naast mijn laptop ligt een zwarte dichtbundel, uitgegeven in 2021, mij toegezonden door Uitgeverij C. de Vries- Brouwers. Het kaftontwerp is sober vormgegeven door Joyce Lanssens. Op de omslag in divers gevormde roze letters, origineel gepresenteerd, de titel en de auteur: van de straat geraapt, door Guido Lauwaert. Wablief? Dé Guido Lauwaert, organisator van de legendarische Nachten van de Poëzie? Tijdens de eerste editie van de Nacht van de Poëzie in 1973 (inmiddels een mythe) opende Marcel van Maele de eerste (chaotische) Nacht voor een uitverkocht Vorst Nationaal… met een pistoolschot! “Al die Nachten in Vlaanderen waren een gigantisch drama, en toch had het wel wat,” zei Tom Lanoye. Maar in 1975, 1980 en 1984 organiseerde Guido Lauwaert nog drie edities, met gasten als Allen Ginsberg, Hugo Claus, Simon Vinkenoog, William Burroughs, Johnny the Selfkicker, Gust Gils en John Massis.

Terug naar van de straat geraapt. De dichtbundel bevat  85 vlot leesbare gedichten. Alle gedichten beginnen met een hoofdletter, behalve het gedicht Op stok, blijkbaar een gedicht waarin kippen een onderwerp zijn. De toon van de gedichten is luchtig, lichtjes mijmerend. Guido Lauwaert observeert mensen die hij kent of ontmoet. Hij schrijft niet alleen over zijn dochter en haar partner, ook over inspirerende personages die hij bij hun voornaam (Lotte, Michiel, Delphine…) noemt, vriendinnen, voorbijgangers, buren, zwervers, ouderen enzovoort. De dichter beschrijft treffend de eenzaamheid van sommige passanten: De oude man in de straat/ tweemaal per dag sloft hij voorbij/ als wij elkaar ontmoeten/ maken wij een praatje …. hij geeft me de sleutel/ die aan zijn vrouw behoorde/ of dat ik kan komen kijken/ als ik hem een dag of twee niet zie.

Soms neigt zijn gevoel voor tragiek naar ironie: Ze zwierf al dagen in de buurt/ soms zat ze op een vensterbank/ keek mij doordringend aan… eenmaal in huis nestelde zij zich/ in een hoek van de divan/ alsof het de hare is al jaren/… nogal wiedes dat zij Rimbaud heet/ – tevens logisch want zij is/ zo zwart als een espresso/…’s middags wring ik haar uit/ boven een kopje/ waan mij onder ’t nippen in Ethiopië. Dikwijls zijn de verzen op een absurde manier grappig: Zij is een dichter/ wat haar greep/ zet zij in verzen om/ als ik lees wat zij schreef/ denk ik aan een aquarium/ in een brandend haardvuur/ terwijl een zeppelin op ooghoogte/ de heuvel van Villa Borghese voorbij vaart.

Gelukkig sluit Guido Lauwaert zijn bundel eigentijds af met een tiental louterende natuurgedichten: De koude dagen zijn verleden/ het groen van het gras waait/ de beuken rood in de zon…. ondeugdzaam zijn de pubers/ sierlijk draaien ze om elkaar heen/ uit hun lichaam stroomt solfergeur/ vogels pikken vrucht en zingen. De dichtbundel van de straat geraapt is een boekje om stilletjes van te genieten.

Van de straat geraapt, Guido Lauwaert, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2021, ISBN 978-90-6174-09-2

(Nicole Van Overstraeten)

 

Luchtbakens


Fraai uitgegeven, met een mooie cover: Luchtbakens, een groepsbundel met werk van negen dichteressen. Uitgeefster Hannie Rouweler geeft al bijna vijftien jaar evenveel mannen als vrouwen uit, zo lezen we in haar korte inleiding.

Telkens zes gedichten van de deelneemsters, die ook worden bedacht met bio- en bibliografische gegevens achteraan de bundel, net voor een keuze uit de intussen toch wel indrukwekkende fondslijst van Uitgeverij Demer.

De bundel opent met Pulpverlening van Mattie Goedegebuur: Te gecompliceerd/ weglakken, veranderen/ ik middelvinger/ jouw “donder”dag/ mijn eerlijke observatie/ moet heel gladjes/ jou positieveren/ alsof jij diegene bent/ die professioneel is/ ik beboter jouw hoofd – gevolgd door Jenny Dejager: Soms delen we de nutteloze dingen voor de lol/ misschien anders dan voorheen./ We zijn niet gemaakt om radeloos te zoeken/ naar wat we niet van elkaar begrijpen.

Inge Boulonois liet zich inspireren door het werk van beeldende kunstenaars, onder anderen De slaap van de rede van Marlene Dumas: (…) Vol aandacht luikt de spiegel/ haar mond. Weer spatelt ze/ de meest schurende/ vraag door pigmenten.

Uit aan de ijzer van Tine Hertmans: ik ben een pronte vrouw/ kijk met begerige ogen/ mijn ravissante dagen tegemoet,/ ik fiets met flair door/ florissante jaren. Marion Spronk zweert bij Bach en Satie: ik lig en luister/ naar helende tonen/ van dansende muziek/ meegevoerd word ik/ door betovering van Bach en Satie// zonder kunst/ zou mijn ziel/ op aarde verstikken.

Tijdens de verstilling sloegen we de tijd/ stuk. Seconden bewaarden we in wij-/ de velden waarover warmte dampt uit onze adem bezweert Marleen De Smet in Momenten. Marion de Vos-Hoekstra liet zich onder meer inspireren door Jacques Brel: Seizoenen heb je bezongen/ van het vervloekte vaderland/waarvan de taal/ niet wil beklijven.

Hannie Rouweler zelf is de enige dichteres met drie gedichten, maar die levert ze wel aan met haar Engelse vertaling erbij. Uit Korte rokade: Geef mij het eindspel, ik neem de ruimte, ik sla veel over,/ spring over sloten, omheiningen, hekken,/ voor die verdomde koning. Hij gaat eraan, hij blijft niet staan/ zolang ik hem in het vizier heb/ ik leef niet in het verleden, geen faux pas, maar in het hier.

Uit de zes gedichten van Rose Vandewalle, die een ingetogen en aanrijpende kleine in memoriam cyclus vormen, geven we graag dit gedicht mee

“Het komt goed”
hield hij almaar vol
tot hij zich erbij had neergelegd
en nauwelijks merkbaar
zijn hand stilviel in de mijne

langs de Langelaan
hebben we hem
uitgestrooid

het was vroege lente nog
zijn assen gleden zachtjes
tussen margriet en hyacint

Deze bloemlezing richt haar pijlers op de vrouwelijke stem in al haar uitdrukkingsvormen, mogelijkheden, overeenkomsten en vooral ook verschillen, dixit Hannie Rouweler. Vooral ook verschillen, inderdaad, en dat is net het boeiende aan deze groepsbundel. Poëzie ligt op straat, voor het oprapen is een adagium voor Hannie. Oprapen hoeft niet, dit zeer gevarieerd werk van deze negen dichteressen uit Nederland en Vlaanderen is nu gebundeld in deze verrassende uitgave.

Luchtbakens, Demer Uitgeverij, 2022, ISBN 978 1 4716 2319 6

(Roger Nupie)

Ongehoorde woorden


Hermine Couvreur verwierf een zekere faam via nominaties en voordrachten. Haar debuutbundel Ongehoorde Woorden werd eerder dit jaar uitgegeven door Oekkaf. Het is een unieke vorm van ‘samenwerking’ tussen een overleden dichter, Herman Couvreur, zijn jongste zus Hermine en een vertaler, Ann van Dessel. Hermans leven stond in het teken van verzet tegen een repressieve vader, een verbitterde Vlaamsgezinde collaborateur. De zoon ontwikkelde zich tegen de verdrukking in tot Franstalig dichter en musicus en moedigde Hermine aan om zich, net als hij, op het dichterspad te begeven. De bundel bevat twee cycli, Douze Vers/Twaalf Verzen en Gloze/Glossa, dat negen verzen bevat. Ieder vers is voorzien van een vertaling en een antwoordgedicht. Ongehoorde Woorden opent met een informatieve inleiding door Ann en een gedicht van Hermine Couvreur, Ikaros, opgedragen aan haar broer en aan Ilyas Kör. O broer, / weet je niet dat het verzengende gouden hemellichaam, onbereikbaar, / zijn eigen stralen breekt op de oceanen als schilfers van een spiegel? / Het gevaarlijke spel met de listige verdwijnpunten betekent je val. Ikaros won in 2019 de tweede prijs in de Poemtata Poëziewedstrijd.

In beide cycli wordt het volgende stramien aangehouden. I. Een gedicht van Herman; II. De vertaling van Ann; III. Een antwoordgedicht van Hermine, dat meestal vrij beknopt en helder is, in tegenstelling tot de weelderige en bloemrijke stijl van haar broer. De sequentie doet denken aan een gesprek, waarin de ene gesprekspartner zich met veel woorden uit in een vreemde taal, waarna een tolk medieert en de andere gesprekspartner korter van stof in haar eigen taal antwoordt. Als voorbeeld: Les vieux dire concernant / Le vasque à la clarté farouche et fraiche / Défraie aussi ce vers où tel gît le pays, /Débris de la légende et du soleil sous le regard. Plus nog 12 regels. De vertaling: Het heel oude gezegde over / het fonteinbekken met felle en frisse helderheid, / houdt ook dit vers vrij waar het land begraven ligt, / resten van de legende en van de zon in het zicht. De (gehele) reactie: Je weet dat aarde even doorzichtig is / als het water waarop ik mijn handen leg / tot de tijd een dimensie verliest / beroert je rug de bodem niet.

Meestal bevatten de antwoordgedichten geen direct antwoord. Eerder vormden zij een reactie, die associatief tot stand is gekomen, of een reflectie op bepaalde steekwoorden.

In de tweede cyclus vinden we tot onze verrassing korte gedichten van Herman. Zoals: J’entends / Souvent / Le mot / ‘Innu­ï’/ À propos / Du beau. Vertaald: Ik hoor / vaak / het woord / ‘ongehoord’ / als het over / schoonheid gaat. Reactie: hij drinkt uit de vijver / waar geen blad of bloem / de bodem verbergt // de adelaar spert zijn ogen / en zoent zijn beeltenis.

Ongehoorde Woorden, Herman en Hermine Couvreur, vertaling: Ann van Dessel, Uitgeverij Oekkaf, 2022, geen ISBN

(Will van Broekhoven)


Als de lucht valt


Bij Uitgeverij P gaf Ann Van Dessel in 2012 de dichtbundel Een kei in duren uit, en in 2017 de bundel Toverstroming. Nu is er Als de lucht valt. Boven een prachtig citaat van Peter Matthijsen uit De Sneeuwluipaard prijkt de titel van een inleidend gedicht: Stort de tijd in (chronos).

Volgen 50 pagina’s toegankelijke poëzie. Verzen ingedeeld in strofen van (meestal) 4 lijntjes. In totaal 5 cycli met 7, 7, 7, 8, 10 gedichten. De titels zijn antwoorden op wat zou gebeuren als de lucht (op de grond) valt: dan Stort niet alleen de tijd in, maar Zijn alle mussen dood, dan Lopen we naar de maan, Gloeien sterren in het gras, Vliegen we te voet en Meert de hemel op aarde aan! Het laatste gedicht van deze ingenieus opgebouwde bundel, antizwaartekracht, staat op zijn kop. Een naschrift en de inhoudstafel sluiten deze mooie bundel af.

De illustraties (sierlijke zwarte silhouetten van kraanvogels) zijn van Ann Van Dessel zelf. De dichteres ‘strooit’ kraanvogels over het boekje, de plaats van de kraanvogel op de pagina varieert van laag naar hoog, zij vliegen steeds hoger naargelang de bundel vordert. Maar bij de laatste tekst, het onderstebovengedicht, ligt de kraanvogel op zijn rug. Keer de pagina om -  de kraanvogel prijkt triomfantelijk bovenaan!

Wij benaderden Als de lucht valt in vogel- of liever in kraanvogelperspectief. Bij het inzoomen naar de inhoud komen wij tot onze verrassing niet in een apocalyptisch landschap terecht, niet in een soort ‘cyberpunk wasteland’, maar in een concrete wereld, die de dichteres als geen ander weet om te toveren tot een geheel van poëtische ervaringen. Met inbreng (en kennis) van de natuur, op reis in de bergen en aan zee, maar ook gewoon in de omgeving van haar woonplaats. Vooral namen van vogels vallen op: kraanvogels, een reuzenbooteend, een reiger, Canadese ganzen, alpenkauwen enzovoort. Zij kent perfect namen van vlinders in het Latijn. In de vanzelfsprekende alliteratie van het verzamelen van vlinders lezen wij: Urania Ripheus, Appias Nero en Morpho Didii. De dichteres blikt terug in de tijd, draagt verzen op aan geliefden en vrienden. Bij de dood van haar vader zegt zij:  je gaf me nog enkele dagen/ om een brief in de borstzak van/ je zondagse pak te schuiven… fier droeg je mijn laatste/ woorden als een pochet/ het feest van de aarde in.

Ann Van Dessel voelt zich één met de natuur, die zij virtuoos en met alle mogelijke middelen wil verpersoonlijken. Ondanks de licht onheilspellende titels in haar bundel weet zij het tij te keren. De zon verschijnt opnieuw aan de horizon: net aangespoelde schapenwolken/ liggen met honderden te rillen terwijl/ de zon in hun blikveld verdrinkt… niets is wat het lijkt; wisten ze maar dat ze na drie dagen weer zal herrijzen/ het zand zou lang niet zo bijten.

Als de lucht valt is tegelijk een vernuftige én een verrukkelijke dichtbundel!

Als de lucht valt, Ann Van Dessel, Uitgeverij P, Leuven, 2021, ISBN 978-94-93138-63-6

(Nicole Van Overstraeten)

 

Elk tijdvak verdient zijn Baudelaire


In Amsterdam stelt de Stichting Spleen zich al geruime tijd ten doel het werk van Grote Dode Dichters in levendige belangstelling te houden. Dat deed ze reeds met delen uit het oeuvre van klassieke boven-Moerdijkse dichters als Slauerhoff, Marsman en Dèr Mouw, maar ook met die van Europese grootheden als Horatius, Rilke, Rimbaud en Verlaine.

Nu is er Vertalersweelde – Vijf gedichten van de grootmeester opnieuw vertaald rond de poëzie van Charles Baudelaire. Voor deze editie voorzag Mereie de Jonge, die ook voor een nawoord tekende, Tristesses de la lune, Spleen, Remords posthume, Femmes damnées en Parfum exotique van een frisse hedendaagse vertaling. Samensteller Kees Godefrooij benaderde met deze nieuwe omzettingen Nederlandse en Vlaamse dichters met de vraag of zij zich hierdoor wilden laten inspireren tot een bijdrage. Zoals dat hem ook lukte bij bovengenoemde uitgaven slaagde Godefrooij er ook nu in heel wat interessante nieuwe poëzie voor dit project bijeen te krijgen: Ricardo Anemaet, Bert Bevers, Paul Bezembinder, Monica Boschman,  Frans August Brocatus, Will van Broekhoven, Bert Deben, Maarten Doorman, Jan Ducheyne, Many Mariska Eggerding, Piet Gerbrandy, Mattie Goedegebuur, Luuk den Hartog, Christian van der Heijden, Marije Hendrikx, Tine Hertmans, Jos van Hest, Gert de Jager, Muriël Kasmin, Dirk Kroon, O.B. Kunst, Nelleke Lamme-den Boer, Walther Ligtvoet, Anne-Marie Maartens, Hans F. Marijnissen,  Kees van Meel, Simon Mulder, Inge Nicole, Enno Paulusma, Paul Rigolle,  Paul Roelofsen, Anne Schampaert, Gerard Scharn, Kees Snoek, Gerardo Insua Teijeiro, Wim van Til, Ties Tulp, Tom Veys, Johan Wambacq en Anneke Wasscher leverden bijdragen die zich op een fascinerende wijze spiegelen aan het werk van Baudelaire en tegelijkertijd een gevarieerde staalkaart van moderne poëzie vormen.

Alain Delmotte (die zelf met zijn gedicht Slaapkamer / naar Baudelaire ‘La chambre double’ ook in de bloemlezing te vinden is) zorgde met Een dandy met een kromzwaard voor een doorwrochte inleiding, iets wat de liefhebber van hem wel gewend is. Delmotte (die stelt dat hij jaar na jaar in zijn lezersleven van Baudelaire is blijven houden, met een in stijgende lijn kritische bewondering) benadrukt de actualiteit van Baudelaire: ‘Want Baudelaire is, ondanks of dankzij de moeilijk te vatten meerduidigheid van zijn werk, duurzaam: iedereen, elk tijdvak verdient zijn Baudelaire. Bij iedere lezer, bij elke nieuwe generatie, bij iedere dichter die hem leest, wint Baudelaire er iets bij. Deze publicatie bewijst het. Lees maar. En herlees nadien Baudelaire.’ Enkele treffende citaten. Van Bert Deben (uit Einde zomer): Ik ben september, einde zomer / ik ben een tempel in verval / nog steeds een dichter en een dromer / maar wat moet komen weet ik al. Van Wim van Til (uit … en zie): uit de spelonken kropen slangen / met de ziel van zonen in hun bloed. Van Paul Rigolle (uit Brief aan Baudelaire): Wie of wat zou je zijn indien je terug kon keren? // Een rapper, een rekkenvuller die vol gramschap / de dingen of ergens tussenin, een dichter / die zich inzet voor het klimaat? Deze Vertalersweelde is een waardevolle aanvulling op het fonds van Spleen.

Vertalersweelde – Vijf gedichten van de grootmeester opnieuw vertaald, Charles Baudelaire vertaald door Mereie de Jong en ingeleid door Alain Delmotte, Stichting Spleen, Amsterdam, 2022, ISBN 978 90 830230 6 9

(Daam Noppe)

 

Aantekeningen bij een fijne bundel


Je hebt zo van die dichtbundels die je bezig blijven houden. Die je op je nachtkastje legt. En daarna op het stapeltje boeken naast je werktafel. Waarin je ook eens leest op je balkon. En op de tram. En iedere keer weer vind je het, terwijl je niet exact kunt benoemen waarom, een fijne bundel. Appelblauwzeegroen (bestaande uit de afdelingen Appelblauw, Zeegroen en Appelblauwzeegroen) van Herlinda Vekemans is er zo een. Omwille van de titel alleen al. Aanvankelijk dacht ik dat het een neologisme was, maar neen: in het Vlaams noem je ‘een onbestemde kleur’ appelblauwzeegroen. Ik ben het zelf ook, blijkens het titelgedicht, en u bent het ook: Mensen, zo wisten de dieren, / zijn appelblauwzeegroen, / een zee van gezichten en lichamen / maar vachtloos, hoornloos, schubbenloos, vleugelloos // verwarrend en onbestemd kleurloos. Herlinda Vekemans heeft ook oog voor wat er behalve mensen nog zoal leeft. Dat blijkt goed uit Laudato si’ (tevens de naam van een encycliek van paus Franciscus), waarin zij haarscherp waarneemt wat velen ontgaat. Een gele kwikstaart naast de Geldenaaksebaan, een sabelsprinkhaan op de remkabel van haar fiets, een ijsvogel aan de oevers van de Molenbeek of thuis een dikke kruisspin die haar web spant op het tuinpad tussen een heester en het huis: Ik haak haar struikhechtdraad achter de leuning van de tuintrap zodat haar net bijna intact blijft en de doorgang toch webvrij wordt. Ze begint elke dag opnieuw.

Ik vind het ontroerend hoe Vekemans land lopend en struikelend woorden als klankwater, afwezigheidsbelichaming en zijnshavenluchtsleutel in de handen geschept naar de zee wil laten brengen. Vekemans’ poëzie vloeit in deze bundel van land naar water, tussen dieren en mensen, van binnen naar buiten en tussen hemel en aarde. Steeds met oog voor details. Voor de goudhaver, ruige leeuwentand, aardbeiganzerik en gewone ereprijs (in veler ogen onkruid) die hun groen spreiden voor kevers en spinnetjes. Voor de luttele centimeters rots die de schaalhoren des nachts begraast. Voor Lobjes, krinkjes en glinsjes en ragjes, limpjes en nilsjes.

In deze bundel spelen het beste van het land en dat van de zee hoofdrollen. De vruchten van het land [….] / en de gulheid van de zee / sijpelden zo vanzelf de wijsheid in (uit Schelpenwit en wedeblauw) want een koning hield op een dag de woorden van zijn raadslieden voor bekeken, legde hen het zwijgen op en vatte post op het strand en liet het getij de woorden aandragen. (uit Zeem). Herlinda Vekemans laat haar lezers kijken als door een caleidoscoop, en trakteert hen op fijne opsommingen als die in Blauwboek, waarin ze 43 soorten blauw oplijst. Blauwzuur en Binding ogen met 2 strofen van respectievelijk 3 en 4 regels een beetje hetzelfde, maar qua vorm zijn de gedichten in de rest van de bundel quasi allemaal uniek. Stuk voor stuk zijn ze de moeite van het savoureren waard. Appelblauwzeegroen is een bundel voor fijnproevers, voor nauwluisteraars, voor scherpkijkers, voor zachtvoelers.


Appelblauwzeegroen, Herlinda Vekemans, Poëziecentrum, Gent, 2022, ISBN 9 789056 551902

(Bert Bevers)

Op de golflengte van leven en muziek


Twee fascinaties liggen aan de oorsprong van Marcel Vermeulens’ dichtbundel Golflengte: de taal en de muziek. Al op het College in Herentals waren de lessen Nederlands diegene die hem het meest boeiden. Hij begon in het collegeblad te publiceren. Later, in de jaren 80, was het literaire tijdschrift Deus ex Machina met de daarin publicerende Antwerpse en andere dichters van grote invloed op hem. Hij werd een vast medewerker en later ook redactielid van het blad.

De bundel Golflengte is uit vier cycli opgebouwd, waarin het thema muziek als een basso continuo in de achtergrond meeklinkt en waarin de dichter ook de vier seizoenen weerspiegeld ziet, beginnend bij de zomer en eindigend bij de lente. De twee buitenste cycli staan voor het lichtere genre, terwijl herfst en winter ook de meer donkere, dissonante en trage bewegingen weergeven.

Het motto aan het begin van de bundel zet de lezer meteen op het juiste been: CONTRAPUNT (muz.) de kunst om op een bestaande melodie een of meer andere melodieën te zetten die harmonisch samenklinken. (soc.) verzetshaard tegen heersende waardesystemen. (Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal)

Net als muziek, die in wezen abstract is, zijn de verzen van Cel Vermeulen abstract impressionistische aquarellen: in zachte, sfeervolle tonen gecomponeerd.

Muziek voor tijdreizigers

Wandel mee langs de oceaan van muziek
om te luisteren naar wat het tij blootlegt:
halfvergane avant-garde en barokke
brocanterie, kreten van de meeuw.

Hedendaagse ribbels en zeewaterplassen
de romantische school in kreeftengang
fossiele resten van futurisme en agitprop
schlager en rock talrijk als zandkorrels

De zeesterren, schelpen, preludes en polka’s
het is alles van U, de meerstemmige wereld
van koraal tot rap, het klotsen van water
tegen de golfbrekers van de tijd, de golflengte

van ontstaan en vergaan door zee en maan
nieuw voor Uw voeten neergelegd.


Ik zei het al, om deze poëzie te begrijpen, is het nuttig dat men de muziek in het achterhoofd houdt. Vooral ook wat muziek met het gemoed doet : het beroezende, extatische; het teder strelende of het gekwelde opzwepende. Je vindt het overal terug in de poëzie van Marcel Vermeulen. In elke cyclus van deze bundel weeft de dichter zijn contrapuntische melodieën op de ondergrond van het leven en de organische grond ervan.

Laten we, om dit te illustreren, liever de dichter zelf aan het woord :

De zomer nabij

We dorsten naar het verzamelen
in parken en domeinen om te luisteren
naar het tedere kabaal van trompet en sax
de regenbogen van strijkers
het dwingend betoog van bas en drums.

O zoals in roemruchte tijden van anarchie
applaus uitbrak voor merels in wit en zwart.
Hoogtij, het intoneren van zomerse dagen
het improviseren van gelijkgestemde zielen.

We schaarden ons rond de vleugel
verhieven ons hoog boven de stad
in het blauw van Chagall
het wit van katoenen wolken.

Beneden ons, staande ovaties van kathedralen
en torens, orgelpunten in de partituur.

Tot zowaar, voeten op de grond
de muziek stilhield en wij als herboren.


We kijken uit naar nieuwe uitgaven van Cel Vermeulen.


Golflengte, Cel Vermeulen, uitgave in eigen beheer, Antwerpen, 2022

(Marc Bruynseraede)

Met lege handen?


Een debuut in 2015, een derde bundel in 2021 en tussendoor ‘eventjes’ nog een dichtbundel, twee lijvige romans en een boekenweekessay. Je kunt van alles van Marieke Lucas Rijneveld zeggen, maar niet dat hij improductief is. Wat op zich al een geweldige prestatie is, wordt nog eens versterkt door de constante kwaliteit van het werk. Rijneveld is een fenomeen dat vooralsnog onvergelijkbaar is.

Zijn derde bundel, Komijnsplitsers, staat bijna letterlijk op barsten, zo vol van leven en zo bol van taal dat de bundel overvloeit van melk en honing.

Centraal in de bundel staat de onmogelijkheid om jezelf te zijn; er moet constant gevecht gevoerd worden tussen ruw zijn en lief doen (Geslachtelijke bepaling, pagina 45), tussen het meisje vergeten om de jongen te onthouden (Altijd dwarsliggen, pagina 74), tussen ‘over zwichten praten, terwijl je nog steeds bij de vijgen kunt’ (Plukhoogte, pagina 95).

Dat gevecht wordt in verschillende stijlen, vormen en dichtersstemmen gevoerd, waardoor Rijneveld alle registers bespeelt die tot zijn beschikking staan om het gendervraagstuk van de dichter aan de orde te stellen. Het al eerder aangehaalde gedicht Geslachtelijke bepaling begint met deze strofe:

Trok in plaats van een grijs vest een jongen aan. Zo vaak in de
slobberfase gezeten, dat er weinig postuur overbleef, ik kon voor
alles doorgaan.,


om verderop te concluderen:

Maar mensen hielden niet van grijze vesten. Ze zeiden: onder al die laagjes zit een meisje verscholen

De buitenwereld is niet in staat of niet genegen om de wens van de ‘ik’ te accepteren laat staan te omarmen:

In dit land met zijn handenhunker, met zijn
klapzoengemis, met zijn sloddervosachtige
vergetelheid, want wat weten we nog van
gisteren, wat weten we nog van beloftes


(Gewetenswroeging, bladzijde 99)

Rijneveld is buitengewoon getalenteerd; het lijkt of de woorden hem toevallen uit een waterval van beelden, associaties, vergelijkingen. Hem lijkt elke uitdaging te groeien tot een feest van woorden.

Dat daarin gevaar schuilt, moge helder zijn: in deze poëzie waart namelijk een woordmonster rond dat zich voedt met jargon uit de jeugd, gelardeerd met ongetwijfeld goedbedoelde wijze lessen over opgroeien, godvruchtigheid en lijdzaam ondergaan.

Ze zullen het je kwalijk nemen, deze jammerdaad.
Dit geklooi met het stof der aarde, met de rib terug in
Adams lichaam willen plaatsen, het verlangen
om Adam te wórden, de zondeval in je gewrichten.


(Uit een veelbekroond leven, bladzijde 40)

Soms steekt het monster de kop op om zijn huidige omgeving te aanschouwen, er commentaar op te leveren en vooral om zich niet in de eigen staart te bijten:

[...] En soms zullen we de schaafwonden op de
knokkels verzorgen, wij zijn niet van de slag leveren, wel van
overwinningen verwerven. Op deze plek doen we alleen aan
zingen, aan commandoliederen, met de huil hoog in onze kelen.


(Oorzaken van dwaling, bladzijde 41)

Maar bovenal toont deze bundel een kwetsbaar mens, die in alles probeert zichzelf te vinden en bang is om met lege handen te staan en zelfs niet te weten welke van haar is, welke van hem.


Komijnsplitsers, Marieke Lucas Rijneveld, Komijnsplitsers, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2022, ISBN 9789025471200

(Wim van Til)

Tifosi


Bij Uitgeverij C. de Vries-Brouwers verscheen Tifosi, een dichtbundel over wielrennen. Auteur is Guy van Hoof. Voor alle duidelijkheid: tifosi is Italiaans voor hevige en dolgedraaide wielersupporters.

Op de omslag prijken een print van popkunstenaar Bert Prins, een wervende tekst van Miel Vanstreels op de linkerflap en een foto van Guy van Hoof op de rechterflap. Wielergedichten van Guy van Hoof werden opgenomen in blogs en bloemlezingen. Het gedicht Tifosi werd uit steen gehouwen aan de Vesten in Geraardsbergen, belangrijke plaats voor de Ronde van Vlaanderen. De dichtbundel Tifosi bevat 32 flinke gedichten, voorafgegaan door een citaat van de Franse kunstschilder Fernand Léger: Le beau est partout. Een uitgebreid nawoord van Guy van Hoof sluit de bundel af.

Guy van Hoof werd met de wielersport geconfronteerd in zijn jeugd. Op enkele stappen van zijn huis, in de Leningstraat, woonde Stan Ockers. Van Hoof wijdt een volledig gedicht aan deze dappere renner, die jammer genoeg verongelukte in 1956 op de piste van het Antwerpse Sportpaleis. Niet alleen Stan Ockers wordt in Tifosi genoemd, ook Briek Schotte, Jean Brankart, Gaston Rebry, Philippe Gilbert, Thomas De Gendt (die van zichzelf zegde dat hij deed of hij een renner was)… ook illustere buitenlanders als bijvoorbeeld Fausto Coppi, Francesco Casagrande en Roger Lapébie passeren de revue.

Guy van Hoof toont aan dat wielrennen niet alleen spannend en roemrijk is, maar in de praktijk een harde en uitputtende sport. Renners moeten kunnen sterven op de fiets, gekromd, gebogen, een petje met Tour de France op het hoofd, met gegroefd gezicht zonder venijn/ of achterdocht recht door zee of de bocht… en volhouden tot aan de streep! Veel renners waren van eenvoudige komaf: boerenjongens of fabrieksarbeiders. Zij waren wat gewend: vroeg opstaan als anderen sliepen, zwoegen op het werk, niet luieren. En… Kasseien, onverharde bergwegen, slijk in je haar, regen in je nek en vingers die haast braken van kou… Coureur zijn is geen sport voor doetjes!

Er gebeuren ook regelmatig valpartijen: een massa fotografen/…gebogen over een hoopje renner,/ plat en uitgestrekt lijkt hij te liggen luisteren/ naar zijn eigen hartslag of een teken/ van zijn aards bestaan, geruchten die boven/ zijn lichaam zweven en zoemen,/ de een zijn dood is de ander zijn brood/ bloed kleurt zijn borst/… Renners hebben geen tijd om te genieten van de landschappen onderweg: coureurs hebben geen oog voor de rode wieken/ van een molen als decor, of plukjes bomen/ langs een erf. Hun wereld bestaat uit Smeltend asfalt, onbetrouwbare bochten/ en een hitte om kuddes ossen of stieren/ neurotisch te maken. Wielersport is ook een mythe: er zijn afspraken/ en deals, patrons die bepalen wie mag rijden/ of aanvalt, vlucht, maar liefst niet wint,/ regels die moeten worden nageleefd.

In zijn ongeëvenaard vloeiende stijl, met helder inzicht in de wielersport, een licht ironische duiding, aandacht voor de menselijke aspecten, heeft Guy van Hoof een prachtbundel samengesteld. Verplichte kost voor liefhebbers!


Tifosi, Guy van Hoof, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2021, ISBN 978-90-6174-121-3

(Nicole Van Overstraeten)

Kleine grimmige gedichten


Frank De Crits schrijft sinds 1961 en maakte van dan af naam als dichter. Sindsdien publiceerde hij een achttal dichtbundels, vertaalde Franstalige poëzie en schreef liedjesteksten voor onder anderen Johan Verminnen. Heel die tijd was hij bijzonder actief op de Brusselse poëziescène. Zo was hij actief betrokken bij de oprichting van Passa Porta en Het Beschrijf. Het zal dan ook niet verwonderen dat de stad Brussel in al haar aspecten een terugkomend thema is in zijn oeuvre.

Niet zo evenwel in zijn nieuwe bundel Kleine grimmige gedichten. Het onderwerp hier zijn doodgewone dingen, waarmee de mens dagelijks geconfronteerd wordt. Als thema niet nieuw en andere auteurs hebben hem dat voorgedaan. Ik denk bijvoorbeeld aan het in 2020 verschenen prozawerk Gevonden voorwerpen van Frans August Brocatus. De Crits doet het evenwel in dichtvorm. Hij selecteerde 43 items, zoals kous, mes, zakdoek, spiegel en dies meer. Rond elk van deze voorwerpen schrijft hij een kort gedicht van telkens twee strofen van elk 4 versregels. De eerste strofe is eerder beschrijvend, het tweede is becommentariërend vanuit persoonlijke observaties en gevoelens. Wat de gedichten daarbij zo aansprekend maakt is de directe confrontatie met het voorwerp vanaf het eerste woord. De voorwerpen worden personen, die ageren, soms een eigen wil hebben en de lezer meteen bij de keel grijpen. In die zin zijn ze inderdaad ‘grimmig’. Bijvoorbeeld het gedicht lepel

hij slurpt pletst duikt in de soep onder / van water met water en raap en een eenzaam / stukje vlees dat dobbert hij wijst / schraapt zand uit een dikke muur 

(pagina 12). Om dan in de tweede strofe de persoonlijke confrontatie aan te gaan 

ik zie ogen van vet hoop op een schuimspaan / ik schep ogen uit in een emmer vol / denk aan de oorlog van malaparte’s / verhaal een geschiedenis in de balkan.

De Crits hanteert hierbij een afgemeten, van alle ornament ontdane taal, geen hoofdletters en geen leestekens. De zegging is direct maar gelaagd en noopt de lezer tot een intensieve lezing. Helaas zijn de gedichten van een ongelijke kwaliteit en sommige ontsnappen niet aan de valkuil van het cliché, die de dichter als het ware zelf heeft gegraven: ...de nooit gerookte / sigaret in het café zonder bier (pagina 24), of (pagina 31) mijn vader sloeg nauwkeurig nagels / met koppen...Dan weer maakt De Crits er zich al te gemakkelijk van af en wordt het zelfs een tikkeltje banaal, zoals in het gedicht bijl: de bijl denkt altijd dat hij bomen moet / omhakken en hout klieven voor de open / haard...(pagina 46). Waarom de laatste strofe van het laatste gedicht tuinzetel plotseling 5 versregels bevat is daarbij een raadsel. Het doorbreekt de strakke compositorische structuur van de bundel en erger nog die laatste versregel voegt niets substantieels toe integendeel het gedicht zakt ermee door zijn titel. De diverse illustraties van Pieter Fannes, die ronduit simplistisch zijn, maken dat niet beter.
Dat is bijzonder jammer want het geeft de indruk van een dichter, die zichzelf overleeft en schrijft op ‘automatische piloot’ en dat is De Crits niet, integendeel hij is iemand die de taal kan kneden en naar zijn hand zetten en doorheen zijn oeuvre een eigen dichterlijke zegging heeft ontwikkeld. Wellicht had hij wat zelf-kritischer moeten zijn en sommige gedichten niet moeten opnemen in deze bundel. Het zou het geheel nog meer spankracht gegeven hebben en zonder twijfel meer grimmigheid.


Kleine grimmige gedichten, Frank De Crits, Fluxenberg, Gent, 2022, ISBN 978-94-6451912-9

(Richard Foqué)

Placebomens


Emma van Hooff (1997) is dichter en schrijver. In 2021 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool in de vakken poëzie en toneel. Ze publiceerde gedichten in diverse tijdschriften en ze betrad meermaals het podium. Placebomens is haar debuutbundel.
Placebo: pillen die eigenlijk geen werkzame stoffen bevatten, maar toch pijn verminderen. Veel mensen zullen dit fenomeen herkennen als het placebo-effect. De betekenis van het woord ‘placebo’ is letterlijk ‘Ik zal behagen’. En dit is ook precies wat placebo’s doen: ze verminderen je pijn of onbehagen.
Ze opent de bundel met een citaat van Monika Rinck uit Honigprotokolle vertaald door Miek Zwamborn: Maar kijk, het kwetsbare leven ’s morgens is toch niet niks! Geen verkeerd woord, opstaan, uit het raam kijken, hoe een schemerwereld van zwaailicht opklaart, daar! Een auroravlinder landt, siddert, explodeert.
Ze begint met een overdenking ‘of ik even op dat kruisje kan gaan staan’. Daarna volgen vier cycli gedichten: Oorzaak van mijn onrust (Pandora), Offerlam (Persephone), Wat een kwetsbaar mechanisme (Placebomens) en Zelfs een laatste adem is een adem die ergens leven in blaast (Prometheus).
Pandora, draagster van alle gaven, schenkster van alle gaven, albegaafde en Persephone, Griekse godin van de onderwereld en de lente, dochter van Zeus en Demeter, vrouw van Hades die haar op Sicilië schaakte en Prometheus, ‘hij die vooruit denkt’, in de Griekse mythologie was hij een Titaan. In de strijd tussen de Olympische goden en de Titanen stond Prometheus aan de kant van Zeus de oppergod. Hij verkoos daarmee intelligentie boven brute kracht. Deze drie illustere figuren omringen, omarmen, versmachten (?) de placebomens.
Soms kiest ze voor het gebruik van verzen, in andere gevallen zijn het lappen tekst die de bladzijden vullen. Ze gebruikt geen hoofdletters of interpunctie. Ze gunt de lezer geen of weinig adempauzes. De sterkste gedichten, mijns inziens, zijn de gedichten waarbij ze de keuze maakt om ze in te delen in verzen. De meest aansprekende cyclus is daarmee ook de laatste, Prometheus die intelligentie boven brute kracht verkiest.
Deze bundel opent voor mij een deur naar wat er komt. Ik ben er zeer benieuwd naar. Soms stelde ik mij de vraag om van deze gedichten een theatertekst te schrijven. Ja, dat zou nog eens wat zijn, toch?
Een prachtig fragment uit de slotcyclus:

alles is het hete nachtlicht geworden omdat het hete nachtlicht
zo lang standhoudt wil ik de koele kant opzoeken
maar de koele kant van dit bed houdt alleen stand zolang ik
er niet op lig dus blijf ik onder het witte laken
waarvan onzeker is of het een afstoting in stand houdt zoals we
nog steeds niet weten of de volle maan invloed heeft op dit slechte
slapen speculaties dat ons oerinstinct wil jagen de naalden in mijn buik
houden een adelaar in stand eruit erin eruit erin de adelaar
duwt vreemden bij me naar binnen maar ik ben helemaal geen oester
ik maak geen parelmoer aan in paniek



Placebomens, Emma van Hooff, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam, 2022, ISBN 978 90 254 7083 8

(Frans August Brocatus)


Weergaloze melancholie


In zijn twintigste bundel keert Hans Tentije terug op bekende gronden: Wijk aan Zee, Alkmaar, Praag, Italië. Maar vooral keert hij terug naar zijn herinneringen. Zoals het in poëzie gaat: woorden laten het verleden niet herleven, maar zij duiken op in het heden.
Meteen in het eerste gedicht bepaalt de dichter wat er van hem in deze bundel verwacht mag worden:

In gedachten volg ik de paden weer, voel hoe het grint
onder mijn spekzolen knerpt, de instelling –
is door een hoog ijzeren hek omsloten, de heftige wingerd
kleurt rood tot aan de raamkozijnen


De herinnering grijpt hem aan, maar het heden is hardvochtig:

en wat ooit gewoon lukte maar nu beslist niet meer:
me tussen de spijlen door te wringen


Het lukt Tentije zijn woorden zo te kiezen dat je als lezer onderdeel wordt van het gedicht; althans zo vergaat het mij, al sinds zijn vroegste werk. Het maakt hem tot een van mijn favoriete dichters.

Cafés, pleinen, basilieken, bruggen, boomgaarden, buitenwijken zijn bij uitstek plekken die de dichter verleiden, inspireren tot een gedicht. Herinneringen aan die plekken of projecties van herinneringen, het biedt de dichter elke keer weer een moment van terugkeer.

Tegelijkertijd dringt de vraag zich op waarom deze dichter in die vlucht naar de herinneringen een houvast zoekt. Of zoals hij dat zelf verwoordt:

het gaat harder waaien en intussen lijkt het net of ik
de grens, de rooilijn tussen eertijds en later, tussen verbeelding
en werkelijkheid heb overschreden, maar vanaf welke kant
weet ik niet


(slotstrofe van het gedicht Vanaf welke kant)

Het antwoord, een antwoord wordt gegeven in het laatste gedicht van deze bundel, De weg ernaartoe, waarin de dichter op weg gaat, zijn herinneringen toetst aan wat hij ziet en tot het besef komt, dat hij uit steeds meer herinneringen bestaat. Wat hem natuurlijk laat landen in het nu, om nieuwe herinneringen te maken. Voor straks, voor nieuwe gedichten wellicht.

Tussendoor volgt het ene kleinood het andere op in een stroom herinneringen, beelden en observaties die de melancholie voeden.

Mooier dan in het gedicht Wat ervan geworden is wordt de melancholie niet beschreven:

vandaag ben ik naar deze uithoek teruggekeerd
om te zien wat er geworden is van de plek die ik zo goed kende
maar ook omdat ik hoorde dat zij, met wie
ik een tijdlang wat gehad heb, in dit nieuwe deel
beland zou zijn
[…]
het begint te motregenen en op het dorre trapveldje ginds
is een lek geschoten bal blijven liggen

Het beeld van die lek geschoten bal is het summum van die ongelijke strijd om het verleden te behouden.
Hans Tentije is een meester in het combineren van observaties en ingehouden emotie waardoor een beeldrijk landschap ontstaat waarin de lezer volwaardig wordt meegenomen, meegezogen zelfs.
Het omslag van Peter Bes en de auteursfoto van Victor Schiferli klemmen deze bundel op een welhaast perfecte manier tot een weergaloos geheel. Wie nog niet gegrepen werd door zijn poëzie schaffe zich deze bundel rap aan!

Waarvandaan, Hans Tentije, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2022, ISBN 9789463361507

(Wim van Til)

Albert Hagenaars' pelgrimsgrond


Albert Hagenaars publiceerde eerder bij In De Knipscheer twee romans (Dood tij en Butijn, het boze oog) en de dichtbundels Intriges, Tropendrift/Tropical Drift en Bloedkrans.

Zijn jongste dichtbundel, Pelgrimsgrond, opent met het gedicht Orewoet (wat zoveel betekent als ‘vurigheid’, ‘geestelijke gloed’ en ‘extase’), waarin cursief regels van de 13de eeuwse mystica Hadewijch zijn verwerkt. In dezelfde cyclus, Te woord, komen nog andere dichters aan bod: Charles Baudelaire, T.S. Eliot, H. Marsman, Gerrit Achterberg (Genoegdoening: …Daar de dichter, hier haar dochter // bloedend in het kraakbeen van zijn klem), Jan Hanlo (All that jazz: …Te duister deze helle muziek, / die aanzuigt uit valleien van katoen en stof, / velden opensnijdt, versapt, bloed doet dorsten) en Paul Celan.

Kenmerkend voor de bundels van Hagenaars is steeds eenzelfde weloverwogen thematische indeling. Pelgrimsgrond bevat zeven cycli van telkens zeven gedichten, waar naast de voornoemde dichters ook beeldende kunstenaars, films, sacrale en bedevaartplaatsen, muziek en de liefde in de poëtische verf worden gezet.

Wat Joop Leibbrand in Meander opmerkte over de bundel Bloedkrans kunnen we hier alleen maar beamen: De grote gevarieerdheid aan onderwerpen en locaties maakt dat je je geen moment verveelt. En er is meer: Hagenaars lokt ons mee in een wereldje waar we al dan niet enigszins mee vertrouwd zijn en weet de nieuwgierigheid van de eerste tot de laatste letter te prikkelen.

Binnen elke cyclus is hij verrassend eclectisch: in Tussen de oren, waar de muziek hoogtij viert, komen zowel Erik Satie en de 18de eeuwse componist Giovanni Battista Pergolesi als Tsjaikovski en zangeres met de bezwerende contra-alt-stem Lisa Gerrard aan bod: Sacrifice: Hoor ontelbare stemmingen/ in mijn lage, nooit lege stem.

In Snijwerk, een cyclus waarin films hoogtij vieren, wordt onder meer de eindscène van Der Tod in Venedig bezongen. Een oudere man komt in Venetië in de ban van de schoonheid van de jongeling Tadzio. Uiteindelijk sterft hij op het strand, terwijl hij kijkt naar Tadzio. Dit schrijnend samengaan van prille schoonheid en verval, terwijl we het Adagietto uit Mahlers Vijfde Symfonie horen, wordt geëvoceerd in het prachtige gedicht Virus: (…) De stad schilfert en vlek van schoonheid. / Op het Lido, in de paviljoens en eetzalen, / kruisen blikken van oude ogen die van jonge. // Geen legt lavendel tussen de nog gladde lakens. // Niet te uiten woorden schuilen/ tussen jankende violen, ongehoord lange scènes / met gefilterd licht, beladen beeldspraak. (…)

Om het even welk gedicht uit de zeven cycli we ook lezen, Hagenaars blijft verwonderen en weet de lezer in zijn ban te houden.

Tot slot nog een fragment uit Hemelvaart (Jezus van Nazareth indachtig): (…) Hij zag de scheiding der wateren, / stromen vluchtelingen uit dit beloofde / land, de slachtingen na elke slag, // het krommen van de horizon en bleef / stijgen, tot in het meervoud van vader, // tot in het brekende licht // van wie meer twijfel zaait dan wie ook.

Hier hoeven we niet over te twijfelen: pelgrim-dichter Hagenaars heeft een ijzersterke bundel afgeleverd!


Pelgrimsgrond, Albert Hagenaars, In De Knipscheer, Haarlem, 2022, ISBN 978-94-93214-32-3

(Roger Nupie)


Een waardevolle dubbeluitgave


Ik maakte voor het eerst kennis met de naam en wat werk van Renaat Ramon ergens in de zeventiger jaren, via een boekje van Gerrit Jan de Rook over visuele poëzie. In dat genre is Ramon (˚ Brugge, 1936) immer actief, en een vooraanstaand maker gebleven. In de loop der jaren creëerde hij talrijke sterke ‘concrete gedichten’, waarin idee, inhoud en spitsvondige vormgeving hand in hand gaan. Het is een goede zaak dat Renaat Ramon, die ook beeldend kunstenaar is en van wie in de Vlaamse openbare ruimte heel wat monumentale sculpturen zijn te bewonderen, zijn visuele poëzie bijeenbracht in een kloeke uitgave: Borgtocht – Beeldwerk. Die vormt de helft van het overzicht van ’s mans publicaties want tegelijkertijd kwam ook Borgtocht – Woordwerk op de markt. Daardoor zijn zowat alle door Ramon gebundelde gedichten nu overzichtelijk in twee banden beschikbaar.

De eerste dichtbundels van Renaat Ramon zagen het licht in de poëziereeks van de Antwerpse Uitgeverij Contramine van Tony Rombouts, de meeste latere bij het Poëziecentrum. Borgtocht – Woordwerk biedt ook de uit de reeksen Roma, Metier (Er hangen geen gedichten in de wolken / - maar als het blauw vervliegt / vallen beelden uit de hemel als dauw.) en Gedagvaard bestaande nieuwe bundel Zwart zout.

Ik weet het: de gustibus non est disputandem, maar de popart - waartegen de visuele poëzie naar mijn smaak het meest aanleunt – is nooit echt mijn ‘stroming’ geweest. Meer dan bij Beeldwerk voel ik mij dan ook ‘thuis’ bij het Woordwerk.

Vaak inspireerden plaatsen Ramon. Baden-Baden, Keulen, Leningrad, Napels, Praag, Rome, Vichy. Zelfs Egem, het onooglijk gat waar Paul Snoek het leven liet. Met de hoofdstad van West-Vlaanderen, zijn geboortestad, lijkt hij een haat-liefdeverhouding te hebben (ik ben in een kleine, / dode stad / geboren. / ik heb er nooit / het levenslicht gezien. / ik heb er nooit / meer dan / tien levenden / samen gezien; / tien levenden / waarvan negen vreemdelingen / negen vreemdelingen / waaronder / ik.).

In Rebuten richt de dichter zich tot illustere grootheden als Archytas van Tarente, Demotrikos van Abdera en Ferekydes van Syros. Je moet je klassieken kennen of niet te beroerd zijn de encyclopedie (Waar hield Hypatia zich ook weer mee bezig?) en Bijbel (Hoe zat het precies met die Ohola en Oholiba?) bij de hand te houden, of Wikipedia op te gaan. Erg graag las ik ook de verzen die Ramon aan bevriende dichters opdroeg. Aan Hendrik Carette bijvoorbeeld (Nog ligt een vloek in onze handen, / nog garen wij gif onder de tong / en weten wij dat er ook in de hemel / woede heerst – woede en wrok), of aan Mark Insingel. Ook is er een hele resem in memoriams voor hem ontvallen collegae als Wilfried Adams (Hij zei nog: er zijn geen rozen / in het donker, geen rozen / in oktober, en hij verdween, plotsklaps / met een hink-stap-sprong.), Marc Braet, Jaak Frontier, Jan van der Hoeven, Ben Klein, Marcel van Maele en Paul de Wispelaere.

Met zijn sierlijk intellect brengt Ramon in zijn werk zowel de oudheid als recentere geschiedenis sprekend tot leven. Dit is een waardevolle dubbeluitgave van een aimabel dubbeltalent, boeken die het verdienen om regelmatig uit de kast gehaald te worden.


Borgtocht – Woordwerk / Borgtocht – Beeldwerk, Renaat Ramon, Poëziecentrum, Gent, 2021, ISBN 9 789056 551292 / 9 789056 551193

(Bert Bevers)

Nooit ongedocumenteerd een gedicht in


P.B. Kempe debuteert dan eindelijk na diverse uitgaven in eigen beheer en/of in beperkte oplage: Vergedichten is uitgegeven door een heuse (poëzie)uitgeverij en dat is het bewijs. Het maakt de poëzie van deze dichter niet anders, gelukkig maar.

In zijn gedichten geeft P.B. Kempe blijk van een gedegen kennis van het onderwerp dat hij beschrijft. Of het nu om geschiedenis, geografie of (beeldende) kunst gaat, de dichter verdiept zich in zijn onderwerp en boetseert er een gedicht uit.

Heiligerlee, waar legeraanvoerders bleven
in de slag van 1568, verstijfden
tot gedenkmassief in 1868


lees ik in het gedicht Eerst Napels zien en dan. Bij de 30-jarige herdenking van de Slag om Heiligerlee, die in onze geschiedenisboekjes uitgebreid genoemd wordt, werd een gedenkmonument onthuld ter ere van graaf Adolf die er het leven liet. In een uitgebreid Bijschrift vermeldt Kempe dat Heiligerlee, Napels en het verderop in het gedicht genoemde Tranendal buurtschappen zijn bij Winschoten.

Alles kan een aanleiding worden tot een gedicht, P.B. Kempe is een verwoed lezer, vorser naar feitjes die als het ware vragen om een gedicht. Neem bijvoorbeeld Malevic, 1935 tot heden, dat zijn ontstaan dankt aan het geven dat van hem na zijn teraardebestelling en diverse urnschennis elk spoor ontbreekt. Opgegaan in duisternis:

Aardappels groeien op een vierkant veld,
waar schoppenboer in zwarte aarde zweet:
het stoffelijk vonnis daar geveld
heeft van de wijdten geen benul, geen weet
van tarten, trouw en wat met voeten treedt

het duister als de oudste moordenaar
tot aartsvader van ieder woordenaar.


De dichter is zich bewust van zijn (zelfopgelegde) taak: te verwoorden wat in de tijd is blijven liggen of is weggemoffeld.


Ook in het gedicht De as van Pirandello is sprake van onrust voor er uiteindelijk rust optreedt:

Hem dolf zijn eiland zijn graf:
geboortig uit Caos, tot Cas weergekeerd
spleet donder de den waaronder zijn urn
geen rust vond – pas in de spleet
van de kraterwand, al eerder door donder bezocht
in Grieks-Romeinse tijd van overzee,
rust zijn as, na een laatste overschouderse blik
op het eeuwige worstelen,
op zijn Afrikaanse zee.


In de gedichten www.mijn.amerika en beaux arts, nieuwe wereld lijkt het of Kempe verslag doet van een Amerikareis en dat vermengt met weetjes en historische feiten. Het levert gedichten op die ondanks de persoonlijke voornaamwoorden welhaast objectieve observaties blijven. Slechts de onderwerpskeuze en de lading tussen de regels geven de gedichten hun meerwaarde.

Dit is het ultieme wapen van deze dichter: het (al te) persoonlijke uit de taal houden, de woorden hun werk laten doen in beelden die voldoende stemming moeten maken. De lezer krijgt de gedichten niet zomaar cadeau, maar wordt dwingend uitgenodigd deel te worden van het scheppingsproces van de dichter, tenminste toch door in ieder geval de toelichtingen te lezen die Kempe in zijn Bijschrift opneemt.


Vergedichten, P.B. Kempe, Uitgeverij Anderszins, De Waal, 2021, ISBN 9789492994288

(Wim van Til)



Twee holtes op een kussen


Sinds 1 februari 2022 is de 55-jarige Monique Bol de nieuwe stadsdichter van Hoogstraten. De derde, na Daan Janssens en Michiel Van Opstal. Uitgeverij C. de Vries- Brouwers (Antwerpen-Rotterdam) gaf in 2021 Monique Bols eerste dichtbundel uit: er liggen twee holtes op je kussen. De dichteres zorgde zelf voor een sobere omslagfoto, een zeelandschap met staketsel in bruine en grijze tinten. De auteursfoto op de rechterflap is van Dirk Celis. De tekst achteraan op de cover vermeldt dat Monique Bol een klimaatdichteres is. Samen met 175 Vlaamse dichters ijvert zij voor een betere wereld.

er liggen twee holtes op je kussen is een bundel van 59 gedichten, verspreid over 87 pagina’s, netjes ingedeeld in 6 cycli. Vooraf een soort inleidend gedicht, een hors-d’oeuvre, achteraan het eindgedicht de man de zee, 14 verzen lang, die ‘in stukjes’ worden geciteerd bij de aanvang van elke cyclus. De eerste drie verzen van de man de zee dienen tenslotte nog als ‘algemeen’ citaat bij de aanvang van de bundel. En dan vergeet ik nog de verzen bovenaan op bladzijde 6 te vermelden: voor wie beseft/ dat verlangen hand in hand gaat/ met een kille wind. Deze bundel heeft dus een ogenschijnlijk klassieke structuur, maar serveert een vijftal ‘tussendoortjes’.

Bij een eerste kennismaking met de gedichten in er liggen twee holtes op je kussen, vermoedt de lezer onmiddellijk dat de dichteres personages opvoert die een romantisch liefdesavontuur beleven. Een liefde die jammer genoeg verdampt naar het niets. Dit lijkt een banaal gegeven, maar de lezer zal absoluut gecharmeerd worden door de poëtische verbeelding, de humor en de taalgevoeligheid van de dichteres.

In de eerste cyclus beschrijft zij het begin van een verliefdheid: ik zag je bij de botsauto’s op de dijk. onze handen / haakten in elkaar, ik zoog je lach. we kusten/ in de rappe rups, je wilde meer/ ik acht aan iets leuks iets blauws… en: vannacht gaf je me een zoen / spelend kneep je in de muis/ van mijn hand. je grinnikte en je mond/ beroerde mijn verbaasde lippen/… het werd verschroeiend heet in mij/… De geliefden spreken blijkbaar een andere taal: zij lacht in kuiltjes, reikt hem wat sap/ een boterham. ze praat en praat, volhardt/ geduldig leert ze hem haar land/… ze theateren met taal en op een dag/ begrijpt hij haar zinnen/…. De plot vervloeit langzaam, gedicht na gedicht, vers na vers, naar afwijzing en afscheid. Want de geliefden, zegt de dichteres, wonen niet langer in dezelfde bubbel. Met nostalgie kijkt het vrouwelijke personage naar het verleden: hoe we samen smolten/ is lang geleden en de briefjes bij de lunch, / kaarsen om ons bed heen, het slome/… doezelen in bad, samen./ langzaam verdween alles in de afvoerpijp.

Monique Bol schrijft geen abstracte gedichten. In vloeiende verzen creëert zij een beeldrijke, sensuele en licht erotisch gekleurde werkelijkheid. Kortom: er liggen twee holtes op je kussen is een onweerstaanbaar debuut, heel vrouwelijk, met af en toe verrukkelijk romantische toetsen.


er liggen twee holtes op je kussen, Monique Bol, gedichten, C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2021, ISBN 978-90-6174-085-8

(Nicole Van Overstraeten)

Giorgio Baffo vertaald


De meer dan gedegen inleiding leert dat Giorgio Baffo een Italiaans dichter was, geboren in 1694 in de toen machtige stadstaat Venetië dat in die tijd ook wel het ‘bordeel van Europa’ werd genoemd. Alhoewel wettelijk verboden floreerde de prostitutie er in grote mate. Baffo was een absolute libertijn en een duidelijke amateur van de vleselijke geneugten in al zijn aspecten. Hij was bevriend met de vader van Casanova en overleed in 1768. Hij combineerde zijn functie als magistraat bij het hooggerechtshof met het schrijven van gedichten en liet een dichterlijk oeuvre na van ruim 1200 gedichten de meeste in de sonnetvorm. De thema’s zijn éénduidig: het gaat openlijk over seks, gelardeerd met een vlijmscherpe kritiek op de kerk en het lokale bestuur. Hij gebruikt daarbij het Venetiaanse dialect van die tijd, wat uiteraard het vertalen niet makkelijker maakt. Om begrijpelijke redenen ook werden zijn gedichten pas later gepubliceerd. Wel waren ze ‘onder de toonbank’ verkrijgbaar en droeg hij ze in besloten kring voor.

Met de uitgave Vertalersweelde brengt Mereie de Jong een selectie van Baffo’s gedichten voor de eerste maal in het Nederlands. Het interessante van deze uitgave is het feit dat telkens ook de oorspronkelijke tekst is weergegeven. Wie een beetje vertrouwd is met de Italiaanse taal zal meteen merken voor wat een gigantische opdracht de vertaalster stond. Niet alleen om het rijm, de vormvastheid en het metrum te bewaren, maar ook het melodieuze van de Italiaanse taal om te zetten naar het toch wel stroevere Nederlands samen met in onbruik geraakte en verouderde dialectwoorden. In die context heeft de Jong werkelijk een briljant huzarenstuk afgeleverd.

Inhoudelijk kunnen de gedichten zonder meer als pornografisch geduid worden. In geuren en kleuren, in alle details, wordt het neuken bezongen en geprezen. Van elk gedicht spat de erotiek en de liederlijkheid af. Uiteraard moet het geplaatst worden in zijn tijdskader. Van MeToo was nooit gehoord, de vrouw was onderdanig aan de man en moest hem ook gepast bevredigen. Nochtans blijkt uit de gedichten dat Baffo, alhoewel een macho pur sang, toch ook wist hoe hij een vrouw genot kon verschaffen. De clitoris was hem bijvoorbeeld niet vreemd: Ten hoogste kunnen ze, voor meer geneugt / ‘t is net als dansen zonder instrument, / elkaar beminnen met de kittelaar.

Dit vertaalproject werd aangevuld met 46 Nederlandstalige gedichten. Een dertiental dichters werden uitgenodigd om eveneens een aantal erotische gedichten te schrijven als hommage aan Baffo. Het is een moedige poging maar helaas blijft het daarbij. Op een paar uitzonderingen na halen ze nauwelijks het niveau van de meester en ontstijgen ze zelden het niveau van wat platvloers geschrijf. Het komt merendeel gekunsteld en geforceerd over. De drie sonnetten van Piet Gerbrandy zijn daarbij een uitzondering: Hoofs immanent en wit en hoogst reëel / bevrijd jij dooraderde uiers uit hun wade / die staan en vallen met je ongenadigst / dansen op deze dorstige vulkaan.

Deze bundel is zo bijzonder in zijn thematiek dat niet elke lezer hem zal smaken. Wat deze uitgave wel erg interessant maakt is niet alleen de inkijk die het geeft in de zeden van toen maar ook het essay van de vertaalster ter inleiding en het nawoord. Ze gaat er omstandig in op de gevolgde vertaalmethodiek. Het is een verhelderend betoog, zeer aan te bevelen.

Vertalersweelde – Giorgio Baffo in de handen van…., inleiding en nawoord Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2021, ISBN 978 90 830230 9 0

(Richard Foqué)


De verbeelding beschut


Al de Boeck, in een vorig leven programmamaker bij de VRT, debuteerde als dichter in de jaren ’60. In 2019 gaf hij een verzamelbundel met eigen werk uit, De kwetsbaarheid van een vermoeden. Met De verbeelding beschut, in 2021 gepubliceerd door Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, is hij aan zijn allernieuwste bundel toe. Op de voorzijde van de omslag prijkt een eigen illustratie, op de linkerflap een blurbtekstje van Marc Bruynseraede. De rechterflap toont een foto van de dichter, plus een summiere biografische notitie.

De verbeelding beschut bevat 55 gedichten, niet ingedeeld in klassieke cycli. Origineel is de ‘tweede titel’ op pagina 5: Wij, We, Zij, Ze, Hij en Ik. Persoonlijke voornaamwoorden, die afwisselend in de bundel bovenaan op rechter- of linkerpagina’s worden herhaald en blijkbaar een soort thematische ordening van de gedichtenreeksen suggereren. Op pagina 50 echter noteert hij op de linkerpagina rechtsboven het woord Nomaden, met hoofdletter, op dezelfde ‘lijn’ als de titel van het gedicht Het verst.

In zijn bloemlezing De kwetsbaarheid van een vermoeden gaf Al de Boeck aan dat zijn thematiek steeds dezelfde blijft, maar telkens breder en dieper is uitgewerkt. Een nauwkeurige inspectie van De verbeelding beschut toont dat de we-sectie (zonder hoofdletter) het grootst aantal pagina’s (30) telt. De sectie ze (5 gedichten) wordt onmiddellijk gevolgd door de sectie hij (3 gedichten) en ik (5 gedichten). Daarna wisselen de woordjes bovenaan de pagina’s mekaar speels af, het is aan de oplettende lezer om de gedichten in de juiste context te plaatsen.

we bevat gedichten die de intimiteit in een liefdesrelatie centraal stellen. In deze reeks schijft de auteur verzen met sensuele toetsen. Zijn gedichten zijn geen longreads met lyrische uitweidingen, het tekstmateriaal beslaat meestal niet eens de helft van de pagina’s. Al de Boeck wil, ondanks enige tekenen van bindingsangst, de liefde tegelijk romantisch én rationeel benaderen. In het gedicht Misverstanden volgt na romantische momenten het volle besef van de vluchtigheid en fragiliteit van de liefde:

Karmijnrode lippen, roze wangen, handvolle borsten./… De bestudeerde gelaatsuitdrukkingen./ Die vochtige blik alsof ze iemand heeft bemind./ Klaar voor misverstanden, als wijn en nacht samenvallen.

Al de Boeck verlaat deze thematiek vanaf de tussentitel Nomaden. Hij wijdt enige treffende gedichten aan vluchtelingen, maar schakelt dan weer over naar het ik en de sectie hij. In deze gedichten speelt hij met abstracte begrippen als zekerheden, nuances, inkeer en verlangen. In een van zijn laatste gedichten zegt Al de Boeck:

Denken is veronderstellen op/ met verbeelding berustende hypotheses/ Om erachter te komen wat het evenwicht is/ tussen gemotiveerde hoogmoed/ en onzin aan de verkeerde kant van de vergelijking.

De verbeelding beschut van Al de Boeck is een waardevolle bundel, die vraagt om gelezen en herlezen te worden. De gedichten dagen uit om na te denken over standpunten, ideeën en attitudes. Ogenschijnlijk schuwt de dichter romantische en lyrische ontboezemingen, maar hij is ook beducht voor te diepzinnige wijsheden. Met een gezonde dosis nuance, eigenwaarde en humor slaagt hij erin zichzelf en de wereld perfect te relativeren.


De verbeelding beschut, Al de Boeck, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2021, ISBN 780 90- 6174-106-0

(Nicole Van Overstraeten)