Een reis van niet te noemen duur


Een van de eerste dichtbundels die ik kocht was Pijn en puin verdwenen – Jonge Vlaamse estetische [sic] poëzie met werk van 15 jonge Vlaamse estetische dichters. Daarvan verwisselden ondertussen Nic van Bruggen, Herman de Coninck, Mark Dangin, Jan Diels, Marcel Van Maele, Werner Spillemaeckers, Eddy van Vliet en Rudy Witse het tijdelijke voor het eeuwige.
Nog steeds onder de levenden zijn Bobb Bern, Hendrik Carette, Patrick Conrad, Werner Cranshoff, Ben Klein, Marcel Obiak en Tony Rombouts. Onlangs verscheen nieuwe werk van Bobb Bern. Die is er bijna 78 (maar daarmee is hij nog niet de ouderdomsdeken van genoemd septet vermits Ben Klein in juni zijn 90ste verjaardag heeft mogen vieren).
Ik vraag me af of hij in 1965, toen hij in als tee [sic] bebloemd noteerde zo zal het zonderling waaien / tot een reis van niet te noemen duur, gedacht heeft dat zijn literaire reis 53 jaar later nog niet gedaan zou zijn.
Bern, die zich vooral in de zestiger jaren manifesteerde maar nooit een veelschrijver is geweest, pakte eind vorige eeuw zijn boeltje en verruilde een appartement in de Antwerpse Hoogstraat voor een plattelandswoning in een Frans boerengat. Daar selecteerde de man die ook al eens werk durfde weggooien uit vele bladzijden meeverhuisde teksten een selectie gedichten die hij schreef tussen 1981 en 1995 (de rest ging de prullenmand in). Die selectie werd nu door Berns oude vriend Eddy Ausloos, die ook voor de illustraties tekende, uitgegeven onder de titel jonathan dringt niet meer (een knipoog naar Berns in 1964 verschenen jonathan drinkt weer).
De rode draad in deze uitgave: verwerkt verleden. De bundel bestaat uit de reeksen maretak & gouden sikkel (in het colofon vermoedelijk abusievelijk maretak en gouden cirkel geheten), le mort mirobolant, le moribond miro, de zwaan en uit het hazelarenbos, los (Bern volhardt, wat dat aangaat blijft hij een kind van de jaren zestig, in gebruik van louter letters uit de onderkast).
Waarin hij herinneringen ophaalt aan liefde, verdriet, verraad en ziekte en aan overleden kompanen als Nic van Bruggen (de films die we bedachten, in ons hoofd monteerden, / maar nooit het licht zagen), met wie hij ooit een weddenschap aanging wie van hun tweeën als eerste een eigen woord in Van Dale geplaatst zou krijgen (jij won met je fanta ad “frisdrank”).
Bobb Bern weet me regelmatig met zijn robuuste poëzie (en daar gaat het om, getuige zijn niet de dichter is belangrijk, wel het gedicht) te raken. Zo heb ik een zwak voor regels als brutaal brak m’n stem in slecht geschreven stiltes / op papier zonder ruitjes, bijna vrij van kalm hout. en toen we kiezel spraken met de raven en enkele zwanen karvelen gezamenlijk / in bewegende schittering / op eigen spiegelbeeld / een verborgen betekenis tegemoet.
Ik ben blij dat Bobb Bern niet alle aantekeningen die hij bewaard had bij nadere bestudering in het haardvuur heeft gezwierd.

jonathan dringt niet meer, Bobb Bern, uitgave van vzw Arsenaal, Antwerpen, 2018

(Bert Bevers)

Mongoolse blauwe plekken


De Mongoolse dichter en vertaler Hadaa Sendoo wordt beschouwd als een van de belangrijkste moderne dichters van de 21ste eeuw. Sinds 1989 publiceerde hij 15 dichtbundels. In 2006 richtte hij de World Poetry Almanac op, met een internationale keuze aan Engelse gedichten. Hij ontving tal van literaire prijzen, o.a. in Canada, China, Griekenland, India, Rusland, USA en van de Mongoolse Schrijversvereniging. Zijn poëzie werd in 30 talen vertaald.
Maar dit is een primeur: met deze tweetalige uitgave, Mongolian Blue Spots / Mongoolse Blauwe Plekken, verschijnt zijn werk voor het eerst in het Nederlands. Initiatiefneemster is dichteres en oprichtster van uitgeverij Demer Press, Hannie Rouweler. Zij vertaalde al poëzie van o.a. Knut Ødegård (Noorwegen) en Michael Augustin (Duitsland) en tekent ook nu voor een voortreffelijke vertaling.
Of Hadaa Sendoo nu over liefde en leven, lijden en dood, vrede of schoonheid schrijft, vaak met een melancholische ondertoon (ik heb er geen spijt van dat ik veel heb liefgehad/ het spijt me alleen/ dat ik te vroeg kwam, of te laat), zijn sterke binding met de natuurelementen loopt als een rode draad door zijn werk en die bieden soelaas en hoop. Zijn liefde voor paarden en Mongoolse wilde paarden is een ander veel voorkomend thema: Ik verwacht niet veel/ van mijn leven/ behalve dan wilde paarden zien die de wind najagen (…) Uiteindelijk/ heb ik geen goud/ en zijde nodig. Indien mogelijk/ geef mij een beetje voer/ voor de nacht, om mijn paard te voeden./ Ook hij is moe
Het titelgedicht is een ode aan zijn land: (…) De blauwe plek, geboren met het symbool van het leven,/ werd in Nood-Amerika ontdekt/ in de Kaukasus/ en in heel Centraal-Azië/ Het staat bol van inheemse kleuren/ en zoals bij de Amerikaanse indianen/ onthult het een helder kleurenpatroon (…) Blauwe plek, allereerste kleur van de eeuwige hemel/ mijn afstammelingen zouden trots op je zijn/ de moedervlek/ dat was een verrassing alsof iemand/ wilde Mongoolse paarden tegenkomt// Blauwe plek, totem van het leven// Het hart van de steppen…/ het houdt nooit op met kloppen
Het engagement is niet veraf: Ik ben moe van/ ogen die discrimineren/ vaak hield ik de kaken stijf dicht// Oh mijn vriend!/ waarom schaam je je om in het Mongools te schrijven/ vaak kromp mijn hart
Waar zal de geur van de wind naartoe gaan?/ Waar zal zijn vergelding vandaan komen?// We weten niets van/ de huilende wind/ de rondtrekkende wind/ de zingende wind
Waar de wind naartoe gaat - net als de tijd - dat blijft een raadsel. Dit ligt besloten in de hartverwarmende poëzie van Hadaa Sendoo: Ik ben er trots op dat ik een goed gedicht heb/ ’t is zoals paardenogen/ de warmte en het diepe gevoel.// Misschien is dit mijn laatste schepping,/ ik zal erop rijden om ermee/ over de hele wereld te reizen.

Mongolian Blue Spots / Mongoolse Blauwe Plekken, Hadaa Sendoo, tweetalig Engels Nederlands, vertaling Hannie Rouweler, Demer Press, 2018, ISBN 978-0-244-92736-3

(Roger Nupie)

Vruchtbare grond


De Achterhoek, een beeldschone streek in Gelderland, heeft vruchtbare grond voor sommige dichters. En Aalten al helemaal. In het eerste jaar van deze eeuw vond Wim van Til er de inspiratie voor zijn Aaltense Zangen, en nu komt Pim te Bokkel met De Achterhoekse verzen waarin de Aaltense havezate ’t Walfort waar hij opgroeide een belangrijk deel van het decor vormt.
Te Bokkel, 35 ondertussen, trok in 2007 voor het eerst de aandacht met de bundel Wie trekt de regen aan? Nadien volgden fijne bundels als De dingen de dingen de dans en de dingen (2010) en Dit is hoe een storm ontstaat (2013). Enkele van de Achterhoekse verzen verschenen daarin eerder. Het gedicht Noviomagus kwam ik eerder ook tegen in Ontmoet de dichter…., het boek dat verscheen ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van het Poëziecentrum Nederland.
Het aardige van De Achterhoekse verzen is dat ze twee keer in het boek staan: in het Standaardnederlands en in de Achterhoekse, meer bepaald Aaltense, variant van het Nedersaksisch. Voor de vertaling daarin droeg Te Bokkels gewestgenoot Hans Mellendijk zorg.
Bij Te Bokkel is een boer bevreesd dat de streek de geest opgeeft / de taal verliest, bij Mellendijk dat de streek de geest opgöf / de spraoke verlus. Ik vind de vertalingen een charmante meerwaarde opleveren. Uit Liedje: Alle klank is dans / als Lieke danst / als het jurkje dat haar / vrij als de zomer omarmt / springt / en Lieke springt // Johannes houdt de adem in. Dat wordt in Versjen Alle klank is dans / as Vere danst / as ’t kleedjen dat eur / vri-j as de zommer umarmt / sprunk / en Vere sprunk // Johannes hölt ’n aosem in. Ik moet wel nog eens navragen waarom in het Nedersaksisch Johannes Johannes blijft maar Lieke Vere wordt.
Te Bokkel weet een mooi beeld van ‘zijn’ Achterhoek en zijn jongensjaren daar op te roepen. Beslist aangrijpend zijn de mijmeringen bij zijn oma die hij noteerde in Lichtspel uit de diareeksen van wijlen mijn oma, ‘de oma met herinneringen / als diacollecties die ergens nog op zolder moeten liggen’: ik weet niet waar mijn oma is / nu ze naar binnen keerde en het duister in zichzelf passeerde (ik wet neet woor mien oma is / nów zie noor binnen keern en ’t duuster in zichzelf passeern) [….] wellicht dat ze van de verre oever naar zichzelf kijkt met haar man // dat ze de afstand voelt / als uit het wolkendek de zon doorbreekt / als handgebaar // en ze door generaties kinderen gedragen / weet / zo is het mooi geweest (meugelek dat ze van de wiete ovverkante noor zichzelf kik met eur man // dat zee de afstand veult / as uut ’t wolkendek de zonne deurbrök / as handgebaar // en zee deur generaties kinder ’edragen / wet / zo is ’t mooi ’ewest.
Bert Scheuter, die ook de vormgeving verzorgde, leverde vijf tekeningen voor dit liefdevol uitgegeven boek. Met veel plezier gelezen!

De Achterhoekse verzen, Pim te Bokkel (naar het Nedersaksisch vertaald door Hans Mellendijk), Uitgeverij Fagus, IJzerlo, 2018, ISBN/EAN 978-94-91634-65-9

(Bert Bevers)

Eeuwig leven


Atze van Wieren is als dichter een laatbloeier. Zijn eerste bundel Grondstof verscheen pas in 2008. Eeuwig leven is zijn derde bundel. Daarnaast vertaalde hij Rilke’s Duineser Elegien (2006) naar het Nederlands en werkte hij samen met het dichterscollectief WP99.
Op de omslag lezen we dat zoeken naar zin en betekenis van mens zijn de poëzie van Van Wieren kenmerkt en verder hij onderzoekt het brein, het waarom van dichterschap…. De verwachtingen worden dan ook hoog gespannen maar deze bundel lost deze helemaal niet in. Eeuwig leven is opgedeeld in twee onderdelen: een omvangrijk deel, Heden en verleden zelf opgedeeld in vijf korte cycli- en een kleiner afsluitend deel Later. Het is erg onduidelijk waarom de dichter voor deze indeling heeft gekozen vooral omdat de gedichten eigenlijk geen cyclische samenhang vertonen maar eerder op zichzelf staan.
In deze hybride bundel staan sterke gedichten, zoals het openingsgedicht Wak: Waar bleven de zomerliefdes, / hitte die wegwoei / op zuidenwind, in het koren / de plek met geknakte aren. / Winter wacht. Hoe breek ik ijs, / donker is het water / in een wak en ongewis / wat eruit naar boven komt.
Maar ze wisselen af met uitermate zwak geschrijf, zoals bijvoorbeeld het triviale Loodgieter en het clichématige Watt, Lied en Herfst of Opus 111, waar zo ongeveer alle gemeenplaatsen over schrijven opgestapeld en aaneen geregen worden.
Verzen zoals De branding zingt haar oeroude lied, / ik ken de melodie /maar vind de tekst nog altijd niet.  of  maar dat opnieuw gedichten zullen vloeien, / waar dorheid was weer bloemen zullen groeien… of  Ik ben heelal in het diepst / van mijn neuronen… of de kosmos is een tombola met prijzen… zijn wellicht acceptabel in een sinterklaasgedicht, maar horen niet thuis in een poëziebundel, die zich serieus neemt. De dichter ontkracht door dit soort clichés telkens opnieuw de diepere boodschap, die hij ongetwijfeld via zijn verzen wil uitdragen, zoals in het gedicht Jagers in de sneeuw: Het gaat op huis aan, / op rug en schouders rust / wat ginds werd koud gemaakt: / men laat zijn sporen na..
Dit is jammer, want van Wieren heeft wel degelijk dichterlijke kwaliteiten.
Helaas verdrinkt hij die in soms gratuit gerijmel, overtollige en geforceerde alliteraties, zoals bijvoorbeeld de droeve dreun van de draailier, de branie van de bronst of in het banale gebruik van bijvoeglijke naamwoorden: grauwe groeven…holle knoesten…vervallen nest van treurvogels…. De dichter ontkracht zo zijn directe en van eenvoud getuigende stijl, die dan weer uit andere gedichten spreekt zoals in het mooie Houvast: Het is oktober. In de ochtendmist / trekken hoog de ganzen, elkaar tot gids.
Er is voor deze dichter nog veel werk aan de winkel. Hij moet zijn poëtische zegging veel meer kritisch gaan benaderen en zich ver houden van al te gemakkelijke rijmelarij.

Eeuwig leven, Atze van Wieren, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2017, ISBN 978-90-8684-157-8

(Richard Foqué)

Het mompelen van de wereld


Voor mij ligt de twaalfde bundel Het zingen van de wereld van Marc Tritsmans. Het Laatste Avondmaal. Twaalf apostelen aan de tafel. Wat volgt hierna? De kruisiging, de verrijzenis? Tritsmans wordt ook wel een meester van het kleine genoemd. Zijn bezorgdheid voor aarde en toekomst zijn bekend. Toch sluipt er in deze bundel een soort van fatalisme. Een gelatenheid die in vorige bundels niet zo was te lezen.
De nieuwe bundel is verdeeld in 5 cycli: Plaatsbepalingen, Grondtonen, Brandpunten, Samenzang en Nagalm. Het heeft iets religieus. Het zou de inhoud van een eredienst kunnen zijn. In de cycli worden gedichten over de vertrouwde elementen zoals zon, maan, aarde, water, lucht, hout, vuur, bloed, eiland en boom omringd door gedichten met andere titels: vertrouwde constellaties, brengers van licht, het lichaam spreekt (ook even), schilderij zonder mensen, foto van berglandschap.... Dit geeft aan het vertrouwde een bevreemdend effect. Alsof er het plotse besef is dat dat wat we kennen anders benoemd kan worden, andere wendingen kan nemen.
Tritsmans valt met de deur in huis. Na de titel van het gedicht begint hij zijn gedichten zonder hoofdletters en eindigt ze zonder een punt te zetten. De hele bundel laat zich op deze manier lezen als een paternoster. Het einde is geen einde. Tritsmans is een zorgvuldige dichter, een componist. Alle gedichten bestaan uit drie-, vier-, of vijfregelige verzen. Af en toe duikt er een sonnet op. Alleen het gedicht De eerste dag van de maand juli kent een andere opbouw. Naar mijn gevoel dissoneert het hier. In de verder homogene bundel lijkt dit gedicht er tussen geplakt. Daarentegen blijven de eenregelige verzen die tussen de 6 terzines van dit gedicht staan intrigeren. Als je ze achter elkaar zet krijg je het volgende: nee, vandaag vind je hem niet hier // maar vandaag vind je hem evenmin hier // nee, vandaag vind je hem niet / hier en evenmin elders.
Toch mis ik in de bundel de scherpe beelden die ik in eerdere bundels van hem kon lezen. Het lijkt of de dichter geconfronteerd wordt met metaalmoeheid en het in het begin genoemde fatalisme: de lome zwaarte die ons draagt en ons uiteindelijk zal verpletteren (uit Aarde); het doelloos geklooi van de eigen dwaze soort (uit Metgezellen); als een keizer in zijn draagstoel / duldt hij van mij geen enkele tegenspraak / uiteindelijk ben ik slechts zijn toevallige slaaf (uit Het lichaam spreekt (ook even)) en had hij ten slotte een na een alle luiken / gesloten: geen uitzicht meer op de wereld / alle lichten achter hem uit (uit Een naderende winter).
De aantekeningen achterin hadden niet gehoeven. Daar steekt de belerende wetenschapper zijn hoofd om het hoekje en ik verkies de dichter. Toch ben ik benieuwd naar de dertiende bundel van hem. Want bij tijd en wijle weet hij de juiste snaren te raken. Ik hoop op meer scherpte, op zingen in plaats van mompelen.

Het zingen van de wereld, Marc Tritsmans, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2018, ISBN 9789046822937

(Frans August Brocatus)

Wit uitgelicht


De vegetariër, het eerste boek van de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang dat in het Engels werd vertaald, kaapte meteen de Man Booker International Prize weg in 2016. De onderscheiding had een symbolische bijklank: voor het eerst brak een Zuid-Koreaans auteur internationaal door. Na De vegetariër (inmiddels een bestseller én verfilmd) en Mensenwerk (Human Acts, in 2017 in Italië onderscheiden met de Malaparte Prize) is nu ook The White Book in het Nederlands verschenen, eenvoudig getiteld Wit.
In De vegetariër stopt Yeong-hye met vlees eten om uiteindelijk helemaal niet meer te eten. Mensenwerk heeft als uitgangspunt de massamoord in 1980 op protestvoerders tegen het dictatoriale bewind van president Chun Doo-hwan. Wat geweld kan aanrichten is een verbindingselement tussen beide romans; aanvankelijk wordt Yeong-hye met geweld gedwongen te blijven eten. Wit is  heel wat intimistischer. Han Kang omschrijft het boek als een novelle die je kunt lezen als een prozagedicht. Het boek bestaat uit korte teksten en, doordat elke tekst op de rechterpagina begint, heel wat blanco bladzijden.
De auteur wordt achtervolgd door het verhaal van haar oudere zus, die twee uur na haar geboorte overleed. Ze probeert tijdens haar verblijf in Warschau met dat verleden in het reine te komen en haar zus een stem te geven. Daarbij focust ze zich op alles wat wit is (Nu geef ik je witte dingen), zoals bakerwindsels (de boreling is gewikkeld in sneeuwwitte doeken), moedermelk, de verdwijnende broosheid, de drukkende schoonheid van sneeuw (sneeuwvlokken, eeuwige sneeuw, natte sneeuw, sneeuwstorm), zout, de maan, witte vogels, suikerklontjes, zand (En vaak vergat ze / dat haar lichaam (ieders lichaam) een huis van zand is. / Dat het is vergruisd en steeds verder vergruist. / En stug tussen vingers door glijdt.), witte vlinders, rijst, een lijkwade, tot alles overal wit wordt. Binnen in de stilte van het raam waar de winterzon doorheen schijnt. Binnen in de glanzende, dansende stofjes in de schuine lichtbanen die tegen het plafond schijnen. Binnen in dat wit, al die witte dingen, zal ik de laatste ademtocht die jij uitblies inademen.
Ondanks haar bedenkingen - Zou ik mezelf, gesluierd in wit verband, tussen die zinnen kunnen verstoppen? – bijt ze zich vast in de gedachte Sommige herinneringen zijn ongevoelig voor de tand des tijds. En voor sporen van verdriet. Het is niet waar dat alles wordt gekleurd door tijd en verdriet. Het is niet waar dat alles daardoor kapotgaat.
Als stilte samengebald kon worden in een heel klein, stevig voorwerp, dan zou het zo aanvoelen, schrijft Han Kang naar aanleiding van een wit steentje. Die (witte) stilte heeft de auteur in herinneringen en observaties uitgewerkt tot een poëtische meditatie, sierlijk, opmerkelijk, aangrijpend en van een zeldzame schoonheid. Niets is eeuwig maar op koude ochtenden bewijst het eerste witte ademwolkje dat ons ontsnapt dat we leven. En dat we een boek als Wit hebben om te koesteren.

Wit, Han Kang, naar het Engels vertaald door Deborah Smith, naar het Nederlands door Marijke Versluys, Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 2017, ISBN 978 90 388 0372 2.

(Roger Nupie)

Muren spreken - I muri parlano


Met het drietalig werk Muren spreken-I muri parlano -Walls talk hebben Joke Van den Brandt en haar twee medeauteurs Joris Wouters en Emiliano Biagio Manzillo een meer dan merkwaardig werkstuk gerealiseerd, dat ruimere aandacht verdient dan alleen maar binnen de wereld van de kalligrafie.
Onder hun impuls werden 55 mensen uit diverse culturele sectoren gevraagd om een woord te selecteren uit de Italiaanse taal en/of dialect dat voor hun een bijzondere betekenis heeft en daarbij de redenen voor hun selectie te geven.
Een internationale selectie van vijfenvijftig kalligrafen werden vervolgens uitgenodigd om dat woord ook kalligrafisch te verbeelden. De resultaten daarvan werden door de samenstellers van het boek gemonteerd in pakkende foto’s van Joris Wouters van Italiaanse muren. Het resultaat is verbluffend en ‘sprekend’.
Graffiti is van alle tijden. Het kan hinderlijk en vulgair zijn, subtiel en ontroerend, maar veelal is het een uiting van het zich onmachtig voelend individu tegenover een wereld, die hij niet kan beheersen. Het is de proteststem van de enkeling, de gazet van de straat. Het is de verdienste van de auteurs dat zij van uit dit gegeven een project hebben opgezet dat deze zo misprezen communicatievorm optilt tot het niveau van ‘kalligraffitti’. Het gaat daarbij niet alleen om het schoon schrijven maar om de confrontatie en versmelting van taal, textuur, vormgeving, bouwkunst. Het woord wordt als het ware onttrokken aan zijn grammaticale en etymologische wortels, de semantische context wordt getranscendeerd en gebracht naar het pragmatische niveau, waar woord en zijn betekenis effect wil sorteren op de lezer: ‘muren die willen spreken’.
Joke Van den Brandt stelt in haar inleiding terecht dat kalligrafie meer is dan mooi schrijven maar dat het gaat om een gesofistikeerde kunstvorm, waarbij de kalligraaf zich verdiept in de tekst en rekening houdt met inhoud, betekenis, klank, ritme en gevoel ervan. Het begon met beitelen in steen en langzamerhand werden schriftsystemen ontwikkeld, ieder met hun typische vormgeving, niet alleen geïnspireerd door de cultuur waarin ze ontstonden maar ook door de media via dewelke ze tot stand kwamen.
Die gelaagdheid en complexiteit vindt men ook terug op elke bladzijde van dit boek. Er zijn woorden geschreven in stoere Romeinse kapitalen, naast het statig voorname Karolingisch, het meer geraffineerd elegante Gotisch en alle varianten daartussen tot erg eigentijdse interpretaties.
Italië is het land is van de pokdalige, gebochelde, ongemanierde muren, van vervagende fresco’s, kwetsbare kleuren, schimmelvlekken, vegen en strepen, zoals Joris Wouters schrijft. Dat combineren met de elegantie van de Italiaanse taal en het meesterschap van de kalligraaf is een tour de force op zich en geeft een verrijkend inzicht. Maar Italië is ook het land waar vaak meer gezegd wordt met de handen, lichaamstaal en gezichtsuitdrukking dan met het gesproken woord. De samenstellers van dit boek hebben daar nu een dimensie aan toegevoegd: ‘sprekende muren’. Een must voor elkeen die zich wil verdiepen in de Italiaanse wereld.

Muren spreken-I muri parlano-Walls talk, Joke Van den Brandt, Joris Wouters, Emiliano Biagio Manzillo, Società Dante Alighieri en Kalligrafia, Antwerpen, 2017, ISBN 978-90-9029-229-8

(Richard Foqué)

haanse gedichten


Met haanse gedichten is de Vlaamse brievenschrijver-dichter Staf De Wilde aan zijn achttiende bundel toe. Een stevige bundel (245 pagina’s, 174 gedichten) onder het motto ‘na 22 jaren van dit leven in De Haan maak ik het testament op van mijn vergaren en vergaan, naar Boudewijn de Groot’.
De foto op de cover is van Marco Titucci. Ook kunstenaars als Renaat de Vriese, Filip van Steenberge, Filip Mestdagh, Dirk Roose en Günther G. Müller illustreerden de gedichten. De auteur nodigde ook een legertje vrouwen uit om zijn verzen te verfraaien: het doet deugd namen te noteren als Martine Labbeke, Hilde Orye, Carla Metsch, Bianca Hesse en Cynthia Vandenbor. Vergis u niet, beste lezer: Staf De Wildes verzen getuigen eerder van een menslievend,  sociaal engagement, van verontwaardiging om mistoestanden, dan van een expliciete kunstminnende attitude. De bundel is ingedeeld in vier reeksen gedichten: dorp en dorpsgenoten (85 portretten en verhalen over personages uit zijn omgeving), marines (32 originele zeegedichten), 17 verrukkelijke bosgedichten en 40 gedichten gelinkt aan werken van kunstenaars.
In haanse gedichten publiceert Staf De Wilde een overzicht van jaren tintelende belangstelling voor mensen, bij voorkeur uit zijn naaste omgeving. Belangrijke personen, ouderen, een straatveger, een bloemiste, schavuiten, kunstenaars, vissers, mensensmokkelaars, buurman Martin… Allen hebben zij Staf De Wildes aandacht en kunnen zij zich herkennen in de woorden van de dichter. Hij weet met enige rake trekken en een scheutje sentiment deze personages te profileren in hun vertrouwde omgeving.
…en als de zee vertrok van schaamte / sprong de dief met blote schaamdelen / naar de vis aan de kordelen: / de vissers vloekten en beraamden / … en beraamden en besloten: de rabouw werd uitgestoten (over strandjutter, dief en stroper Mong Devos, een volkslegende). … een ode aan een oude meester / blauw, blauw, blauw: de stapeling der wolken / de spiegeling der zee: de zandstrook voor de duinen / de tonen rijzen en strijken neer / zoals het wiegend melodietje: / de bluesette van Toots (over Toots Thielemans).zij is naar zee gestapt op moeizame benen, / neergeploft op het geverfde hout / en eindelijk is een mens verschenen / die praten wil en kout / zij zal de nacht in gaan / een weesgegroetje lezen / tot een Dame in den Hoge / opdat het gauw voorbij zou wezen / opdat zij dan gauw zou mogen (een oud vrouwtje op de zeedijk).
Staf De Wilde schrijft compacte gedichten zonder hoofdletters, met sobere interpunctie. De verzen zijn zorgvuldig maar niet obsessief in strofen ingedeeld. Hij is geen fan van ingewikkelde taalconstructies: zijn gedichten lezen vlot. Eindrijmen roepen reminiscenties op aan kinderversjes, de eenvoudige maar treffende vocabulaire pleziert wellicht ook zij die zich niet erg thuis voelen in de literatuur. Een tsunami van verzen, geschreven met empathie voor het volk en een vleugje verhevenheid. haanse gedichten is een prettige en interessante bundel, maar door zijn omvang duidelijk bestemd voor liefhebbers van slow reading!

haanse gedichten, Staf De Wilde, Uitgeverij Het Punt, Baasrode, 2017, ISBN 9789460792779

(Nicole Van Overstraeten)

Knappe bundel Embrechts


Maarten Embrechts heeft zich een adjectief toegeëigend. Dat is nu voor eeuwig het zijne, in alle talen ter wereld en onbruikbaar voor ieder dichter op aarde, onverbiddelijk en geheel rechtmatig van hem, op straffe van plagiaat. Maar daarover hieronder meer.
De derde bundel van Embrechts is homeopathisch van karakter. Grote gevoelens kunnen verteerbaar geuit worden: Ook doden kunnen sterven / Er staan huizen op hun hoofd / Hun kaart is uitgeveegd // Ik ben overschot // Er liggen nog wat letters in mijn hof

De dichter hoedt er zich voor zichzelf al te zeer au sérieux te nemen: het gedicht is maar een voertuig. Hij overweegt het wrange van zijn jeugd, de vader laat bittere sporen van pijn na, de moeder raakt nooit af. Het opgroeien verloopt niet vlekkeloos, er komt een pornostek met jongelingen aan de muur en een Sinte-Barbara die doelbewust ‘al’ twee borsten mist: tussen knie en middel moeten alle ogen dicht.
Woorden hoeven niet veel te wegen en gedichten hoeven niet lang te zijn om alles te zeggen, bijvoorbeeld in het gedicht Holland: Hier wil ik liggen / als een weiland spiegelend en uitgestrekt / terwijl in ’t water onversaagd de hemel / aan de hemel werkt.
Maarten Embrechts hecht in zijn gedichten veel belang aan interpunctie en woordbeeld. Leestekens ontbreken, of beter: moeten zelf worden verzonnen, terwijl hoofdletters aanwezig zijn. Dat veroorzaakt een vertraging, een bezinning of zelfs een verzinning bij de lezer, maar zelden een verwarring. Doseren en afmeten hebben voor een profijtelijk taalgebruik gezorgd, dat de bittere herinneringen aan de jeugd draagbaar maakt, lichter dan ze wellicht zijn geweest. Geen wonder dat het de dichter soms te veel of te bekrompen wordt, daar waar het allemaal gebeurde. Dan wordt de drang naar het onmogelijke hem te machtig: Tot in het holoceen ben ik // hier met mezelf bewoond Ik wil nu / weg uit Turnhout en neger worden
En al zegt de dichter zelf bijna verontschuldigend dat zijn poëzie soms een rouwig randje heeft, wat zou het: de dichter oefent voor een nieuwe reis, al weet hij nog niet waar hij gaat wonen, Misschien in binnenlanden ginder diep stroomopwaarts
Ik ben u nog dat adjectief schuldig waarop ik zo ontzettend jaloers ben dat ik het hier, als laatste woord van dit relaas, klakkeloos overschrijf en me onbeholpen tot citeren dien te beperken. Het gedicht heet Alcibiades (Alcibiades was een bijzonder avontuurlijk leerling van Socrates). In dit gedicht doet Maarten Embrechts mij denken aan het religieuze van Reve in zijn gedichten uit Nader tot U. De cursieve regel hieronder is door de dichter zelf zo gewild.

Alcibiades

Vanavond hebben al mijn woorden rafels
Ze vallen uit de taal

Het is de fout van drank en van Socrates
Hij wil niet met mij slapen

Met te veel heiligheid heeft hij mij aangeraakt

En waarom wil God niet bij mij
zoals bij Adam komen

heel Sixtijns

Letters in mijn hof, Maarten Embrechts, C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam,  2018, ISBN 9789059275652

(René Hooyberghs)

Een vriend van Ensor


Van de Oostendse auteur Etienne Van den Steen verschenen poëziebundels en filmscenario’s maar hier richten we ons licht op zijn recentste werk: de biografie over de kunstschilder Carol Deutsch. De auteur zet zijn hoofdpersonage in een authentieke context waardoor we meer te weten komen over de vele persoonlijkheden die in het Oostende van de jaren 30 hun artistieke stempel zetten. Daarnaast krijgt de lezer een duidelijk beeld van Carol Deutsch’ oeuvre. De man, geboren in 1894 te Antwerpen, begon pas laat met schilderen namelijk op 28-jarige leeftijd. Het is de kracht van dit lijvig van 284 bladzijden om de kunstenaar uit de anonimiteit te halen. Dat was een van de redenen om via intense studie en gedegen opzoekingswerk tot deze publicatie te komen. Van den Steen heeft er zijn werk van gemaakt. De kunstenaar Carol Deutsch produceerde heel wat in een toch korte periode. Toen hij op de vlucht sloeg voor de Nazi’s vond hij in Oostende een relatieve rust. Tijdens het Interbellum was de artistieke activiteit in Oostende vooral geconcentreerd rond de figuur van James Ensor en de Galerie Studio. Het was daar dat vele (nu) bekende namen elkaar troffen. Daarbij denken we aan: Ensor zelf, Félix Labisse, de dichter Henri Vandeputte en boekhandelaar Mathieu Corman. Deutsch ging nooit naar een academie, maar kreeg zijn scholing van Ensor. Hij werd eveneens beïnvloed door Constant Permeke en Léon Spilliaert. Het was trouwens Ensor zelf die vond dat zijn pupil de passende attitudes had om een goede kunstenaar te worden. Hij was naar zijn mening zachtmoedig, fier, tot luisteren bereid en hij had een enorme inzet om er te komen. Het maakte van hem een graag geziene figuur. Vele van zijn werken zijn helaas verdwenen, daar had natuurlijk de Tweede Wereldoorlog schuld aan, maar toch moeten nog veel tableaus te vinden zijn. Zijn eerste solotentoonstelling vond plaats in de Galerie Manteau te Brussel; het is dan 1929. Tijdens de oorlog wordt Carol samen met zijn echtgenote Fela uiteindelijk gearresteerd op 3 september 1943. Vermoedelijk zijn ze verklikt. Ze worden naar het transitkamp van Mechelen gebracht en vertrekken op 20 september met transport XXII-B. Eindbestemming: Auschwitz. In het kamp zal Carol ingezet worden om schilder- en verfwerk uit te voeren, hij wordt dus als het ware een onderhoudsman.  Etienne Van den Steen heeft met dit boek zijn strepen verdiend. Naast een interessant onderwerp en helder taalgebruik weet de auteur de lezer tot het einde toe te boeien. Komen daarbij nog de massa’s kleurrijke illustraties en het nog nooit eerder gepubliceerd archiefmateriaal. Het wordt dus na lezing een interessant bladerboek. 
Op 20 december wordt officieel gemeld: “Carol Deutsch, Gevangene nr. 110422 sterft aan uitputting om 5u30.” In werkelijkheid wordt hij neergeschoten met een pistool omdat hij, ten gevolge van platvoeten en uitputting, niet meer kan volgen tijdens een gedwongen Laufschritt. In het kamp wordt genoteerd “Dood door hartfalen”. 

Carol Deutsch, Etienne Van den Steen, C. de Vries-Brouwers, Antwerpen, 2018, ISBN 978-90-5927-563-8                                                                                                                                                                                                     
(Frank Decerf)

Het eeuwige en het ogenblik


Wie intens luistert naar de stilte, hoort uiteindelijk zichzelf. In Alles komt terug, de nieuwe poëziebundel van Antoon Van den Braembussche (1946), spelen de appreciatie, acceptatie en betekenis van stilte een belangrijke rol. De dichter spreidt zijn stilte voor ons uit in sober vormgegeven verzen. Het zijn ingetogen gewaarwordingen die ons iets toefluisteren over een hoogst persoonlijke ervaring van innerlijke rust.
In stil besef verschijnen de Perzische dichter/filosoof Rumi (1207 – 1273), de symmetrie van de dans en de cirkelgang van het bestaan (alles herhaalt zich voortdurend).
De eigen kleuring die Van den Braembussche aan zijn kernervaring geeft, is interessant. Temeer omdat hij weinig woorden gebruikt. Sinds zijn vorige bundel Het uur van de wolf (2014) heeft hij wat dat betreft een ontwikkeling doorgemaakt.

Er is regen, misschien wel sneeuw op komst.
Zo zei je. Alsof je iets anders wilde zeggen.

Iets dat vanuit de diepte kwam.
Nergens meer thuishoorde.

Je wist hoezeer ik van je hield. En toch
keek je strak de andere kant uit.

De bomen zwegen aan de horizon.
Boven de maïsvelden hing ijl de mist.

Vooral als de dichter twijfelt, of als zijn waarneming prikkelend verontrust, zindert het gedicht na. De ervaring van het onvolmaakte is nu eenmaal goed aan de mens besteed. Terwijl het sublieme, het volmaakt serene, zich in de realiteit over het algemeen laat kennen als onbestaanbaar.
De ondertitel van de bundel, Over “de eeuwige terugkeer van  het gelijke”, draagt iets  onbevredigends (en daarmee iets intrigerends) in zich. Irritant toch, het onontkoombare besef dat uiteindelijk niets bestendig verandert.

Ik zwijg.

In bloemen van verdriet
kweek ik de illusie
anders te kunnen zijn.

Maar wat ik beleef,
zal ik nog eens beleven.

En nog eens.
Tot in het oneindige.

De staart-eter (Ouroboros) uit een van de gedichten is van oudsher een zeer krachtig beeld: een slang die in zijn eigen staart hapt. Het versterkt in deze bundel de unheimische wisselwerking tussen het volmaakte van de cirkelgang en het beknellende van onontkoombaarheid. Het is goed dat Van den Braembussche zijn meditatieve poëzie deze dubbelheid meegaf.

De klemhaken van mijn  geest
zijn één en al metaalmoeheid.
Geen verleden.
Geen toekomst.

Niet langer schipperend
tussen winst en verlies,
ben ik het broze ogenblik.

De bundel levert stof tot nadenken: het Nietzscheaanse idee van de eenheid van alles, met het fenomeen ‘tijd’ als de ruimte waarin de eeuwige herhaling plaatsvindt, maakt tegelijk de bijzondere waarde van het nu duidelijk. Alleen ‘het broze ogenblik’ bestaat. Onze kleine hersentjes moeten het allemaal maar zien te bevatten (Nietzsche werd gek). Misschien dat juist de poëzie geschikt is om uit al deze overdenkingen een voorlopig verslag te extraheren. Een verslag waarin poëtische krachten de taal zo buiten de geijkte paden brengen dat het eeuwige, het ogenblik en de stilte als gelijke waarden gestalte krijgen.
Alles komt terug is een intrigerende poging daartoe.
 
Afdalen in de stilte en zeggen
wat al vanouds onzegbaar was.

Alles komt terug, Antoon Van den Braembussche, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978-94-92339-53-9

(Erick Kila)

In de dieperik


Sebastien Crusener is een geluidenboetseerder uit Gent. Dat is het enige wat het internet over hem prijsgeeft. Op YouTube trof ik enkele van zijn soundscape-achtige producties aan en verder ontbreken personalia, duidelijke portretfoto’s en verhelderende bio’s.
Met Alle remslaap los! is er nu opeens Cruseners poëziedebuut. Een bundel die afwijkt van het gangbare en die niet zo eenvoudig onder een hoedje te vangen is.
De dichter verantwoordt zijn koortsdroomachtige taalcomposities op de laatste pagina: In de herfst en winter van 2016 werd ik gekweld door onrustige slaap en doodsdrift en gebruikte te veel angstremmende medicijnen. Als ik ‘s nachts wakker schrok noteerde ik de eerste opkomende gedachte op een memovelletje. Uit al deze velletjes stelde ik maanden later deze bundel samen.
Je kunt je afvragen waarom Crusener zijn nachtelijke notities tot poëzie bevorderde. Hadden zijn aantekeningen in eerste instantie louter een therapeutisch bepaalde reden?
De lezer moet het met een karige toelichting doen en ‘luistert’ daarom maar naar de geselecteerde notities, die een zekere poëtische vorm en gloed blijken te bezitten.

Mondhoeken gaan de dieperik in
Irissen verkouden
Zoektocht door de spleten van de ogen
wereld sijpelt binnen: neuzen, blikken, tongen
Vol betekenisdrift
Vol volheidsjicht …
… ik droom het leven van de droom,
(…)

De ‘dieperik’ komt ook nog in een andere genoteerde nachtgedachte voor. Het is een zelf gefabriekt substantief dat als het ware de substantie van het naar de diepte tollende zwart van onrustgedachten zichtbaar maakt. In deze reeks gedichten is het leven bijna alleen aanwezig als een ziekteverzuim. Er is een zweem van herinnerde liefde en af en toe een vleugje werkelijkheid (de kat die even doordringt tot het rusteloze domein van de remslaap). Waarom kiest Crusener voor zo’n slaaplandschap zonder uitweg, zonder aanlegsteiger naar het gewone leven? De gedichten zijn interessant en sober, maar ze blijven te veel steken in de schemer en ontberen daardoor een contrast met de realiteit buiten de halfverdoving.

Steeds nog de geur van muur
de vensterzwachtels

Verder dan het matte schilderij
wil ik niet gaan

Oren smaken erdoor naar kurk
en ogen schutten
(…)

Bij het beluisteren van de soundscapes van de Gentenaar bekruipt mij een zelfde gevoel van gemis. Minimal music (woord of alleen ‘geluid’) kan bezweren, kan een sfeer oproepen, maar gaat vooral een functie krijgen in een contrastplaatsing. De leegte, de tuimeling in donkerte of in niets heeft weliswaar een koude esthetiek van zichzelf, maar dat is niet genoeg voor een poëtische pijn- en/of genotservaring.

Geraak weer eens een stap vooruit
nacht tevergeefs – woensdag –
het wemelt van de poeder,
nevel die het hospitaalgestel
de klok rond om de as doet struikelen

Het werkelijke heeft het veel te koud,

de ruimte erom rond
wordt ingenomen door een leegte
die te vol is van zichzelf
(…)

Zo is het maar net. Dit intrigerende debuut laat ‘het werkelijke’ te veel in de kou staan en gaat daardoor niet echt door merg en been.

Alle remslaap los!, Sebastien Crusener, Uitgeverij Stanza, Leeuwarden, 2017, ISBN 978-94-90401-37-5

(Erick Kila)

De beste aller tijden


Hans Plomp pronkt in blitse outfit op de achterflap als dichter, mysticus en levenskunstenaar. Hij maakte deel uit van de anarchistische provobeweging, die in 1965 ontstond in Nederland en de gevestigde orde provoceerde met ludieke happenings. Ook de betreurde dichter Herman J. Claeys (1935–2009) maakte deel uit van de beweging en richtte in 1966 het Vlaams provotijdschrift Revo op. Na twee jaar werd Provo opgeheven.
Hans Plomp debuteerde in 1968 met De ondertrouw. Een somber herenboek, een roman over zijn vriendschap met Gerard Reve en Johan Polak. In 1970 verscheen Het Amsterdams dodenboekje en - samen met kompanen Peter Andriesse, Heere Heeresma en George Kool - Manifest van de jaren zeventig, waarin de heren zich afzetten tegen de experimentele literatuur die toen aardig scoorde, wat duidelijk zijn sporen nalaat in de rechttoe rechtaan poëzie van Hans Plomp, zowel in zijn vroege periode, als daarna in zijn meer surrealistisch, erotisch en  spiritueel werk.
Plomp verzette zich met collega-schrijver Gerben Hellinga in 1973 tegen de sloop van het dorp Ruigoord, thans een kunstenaarsgemeenschap, waar hij o.a. het literaire festival Vurige Tongen organiseert.
Dit is de beste aller tijden is een ruime bloemlezing uit het poëtische oeuvre van Plomp. Tevens is er een selectie van zijn vertalingen van gedichten van o.a. Yvan en Claire Goll, Samuel Taylor Coleridge, T. S. Eliot en Artur Rimbaud opgenomen en - beslist even interessant - poëzie uit India en Iran.
De levensschets van Peter de Rijk, in de vorm van een monoloog van Plomp zelf, geeft een goed beeld van het sprankelend en turbulent leven van de dichter, die stelt deze behoorlijk afschuwelijke tijd toch te ervaren als de beste aller tijden en er dit relativerend gedicht Een mensenleven aan vastknoopt:
Veel gedaan in dit bestaan
hete kastanjes
uit het vuur gehaald,
met stille trom vertrokken,
hazenpad ontdekt,
een handvol
schoenveters gebroken,
vierduizend pukkels uitgeknepen,
tienduizend liter bier gedronken,
zo'n twintigduizend liter thee en koffie,
een keer of negenduizend klaargekomen,
driemaal een blinde helpen oversteken
– al spartelden ze heftig tegen.

Een pluim voor samensteller Peter de Rijk, die al eerder een bloemlezing van Rogi Wieg bezorgde, Even zuiver als de ongeschreven brief (2015), gevolgd door In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (2017), met meer dan 100 gedichten van voormalige uitgevers, vrienden en collega’s van Rogi Wieg.

Vier het leven vermeldt de website van Plomp. Optimisme alom - niet toevallig lezen we in het openingsgedicht:

Geen woord dat ik niet zeggen kan
geen boek dat ik niet lezen mag
geen god of duivel opgelegd,
geen honger en geen marteling
geen vijand en geen oorlog
geen huwelijk
en geen verplichte voortplanting
geen armoe en geen rijkdom.
Dit is de beste aller tijden,
maar bijna niemand weet het.


Dit is de beste aller tijden, een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk, samengesteld en van een levensschets voorzien door Peter de Rijk, Hans Plomp, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2017, ISBN 978 90 6265 915 9. 

(Roger Nupie)