Epitaaf voor een vader


Amina Belôrfs debuut Zonder het licht te breken verscheen net na de corona-lockdown. Dit was evenwel geen belemmering voor drie herdrukken en de aandacht die ze via sociale media en de media tout court kreeg. In ieder geval meer dan met debuten doorgaans het geval is. In het boekje vertelt ze het verhaal van haar vader én verwoordt ze het verdriet om het verlies van haar vader. Dat laatste maakt haar debuut broos en ontwapenend. Er is nergens sprake van pose, niets wordt geveinsd.
Haar vader: hoe die Marokko verliet om in niet altijd optimale omstandigheden in de Limburgse mijnen te gaan werken totdat die gesloten werden. Hoe hij zich via allerlei, eerder onwaardige jobs uitslooft om zijn uit zeven kinderen bestaande gezin te onderhouden. Dit in een maatschappij die hem au fond niet echt waardig acht, noch naar waarde schat. Later wordt hij door de ziekte van Altzheimer belaagd waaraan hij na een aantal jaren bezwijkt. Met deze tekst brengt Belôrf dus een hommage aan en bouwt ze een epitaaf voor haar vader op. Maar in dit boekje wordt ook de moeder geportretteerd. We leren een kranige, moedige, bewonderenswaardige vrouw kennen. Met gevoel voor humor.
Het lijdt geen twijfel dat we hier te maken hebben met een ontroerend ‘document humain’. De auteur komt in deze teksten een aantal zaken te boven. Het lijkt een soort rouwverwerking. Ze levert een gevecht voor menselijke waardigheid en erkenning. Ze gaat expliciet xenofobie en dergelijke te lijf en maakt hiermee een politiek statement. Ik schreeuw tegen u/ik schreeuw tegen u/tot mijn adem op is/en niet kan vatten/ hoe ongelijkheid zich/in uw systemen/ heeft ingebed/dagelijks zie ik hoe angst/ de voegen van de straatstenen bezet/paracommando’s op elke straathoek/ als was liefde met geweld te verkrijgen.
Alles goed en wel. Zeer verdienstelijk. Maar brengt Belôrf ook poëzie? Of heeft dit boekje enkel maar als getuigenis waarde? Is er sprake van een literaire meerwaarde? Belôrf zelf heeft het over een ‘poëziebundel’.
We lezen prozastukken en verzen. De verzen hebben een expressief karakter, zijn vanuit de emotie (vanuit het hart) en zonder ornament geschreven en dienen van daaruit worden gelezen. Soms gebeurt dat direct zoals in het gedicht Antwerpen, waaruit ik daarnet citeerde. Maar vele gedichten geven ook blijk van teergevoeligheid en verstilling: alles wordt ondernomen om het licht in de taal zomin mogelijk te breken. Ter plaatse kousenvoeten/omdat omhoog omlaag/de aarde raakt/rug recht//Licht uit.
Bijzonder interessant evenwel zijn de prozastukken: hoe die zich langzaamaan transformeren tot heuse prozagedichten – of hoe je het ook noemen wilt. De eerste stukken zijn narratief, van een bijna journalistieke afstandelijkheid. Een tekst als Spiegels heeft de allure van een column. Later in deze verzameling staat drie overtuigende prozateksten die het prachtige hoogtepunt van het geheel vormen: Zuurstofarm, Ontvouwen en Generatietranen die elk blijk geven van een (oraal-geritmeerde) dynamiek en waarin Belôrf (die we vaak voor de micro zien), al haar talige potenties de vrije loop geeft.

Zonder het licht te breken, Amina Belôrf, Mammoet (imprint van EPO), Berchem, 2020, ISBN 9789462672116

(Alain Delmotte)

Gemengd portret


Een bijzondere gewaarwording. De laatste dertig bladzijden van het nieuwe, tweede, deel van Brieven aan Stella zijn gedachten en gebeurtenissen van precies één jaar geleden. Reizen, onbelemmerde horecaontmoetingen, museale ervaringen: de voor auteur Kees Klok zo typerende proza-ingrediënten bestaan in de voorjaarsdagen van 2020 nog slechts op papier, film of in gedachten. Het heeft tot gevolg dat de lezer ‘tijd’ en ‘herinnering’, de smaakmakers die deze schrijver/historicus inzet, extra pregnant ervaart.
Met gemengde gevoelens op reis is een vervolg op Het is er niet van gekomen. Met de laatste titel begon Kees Klok (º Dordrecht, 1951) een reeks brieven aan Stella Timonidou, zijn in 2007 overleden vrouw.
Wie mocht denken dat dit een eruptie van al te sentimentele en particuliere ontboezemingen oplevert, kan ik geruststellen. De vorm van ‘een brief die niet beantwoord kan worden’ blijkt een middel om gevoelens van melancholie te omspoelen met weinig benarde en vaak humorvolle observaties van het leven in Griekenland en in thuishaven Dordrecht. Ten opzichte van het in 2015 gepubliceerde eerste deel is er toch wel een verschuiving merkbaar. Met gemengde gevoelens op reis is vooral een literair zelfportret geworden. Met de ‘afwezig aanwezige’ Stella als een verfijnde tegenkracht. Want Kloks proza is niet van het benauwde. Hij schuurt zo nu en dan tegen het politiek en sociaal correcte aan. Dat maakt de hoofdpersoon, de briefschrijver, waarachtig. In die mate dat je je af en toe verbaast, ergert en zelfs geneert. Klok spaart zichzelf niet. Zijn merkwaardigheden en zijn balanceer-act op gezondheidsgebied steken soms schril af bij de immer op de achtergrond sluimerende serene aanwezigheid van Stella.
De steden van waar uit de brieven worden ‘verzonden’ zijn vooral Thessaloniki en Dordrecht. Van beide plaatsen wordt een levendig beeld geschilderd. Ze zijn uitnodigend, gul en soms onbegrijpelijk en ontoegankelijk. Daarmee zijn ze geknipt als decor voor het gemoed van Kees Klok.
Van Thessaloniki, de geboortestad van Stella, neemt Klok tijdens zijn frequente bezoeken door de jaren heen goed de ‘temperatuur’ op. De gevolgen van de voortdurende Griekse economische crisis, het culturele en academische klimaat, de nog merkbare historische betekenis van de stad: het komt allemaal in gepaste dosering en op smeuïge wijze aan bod. Kloks liefde voor en kennis van Griekenland maken de lezer nieuwsgierig naar meer.
En dan is er nog Dordrecht. Ook in de derrière van deze historische Hollandse stad heeft de schrijver permanent een thermometer. Uit de brieven komen we van alles te weten over Dordtse literaire en politieke zaken. De horeca, in het bijzonder het etablissement Visser, blijkt een noodzakelijke en intrigerende ontmoetingsplaats voor culturele en andere boeren, burgers en buitenlui.
Ja, Klok is zowel chroniqueur als analist en zeker niet in de laatste plaats een dolende ziel. Ergens merkt hij op dat hij vreest dat de mens toch vooral een irrationeel wezen is. De ongestuurde mengeling van emoties, analyses en ironie in Met gemengde gevoelens op reis levert een interessant boek op.

Met gemengde gevoelens op reis, Brieven aan Stella, Kees Klok, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2019, ISBN 978-94-92519-54-2

(Erick Kila)

Iemand heeft het leven laten slingeren


De pijl van de tijd doorklieft de gedichten van Jana Arns. Wie haar drie bundels naast elkaar legt, leest een voortschrijdend levensverhaal. De grondtoon van haar werk blijft donker klinken. We lezen in al haar soberheid poëzie zonder illusies: concrete realiteit is er de troef van. Waarmee ze meteen een anti-stem wordt in een maatschappelijk bestel dat uitsluitend positieve boodschappen lijkt te tolereren. Geen goed nieuws-show, Arns’ gedichten. Haar poëzie moet het van zeggingskracht hebben, minder van lyrische fiorituren. Haar verdichting is gebeiteld. Wat vooral blijkt uit de korte en kordate syntaxis die de lezer als staccato doet aanvoelen.

Haar nieuwste bundel vormt een geheel van zes cycli en één intro-gedicht. Het kader waarin deze gedichten zich afspelen is hetzelfde gebleven als in haar vorige bundel. Gezin, huis, kinderen, compromissen. Hier aangevuld met een echtscheiding (die zich in de vorige al deed vermoeden). Er wordt een leven geschetst ten prooi aan slordige routine in een nine to five bestaan, zoals wordt voorgesteld in de cyclus Etmaal. Iemand heeft het leven laten slingeren. 

De dag blijft zonder vertoning. De wereld waarin ze ons een inkijk biedt, is er één waarbij de dagen nauwelijks nog bestemming hebben. Alles draait vierkant. Ze toont ons lichamen waarvan de ‘vitale functies’ zijn aangetast. Haar lichaam: / een orkest uit balans. Dit hebben we figuurlijk en letterlijk te nemen, mentaal en fysiek. We worden geconfronteerd met Lichamen in achteruit, die bijvoorbeeld lijden aan het berustingssyndroom (uppgivenhetsyndrom). Of aan A. Nervosa. In de gelijknamige cyclus levert dit aangrijpende gedichten op. De verwoording doet kaal aan. Aangehouden spankracht bindt de cyclus aan. Ze is de schim van trillende ouders, klinkt de beginregel van deze reeks: de lezer trilt mee. Een sterk moment. Oplossingen worden niet geboden. Geen conclusies, geen remedies. Enkel vaststellingen: Twaalf ribben lachen me toe. / Even lijkt alles gepast / maar de skinny jeans moet strakker.

Hoe particulier de wereld van Arns ook lijkt ‘betrokkenheid’ met het werelds gebeuren en actualiteit valt op te merken in De reisgedichten. Haar verontwaardiging is expliciet: Wanneer het spervuur wordt ontstoken,/ vluchten de politici.

In een reeks gedichten naar aanleiding van schilderwerken van Edward Hopper worden desolaatheid en vervreemding uitgetekend. Een beklemmende, bedreigende sfeer wordt geëvoqueerd. De geschetste figuren en situaties lopen uit op vereenzaming en ontheemding. Hier is geen plaats voor tweestemmigheid. Ruimte wordt door naamloosheid ingenomen: Hier zit zij de pauze uit / deze niemandsvrouw.

In de laatste cyclus, tevens titelcyclus, wordt een echtscheiding gethematiseerd. De balans van een failliet wordt opgemaakt en, zoals vaak in dergelijke situaties, klinkt die wrang: In de dromenencyclopedie / vinden we geen verklaring / voor wat niet is uitgekomen. Opnieuw zorgt Arns voor een pregnante, zelfs laconieke verwoording.

Met deze bundel is Arns nu echt debutante af. Haar werk is uit de startblokken. Het kan nu verder in aanbouw: totdat het een stevig oeuvre wordt.

Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn, Jana Arns, Uitgeverij P, Leuven, 2019, ISBN 978-94-92339-96-6

(Alain Delmotte)

Zoals alleen een eik kan kijken

Creatief Schrijven organiseert jaarlijks een zomercursus in Villa Hellebosch te Vollezele. Afgelopen jaar 2019 nam cursusleider Daniel Billiet het toponiem Hellebosch tot onderwerp van een schrijfopdracht. Hij liet zijn cursisten een 18e-eeuwse geschiedenis bedenken die op een geloofwaardige manier de naam Hellebosch zou kunnen verklaren. In alle verhalen moest een jonge vrouw centraal staan. De verhalen dienden als inspiratiebron voor gedichten die tijdens het verblijf gestalte zouden krijgen. Het beste werk is opgenomen in een bundel, onder redactie ven Daniel Billiet, Frederick de Cock en Goedele Horemans en uitgegeven door De Draak. Het heeft de vorm gekregen van een kloek, ‘zwaarwichtig’ boekwerk, rijkelijk voorzien van paginagrote kunstzinnig bewerkte foto’s van Alexandra Cool. Zij is eigenaar en bewoner van de villa. Het omringende beukenbos is aan het afsterven en zij wilde deze neergang vastleggen. We zien wazige afbeeldingen van hellende stammen en warrige takken door een filter van diverse tinten grijs. Ze ademen een mysterieuze tijdloze sfeer, die naar de gedichten en verhalen overvloeit en zo literaire meerwaarde aandraagt. 

Niet alle gedichten houden overigens verband met de verzonnen verhalen, Vier ervan hebben onder de titel Hoor de hoeven! de Vier ruiters van de Apocalyps van de naburige beeldhouwer Koenraad Tinel als inspiratiebron. Negen gedichten zijn geïnspireerd door het verblijf op het domein en zijn gegroepeerd onder de thematische titel Volg de welving van de stilte.

Ik wil de medewerkende dichters niet ongenoemd laten. Het zijn Mieke Augustyns, Goedele Horemans, Moniek De Vis, Tamara Lenaerts, Luc C. Martens, Daphne Kalff, Maria Loudridtz, Lies Wullaert, Karin Dée, Frederick de Cock, Vera Steenput, Anne Cockaerts, Filip Eerdekens, Dominique de Meyst, Aschwin van den Abeele, Anneke Schampaert, Elisabeth Van Winckel, Ilse Van Eepoel, Hanneke Stuart, Karin Dessers, Sabine Matthijs en Hedwig Dujardin.
Hun namen zijn niet aan de gedichten en verhalen toegevoegd. Ze zijn te achterhalen doormiddel van een index op de laatste bladzijde. Dat is voor de lezer misschien wat onhandig, maar er valt ook wat voor te zeggen. Het gaat immers om een collectieve inspanning. De deelnemers hebben elkaars gedichten intensief besproken en op die manier aan elkaars eindresultaat bijgedragen.

Tot slot een kleine representatieve selectie van poëtische fragmenten.

nog warm van ons verlangen/uw brieven in mijn onderkleed/mag ik niet meer bewaren/daarom wil ik op deze plek/in spleten van een zomereik/uw stem voorgoed begraven//ik adem enkel leegte/ ik kan alleen nog staren/ op een schilderij
Uit: Eleonora van Oostenrijk, Vera Steenput

Waar jouw geheugen?/ Waarheen alle beelden van vlucht,/ verberg en onderduik?// Wat deed je dan staan/ toen dier tot dier tot mens/ tot mens tot/ moorden ging?
Uit: Schuldig, Aschwin van den Abeele
je denkt en denkt/ alsof je diepduikt in een bodemloos bad,/ je toedekt in een bed, een sprei/ van boomschors over al dat denken trekt.

Uit: Hellebosch, Karin Dessers

Hellebosch – Zoals alleen een eik kan kijken, samenstelling: Daniel Billiet, Frederick De Cock en Goedele Horemans en foto’s: Alexandra Cool, Uitgeverij De Draak vzw, Tollembeek, 2019, ISBN 978 94 90 738 43 3

(Will van Broekhoven)

HiEr


Hugo Verstraeten (º 1954) is een dubbeltalent. Als schilder en plastisch kunstenaar schrijft hij gedichten, columns en proza. HiEr is zijn derde dichtbundel. In deze bundel verzamelt hij een keuze uit de gedichten die hij de afgelopen twintig jaar geschreven heeft. In de gedichten, die chronologisch naar hun ontstaan gerangschikt zijn, blikt hij gelijktijdig terug en vooruit.

In Meander benoemt hij zijn schrijven. Ik citeer: “Schrijven is een proces van betekenisverlening. Dit proces is nooit af en ligt nooit vast. Elke poëtische definitie is een tautologie, het vertalen van het bekende in het onbekende. Om deze betekenisverlening te volbrengen staan de dichter zesentwintig letters ter beschikking. Hij zal die aanwenden met de grootst mogelijke structurele kracht. Goede poëzie is complex en eenvoudig. Neemt afstand en is nabij. Ontwortelt en brengt ons toch ook weer thuis.”

Volgens de auteur is het HiEr een niet nader te identificeren plek en laat het zich ook niet vinden. HiEr kan een bevel zijn: ‘hier’ en niet ‘ginder’. De titel mag evengoed verwijzen naar het Franse hier: gisteren, wat voorbij is. Meer bepaald omwille van de meerduidigheid van het begrip werd het als een deken over de gedichten gelegd. Want roept ‘hier’ ook niet zijn onverbiddelijke medestander op: ‘nu’, ‘hier en nu’. Het ogenblik dat aan de vluchtigheid van de tijd ontsnapt, de Kairos die ons het momentum toont waarin de eeuwigheid als een lokvogel roept. Uiteraard zijn we dan terug bij de poëzie zelf: het peilen naar de eeuwigheid die enkel een gedicht lang kan duren. Het grafische ontwerp van HiEr is geen toeval. Het verwijst naar de kracht en de magie van woorden: vier willekeurige lettertekens die in vele betekenissen uitwaaieren.

De bundel is niet onderverdeeld in cycli. Alle gedichten hebben titels. Bij het lezen van de titels doet zich voor mij een vreemde magie voor. Als je de titels na elkaar leest ontstaat er een bijzonder klankbeeld. Uit deze titels zou zo maar een nieuw gedicht en/of gedichten kunnen ontstaan.

Het citaat waarmee de bundel opent intrigeert:

moeilijke jongen

      mijn moeder
       baarde zich
               zorgen

Het lezen in deze bundel is een trage reis. Landschappen en plaatsen verschuiven naar binnen en omgekeerd. Beperkt aanwezige dieren: slak, een buizerd, witte reiger. Tussen plaatsen zoals Les Hauts de Véroncle, Delphi, Nîmes, Saigon, Auschwitz,.... en bekende personen Piaf, Da Vinci, Cecilia Bartoli,.... films Amores Perros, Casablanca,... seizoenen...zij die dichterbij komen: vader, kind, meisje, jongetjes, zij,..... Beelden die woorden vinden. Maar er is iets diepers. Zoals nerven in hout is de dichter aanwezig.

Bij herhaling. Hoe de taal veranderde.
Hoe alles verminderde waarover hij sprak.
Wegkijkend in spiegels die hij voor


ramen nam.....


HiEr is een uiterst zorgvuldige bundel. Paul Rigolle, bevriend dichter, zegt het terecht: na decennia poëtische praktijk weten wij met Hugo Verstraeten dat poëzie de wereld niet zal redden. Echter wel dat de wereld zonder de heldere geheimtaal van de poëzie reddeloos verloren is.

HiEr , Hugo Verstraeten, Uitgeverij Partizaan, E, oktober 2019, ISBN 9789492007841

(F.A. Brocatus)

De verschroeide hof van Eden


Een bundel die goed in de hand ligt, is wel dit boek. De auteur heeft er zijn werk van gemaakt. Hij heeft nagedacht, gesleuteld, gearbeid en voltooid. Bij hem geen oppervlakkige, luchtige mini-verhaaltjes die zich proberen voor te doen als poëzie. Deze gedichten zijn als volwassen karpers; met respect benaderen dus. De titel De verschroeide hof van Eden roept vragen op en de zwarte kaft staart ons dreigend aan. Met deze bundel zou je een medemens een flinke klap kunnen verkopen, maar Van Hecke verkiest dat te doen met woorden, met beeldspraak, met inzicht en met rechtlijnigheid. Zijn volgehouden engagement is de rode draad doorheen zijn literair oeuvre. Ook in dit werk vindt de kenner wat hij zoekt. In een totaal van 12 cycli zal Van Hecke het eens zeggen en hij zal je niet loslaten. Zijn titels zijn gebald en zijn bespiegelingen trefzeker. Filosofische analyses van wat voorbij is, van wat voorbij gaat, van wat voorbij blijft. Kortom een mensenleven in al zijn geledingen. Een traject doorheen de essentiële ervaringen die een mens kunnen belonen, bepalen of vernietigen. De verbeelding krijgt bij deze auteur de vrije loop. Tijdens het lezen hoor je zijn stem. Je hoort de cadans van zijn kracht. Trefzekere beelden springen uit de pen of de pc. Maar Van Hecke blijft eveneens een nuchtere laborant. Zijn gedichten verwijzen onder andere naar klimaatconflicten, toekomstbedreigingen en gestoorde intermenselijke relaties. Hij maakt een zeer functioneel gebruik van rijm. Hij lardeert de bundel hier en daar met citaten uit het werk van gerenommeerde schrijvers en andere intelligentsia. Ook zijn er de interessante verwijzingen naar historische personages en mythische figuren. Hij centreert zijn gedichten; het doel is mij niet echt duidelijk.

Parenthesis

“Vader,” zei ze, “ik ga”
en toen ze dolde met de
nooit geziene vreemdeling
die uit haar bekken dronk
als uit een gouden schaal,

en toen ze wentelde als een
hemels lichaam om zijn as
en de verte kantelde en helde
en snoof als een stier

en de schreeuw in haar
uiteindelijk verstomde
en kabbelde als een bron
voor de stille wandelaar,

toen brak de avond aan
en terwijl het nieuwe in
haar woelde en gilde en
haar naar het leven stond,

doofde reeds het licht
en stortten de sterren
als dronken huurlingen in
het nu brakke water

en toen zei ze: “Vader,
hier ben ik”, keek hij
langs haar heen als een
te late, verstoten wolf.

Van Hecke schrijft bijna filmisch, maar bij hem lees ik steeds het scherpzinnige, het ironische en het relativerende. Voor de auteur blijft schrijven een zoeken. Schrijven is twijfelen. De opdracht bestaat erin om nooit op te geven. Hij legt zijn lezer op om na te denken, om zelf te analyseren en om, als het eventjes kan, zelf tot actie te komen. Van Hecke heeft als schrijver een missie, gelukkig is hij nooit de dichter-missionaris…
Het boek, dat 160 bladzijden telt, wordt afgesloten door een zeer interessante tekst van Guy van Hoof.

De verschroeide hof van Eden, Daniël Van Hecke, Uitgeverij C. de Vries – Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2019, ISBN 978-90-5927-627-7

(Frank Decerf)

Huis Huid


Theo Monkhorst, ooit columnist bij de Haagse Courant, is van vele literatuur-markten thuis. Hij beperkt zich niet tot één genre maar schrijft naast poëzie ook romans, essays en toneel. Recentelijk verscheen zijn nieuwe bundel Huis Huid.

In 26 gedichten van diverse lengte tracht de dichter het huis waarin hij woont zich aan te meten als een tweede huid. Hij benadert het als een soort levend wezen dat zijn denken, en herinneringen stuurt, dat hij kan aanspreken en mee dialogeren. Zo de openingsverzen: Dit huis is mijn huid die ik van een ander kreeg / de schepping van een dode die mij omsluit.

Het is een dankbaar thema, gebruikt door heel wat dichters en een geliefkoosd thema in de Schrijversacademies. Zowel debuterende dichters als gevestigde waarden hebben gepoogd om het als thema van hun poëzie te gebruiken. Ik denk onder meer aan de verzamelde gedichtenbundel Het huis herinnert zich mij van Jozef Deleu, aan Max Temmerman zijn Dichter gaat op huizenjacht, aan de debuutbundel Silverflame van Peter Knipmeijer en vele anderen.
De wijze waarop Monkhorst zich een poëtische weg tracht te banen door zijn huis is complex en gelaagd. Al schrijvend ontwikkelt de dichter een soort multi-dimensioneel labyrint waar hij zichzelf tracht doorheen te worstelen. Aandacht voor de vloeren en de muren verweeft zich met de tuin rond het huis. Dan weer vertoeft Monkhorst even bij de schilderijen aan de muur, de boeken in de bibliotheek, om vervolgens al mijmerend over de vroegere bewoners te reflecteren, over de ambachtslui, die in het huis hebben gewerkt.
Flarden schaduwen verduisteren kamers, planken verliezen kleur, / een vaal paard staat in de gang en kijkt mij aan. / Achter de handen voor mijn ogen opent zich een put en suizend door / duisternis hoor ik de eindeloos weerkaatste echo van gehinnik. / Tot water alles dempt.
Het zijn typische verzen uit deze bundel, die het geworstel van de dichter met zijn thema verraden en eigenlijk aangeven dat hij langzaam zijn weg verliest in zijn eigen thematische opgave.

De bundel begint sterk met vol gedragen verzen maar verwatert in opgeklopte en pseudo intellectuele bespiegelingen, die blijkbaar alleen maar tot doel hebben om de eruditie van de dichter te beklemtonen. Monkhorst schrijft van uit een erg autarkisch positie, schuwt daarbij de klassieke vorm van het epitheton ornans niet zoals in de veelvuldige aanspreking van zijn muze: Mirabel, geleerde, zongestoofde. In een barokke stijl tracht de dichter controle te houden, onder andere door bijna hautain zijn personages te benoemen: Ik noem hem Broer, of Klaas noem ik hem, of Ik noem hem Gerard, rattenkoning, die zich Goya noemde. Het wemelt ervan en wordt langzaam een storend cliché.
Op zich is deze bundel een interessante stijloefening van een dichter, die ongetwijfeld zijn taal beheerst en een rijke intellectuele bagage bezit. Maar helaas wil hij dat ook op bijna elke regel etaleren en er mee pronken. De vraag is dan ook wat de lezer hier mee aan moet, tenzij genieten van de stilistische acrobatieën.
  
Huis Huid, Theo Monkhorst, In de Knipscheer, Haarlem, 2019, ISBN 978-90-6265-7711

(Richard Foqué)

Het verlangen van de zee


Chris Marmenout (Blankenberge, 1951) studeerde Germaanse Filologie (UGent). Zij publiceerde gedichten in Vlaanderen en in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. In 2003 ontving ze in Merendree de Basiel de Craene Prijs voor poëzie. Zij werkte mee als co-auteur en eindredacteur aan diverse literair-educatieve reeksen.

De bundel bestaat uit zeven cycli: Woorden, Werelden, Het verlangen van de zee, Monding, Feniks, Fibrinogeen en Een ongekooid geluk. De cycli Werelden en Het verlangen van de zee bevatten het grootste aantal gedichten, respectievelijk 16 en 13. Elke cyclus wordt voorafgegaan door een citaat. Een divers gezelschap komt aan de beurt: Antje Krog, Robert Frost, Ardyn Halter, José Maria Contursi, Edith Piaf, Anne Dellart, Omar Khayyam. Overdadig. Tot nadenken stemmend.

Het verlangen van de zee klinkt absoluut, niet ‘een’ zee maar ‘de’ zee. Die zee is niet de Noordzee maar een zee in vakantielanden of in andere onbestemde landen. Sommige gedichten dragen een titel, bij andere verzen valt ze als het ware met de deur in huis. Ze gebruikt weinig leestekens. De gedichten golven, vloeien als water.

Jos Daelman merkte terecht op dat de muzikaliteit van de verzen haar grootste troef zijn. Zelf noemt ze: Mahlers violen heupwiegen, wachten op een allegro, een sarabande dansen, een sforzando inzet.

Haar gedichten verlengen het landschap, dichtbij of veraf. Maar ook uiterlijk en innerlijk. Ze noemt en benoemt: geuren en kleuren maar alles is omringd en wordt beheerst door water. Ook in de eenvoud van de beelden die ze schept toont ze haar serene, strelende, helende kracht:

...een bedding zoeken....zegevierend vloeien....spoelen het zand van onze dromen....zeekoeien drijven binnen handbereik....glijden in een heupdiepe zee....de laatste zeilers haasten zich de haven in...en achter de heuvels de zekerheid van de zee...ik schenk je de zee...alleen je naam zwemt mij zo nu en dan vertrouwd voorbij....strand dat zee aan het worden is...wegspoelen wil mijn zee....tot ik boten hoor om mee te varen....het felle licht van blije bootjes...het water aan je lippen...een stoomboot talmt nog even aan de horizon....ook de dierbaarste kajuit schuift over de golven mee....

Bladerend, lezend en herlezend in deze bundel groeit het verlangen naar een altijd aanwezige zee. Een zee die ligt tussen vertrek en aankomst. Een zee die soms het vertrek is, soms de aankomst. Een zee die herinnert aan dierbare levenden en doden.

Een treffende bundel gedichten die in alle seizoenen, op lange avonden, te herlezen valt. Een passend voorbeeld:

ze vroeg zich af
of ze haar tranen mee zou nemen naar het strand
zachtjes in de zee zou leggen
telkens ze er zou komen
zou ze haar verdriet zien zwemmen
zich afvragen
hoe haar pijn tegen andere druppels aan zou schuren
afvijlen misschien
dunner worden
wie weet transparant

zou dit helpen?

doorlooptranen waarachter leven te vermoeden valt
pijn die danst
zich losrukt van haar beklemming
warmte zoekt
smeltwater om bij thuis te komen

Het verlangen van de zee, Chris Marmenout, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2020, ISBN 978 90 5927 626 0

(F.A. Brocatus)

Zaailingen


Ik begrijp niet zo goed waarom dichter en/of uitgever bij het benoemen van een bundel niet even de tijd nemen om na te gaan of een titel niet al eerder is gebruikt. Het is een kleine moeite. Je kunt de catalogus van het Poëziecentrum raadplegen. Zo zou bijvoorbeeld Frouke Arns ontdekt kunnen hebben dat Eigen terrein al eerder gebruikt was door ondergetekende, en Anne-Fleur van der Heiden dat Bart Plouvier haar voor was geweest met Zaailingen. Voor zover ik dat na kan gaan is dat Anne-Fleurs debuutbundel. Het eerste gedicht dat ik er uit opsloeg was Walruskalf:

Graag was ik als walruskalf geboren
om als zoog gekust te worden
door een moeder met snorharen
omarmd te worden door een flipper
of twee, met een vader die de grootste heeft
van het dierenrijk, 60 centimeter

maar ik werd geboren als lederschildpad
ei zonder geslacht, door mijn moeder
in het zand begraven, met de taak
alleen uit te kruipen, te water te gaan, kwallen te eten

Walrus, lederschildpad en kwallen in één gedicht. De fauna is sowieso goed vertegenwoordigd in Zaailingen. In bladervolgorde komen er al dan niet in meervoud zeer veel dieren voor in deze verzameling: wormen, Vlaamse gaai, kakkerlakken, kat, vissen, reptielen, wild zwijn, hond, konijnen, paarden, ratten, duiven, zwaluwen, teek, schapen, havik, octopus, cicade, mijten, vlooien en strandmuizen.
Wanneer je in het Nederlands zoekt lijkt een strandmuis speelgoed, maar de Peromyscus polionotus ammobates bestaat echt. Natuurlijk vind ik niet dat in poëzie alles naspeurbaar moet zijn, maar als je het bestaan van de strandmuis op kunt sporen vind ik ook dat na te trekken moet zijn of de walrus zoals expliciet gesteld werkelijk ‘de grootste’ van het dierenrijk heeft. 60 centimeter is natuurlijk impressionant, maar toch eerder minnetjes als je bedenkt dat er ook
nog blauwe vinvissen een olifanten zijn. Of zouden de snorharen de grootste van het dierenrik zijn? Of de flippers? Dat lijkt me sterk, denkend aan die vinvissen….
Terzake: ik vind Walruskalf best charmant. Zoals ik de meeste gedichten in Zaailingen best charmant vind. En dat is in se reeds heel wat, want het kost me moeite om in de tsunami aan jonge vrouwelijke poëzie die de laatste jaren over ons heen kwam oorspronkelijke stemmen te vinden. Veel te vaak blijven het teksten die het dan op een podium wel aardig doen, maar waar onder de leeslamp veel te weinig van overblijft. Anne-Fleur van der Heiden staat ook graag achter de microfoon (ze schopte het tot de finale van het NK Poetry Slam – ze weigeren dat in goed Nederlands te houden) maar weet ook vanaf papier te boeien. Ik las de vier afdelingen Aambeeldhoofd, Ik zou een concubine kunnen zijn, Ik wist dat je ging zuchten en Niet het laatste antwoord alleszins met plezier. Prikkelend: we kunnen schoonheid inzetten om / gevaar af te wenden, schoonheid is gevaar. Anne-Fleur weet dat je jezelf leert kennen aan de hand / van wat je niet bent.

Zaailingen, Anne-Fleur van der Heiden, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2020, ISBN 9 789046 826577

(Bert Bevers)

Ik kom uit Aleppo


Henk van Zuiden heeft een groot aantal bloemlezingen op zijn naam staan. Daarnaast publiceerde hij dertien dichtbundels. Afgelopen najaar verscheen Ik kom uit Aleppo. Recent werd het tweede honderdtal uitgebracht, met de hand genummerd en gesigneerd. Zoals we van deze uitgever gewend zijn is de bundel met toewijding en vakmanschap bezorgd. Het boekje heeft een exquis karakter, onder andere door het smalle formaat, de doorzichtige omslag, de fleurig geïllustreerde kaft en de druk op gevergeerd papier. Van blauw geletterde teksten en rode kopjes moet je houden.

Henk van Zuiden heeft een groot warm hart voor mensen in nood. Hij is betrokken bij het vluchtelingenwerk en ontwikkelde een nauwe vriendschap met een Syriër uit Aleppo. Hij bood hem onderdak in zijn eigen woning. Hij was aanwezig bij internetcontacten tussen de man, vader van vijf kinderen, en zijn gezin. Hij ondersteunde zijn pogingen om ze naar Nederland te halen. Uiteindelijk leidde dit tot hereniging. Daarna bleven Henk en zijn gelijknamige partner contact met het gezin onderhouden. Om verwarring te voorkomen adopteerde hij de naam Yusuf. De bundel bevat vijfentwintig korte teksten waarin de dichter zich verplaatst in de belevingswereld van de kinderen. Zij volgen een chronologie vanaf de benarde situatie van het gezin in Aleppo (Het is oorlog), via de intercontinentale contacten met vader (Papa belt wel, papa belt niet…), het heugelijke nieuws (We mogen naar papa toe!), de spannende uittocht (Een lange taxirit), de hereniging (Eindelijk samen!) tot de gewenning en integratie (Cake zonder honing). Zes persoonlijke gedichten voor elk van mijn dierbare Syrische vrienden sluiten de bundel af.

De dichter noemt zijn werk prozaïsche poëzie. Bij mij komen de teksten vooral over als proza met hier en daar een poëtische toets. Je zou kunnen zeggen dat ze een betrokkenheid ademen die bij tijd en wijle een korte poëtische vlucht neemt. Wij wonen in de mooiste stad van Nederland! Niet alleen omdat we dicht bij de zee wonen waar de golven steeds weer nieuwe verhalen aan land brengen. (Residentie)

De dichter is meer dan slechts een spreekbuis van de kinderlijke belevingswereld. Hij laat eigen emoties doorklinken, verbazing, verontwaardiging, afschuw, medelijden. Of voorziet de verhalen van volwassen interpretaties. Zo wordt volledige identificatie met de kinderen verhinderd, terwijl je je in ruil wel meer met de dichter identificeert. Het procedé zou er evengoed toe kunnen leiden dat je als lezer distantie neemt, maar dat overkwam mij zelden. 

De op één na laatste tekst is een staaltje mooie onverbloemde poëzie.
Waar zij verschijnt waaien talrijke rozenblaadjes, haar spraak heeft de kleur van jong dadelblad, haar genegenheid bestrijkt een Alpenwei vol krokussen. Plavei haar paden met driekleurige violen, vraag de nachtegaal in de duinen voor haar te zingen, neem alle brandnetels voor haar voeten weg, maai bereklauwen, spaar elk lieveheersbeestje, leg je mantel over een plas. Als zij passeert maak buiginkje, groet sterk, niet broos: opdat zij zal stralen als de schoonste Aleppo-roos. (Voor Noura).\

Ik kom uit Aleppo, Henk van Zuiden, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom 2019, ISBN/EAN 978-90-76644-96-7

(Will van Broekhoven)

Fascinerende doorkijkjes


Hosanna in den Hoge / zingend / voor een publiek van mongolen en Chinezen / voerden we / onze magnifieke verdwijntruc op. Zo eindigde afdeling / gedicht (doorhalen wat niet van toepassing is) V in de vorige bundel van Jess De Gruyter, Zo meteen gaat deze kogel een hoop rotzooi aanrichten, en er werd die avond niet meer gevogeld.
De Gruyters nieuwe en vierde bundel Als ik je neersteek gorgel je voortreffelijk nummert gewoon door en opent dus met VI dat zo aanvangt: ik zing / de slavendrijver / in mij / op een bloedhete / namiddag / in West Virginia // ik zing / de schepen / die ik naar de kelder / joeg / de beesten / die ik uithongerde // mijn plannen // voor wereldheerschappij. Opnieuw welkom in het universum van Jess De Gruyter.
De dichter leest niet gaarne voor uit eigen werk, maar terwijl je het leest kun je je uitstekend voorstellen hoe het zou klinken: staccato, swingend als een razende soundtrack, ritmisch als de salvo’s uit een machinegeweer. Uiteraard quasi uit de losse pols afgevuurd door Bruce Willis of verwante types. Want ook in deze bundel krioelt het net als in zijn eerdere werk van de verwijzingen naar films en acteurs en actrices. Zo passeren onder anderen Isabelle Adjani, James Caan, Jimmy Cagney, Alain Delon, Morgan Freeman, Raquel Welch en John Wayne en spiegelen scènes uit onder meer The Godfather en Die Hard.
Veel fascinerende doorkijkjes, ook in de moderne, veelal 20ste eeuwse, geschiedenis. De lezer meent Tony Kurz “Ich kann nicht mehr” te horen kreunen op de Eiger, te dwalen door de Wolfsschanze, de bommen op Hiroshima en Nagasaki te zien vallen, van de oorverdovende dreun te schrikken waar Hans Guido Mutke de mens voor het eerst mee confronteert, de Bende van Nijvel supermarkten te zien overvallen en Evel Knievel hals, nek en nieren te zien breken.
Deze bundel klinkt en verbeeldt: hoorde je / de nuances in het knallen / van de bullenpees // de uitvluchten / mea culpa’s als voorbeeld, en zag je // hoe die smeerlap / er iemand bij had gehaald / die kon liplezen. We leren uit Als ik je neersteek gorgel je voortreffelijk voorts dat het heelal ontstond op een zaterdagavond in oktober (herken ik hier het begin van Caveman?) en dat het sprookje van Roodkapje nefast voor de wolvenpopulatie was.
Jess De Gruyter zet mij altijd op verschillende manieren aan het werk. Primo is er natuurlijk de lectuur van zijn poëzie, secundo het genieten van het ritme daarvan en tertio het quizaspect: herken ik alle verwijzingen?
in welke film // doorboort de held / de schurk / met een afvoerbuis / (en laat deze stoom af) Goh. The Dead Pool? Veel stoom, maar volgens mij gebruikte Clint Eastwood een harpoen. Een film met Steven Seagal dan? Ik twijfel.
Alleszins een tof vervolg op Zo meteen gaat deze kogel een hoop rotzooi aanrichten. Snel gesneden, flitsend gemonteerd.

Als ik je neersteek gorgel je voortreffelijk, Jess De Gruyter, ’t balanseer, Gent, 2019, ISBN 978 9079 202696

(Bert Bevers)

Opschuiven en dan traag verdwijnen


Wat meteen opvalt bij de lectuur van het officiële debuut van Tijs Van Bragt (officieus debuteerde hij eerder) is dat we te maken krijgen met fijn taal-besnaarde, breekbaar verwoorde gedichten waarbij het lyrisch genoegen van het ‘benoemen’ markant is: een karavaan aan namen rijpen / in mijn hoofd. Zelfs als die namen geen lexicale betekenissen uitdragen (bijvoorbeeld bonterik, sterrenzager): ze kunnen uitschrijven en uitspreken is de betekenis ervan. Taal is betekenis. Dit zijn (over)gevoelige natuurgedichten geworteld in Zeeuwse landschappen waarvan het tussengebied zee-aarde voor de dichter fascinerend werkt. Vogels spelen een cruciale rol: Van Bragts gedichten lijken volières. Er dwarrelen spreeuwen, puttertjes, paardenwachters, kievieten rond. Zou de dichter ‘vogelaar’ zijn? Een vogelaar kan spreeuwen observeren, daarbij aantekeningen maken. Een dichter kan in een gedicht de spreeuw zich dingen laten verbeelden. Op een schrijfblad kan de dichter de spreeuw laten opvliegen, ook als die spreeuw dat geheid niet doet. Het ding is niet altijd aan het woord of de naam gekoppeld: het hoeft niet met de werkelijkheid te kloppen – dat is nu eenmaal het voorrecht van de poëzie: het gedicht kan iets laten gebeuren, zonder dat het echt gebeurt. 

Opvliegen is een belangrijk element in deze bundel. Het loskomen van de grond, een verlangen naar ‘boven’, naar ‘hemel’ zijn motieven die over de hele bundel subtiel terugkeren en in andere contexten worden geplaatst. Het lijkt alsof er iets moet worden afgeschud, alsof de dichter zich zou willen louteren: mezelf afstoten, opheffen/flüssig werdensoms zou je dat willen: opschuiven en dan traag verdwijnen. Doodsverlangen? De ‘ik’ houdt iets bij de hand: wolfkers als uitweg voor nog later.

Deze vaststellingen vormen het kader waarbinnen andere verkenningen zich ontwikkelen: een queeste naar het eigen verleden, het bezweren van de spoken die je van dat verleden overhoudt. De dichter stelt zich daarbij als een eigen psycholoog op. Een verkenning die ons tot bij de ‘zygote’ in de moederschoot brengt. En nog verder: bij het dierlijke, het plantaardige. Dit wekt bij de lezer vervreemding op omdat het impliciet blijft, enkel gesuggereerd wordt, nooit uitdrukkelijk gesteld. Het blijft wazig: er is sprake van een vader, een moeder, een broer, een huis. Je vermoedt conflicten, bedreigingen binnen een lichaam dat zich herinnert. Een lichaam dat als het loslaat val ik in twee gelijke delen uiteen. Eindigheid morrelt aan een lichaam. Er zijn veel manieren waarop je een lichaam achter kunt laten / net als geboortegrond. Een lichaam dat wil breken met een verleden? De tijd van ‘toen’ niet langer meedragen in de tijd van ‘nu’? Een lichaam dat er wil ‘zijn’ en daarin niet gehinderd wil worden. Lichaam dat astraal vrijuit wil gaan. Dat zoals de vogels op reis wil gaan: reizen is het ware bestaan. Wat / leven / is / vroeg / de juf // Reizen / zei / ik
Laat dit niet de indruk geven dat dit een zwaarmoedige bundel is. Nee, er schijnt in deze gave bundel veel licht door. Meer van dat, Tijs!

Bonterik Sterrenzager, Tijs van Bragt, 2019, Stichting De Kaneelfabriek NM, Udenhout, ISBN 9789083011943

(Alain Delmotte)

Wachten tot de wereld rond is


Bies van Ede (1957) is een veelzijdige, zeer productieve Nederlandse schrijver. Toch publiceerde hij pas onlangs zijn derde dichtbundel,  Wachten tot de wereld rond is. Eerder verschenen van zijn hand Herinnering aan leven (1977), Verhinderd te ontvangen (1982) en Naar huis (2006). Deze nieuweling werd uitgegeven door Kleinood & Grootzeer. Qua vormgeving is het werkelijk een juweeltje. Mij bekroop onmiddellijk een gewaarwording van luxe toen ik het aangereikt kreeg. Smal boekje, lekker in de hand. Bladzijden en stofomslag op geschept papier, gevergeerde structuur. Mooi lettertje, Utopia serif, titels roodgedrukt. Voorzien van een extra kaft van stevig plastic, waardoorheen de poëet ons ernstig aankijkt. De
bundel tel vijfenveertig verzen, gegroepeerd onder vier titels.

Het krijsen van de Wereld beschrijft momenten van zwijgen, vergeten, er-niet-zijn, ontwijken, ontkennen. In de bundel zullen vele ongerijmdheden en paradoxen opduiken. Niet voor niets draagt het openingsgedicht de titel Nieuwe berijming. Wist ik zeker dat je/ niet luisterde, ik zou/ tot jullie bidden, en: Ik lees voor omdat ik weet/ dat niemand luistert. Rond biedt ons wellicht de sleutel tot de naam van de bundel: Als jij niet huilt zal ik niet lachen, niet fluisteren/ als jij niet schreeuwt, want het hoeft niet meer./ Onze belangrijkste taak hebben we volbracht:/ De wereld rond gekregen. De vier reeds eerder gepubliceerde verzen Camera Obscura 1 t/m 4 gaan over het vervliegen van de tijd en het verlies van wat ooit was.  En de eenzaamheid van de achterblijver. Iedereen is weggegaan/ die had moeten blijven, en oud zou/
moeten worden in mijn plaats.

Rondom het interbellum weerspiegelt ontreddering en verbijstering over de waanzin van Wereldoorlog I en II en opent met drie gedichten onder de titel Opvoedingsrituelen, met als thema bezorgdheid om gevaren die kinderen in het leven te wachten staan. Voel de schubben op de handen die je schudt,/ luister naar het grommen van muziek/ die door de straten lijkt te lispelen, wantrouw/ - / iedere kleur op het eerste gezicht./ Zorg voor werkende ogen.

Momentopnamen en agendanotities. A-chronologisch worden aan maanden van het jaar gedichten gewijd. Citaat uit Oktobertakken: Rondom stort de wereld in, wij oefenen/ het binnenrijm van gesloten deuren als de wind waait./ - / Wees voorzichtig met elkaar en met/ de resten van de zomer.  Mei, september, november en december ontbreken op het appel. De dichter sluit af met Najaar (Met Seniorenkorting): Als ik een bos was, dacht ik, zou ik me een/ mooie vrouw voelen die in het laatste/ gouden zonlicht gedwongen wordt zich uit te kleden/ voor de strenge koude meester Winter. Ik zou/ huiverend proberen te weigeren.

Het bezoek neemt afscheid. Hier hebben in-memoriam-gedichten een plaats gekregen. Ze lieten bij mij de ontroering na die ik altijd voel bij de laatste drie minuten van Pink Floyds Wish you were here, een teder onherroepelijk afscheid. Uit Minnaars Dichters en Dwazen citeer ik tot slot:  Je hebt nooit meer geschreven, ook niet om te zeggen/dat je was overleden. Ik had je zeker teruggeschreven. Onvergetelijk.

Wachten tot de wereld rond is, Bies van Ede, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2019, ISBN/EAN 978-90-76644-94-3

(Will van Broekhoven)

Het is de minne die me rest


De eerste drie bundels van Maarten Embrechts vormden een drieluik waarin zijn verleden centraal stond. Belijdenispoëzie. In zijn nieuwste verzameling Liefde is een ander land blijft dat belijdende sterk aanwezig (het verleden raakt nooit af ) maar de thematische focus verschuift. Het betreft een bundel met vele bodems waarin -zoals de titel aangeeft- het thema ‘liefde’ er één vormt. Liefde in haar vele verschijningsvormen: platonische, voorbije, onbeantwoorde, mislukte, seculiere, uitblijvende liefdes. Verborgen liefdes: zoals homoseksualiteit bijvoorbeeld in de cyclus Love letters waarin we onder meer een hommage aan William Cliff (de Waalse Kavafis) lezen. Weinig sublimatie in deze teksten, op het verlangen naar sublimatie na. Liefde die wonden achterliet. Liefde als chimère, als kwelling. Liefde die de prille onschuld voorbij is: wie schrijft er nog met kinderhanden?.
Maar ook de liefde voor de schilderkunst (Embrechts is een dubbelkunstenaar) hoort daar bij. Over het schilderwerk van Lucienne Stassaert in de cyclus Triptiek voor Lucienne schrijft hij: Ze schildert de oceaan/en veel binnenmeren en komt steeds/bij hetzelfde uit: een schreeuw/die ze niet uit kan spreken. Het lijkt alsof Embrechts hiermee zichzelf typeert: zowel in zijn schilderijen als in zijn poëzie is er een streven naar iets dat niet kan worden uitgesproken, dat zich niet integraal kan laten zien. Plastisch neemt dit de vorm aan van een waas, een ‘flou’ – alsof de dingen zich enkel vanuit een verte kunnen laten gewaar worden.  In het slotgedicht waar het over zijn schilderkunst gaat, luiden de laatste verzen: zichtbaar zijn/ en toch uitgewist.
Die dubbelzinnigheid vinden we in zijn gedichten terug: in de beknoptheid, in de vele stiltes van het wit waarbij een queeste van mystieke aard hoort. De woorden worden achter glas gehouden: waarmee we in de gehanteerde taal die ‘plastische onscherpte’ terugvinden. De emotie die daarbij opwelt is melancholie. Waarmee alles onbereikbaar, niet aan te raken blijft, verstrikt in vergankelijkheid (veel dood ontwaren we in de bundel). Er kan alleen maar verwezen worden, naar dat ander land dat de gehele liefde is en waaruit de dichter zich verbannen voelt. Zou dat ander land zich aan de poorten van Hemel bevinden, in Bethel?

Deze gedichten zijn een zoektocht naar spirituele leegte, naar het zich leeg maken. Al mijn wonden wil ik open leggen heet het en leeg ben ik heel ontvankelijk. Is die mystieke weg een geloofskwestie? Uit eerdere bundels weten we het en hij herhaalt het hier met enige ironie: Aan God trekken we ons op Die is ook al gestorven. Maar de dichter blijft met God besmet: Alleen christus kan ik nog verdragen - Hij is de minne die me rest. Het beeld dat opkomt is dat van een ‘ecce homo’. Lijden maakt leeg. Dit is het wat ik te bieden heb/ afwezigheid//mijn leegte wil je leegte hebben/maar dat is al te veel gezegd.

Embrechts is een dichter met heel een eigen taaltuin. Zijn vakbekwaamheid wordt bundel na bundel vaardiger en subtieler. Een dichter die het volgen waard is.

Liefde is een ander land, Maarten Embrechts, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers Antwerpen Rotterdam, 2019, ISBN 978-90-5927-634-9

(Alain Delmotte)