Albert Hagenaars' pelgrimsgrond


Albert Hagenaars publiceerde eerder bij In De Knipscheer twee romans (Dood tij en Butijn, het boze oog) en de dichtbundels Intriges, Tropendrift/Tropical Drift en Bloedkrans.

Zijn jongste dichtbundel, Pelgrimsgrond, opent met het gedicht Orewoet (wat zoveel betekent als ‘vurigheid’, ‘geestelijke gloed’ en ‘extase’), waarin cursief regels van de 13de eeuwse mystica Hadewijch zijn verwerkt. In dezelfde cyclus, Te woord, komen nog andere dichters aan bod: Charles Baudelaire, T.S. Eliot, H. Marsman, Gerrit Achterberg (Genoegdoening: …Daar de dichter, hier haar dochter // bloedend in het kraakbeen van zijn klem), Jan Hanlo (All that jazz: …Te duister deze helle muziek, / die aanzuigt uit valleien van katoen en stof, / velden opensnijdt, versapt, bloed doet dorsten) en Paul Celan.

Kenmerkend voor de bundels van Hagenaars is steeds eenzelfde weloverwogen thematische indeling. Pelgrimsgrond bevat zeven cycli van telkens zeven gedichten, waar naast de voornoemde dichters ook beeldende kunstenaars, films, sacrale en bedevaartplaatsen, muziek en de liefde in de poëtische verf worden gezet.

Wat Joop Leibbrand in Meander opmerkte over de bundel Bloedkrans kunnen we hier alleen maar beamen: De grote gevarieerdheid aan onderwerpen en locaties maakt dat je je geen moment verveelt. En er is meer: Hagenaars lokt ons mee in een wereldje waar we al dan niet enigszins mee vertrouwd zijn en weet de nieuwgierigheid van de eerste tot de laatste letter te prikkelen.

Binnen elke cyclus is hij verrassend eclectisch: in Tussen de oren, waar de muziek hoogtij viert, komen zowel Erik Satie en de 18de eeuwse componist Giovanni Battista Pergolesi als Tsjaikovski en zangeres met de bezwerende contra-alt-stem Lisa Gerrard aan bod: Sacrifice: Hoor ontelbare stemmingen/ in mijn lage, nooit lege stem.

In Snijwerk, een cyclus waarin films hoogtij vieren, wordt onder meer de eindscène van Der Tod in Venedig bezongen. Een oudere man komt in Venetië in de ban van de schoonheid van de jongeling Tadzio. Uiteindelijk sterft hij op het strand, terwijl hij kijkt naar Tadzio. Dit schrijnend samengaan van prille schoonheid en verval, terwijl we het Adagietto uit Mahlers Vijfde Symfonie horen, wordt geëvoceerd in het prachtige gedicht Virus: (…) De stad schilfert en vlek van schoonheid. / Op het Lido, in de paviljoens en eetzalen, / kruisen blikken van oude ogen die van jonge. // Geen legt lavendel tussen de nog gladde lakens. // Niet te uiten woorden schuilen/ tussen jankende violen, ongehoord lange scènes / met gefilterd licht, beladen beeldspraak. (…)

Om het even welk gedicht uit de zeven cycli we ook lezen, Hagenaars blijft verwonderen en weet de lezer in zijn ban te houden.

Tot slot nog een fragment uit Hemelvaart (Jezus van Nazareth indachtig): (…) Hij zag de scheiding der wateren, / stromen vluchtelingen uit dit beloofde / land, de slachtingen na elke slag, // het krommen van de horizon en bleef / stijgen, tot in het meervoud van vader, // tot in het brekende licht // van wie meer twijfel zaait dan wie ook.

Hier hoeven we niet over te twijfelen: pelgrim-dichter Hagenaars heeft een ijzersterke bundel afgeleverd!


Pelgrimsgrond, Albert Hagenaars, In De Knipscheer, Haarlem, 2022, ISBN 978-94-93214-32-3

(Roger Nupie)


Een waardevolle dubbeluitgave


Ik maakte voor het eerst kennis met de naam en wat werk van Renaat Ramon ergens in de zeventiger jaren, via een boekje van Gerrit Jan de Rook over visuele poëzie. In dat genre is Ramon (˚ Brugge, 1936) immer actief, en een vooraanstaand maker gebleven. In de loop der jaren creëerde hij talrijke sterke ‘concrete gedichten’, waarin idee, inhoud en spitsvondige vormgeving hand in hand gaan. Het is een goede zaak dat Renaat Ramon, die ook beeldend kunstenaar is en van wie in de Vlaamse openbare ruimte heel wat monumentale sculpturen zijn te bewonderen, zijn visuele poëzie bijeenbracht in een kloeke uitgave: Borgtocht – Beeldwerk. Die vormt de helft van het overzicht van ’s mans publicaties want tegelijkertijd kwam ook Borgtocht – Woordwerk op de markt. Daardoor zijn zowat alle door Ramon gebundelde gedichten nu overzichtelijk in twee banden beschikbaar.

De eerste dichtbundels van Renaat Ramon zagen het licht in de poëziereeks van de Antwerpse Uitgeverij Contramine van Tony Rombouts, de meeste latere bij het Poëziecentrum. Borgtocht – Woordwerk biedt ook de uit de reeksen Roma, Metier (Er hangen geen gedichten in de wolken / - maar als het blauw vervliegt / vallen beelden uit de hemel als dauw.) en Gedagvaard bestaande nieuwe bundel Zwart zout.

Ik weet het: de gustibus non est disputandem, maar de popart - waartegen de visuele poëzie naar mijn smaak het meest aanleunt – is nooit echt mijn ‘stroming’ geweest. Meer dan bij Beeldwerk voel ik mij dan ook ‘thuis’ bij het Woordwerk.

Vaak inspireerden plaatsen Ramon. Baden-Baden, Keulen, Leningrad, Napels, Praag, Rome, Vichy. Zelfs Egem, het onooglijk gat waar Paul Snoek het leven liet. Met de hoofdstad van West-Vlaanderen, zijn geboortestad, lijkt hij een haat-liefdeverhouding te hebben (ik ben in een kleine, / dode stad / geboren. / ik heb er nooit / het levenslicht gezien. / ik heb er nooit / meer dan / tien levenden / samen gezien; / tien levenden / waarvan negen vreemdelingen / negen vreemdelingen / waaronder / ik.).

In Rebuten richt de dichter zich tot illustere grootheden als Archytas van Tarente, Demotrikos van Abdera en Ferekydes van Syros. Je moet je klassieken kennen of niet te beroerd zijn de encyclopedie (Waar hield Hypatia zich ook weer mee bezig?) en Bijbel (Hoe zat het precies met die Ohola en Oholiba?) bij de hand te houden, of Wikipedia op te gaan. Erg graag las ik ook de verzen die Ramon aan bevriende dichters opdroeg. Aan Hendrik Carette bijvoorbeeld (Nog ligt een vloek in onze handen, / nog garen wij gif onder de tong / en weten wij dat er ook in de hemel / woede heerst – woede en wrok), of aan Mark Insingel. Ook is er een hele resem in memoriams voor hem ontvallen collegae als Wilfried Adams (Hij zei nog: er zijn geen rozen / in het donker, geen rozen / in oktober, en hij verdween, plotsklaps / met een hink-stap-sprong.), Marc Braet, Jaak Frontier, Jan van der Hoeven, Ben Klein, Marcel van Maele en Paul de Wispelaere.

Met zijn sierlijk intellect brengt Ramon in zijn werk zowel de oudheid als recentere geschiedenis sprekend tot leven. Dit is een waardevolle dubbeluitgave van een aimabel dubbeltalent, boeken die het verdienen om regelmatig uit de kast gehaald te worden.


Borgtocht – Woordwerk / Borgtocht – Beeldwerk, Renaat Ramon, Poëziecentrum, Gent, 2021, ISBN 9 789056 551292 / 9 789056 551193

(Bert Bevers)

Nooit ongedocumenteerd een gedicht in


P.B. Kempe debuteert dan eindelijk na diverse uitgaven in eigen beheer en/of in beperkte oplage: Vergedichten is uitgegeven door een heuse (poëzie)uitgeverij en dat is het bewijs. Het maakt de poëzie van deze dichter niet anders, gelukkig maar.

In zijn gedichten geeft P.B. Kempe blijk van een gedegen kennis van het onderwerp dat hij beschrijft. Of het nu om geschiedenis, geografie of (beeldende) kunst gaat, de dichter verdiept zich in zijn onderwerp en boetseert er een gedicht uit.

Heiligerlee, waar legeraanvoerders bleven
in de slag van 1568, verstijfden
tot gedenkmassief in 1868


lees ik in het gedicht Eerst Napels zien en dan. Bij de 30-jarige herdenking van de Slag om Heiligerlee, die in onze geschiedenisboekjes uitgebreid genoemd wordt, werd een gedenkmonument onthuld ter ere van graaf Adolf die er het leven liet. In een uitgebreid Bijschrift vermeldt Kempe dat Heiligerlee, Napels en het verderop in het gedicht genoemde Tranendal buurtschappen zijn bij Winschoten.

Alles kan een aanleiding worden tot een gedicht, P.B. Kempe is een verwoed lezer, vorser naar feitjes die als het ware vragen om een gedicht. Neem bijvoorbeeld Malevic, 1935 tot heden, dat zijn ontstaan dankt aan het geven dat van hem na zijn teraardebestelling en diverse urnschennis elk spoor ontbreekt. Opgegaan in duisternis:

Aardappels groeien op een vierkant veld,
waar schoppenboer in zwarte aarde zweet:
het stoffelijk vonnis daar geveld
heeft van de wijdten geen benul, geen weet
van tarten, trouw en wat met voeten treedt

het duister als de oudste moordenaar
tot aartsvader van ieder woordenaar.


De dichter is zich bewust van zijn (zelfopgelegde) taak: te verwoorden wat in de tijd is blijven liggen of is weggemoffeld.


Ook in het gedicht De as van Pirandello is sprake van onrust voor er uiteindelijk rust optreedt:

Hem dolf zijn eiland zijn graf:
geboortig uit Caos, tot Cas weergekeerd
spleet donder de den waaronder zijn urn
geen rust vond – pas in de spleet
van de kraterwand, al eerder door donder bezocht
in Grieks-Romeinse tijd van overzee,
rust zijn as, na een laatste overschouderse blik
op het eeuwige worstelen,
op zijn Afrikaanse zee.


In de gedichten www.mijn.amerika en beaux arts, nieuwe wereld lijkt het of Kempe verslag doet van een Amerikareis en dat vermengt met weetjes en historische feiten. Het levert gedichten op die ondanks de persoonlijke voornaamwoorden welhaast objectieve observaties blijven. Slechts de onderwerpskeuze en de lading tussen de regels geven de gedichten hun meerwaarde.

Dit is het ultieme wapen van deze dichter: het (al te) persoonlijke uit de taal houden, de woorden hun werk laten doen in beelden die voldoende stemming moeten maken. De lezer krijgt de gedichten niet zomaar cadeau, maar wordt dwingend uitgenodigd deel te worden van het scheppingsproces van de dichter, tenminste toch door in ieder geval de toelichtingen te lezen die Kempe in zijn Bijschrift opneemt.


Vergedichten, P.B. Kempe, Uitgeverij Anderszins, De Waal, 2021, ISBN 9789492994288

(Wim van Til)



Twee holtes op een kussen


Sinds 1 februari 2022 is de 55-jarige Monique Bol de nieuwe stadsdichter van Hoogstraten. De derde, na Daan Janssens en Michiel Van Opstal. Uitgeverij C. de Vries- Brouwers (Antwerpen-Rotterdam) gaf in 2021 Monique Bols eerste dichtbundel uit: er liggen twee holtes op je kussen. De dichteres zorgde zelf voor een sobere omslagfoto, een zeelandschap met staketsel in bruine en grijze tinten. De auteursfoto op de rechterflap is van Dirk Celis. De tekst achteraan op de cover vermeldt dat Monique Bol een klimaatdichteres is. Samen met 175 Vlaamse dichters ijvert zij voor een betere wereld.

er liggen twee holtes op je kussen is een bundel van 59 gedichten, verspreid over 87 pagina’s, netjes ingedeeld in 6 cycli. Vooraf een soort inleidend gedicht, een hors-d’oeuvre, achteraan het eindgedicht de man de zee, 14 verzen lang, die ‘in stukjes’ worden geciteerd bij de aanvang van elke cyclus. De eerste drie verzen van de man de zee dienen tenslotte nog als ‘algemeen’ citaat bij de aanvang van de bundel. En dan vergeet ik nog de verzen bovenaan op bladzijde 6 te vermelden: voor wie beseft/ dat verlangen hand in hand gaat/ met een kille wind. Deze bundel heeft dus een ogenschijnlijk klassieke structuur, maar serveert een vijftal ‘tussendoortjes’.

Bij een eerste kennismaking met de gedichten in er liggen twee holtes op je kussen, vermoedt de lezer onmiddellijk dat de dichteres personages opvoert die een romantisch liefdesavontuur beleven. Een liefde die jammer genoeg verdampt naar het niets. Dit lijkt een banaal gegeven, maar de lezer zal absoluut gecharmeerd worden door de poëtische verbeelding, de humor en de taalgevoeligheid van de dichteres.

In de eerste cyclus beschrijft zij het begin van een verliefdheid: ik zag je bij de botsauto’s op de dijk. onze handen / haakten in elkaar, ik zoog je lach. we kusten/ in de rappe rups, je wilde meer/ ik acht aan iets leuks iets blauws… en: vannacht gaf je me een zoen / spelend kneep je in de muis/ van mijn hand. je grinnikte en je mond/ beroerde mijn verbaasde lippen/… het werd verschroeiend heet in mij/… De geliefden spreken blijkbaar een andere taal: zij lacht in kuiltjes, reikt hem wat sap/ een boterham. ze praat en praat, volhardt/ geduldig leert ze hem haar land/… ze theateren met taal en op een dag/ begrijpt hij haar zinnen/…. De plot vervloeit langzaam, gedicht na gedicht, vers na vers, naar afwijzing en afscheid. Want de geliefden, zegt de dichteres, wonen niet langer in dezelfde bubbel. Met nostalgie kijkt het vrouwelijke personage naar het verleden: hoe we samen smolten/ is lang geleden en de briefjes bij de lunch, / kaarsen om ons bed heen, het slome/… doezelen in bad, samen./ langzaam verdween alles in de afvoerpijp.

Monique Bol schrijft geen abstracte gedichten. In vloeiende verzen creëert zij een beeldrijke, sensuele en licht erotisch gekleurde werkelijkheid. Kortom: er liggen twee holtes op je kussen is een onweerstaanbaar debuut, heel vrouwelijk, met af en toe verrukkelijk romantische toetsen.


er liggen twee holtes op je kussen, Monique Bol, gedichten, C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2021, ISBN 978-90-6174-085-8

(Nicole Van Overstraeten)

Giorgio Baffo vertaald


De meer dan gedegen inleiding leert dat Giorgio Baffo een Italiaans dichter was, geboren in 1694 in de toen machtige stadstaat Venetië dat in die tijd ook wel het ‘bordeel van Europa’ werd genoemd. Alhoewel wettelijk verboden floreerde de prostitutie er in grote mate. Baffo was een absolute libertijn en een duidelijke amateur van de vleselijke geneugten in al zijn aspecten. Hij was bevriend met de vader van Casanova en overleed in 1768. Hij combineerde zijn functie als magistraat bij het hooggerechtshof met het schrijven van gedichten en liet een dichterlijk oeuvre na van ruim 1200 gedichten de meeste in de sonnetvorm. De thema’s zijn éénduidig: het gaat openlijk over seks, gelardeerd met een vlijmscherpe kritiek op de kerk en het lokale bestuur. Hij gebruikt daarbij het Venetiaanse dialect van die tijd, wat uiteraard het vertalen niet makkelijker maakt. Om begrijpelijke redenen ook werden zijn gedichten pas later gepubliceerd. Wel waren ze ‘onder de toonbank’ verkrijgbaar en droeg hij ze in besloten kring voor.

Met de uitgave Vertalersweelde brengt Mereie de Jong een selectie van Baffo’s gedichten voor de eerste maal in het Nederlands. Het interessante van deze uitgave is het feit dat telkens ook de oorspronkelijke tekst is weergegeven. Wie een beetje vertrouwd is met de Italiaanse taal zal meteen merken voor wat een gigantische opdracht de vertaalster stond. Niet alleen om het rijm, de vormvastheid en het metrum te bewaren, maar ook het melodieuze van de Italiaanse taal om te zetten naar het toch wel stroevere Nederlands samen met in onbruik geraakte en verouderde dialectwoorden. In die context heeft de Jong werkelijk een briljant huzarenstuk afgeleverd.

Inhoudelijk kunnen de gedichten zonder meer als pornografisch geduid worden. In geuren en kleuren, in alle details, wordt het neuken bezongen en geprezen. Van elk gedicht spat de erotiek en de liederlijkheid af. Uiteraard moet het geplaatst worden in zijn tijdskader. Van MeToo was nooit gehoord, de vrouw was onderdanig aan de man en moest hem ook gepast bevredigen. Nochtans blijkt uit de gedichten dat Baffo, alhoewel een macho pur sang, toch ook wist hoe hij een vrouw genot kon verschaffen. De clitoris was hem bijvoorbeeld niet vreemd: Ten hoogste kunnen ze, voor meer geneugt / ‘t is net als dansen zonder instrument, / elkaar beminnen met de kittelaar.

Dit vertaalproject werd aangevuld met 46 Nederlandstalige gedichten. Een dertiental dichters werden uitgenodigd om eveneens een aantal erotische gedichten te schrijven als hommage aan Baffo. Het is een moedige poging maar helaas blijft het daarbij. Op een paar uitzonderingen na halen ze nauwelijks het niveau van de meester en ontstijgen ze zelden het niveau van wat platvloers geschrijf. Het komt merendeel gekunsteld en geforceerd over. De drie sonnetten van Piet Gerbrandy zijn daarbij een uitzondering: Hoofs immanent en wit en hoogst reëel / bevrijd jij dooraderde uiers uit hun wade / die staan en vallen met je ongenadigst / dansen op deze dorstige vulkaan.

Deze bundel is zo bijzonder in zijn thematiek dat niet elke lezer hem zal smaken. Wat deze uitgave wel erg interessant maakt is niet alleen de inkijk die het geeft in de zeden van toen maar ook het essay van de vertaalster ter inleiding en het nawoord. Ze gaat er omstandig in op de gevolgde vertaalmethodiek. Het is een verhelderend betoog, zeer aan te bevelen.

Vertalersweelde – Giorgio Baffo in de handen van…., inleiding en nawoord Mereie de Jong, Stichting Spleen, Amsterdam, 2021, ISBN 978 90 830230 9 0

(Richard Foqué)


De verbeelding beschut


Al de Boeck, in een vorig leven programmamaker bij de VRT, debuteerde als dichter in de jaren ’60. In 2019 gaf hij een verzamelbundel met eigen werk uit, De kwetsbaarheid van een vermoeden. Met De verbeelding beschut, in 2021 gepubliceerd door Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, is hij aan zijn allernieuwste bundel toe. Op de voorzijde van de omslag prijkt een eigen illustratie, op de linkerflap een blurbtekstje van Marc Bruynseraede. De rechterflap toont een foto van de dichter, plus een summiere biografische notitie.

De verbeelding beschut bevat 55 gedichten, niet ingedeeld in klassieke cycli. Origineel is de ‘tweede titel’ op pagina 5: Wij, We, Zij, Ze, Hij en Ik. Persoonlijke voornaamwoorden, die afwisselend in de bundel bovenaan op rechter- of linkerpagina’s worden herhaald en blijkbaar een soort thematische ordening van de gedichtenreeksen suggereren. Op pagina 50 echter noteert hij op de linkerpagina rechtsboven het woord Nomaden, met hoofdletter, op dezelfde ‘lijn’ als de titel van het gedicht Het verst.

In zijn bloemlezing De kwetsbaarheid van een vermoeden gaf Al de Boeck aan dat zijn thematiek steeds dezelfde blijft, maar telkens breder en dieper is uitgewerkt. Een nauwkeurige inspectie van De verbeelding beschut toont dat de we-sectie (zonder hoofdletter) het grootst aantal pagina’s (30) telt. De sectie ze (5 gedichten) wordt onmiddellijk gevolgd door de sectie hij (3 gedichten) en ik (5 gedichten). Daarna wisselen de woordjes bovenaan de pagina’s mekaar speels af, het is aan de oplettende lezer om de gedichten in de juiste context te plaatsen.

we bevat gedichten die de intimiteit in een liefdesrelatie centraal stellen. In deze reeks schijft de auteur verzen met sensuele toetsen. Zijn gedichten zijn geen longreads met lyrische uitweidingen, het tekstmateriaal beslaat meestal niet eens de helft van de pagina’s. Al de Boeck wil, ondanks enige tekenen van bindingsangst, de liefde tegelijk romantisch én rationeel benaderen. In het gedicht Misverstanden volgt na romantische momenten het volle besef van de vluchtigheid en fragiliteit van de liefde:

Karmijnrode lippen, roze wangen, handvolle borsten./… De bestudeerde gelaatsuitdrukkingen./ Die vochtige blik alsof ze iemand heeft bemind./ Klaar voor misverstanden, als wijn en nacht samenvallen.

Al de Boeck verlaat deze thematiek vanaf de tussentitel Nomaden. Hij wijdt enige treffende gedichten aan vluchtelingen, maar schakelt dan weer over naar het ik en de sectie hij. In deze gedichten speelt hij met abstracte begrippen als zekerheden, nuances, inkeer en verlangen. In een van zijn laatste gedichten zegt Al de Boeck:

Denken is veronderstellen op/ met verbeelding berustende hypotheses/ Om erachter te komen wat het evenwicht is/ tussen gemotiveerde hoogmoed/ en onzin aan de verkeerde kant van de vergelijking.

De verbeelding beschut van Al de Boeck is een waardevolle bundel, die vraagt om gelezen en herlezen te worden. De gedichten dagen uit om na te denken over standpunten, ideeën en attitudes. Ogenschijnlijk schuwt de dichter romantische en lyrische ontboezemingen, maar hij is ook beducht voor te diepzinnige wijsheden. Met een gezonde dosis nuance, eigenwaarde en humor slaagt hij erin zichzelf en de wereld perfect te relativeren.


De verbeelding beschut, Al de Boeck, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2021, ISBN 780 90- 6174-106-0

(Nicole Van Overstraeten)

Dat die rest gemis is


Het werd tijd
is de derde bundel van Eddy D’Haenens. Met wat ironie kan worden vastgesteld dat het inderdaad tijd werd voor een nieuwe verzameling: zijn laatste publicatie dateerde van 1998. Maar die tussentijd blijkt geen verloren tijd. D’Haenens levert exemplarisch werk! Hij groeide uit tot een volwaardig dichter. Voor wie van etiketten houdt kan je deze bundel omschrijven als ‘bekentenispoëzie’, evenwel zonder daarbij in de valkuil van een narcistisch egocentrisme, zelfbeklag of meligheid te vallen.

In het openingsgedicht Geboortegrond, waarin allerlei betekenissen uitwaaieren, meen ik het opzet van de bundel te onderkennen. De dichter duwt tegen de tijd aan en wil terug naar het kleinste deel(…) van de eerste seconde. Hij betracht wat in wezen elke dichter wil en waar poëzie op zoek naar is. Herinneringen staan centraal in wat we verder zullen lezen. De tijd en het gedicht fungeren zowel als geboortegrond en als memoriaal. De voedingsbodem, zoals uit de drie volgende cycli zal blijken, is de liefde: die voor een moeder, voor de vrouw, voor een dochter.

In de cyclus Moeder wordt in het eerste gedicht het prenatale geëvoceerd. Het letterlijk te nemen allerprilste begin dat zich levenslang als een blijvend verlangen naar terugkeer zal vertalen.

De moederfiguur wordt geportretteerd in haar verschillende levensfasen: een zorgzame, vrijgevochten vrouw. Haar rebelse aard gaf weleens blijk van muiterij van het verlangen. Totdat Alzheimer haar velt. Het lijkt wel of haar dood de dichter als een aanslag op zijn eigen leven heeft ervaren. Al liet ze hem hiermee opnieuw aan de liefde beginnen.

De cyclus Vrouw is complexer, minder rechtlijnig en reikt verder dan louter bekentenislyriek. Deze cyclus is de kern en de sleutel van de bundel. De reeks valt in twee delen uit: Praeterium (verleden tijd) en Nunc tempus (nu is het moment).

De fascinatie van de dichter voor de vrouw is hier primordiaal. Je verwacht liefdesgedichten en die staan er ook. Maar het is vooral de opduikende contour van een gekwelde romanticus die me is opgevallen. Wat in de vrouw wordt gezocht, wat tot blijvend verlangen drijft is duidelijk: Omdat zij alle seizoenen is/ en van de dag het eerste licht. Een idealisering en fantoombeeld van de vrouw die fataal naar ontnuchtering en gemis moeten leiden: er is te veel verlangen om het tot vervulling te brengen. Het wordt tot een bliksem en zijn litteken. De balans klinkt als volgt: Dat was rest, rest is/dat die rest gemis is. Liefde: enerzijds Dood die leven laat en anderzijds Dit leven ga ik nog niet dood. Liefde blijkt demonisch en is niet te bezweren. De Vrouw als lacaniaans petit objet a. Het doet zich doorheen de bundel als weemoedigheid voor.

In de derde cyclus Dochter is de stem van een vader te horen. Hij bezingt het plukvers meisje bij wie de dichter nooit geluk zo dichtbij heeft geweten. Maar we krijgen geen integrale gelukspoëzie te lezen. Ook de soms radeloos makende moeilijkheden bij het opgroeien worden met schroom geëvoceerd. Maar het kwam terecht: anders dan/de norm der meerderheid, ze is geen massadier. Godsgeschenk of Helleveeg lezen we: En toch en toch en nog, / voor jou geen maar,/voor jou: / alleen maar meer.


Het werd tijd - gedichten over een moeder, vrouw en dochter, Eddy D’haenens, Mammoe, Uitgeverij EPO, Berchem, 2022, ISBN 978 94 6267 360-1

(Alain Delmotte)

Mijn leven mijn liefde mijn gevecht


Astrid H. Roemer neemt in de Nederlandstalige literatuur een aparte positie in. Van meet af aan werkt zij haar thematiek uit met eigen inkt. Centraal daarin staat de dekolonisering met alle aspecten die daar bij horen: verlies van en zoeken naar de eigen identiteit, ontluikend en groeiend besef van haar plaats in haar wereld, de groei van haar persoonlijkheid en de maatschappelijke positie die zij daarbij inneemt. Naast de bekendere thema’s zoals liefde, verlangen en gemis.
In een van haar eerste gedichten verwoordt zij dat zo:

mijn tranen / mijn glimlach / mijn ziel / laat ik voor je achter / ik ga strijden // je mata prapi / mijn apinti / mijn lendendoek/ bewaar ze goed / ik ga strijden // kook geen kasaba-brafu / geen drank van kumbu / geen kokori van awara // gebruik die kalebas / niet / ik ga strijden // wacht // was me met / witte jasmijnen / waar de rode fajalobi zucht / die aarde zal kleuren / en geuren van / bloed en bloemen // ik ga strijden

Koos van den Kerkhof heeft deze bloemlezing, Ik ga strijden moeder, samengesteld, de keuze ervan verantwoord en het geheel van een inleiding voorzien die vooral getuigt van zijn bewondering voor (de poëzie van) Astridh Roemer.
“Het poëtisch oeuvre van Astrid H. Roemer is niet groot, maar wel spannend, interessant, actueel en provocerend en gelukkig niet in een hokje te stoppen.”, stelt Van den Kerkhof in zijn verantwoording.

Uit 50 jaar poëzie heeft hij kunnen putten, vanaf haar debuut in 1970 tot aan de publicatie van Tot nader in De Gids (6/2020). Daarbij heeft hij vooral met ruime hand geplukt uit de bundels Noordzeeblues (1985) en haar jongste, Afnemend (2012)

Koos heeft mooie, treffende gedichten gekozen, soms strijdvaardig, soms innemend sensueel. En steeds klinkt in haar werk die echo om rechtvaardigheid, om gerechtigheid, een stem die niet ophoudt te zoeken naar woorden die de uiteindelijke bevrijding bewerkstelligen.

Astridh Roemer is voor haar oeuvre in 2021 bekroond met de Prijs der Nederlandse Letteren, en dat is niet zomaar gebeurd. Haar activistische houding ten opzichte van de Surinaamse politieke leiders heeft nog wel consequenties gehad voor de officiële uitreiking. Het maakt duidelijk dat ook beleidsmakers en andere politici zich beter zouden moeten verdiepen in haar werk, waarin Astridh Roemer oproept tot een duidelijke stem die het lange wachten op die gerechtigheid verwerkelijkt.

Hoop // Hoe heet het wachten / dat niet wordt beëindigd. // Het wachten dat ophoudt omdat die / wacht door de dood wordt overvallen. // Is er een naam voor onvervuld / wachten. // Een wachten vergelijkbaar met / bloeiende rozenstruiken waarvan niet één / roos wordt geplukt door een gretige / hand. // Een oceaan die onophoudelijk golft en / geen strand voelt. / Vergelijk het met een albatros die na / jaren in de wind geen hooggebergte / vindt om te landen. // Er moet een naam worden gevonden voor / het wachten dat zich verzamelt / in mij tot wanhoop / en instort / en niets achterlaat dan een plek / waar het is gebeurd met / dat opgestapelde wachten op jou.

Voor wie nog niet bekend is met de poëzie van Astridh Roemer is deze bloemlezing beslist een aanrader.


Ik ga strijden moeder, Astrid Roemer, In de Knipscheer, Haarlem, 2021, ISBN 9 78 9065 551259

(Wim van Til)

Het verborgen volk


In zijn nieuwste publicatie Het verborgen Volk – contact met niet-menselijke intelligenties, zet Ludo Noens zijn ontdekkingstocht in de grenszone tussen ‘werkelijkheid’ en ‘verbeelding’ verder. Dit is een leesboek (368 bladzijden, met 14 bladzijden referenties en 10 bladzijden index) bestaande uit twaalf hoofdstukken die rond hetzelfde thema draaien, maar afzonderlijk kunnen worden gelezen. Centraal staat de vraag naar het bestaan van een parallelle realiteit, en de glimp die gewone stervelingen soms van deze andere wereld kunnen opvangen. In onze tijd van rationalisering van mens en kennis worden getuigenissen over elfen, geesten, djinns, UFO-aliens en aanverwant ijl volk steevast naar het rijk der ‘verbeelding’ verwezen; Noens waarschuwt voor al te voorbarige conclusies die dergelijke verklaringen meteen als ‘fantasie’ of ‘folklore’ afwimpelen.

Testimonia uit alle tijden en windstreken klinken afhankelijk van hun religieus-culturele context telkens ietwat anders, maar circuleren tot vandaag verder. Als voorbeeld: de Machine Elve die op de kaft van Noens’ boek prijkt, is een zogenaamd DMT-wezen, met wie gebruikers van de psychedelische alkaloïde dimethyltryptamine in contact kunnen treden. Een aantal hedendaagse academische psycho-farmacologen nemen de vaak eensluidende verklaringen over zulke ontmoetingen met  niet-menselijke intelligenties tijdens een DMT-trip wel degelijk in ernst. Die stemmen trouwens verrassend overeen met wat bijvoorbeeld de Ashaninka indianen uit Peru getuigen over de Maninkari, de kleine onzichtbare ‘bezielers’ van planten en dieren, wier pad zíj dan weer kruisen tijdens een hallucinogene ayahuasca-trip.

Het Verborgen Volk is een erudiet boek, waarin de eerste vier hoofdstukken een aantal historische geschriften over het bestaan van dergelijke ‘verborgen’ intelligenties onder de loep neemt. Zoals de verhandelingen van de arts-alchemist Paracelsus, de  manifesten van de Rozenkruisers, de  getuigenissen van William Blake (die een elfenbegrafenis bijwoonde!), de Britse predikant Joseph Glanvill (poltergeist), de Schotse predikant Robert Kirk (geloof in natuurgeesten) en de Zweedse  theoloog, aanvankelijk lid van de Zweedse Academie voor Wetenschappen maar later mysticus Emanuel Swedenborg (persoonlijk contact met spirituele entiteiten en het leven in het hiernamaals) . Volgen dan getuigenissen uit recenter tijden, zoals de contacten met en ontvoeringen door UFO-aliens, het Franse COMETA rapport over de conclusies van Westerse defensiespecialisten over UFO-waarnemingen, en over Nazi-experimenten rond ‘Wonderwapens’ zoals de zogenaamde Vliegende Klok. Het laatste, zeer interessante concluderende hoofdstuk bespreekt het Scole Report, een verbluffend verslag van 300 bladzijden over fysisch mediumschap, gepubliceerd in 1999 door het vakblad van de Society for Psychical Research (SPR). Het rapport beschrijft hoe tijdens de sessies mysterieuze lichtbolletjes met hoge snelheid door het verduisterde vertrek vlogen en hoe contact kon worden gelegd met entiteiten uit een andere dimensie, het zogenaamde Spirit Team, geesten van overleden wetenschappers en intellectuelen uit het SPR-milieu van rond eind negentiende eeuw… Om ten slotte  opnieuw tot de kernvraag van het boek te komen: ‘Is er daarbuiten werkelijk nog iets anders?’ Aan de lezer om zich te laten overtuigen.

Het Verborgen Volk. Contact met niet-menselijke intelligenties, Ludo Noens, Uitgeverij Aspekt. Soesterberg, Nederland, 2022, ISBN 9 789464 624694

(Huguette Sirkens)

Elkaar verslinden


De derde bundel van Joris Miedema, De oneindige oester, bestaat uit dezelfde ingrediënten als zijn vorige. Maar heviger, dwingender, rauwer. Deze poëzie zingt niet. Ze klinkt anti-lyrisch. Het is anti-poëzie (in de zin die de Chileense dichter Nicanor Parra er ooit aan gaf): het laconiek prozaïsche krast aan alle kanten en doet het gedicht van zich afbijten. Er is van alles mis met de wereld wordt er vastgesteld en daarom rukt deze poëzie met haar gekartelde taal het masker van de werkelijkheid af en zet die werkelijkheid op losse schroeven. Ze laat er ons de beestachtige kanten van zien. Poëzie zonder aankoeklaag zoals Miedema schrijft in Herintredestraject. Of in Witte urn: ga toch eens weg met die poëzie. We krijgen gedichten vol genadeloze, darwiniaanse struggle for life en survival of the fittest aangeboden. In deze teksten verhouden mensen zich vaak vijandig of onverschillig tegenover elkaar. In het gedicht Roots staat het er zwart of wit: In de natuur zouden we elkaar verslinden. Dit leidt consequent in een paar gedichten tot kannibalisme en foltering.

Beestachtig: want meer dan ooit duiken allerlei dieren in deze gedichten op. Ik zal ze niet opsommen. Maar het gaat van een aalscholver met hazenlip tot een blauwe kip met acht groene ogen. Er wordt op een hamster gekauwd en een dode reiger (die een ‘blauwgrijger’ wordt genoemd) wordt bij de kont opengesneden: mij immoreel noemen ging te ver/een dierenbeul/was tot daar aan toe. Dingen, dieren en mensen (en hun psyche) zijn vaak onderhevig aan verminking en metamorfoses. Fysieke kwellingen zijn niet van de lucht. Het lichaam als verschrikking: zombieziektes, infarcten, openvliegende borstkassen, ontploffende hoofden, aanrijdingen, shocktoestanden, een jongen die uiteen valt in duizend umpie, armen vervagen, ogen die elkaar negeren.... U leest het wel.

De werkelijkheid biedt dus niet langer vaste grond. Er is gewoon geen vaste grond. Mensen vallen door oneindige lucht/weten de grond/ook in zichzelf/ niet te bereiken/omdat deze er/nooit is geweest (in het gedicht Oneindige lucht). Er is blijkbaar enkel vervreemding, wreedheid, verzieking, dood. Het ‘ik’ in deze teksten wordt in een isolement teruggedrongen. Het perspectief raakt verloren zoals dit gebeurt in het openingsgedicht ergens zag ik dat de verte begon terug te rollen. Een dystopisch wereldbeeld lijkt me.

In deze dwarse, penibele poëzie verloopt niet alles even serieus: ze lokt een groene, grimmige lach uit. Onweerstaanbaar grappig vond ik John en zijn 44 armen. Het kannibalistische gedicht Beste dagboek van Wilco vond ik in al zijn morbiditeit ronduit hilarisch. De zwarte humor (waarin negativiteit de hoofdrol speelt) zet lezers een hak: zij lopen het risico er zich ongemakkelijk bij te voelen.

Daarom is dit een uitdagende poëzie. Er zijn wel meer dichters die hun poëzie vrijblijvend de richting van het absurdisme en het groteske duwen. Maar bij Miedema liggen de (taal)intensiteit en geloofwaardigheid stukken hoger. Trouwens zo absurd is het ook weer niet: het is de existentiële pijn van het niet-begrijpen - niet weten waar je als individu aan toe bent. Tenminste zo las ik het en ik las gedichten doordesemd met een onuitgesproken beklemming. Wat aangrijpende en verscheurende poëzie oplevert.

De oneindige oester, Joris Miedema, Uitgeverij Opwenteling, Eindhoven, 2022, ISBN 978 90 6338 173 8

(Alain Delmotte)

De laatste dag van oktober


Sinds ze al van haar dertiende verhaaltjes begon te schrijven is Christina Guirlande niet meer weg te denken uit de Nederlandstalige literatuur. Ze is niet alleen een gewaardeerd auteur van poëzie, jeugdromans en kinderboeken maar ook is ze een vertaler en heeft ze eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de promotie van die literatuur als jarenlang lid van de Adviescommissie voor de Letterkunde en de Vereniging van Kunstenaars voor de Jeugd. Bekroond met ontelbare prijzen is ze sinds 2021 opgenomen als lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

De laatste dag van oktober is haar eerste roman. Het moet wel zo ongeveer het 65ste werk zijn in haar indrukwekkend oeuvre. Het verhaal speelt zich af in het Scheldeland, de streek waar Christina Guirlande zelf opgroeide. Het omspant een groot deel van de vorige eeuw met haar twee oorlogen en beschrijft met een warme fijngevoeligheid het leven van Nena. Een kind geboren net voor het uitbreken van de Grote Oorlog, dat opgroeit in de armtierige beluiken van toen, in de schaduw van ‘het kasteel’ en ‘de brouwerij’. Voor de lezer, die vertrouwd is met de streek zal dit verhaal heel herkenbaar zijn. Vanaf het begin word je meegezogen in het wedervaren van Nena, die zich een weg zoekt naar volwassenheid en die voor zichzelf een zinvolle plaats tracht te vinden binnen die gesloten dorpse driehoek van paupers, middenstanders en de heren van het kasteel, waar spanningen en oude vetes onderhuids sluimeren. Dat alles achter de dijken van de Schelde met haar eigen wetten, die de auteur als een dramatis persona mee het lot laat bepalen van de personages en de gebeurtenissen stuurt.

Christina Guirlande doet dat met een scherp observerend vermogen en een ontroerende inleving. Ze doet dat in alle eenvoud maar op zo een indringende wijze dat je vanaf de eerste bladzijde wordt meegetrokken in het verhaal. Je ruikt de weeë geur van de fermenterende mout, je voelt het slik zuigen aan je laarzen, de wanhoop en berusting ook bij een overstroming, je hoort het roepen en tieren maar ook de samenhorigheid en de solidariteit. Je voelt mee met de wisselende gemoedstoestanden van Nena, haar soms onmogelijke keuzes, die ze moet maken, haar wegzinken in waanbeelden. Je leest op elke bladzijde de nauwe betrokkenheid van Christina Guirlande zelf bij het verhaal en ongetwijfeld ook haar vertrouwdheid en eigen ervaring met de streek, waarin ook zij opgroeide en nog steeds woont.

De laatste dag van oktober is geschreven door een auteur, die de Nederlandse taal beheerst in al haar facetten, rijk, ingetogen zonder stilistische hyperbolen maar o zo beeldrijk en gevat, duidelijk de dichter in Guirlande verradend.

De personages komen als het ware naar je toe als mensen van vlees en bloed. Af en toe doen ze denken aan karakters in de romans van Gerard Walschap, die zelf over zijn werk schreef: Een roman is een verhaal, dat wil zeggen een opeenvolging van gebeurtenissen, waarin een zin ligt en waarin een knoop wordt gelegd, die op het einde wordt ontward. Het kan niet beter worden gezegd over Christina Guirlandes eerste roman De laatste dag van oktober.


De laatste dag van oktober, Christina Guirlande, 2021, Uitgeverij Het Punt, Dendermonde, 2021, ISBN 978-94-607958-55

(Richard Foqué)

Wie wil weten zal verdwalen


Wat is er van de nacht?
, de nieuwe bundel van Richard Foqué, is een merkwaardige uitgave, niet alleen vanwege het ongewone formaat maar vooral vanwege de poëtische opzet. De bijhorende ‘illuminaties’ van kunstenares Els Vos bezorgen de gedichten een transparantie die ze in de kern niet hebben: de beelden verzachten wel de lectuur. De bundel biedt een geheel van met elkaar verweven gedichten, waarbij elk gedicht toch autonoom staat. Een dertigtal teksten beslaan 542 genummerde versregels. Niettemin ontstaat er vanaf vers 304 een breukvlak en/of keerpunt waaruit toch een tweedeling blijkt.

De gedichten verwoorden een archetypische doortocht doorheen een nacht waaruit geen uitweg is - zoals blijkt uit het vaak terugkerende vers (dat als een soort mantra klinkt) Het is vluchten. / Het is blijven. Het mythische, het historische, het symbolische, het ritueel-religieuze (onder meer verwijzingen naar de Bijbel en het boek Apocalyps), het cultuur-historische en het intertekstuele literaire worden geëvoceerd. De noten achteraan helpen de lezer daarbij. Opvallend is dat er niet alleen aan de westerse cultuur wordt gerefereerd: een universele betrachting wordt uitgesproken. We lezen een stevig onderbouwd en gelaagd tekstgeheel, wat de interpretatie open houdt. Veel wordt in de handen van de lezer gelegd.

De onderliggende thematiek, zoals vaak bij Foqué, is prangend existentieel. In het gedicht kristalliseren en synthetiseren zich de thematische gegevens die we in vorig werk van Foqué al onderkenden.

De toon is bezwerend en zelfs bedreigend. De doortocht is er een langsheen metaforische en desolate landschappen of hij neemt de vorm aan van een zeevaart die langs verlaten eilanden van later leidt. Een wereld waar alle getijden zijn losgeslagen en waar er enkel plaats is voor onzekerheid: Want alles is overal / niet zeker van bestaan.

We zijn reizigers, passanten in het bestaan. Er is geen houvast en er is geen weten mogelijk: wie wil weten zal verdwalen. De doortocht volgt een reisroute die in wezen een schijnbeweging is, een impasse, een grote mise-en-scène/ van het absolute niets. Een dwaaltocht die leidt tot een grens die een nulpunt is, die een blinde en illusieloze nacht voorstelt en die als enige waarheid fungeert – al valt die waarheid niet te bewijzen, al wordt die waarheid voortdurend door valse idealen door profeten van zelfverzonnen goden, / kakelende sjamanen belegerd.

Het eerste deel brengt een reiziger in beeld. In het tweede deel wordt de reiziger expliciet aangesproken en komt hij aan het woord. Het historische krijgt hier de meeste ruimte: concreet komen de oorlogen van vorige eeuw ter sprake.

Het gedicht eindigt met de volgende regels Het is reddeloos. / Het is redeloos. / Het is de nacht. Het klinkt wanhopig en somber. Maar defaitistisch is deze dichter niet! De reiziger wordt aangemaand: Sta dan reiziger / waar duister licht wordt / licht duister – Sta, waar de zon de aarde raakt /verbrand niet. Hij krijgt een (dichterlijk) vademecum aangeboden: Gooi de dobbelsteen / door het donkerste licht. Steel het verleden, / verraad de toekomst, /(…)/ zo worden woorden wapens / tussen de lippen van de blinde. Krijgen we hier een antwoord op de vraag Wat is er van de nacht?.

Nee, het is veeleer een wederwoord waarmee de vraag (maar niet de nacht) wordt opgeheven.

Wat is er van de nacht?, poëzie Richard Foqué, grafisch werk Els Vos, Uitgeverij P, Leuven, 2021 ISBN 978 94 9338 62 9

(Alain Delmotte)

Samen met de spotters aan de Schelde


André van der Veeke debuteerde in 1992 met zijn poëziebundel, Het testament van de sneeuw. Sindsdien verschenen van zijn hand onder andere Reizigers voor alle richtingen, Moerasbeest Verdriet, Blauw als ijs, Poldergeest en Dwangarbeider van de poëzie. Na dertig jaar gunt hij zichzelf een bijzondere bundel, Het schuimspoor van het onbereikbare, luxueus uitgegeven door Liverse, Dordrecht. Het boekje oogt fraai. De aan beide zijden uitklapbare kaft laat aan de binnenkant twee keer dezelfde foto zien, aan de voorzijde in grijstinten, aan de achterzijde in kleur. De foto, van Eugène Kruijsse, is genomen aan de Scheldeboulevard in Terneuzen, de stad waar André zijn domicilie heeft. In stoeptegelgrote letters is daar een versregel van hem te lezen: Waar het licht bijna te zout is voor het oog. Op de achtergrond strekt de zeearm zich uit. Daarboven hangen laag donkere wolken waar hier en daar een beetje zonlicht doorheen dringt. Aan de buitenkant toont de omslag een fragment van een schilderij van de kunstenaar Leen van Duivendijk. Vormgeving en typografie zijn van Hans Bommeljé. De bundel voelt aan als een rijk bezit.

De dichter is gefascineerd door de wereld van de spotters, die aan de kop van de pier vrachtschepen zien komen en gaan en alle vaarbewegingen registreren. Samen met hen wacht hij tot ze aan de einder opdoemen, traag en spookachtig voorbijgaan en aan de andere horizon verdwijnen. E.R. Los Angeles: Kolossale schaduw over het beenderwitte spoor / Dodenschip pal onder de zonnige kustlijn / Het water even blauw als de hemel erboven / En later de langdurige dreiging van een / zwijgende, loodrechte achtersteven.

Over de spotters, in Schepen als houvast: Ze zoeken houvast bij hun maritieme religie, / bij het schuimspoor van het onbereikbare // Na alle geestverschijningen blijven ze / verweesd achter met hun hongerige camera’s.

Het gadeslaan van scheepvaartverkeer gebeurt in alle sereniteit. Als een hoogst enkele keer iets onverwachts gebeurt wordt dat niet ervaren als een storende inbreuk. Uit de koers raken: In het containertijdperk rolt de Schelde / Als een mechanische trap naar Antwerpen//uit de koers raken klinkt dan veelbelovend; / de vaargeul, dat platgetreden pad, negeren // Het wachten in bloedarme mist en lege / kou eindelijk bekroond met een surplace.

André van der Veeke gaat te werk met superieure souplesse en een gevarieerd palet, wat een enkele keer leidt tot barok taalgebruik. Het beffen van basalt: Slurpen en slikken als in een bordeel voor reuzen / Of kalme holle slagen met boventonen // Het ruisen waar geen riet is, het afknijpen / Druppelen, dreinen, vloeibaar geroezemoes // Gorgelen, spuwen, klappen, sissen / Kotsen dat ze klotsen noemen // Spoelen, lekken, uitlopen, indalen: / het beffen van basalt.

Achter al die geobsedeerde observaties schuilt een diep verlangen. Sittin’ in the dock of the bay: Hij zou het liever in één keer achter zich laten / Zijn hele bestaan door onbekende bestemming uitgewist: / nachtelijk vrachtschip, touwladders / Maandenlang overgeleverd aan de schommelende gang / van rivier, zee of blinde oceaan

Het schuimspoor van het onbereikbare, André van der Veeke, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2021, ISBN 9789492519399

(Will van Broekhoven)

De weg naar Pitchipoi


Joris Iven is niet alleen dichter maar ook recensent, toneelschrijver en gewaardeerd vertaler. Hij was een tijd hoofdredacteur van Deus ex Machina en is bekroond met diverse literaire prijzen. Kortom in hart en ziel een man van de letteren.

Met de bevreemdend aandoende titel De weg naar Pitchipoi levert Joris Iven zijn tiende bundel af. Uit het citaat van Marceline Loridan-Ivens bij het begin van de bundel blijkt dat Pitchipoi een Jiddisch woord is dat kinderen gebruikten als ze praatten over vertrekkende treinen. Ivens en Iven, slechts een letter verschil maar toch toeval en helemaal geen familiale banden. De dichter, zo vertelde hij mij, heeft wel een sterke intellectuele band met Joris Ivens, de cineast en zijn echtgenote Marceline Loridan van Pools-Joodse afkomst. Bovendien is dichter Iven geboeid door de relatie tussen film en poëzie als kunstvormen, die beiden beeldtaal als een essentiële component hanteren.

De bundel, die één lange zoektocht van de dichter is naar zijn verleden, bestaat uit vier cycli: Heengaan, Stilstaan, Op en neer gaan, Heen en weer bewegen. De titels duiden reeds de stappen aan in die tocht. Het heengaan van zijn vader en moeder in flarden van herinnering: Tijden worden afgesloten. / De eindnotering wordt neergeschreven; de reflectie daarover: Ik ben de eenzaat die bloemen brengt; heen en weer sporen zoeken, doodlopende wegen inslaan, terugkeren en verder dwalen om dan toch vast te stellen: Er is een weg te gaan, en er is geen weg terug; om in de laatste cyclus die weg – die naar Pitchipoi? – in te slaan met vallen en opstaan: Op mijn weg balanceer ik voortdurend op de rand / van de afgrond, hecht me aan het pad / en tast naar de wand. Tot op het einde een zekere berusting valt: Ik klim tot de laatste sporten van de ladder / en zie de dingen telkens weer / vanop een nieuwe hoogte.....Ik blijf de Ipianospeler / die met verstijfde vingers / speelt wat hij kan. // Niemand wil me horen. / Het schoteltje blijft leeg.

Met deze bundel schrijft Joris Iven een beklijvende en beklemmende queeste naar zijn oorsprong, die naarmate de bundel vordert een tocht is naar zichzelf. Langzaam vermengen zich de beelden van een vader en een moeder met flarden van verloren liefdes. Twijfel, onmacht en ontreddering spreken haast uit elk gedicht. Het huis met vage herinneringen als symbool van een verloren geborgenheid: Het huis is ingestort, het dak, de middenbeuk, / het kruis, de wanden.

Het poëtisch palet dat de dichter hierbij hanteert lijkt van een bedrieglijke eenvoud, geen ingewikkelde constructies, moeilijke woorden of neologismen, maar toch enorm beeldrijk en poëtisch. Juist daardoor is zijn schriftuur bijzonder direct en indringend in een volgehouden cadans. Wie iets wil zeggen, heeft winter nodig, / kale takken zonder blad, / het spoor van vogels, / niet hun fluiten.

Deze bundel ontstijgt het therapeutische geschrijf, waaraan nogal wat jonge dichters zich bezondigen en bevindt zich in die context op een eenzame hoogte. De dichter transcendeert zijn eigen twijfels in een eerlijke en confronterende introspectie. Zonder franje ontvouwt hij vanuit zijn persoonlijk universum het pad dat elke mens moet gaan om antwoorden te vinden op wie hij/zij is, om te ontdekken dat aan het einde elke mens wezenlijk alleen is.

Waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe? Die boodschap blijft kleven lang na het lezen. Zo is de weg naar Pitchipoi ieders weg naar zichzelf. De dichter verdwijnt en de lezer blijft over.


De weg naar Pitchipoi, Joris Iven, Uitgeverij P, Leuven, 2021, ISBN 978-94-93138-53-7

(Richard Foqué)

Truida's reis


Truus Rozemond debuteerde in 2015 bij Xanten met de roman Een verwaarloosd huis. In 2017 volgde Tussenruimte, en in 2019 De vorm van Ierland. Deze boeken verschenen bij Magonia in Utrecht. Zij schrijft psychologische romans. Voor zij fictie schreef, publiceerde zij, als onderwijskundig psycholoog, boeken en artikelen op haar vakgebied.

Weg uit de armoede – Truida’s reis opent met de stambomen van Truida Groothuis, geboren te Ulrum en van Cents Haak, geboren te Winsum Obergum. Vervolgens neemt zij de lezer mee in vier gedeelten, die qua lengte nogal verschillen, in de familiegeschiedenis van Truida en Cents.

Het omslag lijkt op chique behangpapier. Pastelkleuren. Op een grijze achtergrond vliegen blauwe en auberginekleurige vogels. Een krachtig symbool. De vogels zorgen in de tekst ook voor kleine intermezzi. Sober maar tekenend en sfeervol.

De titel vind ik niet uitnodigend. Het is meer de kop van een sociaal pamflet. De ondertitel voorspelt dan weer iets anders. Ofschoon het woord ‘reis’ bij mij andere associaties oproept dan wat in het boek plaatsvindt.

Tekenend voor het boek: ‘Cents voelt zich in Heerlen buitenstaander, al woont hij in de ‘rode kolonie’, Meezenbroek. Het Limburgse landschap is vriendelijk, de mensen goedmoedig, maar ook sussend, omfloerst. In het Noorden hebben vrouwen soms stemmen als scheermessen, zijn de mannen bokkig, zwijgzaam. De omgang is er harder en duidelijker.’ (bladzijde192)

Truida en Cents vertrekken in 1918 uit Groningen om in Zuid-Limburg een ander (ze hopen beter) bestaan op te bouwen. Terwijl Cents als mijnwerker, onder de grond, zijn weg zoekt, kan zijn vrouw Truida boven de grond niet aarden. Cents en Truida zijn totaal verschillend. Cents is een bevlogen idealist, Truida wenst zich toch een ander bestaan (schoonheid, boeken lezen,… het is ver weg). Hun tocht van noord naar zuid is ook een zoektocht naar hun eigen ik en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Tegen de grote wereldgeschiedenis vindt hun leven een kronkelende weg. Zoals er verschillen tussen katholieken en socialisten zijn zo zijn er ook grote verschillen tussen hen. Het idealisme van Cents frusteert hem maar ook Truida. Toch is er ( en dat vind ik bewonderenswaardig) altijd de moed der hoop. Het automatisme van kinderen krijgen legt een druk op hun relatie. Een kind dat overlijdt doet Truida in een depressie belanden. Cents is onhandig maar goedbedoelend, dat ziet, voelt Truida. Hun besluit om terug naar het noorden te gaan en daar een café te beginnen blijkt ongelukkig. Ondertussen groeien hun kinderen op in een snel veranderende tijd. Ze voeren hun eigen strijd. Sterke figuren zijn de vrouwen. Zij bewaren het overzicht. Zij luisteren en stellen zich open. De mannen zwijgen terwijl de vrouwen dat zwijgen begrijpen. Met weinig woorden weet Truus Rozemond situaties te schetsen. Ze heeft een groot empathisch vermogen. Haar kracht is het om een wereld achter of onder de woorden op te roepen. Zij oordeelt niet. Iedere figuur in het boek wordt met respect bejegend.


Weg uit de armoede – Truida’s reis, Truus Rozemond, Uitgeverij Magonia, Utrecht, 2021, ISBN 978-94-92241-48-1

(F.A. Brocatus)

Neem mij voor lief


Regine Hilhorst was stadsdichter van Enschede van 2013 tot 2015 en mede daardoor getuige van lief en leed in haar stad. In 2019 publiceerde zij een bundel troostgedichten, nadat de dood zich vele malen in haar buurt genesteld had. Als tegenhanger nam zij haar toevlucht tot geluksmomenten. Een van die momenten geldt de liefde, vooral die rond de trouwceremonie. Ze koos foto’s van Indra Simons en schreef daar gedichten bij.
Het gevaar van schrijven bij visueel werk is illustratie. Vaak wordt in woorden gevangen wat in beeld (meestal sterker) is gevat. Regine heeft vanzelfsprekend geprobeerd die valkuil te omzeilen, maar soms is het gedicht toch teveel een vertelling van de foto geworden. Dan is het de vraag of het gedicht op zich voldoende sterk is om zelfstandig op weg te kunnen. De meeste doorstaan die proef; wie de gedichten achter elkaar leest zonder teveel aandacht te schenken aan de foto’s, kan zich zomaar voorstellen in een hedendaagse variant van het Hooglied terecht te zijn gekomen.

Het liefste de liefde
In weke verwachting
In woorden die wegen
In verrassing gebloemd


De bundel is na een aantal inleidende combinaties opgebouwd uit 5 afdelingen: Fotografisch geheugen, Wie huilt het eerst?, It’s all in the details, Pretty vs beautiful en Trouwen, waarom zou je? Die indeling biedt enig houvast in de thematiek van woord en beeld. Twee voorbeelden van gedichten waarbij de vraag is: welk beeld krijg je op je netvlies als je dit leest.

Alle zegen

Vandaag ben ik de zon en jij het frisse groen
De regen is een zegen, met jou kan ik er tegen
Vandaag en alle dagen en over alle wegen

Dat wil ik je beloven
Dat wil ik zo graag geloven

Maar als de herfst komt en de ganzen gaan
verlangens langer in de schaduw staan
Mijn lief, trek dan toch mijn lijf als deken aan

Wil je dat beloven
Dat wil ik zo graag geloven.

Naast deze:

Oh God

Ze is te laat
Ze komt toch wel

Gisteren zei ze dat ze twijfelde

Ik twijfel niet
Ik twijfel nooit
Ik zweet alleen

Oh God

Ze komt toch wel.

Het is spijtig dat dit ‘experiment’ slechts op papier staat. Het zou een aardige tekenoefening kunnen opleveren.

Naast associaties met het Hooglied zong ook Herman Gorter in mij door toen ik dit las:

Wat lief
Liefje wat lief
Wat moet ik zeggen
Ik vind het zo lef
Maar dat zei ik al

Dichter en fotograaf laten in een soort voorwoord weten voor wie dit boek bedoeld is. Voor (nagenoeg) iedereen dus. Een kleine greep:

voor iedereen die geïnspireerd raakt door vastgelegd geluk van anderen.

(…)
voor iedereen die van poëzie houdt die achter het plaatje kijkt.
voor iedereen die gaat trouwen.
voor iedereen die laat trouwen.
(…)

voor iedereen die de liefde wil delen en vast vooruit wil kijken of terug wil kijken naar fragmenten van geluk

neem mij voor lief is in haar bedoeling een geslaagd product van een zichtbaar met plezier aangegane samenwerking.


neem mij voor lief (gedichten bij foto’s van Indra Simons), Regine Hilhorst, uitgegeven in eigen beheer

(Wim van Til)

Sparagmos


Hans Dekkers (1954) schrijft romans, korte verhalen, gedichten en theaterstukken. Zijn eerste literaire verhaal De zwarte buste van Bach werd in 1992 in het literaire tijdschrift De Revisor gepubliceerd. Hij studeerde sociologie aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, en maakte deel uit van diverse popgroepen zoals Bazooka en Das Wesen. Sinds 1984 woont en werkt hij in Amsterdam. Recent werk van hem: Lijkenbitter (2013, gedichten), Preludes voor Memnon van Conrad Aiken (vertaling met René Huigen, 2014), Lied van de wormen (2016, gedicht), Over de Taag (2018, roman) en De bedwelmingsman verroert zich (2018, gedichten).

Sparagmos betekent het offeren van een levend dier of een levende persoon tijdens een religieus ritueel door het lichaam uiteen te rijten, in het bijzonder ter verering van de Griekse God Dionysos. Na afloop werden de lichaamsdelen vaak opgegeten. Voorbeelden van sparagmos komen voor in het toneelstuk Bakchai van Euripides, dat Dionysos en de Maenaden ten tonele voert. De bewakers in dit stuk zijn op een gegeven moment getuige van zo’n ritueel waarbij de Maenaden met hun blote handen een levende stier aan stukken scheuren. Later in het verhaal wordt koning Pentheus gedood door zijn eigen moeder Agave, die hem voor een wild dier houdt en zijn lichaam uiteenrijt. Volgens sommige mythen stierf Orpheus toen hij verscheurd werd door razende Thracische vrouwen…

In de appendix De bibliotheek van Zhangjiakou zegt de dichter: In 1927 bezoekt Jan Jacob Slauerhoff de kloosterbibliotheek van Kalgan, tegenwoordig Zhangjiakou geheten. Hij stuit er op een vitrine met een zeer oud, ernstig beschadigd manuscript dat de naam Sparagmos draagt…

Dekkers opent met een citaat van Euripides uit Bakchanten en zet hiermee meteen de toon:

jagend op bloed van de bokkendood,
op de vreugde van het rauwe vlees

De bundel is opgebouwd uit vijf cycli:

Parados: Een oude stilte (9 gedichten)
De lege ether (3 gedichten)
Gesloten poort (2 gedichten)
Dat hij er niet was (5 gedichten)
Lied van de wormen (9 gedichten)

De geschiedenis herhaalt zich. In de scharnierende cyclus Gesloten poort trekt de dichter een brandende lijn naar het heden:


op een Grieks eiland waar de goden wijn dronken,
vouwen vluchtelingen hun wereld in tweeën,
daar drijft het afval de tenten in, daar hoest de duivel zijn gal op,
een zwerfhond wordt gekoesterd, de vogels nagekeken en vereerd


Soms begint de dichter een gedicht als een verhaal maar plotseling haalt hij verrassend uit en grijpt hij je bij de keel. Of bij je hele lijf, de optelsom van ledematen:


Ik glimlach naar mijn voeten, zo ver weg
gekneveld door de maan die op de keien drijft
een wolk haar in mijn keel
waar de borstelige gave van het woord
smoort in een rochelende pomp


Het is de grote verdienste van Dekkers om te benoemen. Onder de hardheid schuilt passie, iemand die betrokken is en ondanks alles hoopvol blijft:

….
In het versnipperde licht ritselt elektriciteit
het koor van de beenderen heft een hymne aan
op de geweiboom – de levende boom
de boom in ons



Sparagmos, Hans Dekkers, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2021, ISBN 9789028451513

(F.A. Brocatus)

Liefde Strijd Dood


In zijn jongste bundel, Liefde Strijd Dood, vat Kees van Meel in drie woorden het leven samen. Tussen de regels smeedt hij gestaag aan zijn ‘wapen tegen de vergankelijkheid’, verlangen. In bijna alle gedichten uit de bundel spreekt dat verlangen. Naar liefde, naar erkenning, naar overwinningen, naar het leven. Na elke val opnieuw opstaan, doorgaan, in herhaling vallen, accenten verleggen, verder gaan. Je hoort als het ware, terwijl je de bundel langzaam van kaft naar kaft leest, de stem van de coach die vanaf de zijlijn het gevecht op de velden volgt: opstaan, doorgaan, verder, verder.

Ondertussen blijft weinig leed je bespaard: liefdeloosheid, agressie, beschimpingen, verleidingen die zich tegen je keren, onbereikbaar geluk.

Portret van volmaakte zinloosheid

Als perfectie zo in je ogen kijkt
verliest zinnigheid zijn waarde

komt snokkend je ware ik naar boven
dendert elke vergelijking langs haar heen

weet niemand meer wat leven zonder haar is
slaat die indruk een dol gedreven spijker in je kop

ternauwernood ontsnap je aan de totale gekte
van overgave aan die vreemde vrouw

die blijft zwerven in je bloed
zweven in je hart
zweten in je oksels

maar die dat nooit te weten komt


Het tweede deel van de bundel, Strijd, is bijna geheel gewijd aan wielergedichten waarin beschreven wordt wat elke wielrenner in zijn carrière meemaakt: alles tussen valpartij en overwinning. Kees van Meel portretteert een aantal idolen: Annemiek van Vleuten, Tom Dumoulin, Mathieu van der Poel, Rini Wagtmans. Hij memoreert Harm Ottenbros die na zijn wereldkampioenschap van het peloton nooit meer een wegwedstrijd mocht winnen. Hoe zoet smaakt dan een zege?

In die laatste herkenning worden veel gedichten belicht, de keerzijde van alles, het onoverkomelijk verlies. Het zijn inderdaad niet de vrolijkste gedichten die de dichter ons voorschotelt, er schuilt veel onechts in de liefdes die hij ten tonele voert. Alsof het leven een tranendal is dat zich steevast herhaalt. Totdat een laatste beeld de ene cyclus beëindigt en de andere introduceert:

de doldwaze gedachte aan haar zadel
waarop een glanzende afdruk van haar
haast almachtige bilpartij (van Liefde naar Strijd)


en

ver achter het front staren kijkers naar de strijders
een winnaar en veel verliezers (van Strijd naar Dood)


Het is rauwe poëzie die Kees van Meel schrijft, hij kiest woorden die schrijnend vastleggen hoe schoonheid haar gezicht verbrandt. Zoals de slotregels in Weg van liefde:

valse klanken volop krijsend in hun oren
als laatste kreten tenslotte verliet je
bij gebrek aan diepgang die wereld


Kees van Meel is een dichter die ook nadenkt over de compositie van de bundel, de samenhang van thematiek en woord, de binding tussen woord en beeld. Dat geeft zijn bundels een extra dimensie.
Dat hij daarbij niet schuwt om eerder gepubliceerde gedichten opnieuw op te nemen, is een consequentie die wij als lezer ook moeten accepteren *).

In zijn elfde (twaalfde?) bundel is de dichter bijkans nog rauwer, cynischer dan in zijn voorgaande werk. En toch is dat ook de charme ervan.

*) Het openingsgedicht van Liefde Strijd Dood was het slotgedicht van de bundel Landschap van woorden (2018)


Liefde Strijd Dood, Kees van Meel, Uitgeverij Van Kemenade, Breda, 2021, ISBN 978-90-71376-75-7

(Wim van Til)

Giraffen


Volgens Ingrid Strobbe charmeren giraffen en daarom werd deze dichtbundel geboren. De auteur heeft er zeker halsreikend naar uit gekeken, want het betreft hier een debuutbundel. Een nieuwe vlinder landt in het mijnenveld van de Vlaamse literatuur…

Qua vormgeving is Giraffen een heel aantrekkelijk boekje geworden. 54 bladzijden poëzie, vakkundig samengebracht en vorm gegeven door Eric Geerts. De auteur wil geweldloze gedichten brengen. Ze verdeelt haar aanbod in 3 cycli waarin ze door middel van een biechtsessie haar poëtische inzichten aan de buitenwereld openbaart. Ze poneert interessante stellingen zoals daar zijn: poëzie is constructieve communicatie, gaandeweg leer ik dat poëzie een uitweg biedt of schrijven vereist een leerproces.

Wat voor een mens ik was
nu de glim van mijn lach
mijn handen gevouwen
vraag ik me af wat voor een mens ik was

ik was een mensje
van dag één
geïnteresseerd in ruimte
geboren en getogen tussen jakhalzen
zocht ik in de hals het mals
van de tong
ik was een meisje dat een meesje imiteerde

onder de indruk van de geestestoestand van taal
kroop ik weg
in mezelf een bunkertje
autistisch zo je wil
en maar voelen, voelen, voelen
af en toe een gedicht dat levensreddend was
ik was een vrouw die de ladder in haar kous
de ladder liet
waar de enige kraanman het raam kwam hijsen
over het zadeldak heen
het glas waardoor ik dagdroomde
een toekomst had als danseres, zangeres, stewardess
op wolken
breien, naaien, afhaken waren
mijn bezigheden
ik moest leren zwijgen
doorzetten, koffiezetten en daarbij rustig blijven
de oude man die me het leven gaf
(en ik maar dromen van een werkbeurs)
zei me dat een mens een mens kon worden
dat ik liefde was
mijn borstje rood
mijn lichaam van ivoor zou echt niet doodgaan

Giraffen bespeelt een wijde waaier aan thema’s; een allegaartje waar eenheid ontbreekt. De auteur zaait een gezonde dosis humor en relativeert aldus. Ze gebruikt sterke contrasten, aantrekkelijke metaforen die spanning en nieuwsgierigheid oproepen. Ze houdt ervan om de lezer op het verkeerde been te zetten. In deze bundel is geen enkele giraf te vinden… Strobbe speelt met haar lezers op een pientere manier. Haar taal is wars van intellectualisme. Gelukkig. Ze houdt van anonieme personages die zij voyeuristisch vastlegt. Af en toe laat ze haar versregels uitlopen; te ver uitdeinen en dat leidt tot krachtverlies. Haar observaties verliezen soms het brandpunt. Alles wat haar pad kruist, grijpt ze aan. Een keuze… Ze laat haar vocabularium ongeremde associaties oproepen, dat zorgt er soms voor dat de eerste lezing vertraging eist. Het is moeilijk om de verwarring te ontknopen. Ze is sterk in het behandelen van verstarde communicatie in zinkende relationele conflicten. Hier en daar serveert ze gecontroleerde kritiek.

Giraffen is een bundel waarvan je eigenlijk onderhuids aanvoelt dat we van deze Ingrid Strobbe nog veel mogen verwachten. Zoals ze zelf bevestigt, zit ze nog in een leerproces. Maar globaal fluistert dit werk mij vertrouwen in. We hebben niet te maken met een eendagsvlinder. Ik heb al zwakkere bundels gelezen.

Giraffen, Ingrid Strobbe, eigen beheer, 2021, geen ISBN

(Frank Decerf)


Schreeuw mijn aarde


Wie vertrouwd is met het werk van Toon Vanlaere, weet hoe doordacht, doorwrocht en doorleefd de structuur van zijn dichtbundels zijn. In zijn nieuwste verzameling Schreeuw mijn aarde is dat opnieuw het geval. Een proloog, vier cycli, een epiloog en tussen de plooien van de cycli een gecursiveerd gedicht dat in de vorm afwijkt van de andere gedichten, die vormvast in drie terzinen zijn geschreven. We herkennen zijn vertrouwde thematiek en woordvelden. Die thematiek verwoordde ik eerder als volgt: de resten van de tijd en de tijd die rest. Vanlaere is als een archeoloog die taal en existentie ontgraaft, op zoek naar wat gisteren nog was, vanmorgen niet meer – zoals het in deze bundel staat geredigeerd. Zoals de titel van de publicatie en de citaten (die alle betrekking hebben op de klimaatverandering) achteraan het boek bevestigen, staat dit keer met klem (alsof het een hulpkreet betrof) de aarde centraal. We zijn onze intieme band met de aarde aan het kwijtspelen, we hebben onze verbondenheid met de aarde afgebroken. Dit is letterlijk te nemen, zelfs en vooral tot het fysieke toe: Mijn aderen zitten tussen aardlagen gekneld, Mens en aarde, we hebben dezelfde aders, De aarde op onze huid vervleest. Het motief van de ‘ader’ is zowat de hoogspanningsdraad die de bundel thematisch overspant en ‘dooradert’.
Voor de dichter bepaalt de aarde integraal onze menselijke conditie. Die conditie is de schraalte. Het precaire waarvan het tekort het kenmerk is – Op zoek naar het tekort/dat ons overeind houdt. Hieruit maakt de dichter harde en soms bijtende conclusies die over de bundel heen verspreid worden: Om te bestaan moeten we ons laten verminken – Striemen hebben zich in plooien verdiept – Wie leeft slaakt een kreet – Mijn geboorte moet ik met bestaan doordrenken. Uitspraken die de bundel iets rauws en schors meegeven. Ze zijn confronterend: ze kijken de lezer diep in de ogen en stellen vragen. Waaronder bijvoorbeeld deze: Als een mens in stof uiteenvalt, is dat stof dan nog menselijk?

Opvallend is dat schraalte tot in de vorm van de gedichten is doorgedrongen. Dat is niet meteen een nieuw gegeven voor Vanlaere. Maar nooit eerder viel het zo intens en nijpend uit. De formulering is scherp en schrap. De taal is uitgeloogd, compact, schril en verdicht: alsof die taal het spiegelbeeld was van het verhaal dat wordt verteld. Heftig duikt meer dan ooit meerduidigheid op, wat het geheel een complexiteit bezorgt, zonder dat het abstract of te hermetisch wordt: de neus van de lezer wordt dicht bij de grond gehouden.

De bundel leest als een ritus. Onder meer de titel van een reeks gedichten Aardsacramenten en een regel als De processie van de ongelovigen bewijzen dit. Want er wordt evenveel gesacraliseerd als geprofaneerd. De dichter geeft zich rekenschap van zijn bestaan (waarvan zijn jeugdjaren zich in een agrarische omgeving afspeelden) en lijkt met sommige aspecten van dat bestaan af te rekenen. Leegte, schuld, boete: een terminologie die veel doet vermoeden – We maken van begeerte een smakeloze straf.

De teksten dragen een expliciet elegische toon uit. Titels als Morte finale of Dies irea spreken voor zich. Aarde is besmeurd met oude gesprekken, klaagzangen. Ongetwijfeld overtreft Vanlaere met dit werk nog maar eens zichzelf.

Schreeuw mijn aarde, Toon Vanlaere, Uitgeverij P, Leuven 2021 ISBN 978 94 93138 60 5

(Alain Delmotte)

Weer een genot om te lezen


‘Alles is anders, niets is gelijk. Een eik is geen beuk, een lijster is geen leeuwerik, een Chinees geen Papoea. Een hond houdt een tweeling op de reuk uit elkaar. Maar dat geldt niet voor alle honden; iedere hond is anders. Katten zijn onderling ook anders, maar dan anders anders. De natuur is een gulle uitstalkast. Met de neus plat tegen het glas kijk je als kind je ogen uit, in je graf ben je nog niet van de verbazing bekomen. Er is genoeg van alles voor iedereen. Geen mens hoeft zich ooit te vervelen.’

Zo luidt de eerste alinea van Wat loopt daar? – Een biologische kijk op rassen, en eigenlijk hoef je dan niet meer verder te lezen want de boodschap van het boek is hierin reeds vervat. Maar, máár: de auteur is niemand minder dan de onvolprezen Midas Dekkers en dán wil je wel verder die 350 bladzijden in. En dan weet je na de eerste bladzijde ook al dat je verschrikkelijk zult balen wanneer je de laatste gelezen hebt.

Want Midas Dekkers kan niet alleen zorgvuldig kijken en fijn redeneren maar zijn bevindingen ook nog eens uitermate plezierig uitschrijven.

‘Toeval bestaat niet. Goede ontdekkingsreizigers weten niet wat ze zoeken maar wat ze vinden, van slechte ontdekkingsreizigers wordt zelden meer iets vernomen.’

Een fijn citaat is ook: ‘Hoe maak je een kat? Het lijkt simpel. Men neme vier pootjes, een staart en twee lichtende ogen. Zet de onderdelen in elkaar en aai de kat tot leven. Maar waar haal je het fluweel voor de vacht vandaan of zo’n wonderpoepertje dat je nooit hoeft af te vegen?’

Midas Dekkers gaat in dit boek maar één keer in de fout. Op bladzijde 134 noteert hij: ‘Een renpaard was al af. Alles wat een dier kan doen om harder te lopen had het paard zelf al gedaan. Zijn lijf is al gespierd, zijn poten zijn al lang en dun. [….]’

Een paard heeft natuurlijk geen poten, maar benen….

Wat loopt daar? biedt ook regelmatige kostelijke weetjes. Over de keizertamarin bijvoorbeeld. Dit aapje met een witte hangsnor van jewelste, kreeg de wetenschappelijke naam Saguinus imperator: ‘Gek genoeg is hij vernoemd naar keizer Wilhelm II, die zijn snor juist martiaal omhoog droeg. De naam stamt uit de tijd dat Europeanen de aapjes alleen dood kenden, opgezet. Kennelijk hadden de preparateurs er aardigheid in om de snor bij het opzetten op te draaien.’

Ook een aardig weetje: volgens Midas Dekkers werden mensen met blond haar, tegenwoordig toch als aantrekkelijk geldend, alleen op basis daarvan in de middeleeuwen gewantrouwd. Schreef hij eerder over insecten, vissen en vogels, en later over zoogdieren (tot welke orde de mens eigenlijk ook behoort) dan sluit Dekkers met dit boek als het ware de cirkel. En dit boek is opnieuw, als al zijn boeken, een waarlijk genot om te lezen.

Wat loopt daar? – Een biologische kijk op rassen, Midas Dekkers, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2021, ISBN 9 789045 041537

(Bert Bevers)

Navelstaren tot in lengte van jaren


Jonathan Griffioen presenteert zijn derde bundel in 7 jaren tijd. Het zijn vette jaren voor hem geweest: zijn debuut (Wijk, 2015) werd genomineerd voor de Buddingh’-prijs, zijn tweede bundel, Gedichten voor een mazda 626, werd bekroond met de J.C. Bloemprijs 2019. Het juryrapport spreekt van ‘een heel persoonlijke bundel met grote spankracht.’

En dan is daar nu De (t)huiszittergod. Griffioen is hier echt even voor gaan zitten. Natuurlijk zit je ‘in een flow’ nadat er zoveel loftuitingen over je heen duikelden.

Zijn nieuwe bundel is (ook weer) een heerlijk spel met woorden en dit keer ook met de vormgeving. Natuurlijk schatplichtig aan Paul van Ostaijen verdeelt hij woorden en zinnen over de bladspiegel, trekt zinnen daarmee volledig uit elkaar en jongleert hij met enjambementen.

Het effect ervan is, dat de lezer al gauw meedoet in dit spel en niet kan ophouden met lezen. Precies wat de bedoeling is. De (t)huiszittergod is nu eenmaal gebaat bij een langdurig bezoek om duidelijk te maken wat het effect is van een gekmakende omgeving, ook al speelt die vooral in de (eigen) binnenwereld. Angsten en bezweringen, gedachten en observaties, schijn en werkelijkheid wisselen elkaar af waardoor er een continu 'spel' gespeeld wordt, een heen-en-weer tussen waan en wezen.

Zoals dit:

in het blauw mijn blauw       in de lucht
valt een schaduw
                                              een schimmel
die de schemering is
                                              dat het
een kwestie van tijd is voor we schimmelen
(zoals het een kwestie van tijd is voor je naar de spiegeling
van de mok naast de mok
op de tafel grijpt
als je lang genoeg dubbel ziet)
tot een schimmel zich aan de blauwe schimmel toevoegt


De bundel opent met een citaat uit Ezechiël 3:24:

Er voer een geest in mij die mij weer op deed staan, en de HEER zei
tegen mij: “Mensenkind, ga naar binnen, sluit je op in je huis.”


De verleiding is groot om in dit citaat (en daarmee ook in de bundel) een verwijzing te zien naar de door COVID-19 ontwrichte samenleving, maar daar is verder geen bewijs voor in de gedichten. Gelukkig maar, want dat zou mogelijk een goedkope verwerking betekenen van een interessant experiment: hoe de binnenwereld en de (beperkte) buitenwereld zich tot elkaar verhouden. Zoals in dit fragment:

                        theorieën die beweren dat dromen
            een ontsnapping uit het wakkere leven bieden
            mijn vrienden doen alsof dromen
een voortzetting zijn van het wakkere leven
                        ik begin al met de duiding tijdens de droom
            als ik weet dit is een droom en nog een droom
            en de droom is door de poort van hoorn gekomen
                        bijvoorbeeld toen ik een ladder in de jungle bekeek
                        die ik half beklommen heb
                        (ik wist zeker: dit is ’t marxisme)
                        toen liep ik op lucht
                        zag ik een doodskopaapje
                        zoals in de Apenheul
    toen er een op mijn schouder zat
                        en ik voelde een tedere nabijheid

De (t)huiszittergod is een bundel die ik met veel plezier en als in één adem uit gelezen heb, een verrassend spel met taal en geest, een feestelijke reünie van mazda’s en bijbelse verwijzingen.

Een aanrader, dus!


De (t)huiszittergod, Jonathan Griffioen, Lebowski Publishers, Amsterdam, 2022, ISBN

(Wim van Til)