Panorama's en portretten


Ach, wat zou de Laaglandse poëzie toch zijn zonder het werk van de ondertussen 71-jarige jonge meester Hendrik Boudewijn Carette die zich geen dichter noemt maar de maker van gedichten?
Ik ben reeds sedert zijn eerste bundel Winter te Damme uit 1974 liefhebber van ’s mans oeuvre, dat nu ruim een halve eeuw later wordt uitgebreid met Panorama’s en portretten.
Zijn geboortestad Brugge (waar hij reeds in de zeventiger jaren door eenzaamheid overvallen in paniek hoorde hoe zijn stenen stem boven de daken aan de gewelfde huizen hing), blijft hem trekken al is het meer en meer zijn oude spookstad: Alle levenden zijn hier ziek en verontrusten / het volk dat van ver buiten de vesten komt. // Alle doden lopen hier rond als levende spoken / en vele levenden slapen staande aan de staken.
De West-Vlaamse hoofdstad vormt niet alleen het decor: daarvan maken onder veel meer ook de Gran Sasso (Boven de top het azuurblauwe uitspansel / in een ijlte met een strak gespannen stilte / en diep daaronder de afgrond van de angst.), de zompige wadden tussen Ameland en Vlieland (voor de trekvogel in de trektijd / en voor de spartelende drenkeling / bij het vluchthuisje op de Vliehors [….]), een kasteel in Moravië, een kamp in Siberië, de Achterhoek, Tübingen en Brindisi deel uit. Panorama’s te over.
Wat de personages betreft werd Carettes pen in beweging gezet door (ook hier slechts een keuze) Ingeborg Bachman (Wie haar lach zag en haar ogen / was voorgoed verloren), H. H. ter Balkt (de dichter die door Carette zeer wordt bewonderd), Benno Barnard, Hildegard von Bingen, Ida Gerhardt (Een geur van zwarte kousen woei uit haar vandaan.), Michel de Ghelderode, Peter Holvoet-Hanssen, Maarten ’t Hart (Hij kent de ortolaan, de regenwulp, / de vogelspin, de rat en de rattenkoning, / het leven van Bach, de oude vertrouwde Bijbel / en alle verhalen van zijn vriend, die andere Maarten.), Adolf Hitler (Had hij maar voor forel of gevogelte gekozen / en Moezelwijn of Bourgognewijn van een goed jaar.), Tadeusz Kantor, Nescio (Hij was niet gedoemd en werd pas na zijn dood beroemd), Renaat Ramon (Gaande tussen tomben en zuilen / tussen stèles en pilasters / ver van de betreden wegen / zingt hij zich een weg door de gangen), Sappho, Herwig Verleyen (Hij loopt naar de poort, stamelt een zin / van Gezelle en keert terug naar de zwanenstad) en Xenophon.
Inhoudelijk slechts één spijkertje op laag water: Het riviertje dat door Monschau stroomt is de Rur (een zijrivier van de Maas), en niet – zoals Carette in Monschau schrijft – de Ruhr (dat is een zijrivier van de Rijn).
Voor het overige: juicht, liefhebbers van breed meanderende poëzie vol doorkijkjes en fascinaties, eigenzinnige plaatsbenaderingen en wijsheden. Hoed af voor Hendrik Carette. Ik verheug me nu reeds op het vervolg van Panorama’s en portretten. Dat het er maar rap mag zijn.

Panorama’s en portretten, Hendrik Carette, Bordeaux 48, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2018, ISBN 978 949 251 9245

(Bert Bevers)

Droomballonnen blijven leeg


Thematisch lijkt deze tweede bundel van Jana Arns (Nergens in het bijzonder) in het verlengde van haar verrassend en succesvol debuut Status: het is ingewikkeld (2016) te liggen. Dit keer geen foto’s (op de kaft na), wel meer tekst. Het openingsgedicht Het huwelijk geeft aan waarover het op het anekdotische niveau in deze gedichten gaat: het relationele spanningsveld binnenin een particulier gegeven - het gezin, de verhouding tussen man en vrouw, de moederrol, de ouder wordende ouders en zelfs de dementerende ouders die zich mentaal langzaam ‘nergens in het bijzonder’ aan het terugtrekken zijn. In zekere zin krijg je als lezer een scherpe inkijk op hoe het er in een hedendaags gezin (uit het middenveld) aan toe gaat. Vooral vanuit een moederperspectief. Onderhuids laat een zekere ontevredenheid met die opgedrongen moederrol zich voelen.

Moeders zijn als taxi’s:
Altijd gehaast met koffie in file.

Ze spreken in agenda.
Zitten altijd overvol:
de kinderen, yoga, bekkenbodemspieren

Dat particuliere territorium wordt even verlaten in de uit twee gedichten bestaande cyclus Hier blijf je jong tot je sterft waarin het gezinsgegeven op indringende wijze naar een oorlogsgebied wordt getransponeerd. 

Vader plooit speelgoed uit prikkeldraad.

Die anekdotiek is buitenkant. Binnenskamers vinden we in de kern van deze gedichten existentiële kwetsuren terug. Ze gaan over het onvoltooide en het onvervulde. De breuklijnen die zich in het dagelijks leven voordoen en waartegen geen ‘homeopathie’ of illusie bestand is. De dichotomie tussen droom en werkelijkheid (droomballonen blijven leeg), de insomnia (die met geen ‘strip met pillen’ is te omzeilen) de dreigende, neerwaartse spiraal van de entropie. Ergens willen zijn en zich nergens thuis voelen. De vervreemding. Het ongerepte verlangen dat door de routine van de weekdagen wordt aangetast en dat het samenleven in een huis (het huis en zijn woordveld is een terugkerend motief) conflictueus maakt.

De kamer in ons hoofd

verhuurt ons niets dan dit:
nergens staan wij samen op,
gaan wij samen slapen.

Dit is een poëzie van de ontnuchtering. Zeker. Maar Arns (en dit is haar kracht en de kracht van haar poëzie) zoekt niet naar een hard-assertieve maar naar een kwetsbare, zelfs quasi ingetogen verwoording voor die gegevens. Haar schriftuur is subtiel en sensitief, op zoek naar een empathische lezer. Het afsluitend gedicht brengt dan toch iets zonnigs, een mogelijkheid tot verwondering in deze interessante bundel aan.

Nergens in het bijzonder

We dekken de tafel als
nabootsing van een verleden tijd:

kruimels op onze kamerjas,
een krant met enkel goed nieuws.
De dag, kraakvers en zonder bijlagen.

Straks wandelen we in huis.
We zullen een kamer uitkiezen
en ons verwonderen dat ze

er alweer anders uitziet.
Misschien halen we nog eens een foto
van onder het stof

en misschien
als we de lakens omslaan,
lezen we een happy end.

Nergens in het bijzonder, Jana Arns, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978-94-92339-51-5

(Alain Delmotte)

De dichter en de andere dingen


Ton van ’t Hof was ons bekend van Mijn poëzie (Uitgeverij Stanza, 2014), waarbij hij een procedé volgde van de Canadese dichter David Bromige (1933-2009). Als uitgangspunt selecteerden beide heren fragmenten uit recensies van hun werk en voegden die samen tot een nieuwe tekst. Het resultaat was een essay, waarin Ton van ’t Hof zijn poëzie analyseert en situeert.
Mijn poëzie is ook opgenomen in Dichter & andere dingen, een bundel met nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk. Dit is trouwens reeds de tweede verzamelbundel. Eerder al werden Van ’t Hofs eerste drie bundels gebundeld in Ergens wordt lankmoedig geschoten (UniBook, 2009).
Van ’t Hofs stuurde de eerste Nederlandstalige flarfbundel de wereld in: Je komt er wel bovenop (2007), gedichten waarin zoekresultaten van het internet zijn verwerkt. De dichter heeft flink geëxperimenteerd met deze vorm van readymade of collage. Het gedicht Kamer, waarvan in deze bundel slechts een fragment is opgenomen van de oorspronkelijke tekst uit Aan een ster / she argued (2009), is een doorlopende aaneenschakeling van alle teksten die hij, als beroepsmilitair enkele maanden uitgezonden naar Afghanistan, in zijn kamer tegenkwam en woord voor woord overschreef.
Niet minder confronterend is Archieflichamen, een litanie voor de doden van koloniaal geweld. Frank Keizer in zijn inleiding (Een taal van Nederland): In het bestaande archief (…) liggen winnaars en verliezers zij aan zij. Maar is er ook een vorm van herinneren, van bewaren mogelijk die de geschiedenis van het verdrukte en verpletterende kan vertellen? / Voor Van ’t Hof is de dichter de archivaris die steeds weer het licht aanknipt om iets wat in de schaduw lag opnieuw, of voor het eerst, te laten schitteren. En wij zijn getuige.
In Aan een ster / she argued is een keerpunt merkbaar. Frank Keizer: (…) in de tweede afdeling komt een meer zoekende, existentiële lyriek naar voren, en die blijft sterk aanwezig in het latere werk. De dichter gaat op zoek naar een zuiverder spreken, naar echtheid, al die zaken die voor flarf belachelijk waren geworden.
Dat levert in Dichter & andere dingen naast taalexperimenten met als centraal uitgangspunt de vraag hoe je beschikbare taal kan hergebruiken wat “traditionelere” poëzie op en die is beslist niet minder interessant.
Hierbij het zesde gedicht uit de cyclus Dichter & andere dingen:

Radicaal zijn,
is doordringend zijn,

tot de kern van de zaak,

dichter, nieuwe taal
die zo oud is als de dichtkunst zelve

en naar nieuwe betekenissen graait, hevige overloop
die tot de lippen van de status quo dreigt te komen,

dichter,
dichter & andere dingen, monstrueuze schikkingen
die uit zijn op onstuimig effectbejag, dichter,
dichter, zo wild als onze planeet is.

Laat Van ’t Hof maar naar nieuwe betekenissen en bekentenissen graaien. We zijn er graag getuige van. Poëzie is niet zozeer een kwestie van diepzinnigheid / als wel een ervaring van een andere orde.

Dichter & andere dingen, Ton van ’t Hof, Uitgeverij Stanza, Leeuwarden, 2017, ISBN 978-94-90401-35-1

(Roger Nupie)

Afzien in 68 etappes


Het is nog niet vastgesteld of Miel Vanstreels ter wereld kwam met een pen in de hand of op een fiets. Feit is wel, dat hij beide regelmatig combineert. Schrijven over fietsen en fietsend gedichten schrijven in zijn hoofd, die dan later hun weerslag krijgen op papier.
Onlangs verscheen van hem de bundel Lekker afzien zuivert het gemoed bij Calbona Uitgeverij. De bundel bestaat uit 68 senryu, de wereldlijke variant van de haiku. Het is niet het eerste bundeltje dat in zijn geheel gewijd is aan fietsmijmeringen. Drie jaar geleden verscheen Rijmend de berg op, 16 rijmpjes met op de achterflap een zeventiende toegift. De begeleidende tekst onder dat extra rijmpje vermeldt: ‘Miel Vanstreels (1951), wielertoerist avant la lettre, wordt beschouwd als één van de betere wielerdichters in ons taalgebied. Niet dat er veel wielerdichters zijn. En hij wordt ook al meer dan een halve eeuw op zowat iedere berg door zowat iedereen uit de wielen gereden, maar zelfs dát kan voor hem de pret niet drukken.’ Het is een feit dat in bijkans al zijn bundels wielergedichten zijn opgenomen, of verwijzingen bevatten naar die edele sport van het afzien. Het resulteerde in 2016 in een forse bloemlezing met zijn wielergedichten van 120 bladzijden (Een toerist met altijd tegenwind, eveneens bij Calbona Uitgeverij verschenen).
Mijmeringen noemt Miel Vanstreels de poëtische teksten die hem tijdens het fietsen invallen. In een vroege bundel (Klein joernaal, 1979) lees ik:

Bij de eerste en enige wedstrijd
die ik ooit fietste
zag ik het na twee van de tien
af te leggen rondes
al niet meer zitten
Toen ik het parkoers verliet
zag ik hem tussen
de toeschouwers staan
Hij schudde zijn hoofd

Het inzicht dat het met (professioneel) wielrennen niets zou worden, heeft hem natuurlijk definitief aan de poëzie gebracht, eveneens een vrolijke verslaving. En eentje die uitmondt in onder andere de bundel Lekker afzien zuivert het gemoed. De eerste senryu geeft meteen aan wat de lezer kan verwachten:
Senryu op de fiets

Al lettergrepen
tellend de juiste woorden
uit je ziel fietsen

Het ritme van de (traditionele) haiku en senryu kent inderdaad een vast lettergreeppatroon: 5-7-5, 17 in het totaal (nota bene: denk aan dat boekje met 16 rijmpjes + het 17de op de achterflap!). Na een uurtje oefenen gaat dat een gestaag ritme opleveren en kun je elke woordenberg beklimmen in een rustgevende cadans:

Rue Tesny

Steil en roemruchtig –
zo’n muur waarop ik mijn ziel
in vervoering klim

In 68 kleine etappes maakt Vanstreels ons deelgenoot van zijn wel en wee op de fiets, waarbij hij het landschap, de onvolmaakte mens, liefde, relaties en verlangen, alle thema’s uit zijn werk, de revue laat passeren. Zoals in

Mont Ventoux

Ze zucht en ze kreunt –
laat mijn liefste zich ooit nog
door mij verleiden

Hoewel het even afzien is om alle etappes in één keer af te werken, nodigen ze wel uit om de hele ronde na een kortere of langere pauze volledig uit te lezen. Lekker en luchtig.

Lekker afzien zuivert het gemoed, Miel Vanstreels, Calbona Uitgeverij, Rotterdam, 2018, ISBN 978 9492 954 213

(Wim van Til)

Oefening in het herinneren


Kreek Daey Ouwens debuteerde in 1991 met Stokkevingers. Centraal in haar oeuvre staan jeugdherinneringen en gebeurtenissen die ze op vrij fragmentarische wijze evoceert. Dat is niet anders in haar nieuwste, zevende publicatie, Oefening in het alleenlopen, gedichten - maar net als in eerder werk is de lijn tussen poëzie en proza dun en kunnen de teksten even goed als indrukken, observaties of ietwat bevreemdende notities omschreven worden.
Gaat de bundel over het onvermogen van mensen elkaar door middel van de taal te bereiken, dan geldt dat beslist voor het gezin waar de schrijfster als jong meisje deel van uitmaakt en waarvan ze de volwassenen observeert: de moeder (Het hart van de moeder is een kersenpit: zo klein, zo hard), de grootmoeder, twee grootvaders, twee zussen, op de achtergrond een vader die opgezocht wordt achter hekken en een doodgeboren broertje: Als jouw broertje was blijven leven, was jij niet / geboren.
Vandaag zetten moeder en grootmoeder een / vierde bord op de tafel. Ze leggen er behoed- / zaam een lepel naast. Bij de lepel ligt de / foto van het jongetje. Na het eten wast / onze moeder het lege bord af en zet het / terug in de kast.
Het kind tracht de wereld van de volwassenen te begrijpen in een kluwen van gevoelens waar zowel verbondenheid en isolement als liefde en angst hand in hand gaan. Ouwens legt vast wat verloren zou kunnen gaan: Hoe begrijp je het woord verlies?
Een oud speelgoed, een eendenplank, staat symbolisch voor de geladen sfeer in het gezin: Als je de / plank heen en weer beweegt gaan de eenden / met hun kop omlaag en weer omhoog. De stem- / men raken in een knoop. De andere grootvader / plant zijn mes in de tafel. Moeder loopt / weg. We laten de snavels van de eenden zo / hard mogelijk tikken tegen het / hout. Ze / buigen alle drie tegelijk hun kop, hoewel / ze elkaar niet kunnen zien.
Deze teksten zijn vaak gehuld in een vreemde, mysterieuze sfeer: “Waar bent u toch zo bang voor?” vroeg iemand mij / ik zei: “Wilt u met me ruilen van huid?”. Geregeld wat witruimte. Soms slechts één regel op een pagina: Wat zit er op de plaats van je hart, of één woord op de volgende: Wat?
Als de ik volwassen wordt, kondigt de liefde zich aan, met als tegenpool de eenzaamheid. Wat blijft is de taal. De taal waar omzichtig moet mee omgesprongen worden om vat te krijgen op de realiteit, want The highest things are beyond words - citaat van Ben Okri dat de bundel afsluit.
Wie de mogelijkheden van de taal als middel om herinneringen in kaart te brengen in vraag stelt als Kreek Daey Ouwens en rond dit thema een even eigenzinnig als fascinerend oeuvre heeft opgebouwd dat garant staat voor een aparte leeservaring, weet ons hart te beroeren.

Oefening in het alleenlopen, Gedichten, Kreek Daey Ouwens, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2017, ISBN 978-90-284-2704-4

(Roger Nupie)

De dagen zijn beschadigd


De dagen zijn beschadigd is Plouviers negende dichtbundel en is duidelijk een vervolg op zijn vorige bundel Zekerheden (2016).
Het onderliggend thema blijft ‘de twijfel’: Twijfels over de zekerheden. De dichter realiseert zich dat hij zich in zijn laatste levensfase bevindt: de voortschrijdende tijd, die niemand spaart. Het is de enige zekerheid dat ook die afloopt. Vanuit dat standpunt stelt hij vragen over het verleden, naar de zin van dat wat voorbij is en hoe dat nog betekenis kan hebben voor wat nog komen zal: wij zagen slechts wat was geweest / en hoopten op wat komen zou / daartussen lag muisstil het nu / gespleten weer in zij en ik.
Zekerheden worden systematisch onderuit gehaald en telkens weer wordt de lezer op het verkeerde been geplaatst.
De dood, dat enige vaststaande feit, is alomtegenwoordig. De winter, waar de natuur tot stilstand komt is voor de dichter de metafoor en wordt in deze bundel als het ware een dramatis persona. Voor Plouvier is dood verlies maar ook weer niet. Er is de liefde als reddingsboei, maar ook die ontglipt de zwemmer, want de dagen zijn beschadigd. Het resulteert in de prachtige openingsverzen van het eerste gedicht De nacht komt: De dagen zijn beschadigd / stotterlopen langs zichzelf…..onvermijdelijk komt de nacht / zwarter nog dan zuiver angst…..ik sla mijn benen om mijn liefste / hou mij aan haar haren vast / druk mijn buik tegen haar heup / tot zij zegt laat nu maar los / zonder haar zou ik nooit slapen.
Het is een prelude tot een beklijvende bundel en construeert meteen het kader waarin alle volgende gedichten zich plaatsen. Het houdt ook de waarschuwing in zich dat niets is wat het lijkt te willen zijn en wat de titels van de gedichten voorspellen. Want ook in zijn titels zaait Plouvier twijfels. Maar je leest de gedichten en ontdekt de geraffineerde bedrieglijkheid ervan.
Hier is een dichter aan het woord, die er in slaagt om simpele alledaagse taferelen te plaatsen in een universele context, te transcenderen tot een metafysische overdenking. Bijvoorbeeld het gedicht Ontbijt in Madrid: Wij lopen weg uit de volgestouwde nacht / voorbij nu en zat van stoute verwachtingen…..de dwergen van Velásquez onder tafel / ruiken donkere verf en verse croissants.
Fataliteit wordt gelaten gedragen maar tezelfdertijd opstandig bestreden. Steeds is daar het besef dat ouderdom wijsheid brengt en begrip voor wat ooit onbegrepen was. De bundel wordt afgesloten met een soort testament: Aan het einde van de reis en Aantekeningen van een parkwachter. De parkwachter, de dichter zelf, is buitenstaander geworden, die vast stelt dat de winter komt, maar wetend dat daarna nieuw leven zal open bloeien: zij dromen van / de laatste overstroming / de Grote Vloed / en hun verlossing.
Dit is toegankelijke poëzie zonder franje maar van een uitzonderlijke dichterlijke zegging. Plouvier zaait twijfel en zekerheid tezelfdertijd. Maar zijn boodschap is duidelijk: ieder van ons moet leren leven in zijn beschadigde dagen.

De dagen zijn beschadigd, Bart Plouvier, 2017, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, ISBN 978-94-6001-582

(Richard Foqué)

Van de Sovjet-Unie naar Houtergem


Op de cover: een omgekantelde kinderwagen en een baby die gewond op een van de trappen ligt. Deze foto van Jonny Vekemans zet meteen de sfeer voor Trappen, het romandebuut van Jan Nies. Nies, arts en neuroloog, recenseerde enkele jaren poëzie voor het tijdschrift SchoonSchip 93 en publiceerde drie dichtbundels: Hard Fluweel (1992), De Papavers (1997) en Stille Ruiter (2009).
De foto refereert naar een scène uit de film Pantserkruiser Potjomkin (Sovjet-Unie, 1925), geregisseerd door Sergej Eisenstein. Het thema is de opstand op de pantserkruiser Potjomkin, die bekendheid verwierf nadat er een beruchte muiterij losbrak in 1905. De bemanning kwam in opstand tegen haar officieren  - een opstand die het gezag van het tsaristische regime overigens aanzienlijk zou ondermijnen. De beroemdste scène is de slachting op de trappen naar de haven van Odessa door het tsaristische leger: soldaten marcheren de trappen af en brengen de opstandelingen en de bevolking genadeloos om. Eisenstein voegde nog wat extra drama toe in een scéne waarbij een kinderwagen met een baby erin de trap afrolt nadat de moeder door een kogel is getroffen.
Jan Nies liet zich inspireren door dit gegeven en verplaatst de actie van de Sovjet-Unie naar café Den Adelaar in het Vlaamse dorp Houtergem, anno 1952. Centraal staat de caféuitbater Zoria Ivanovitsch, die beweert nu net de baby te zijn die in 1905 uit de kinderwagen viel. Om zijn waarheidsgehalte (?) de nodige luister bij te zetten pronkt hij met de open wonde op zijn voorhoofd, waaruit na al die jaren nog steeds vocht lekt…
De stamgasten hebben zo hun twijfels: Hij weet zijn verhaal wel goed te verkopen. Zogenaamd onder het geweervuur van de tsaar als kleine jongen uit die kinderkoets gekatapulteerd. / Eén jaar oud en hij weet nog alle details! Je moet maar fantasie hebben! / Ach, die man is een oplichter en een fantast. Die is niet goed snik! Met bovendien dat verhaal van dat “gat in zijn hoofd”! Dat er iets mankeert in zijn hoofd is mij wel duidelijk… Maar evengoed zijn ze benieuwd naar de waarheid achter al dit vertoon van Zoria en zijn obsessie voor beroemde en beruchte trappen.
De auteur voert een aantal personages ten tonele, onder wie dorpsarts Herman Foppe, onderwijzer Stephaan Witjes en bibliothecaris Wietse Kooistra, zowat de “intellectuele elite” van Houtergem. Enige neurotische trekjes zijn deze elite ook niet vreemd.
Trappen zou in de categorie historische romans ondergebracht kunnen worden, maar ontsnapt tegelijkertijd aan deze etikettering die het boek alleen maar voor een klein(er) publiek interessant zou maken.
Hoe vreemd het uitgangspunt van deze roman op het eerste zicht kan lijken, Jan Nies komt er prima mee weg. Met zijn filmische stijl, pittige dialogen, sterke karaktertekening en  wisselende decors waarin hij in een tijdsverloop van 1952 tot 1964 de degeneratie van een kroegbaas én het dorpsleven tekent, houdt hij de lezer tot de laatste bladzijde in zijn ban.   

Trappen, Jan Nies, Uitgeverij Boekscout, Soest, 2018, ISBN 978 94 022 4273 7

(Roger Nupie)

Muurzweet en parels


Avondreizen van muurzweet en parels is de negende dichtbundel van Jenny Dejager. De bundel telt 54 gedichten. Voor de kaft koos de dichteres een eigen schilderij, genaamd Storm. De bundel is niet ingedeeld in cycli, we missen ook een index. Door de veelvuldige invalshoeken en de breed uitwaaierende onderwerpen is het voor de lezer soms moeilijk de interactie te volgen. De thema’s gaan van liefde naar gemis, van onvrede en vervreemding naar een behoefte aan zekerheid.
Jenny Dejager is op haar best als ze schrijft over het kleine meisje dat ze ooit was, maar tegelijk introduceert ze subtiele verzen over schilderen, een kunst waarin ze is onderlegd. Ze draagt poëzie op aan de kunstschilders Lucien Freud en Constantin Brancusi, maar met het gedicht Beproeving vestigt ze de aandacht op een performance van Marina Abramovic with Ulay. De thematiek in dit gedicht is de fragiliteit van de menselijke communicatie: Over de tafel reikt ze naar zijn handen. / Ze kijken elkaar aan alsof ze alleen zijn in een kerk / met rustig licht dat door de ramen valt, licht dat niet wegloopt / Ze puren uit elkaars vingertoppen / … even ademloos en besluiteloos als ijsbloemen op enkel glas.
Jenny Dejager heeft een voorliefde voor metaforen. Sommige beelden zijn geslaagd, andere zijn raadselachtig en misschien wat vergezocht: Twijfel is die kale nek ontdoen van zijn halsband, / met andere woorden even sla zijn in de slazwierder/ als een zuiver blaadje uit de trommel komen / en dan stantepede het woord van zijn schaduw ontdoen.
Deze regels zijn mooi:  In de kromming van mijn pink met de zwijgzame houding / die in mijn leven is gelegd, raap ik onafgebroken takjes op / om een hut te bouwen in het kreupelhout van mijn illusies. / Alsof ik reis naar het perron waaraan ik niet ontkom.
De dichteres gebruikt soms ongewone woorden en uitdrukkingen, zoals rekest (een term uit het burgerlijk procesrecht) en de liefde wordt gestakeband. Stakebanden betekent in het West-Vlaams op een berm van een openbare weg een geit of een schaap vastzetten aan een staak. Stakebanden is een verdwijnwoord,  een woord dat niet meer wordt gebruikt omdat de handeling verdwenen is. Maar wat betekent het rare woord gummus? Jenny komt uit Lo-Reninge, West-Vlaanderen; misschien klinkt daar de g als een h en omgekeerd! Hummus is een dip afkomstig uit het Midden-Oosten, humus (met 1 m) is organisch materiaal in de bodem, ontstaan door afbraak van plantaardige en dierlijke afvalstoffen. Aan de lezer om te raden wat Jenny nu eigenlijk bedoelt!
Avondreizen van muurzweet en parels vraagt misschien enige structurele aanpassingen en een eenvoudiger taalgebruik. Ondanks inconsequenties in de interpunctie (na een punt komt meestal een hoofdletter ) is dit een bundel met potentieel.

Avondreizen van muurzweet en parels, Jenny Dejager, Uitgeverij Boekscout, Soest, 2017, ISBN 978-94-022-3812-9

(Nicole Van Overstraeten)

Knap debuut


Ik ben boos geboren / zwijgend met vuisten / tot de hielen gesloten / verloren / omdat zij mijn moeder was. Als eerste verzen van een dichtbundel kunnen ze tellen. Maar de uitzonderlijke debuutbundel van Anne Meerbergen is veel meer dan een retroactief poëtisch dagboek. Hier geen huilerige terugblik op een ‘ongelukkige’ jeugd, maar een analytische, ironische, ook milde weergave van twee generaties moederschap: de moeder én de dochter van de moeder als zij op haar beurt moeder is. Zoals zij mij kraakte / zo zal ik je / haren strijken … ik leer je hoe te plooien / dagelijks maak ik je weerbaar / breekbaar voor later. Dat staat in de tweede cyclus van de bundel, onder het motto: heupbreed zitten moeders - gerokt in oude dromen.
Maar dit milde ‘aanmoederen’ wordt voorafgegaan door de bittere beschrijving van een jeugd waarin het woord vader vervangen wordt door ‘de man’, de moeder vaak door ‘zijn vrouw’. Deze eerste cyclus in de bundel Aanmoederen draagt de titel moedervlek; wat aanmoederen voor de dichter betekent wordt al gauw duidelijk: zoals goede moeders / ze leerde me aanmoederen / maar dan volledig omgekeerd // ze had niets om handen en was / het dagelijkse ijs / wij deden niet aan smelten […]
Deze ijstijd van het kind echoot terug in de revolte van de puberteit: ik omarmde als een oude vriend / de koude en al wat broos, alles / kon ontploffen, ook ballonnen. En ook dat ontploffen is een voorecho van de beschrijving van de tafel in het gezin. Hier is de tafel geen gezellig trefpunt waar de kreet ‘aan tafel’ de verlossing betekent van huiswerk, van discussie en overleg, nee, aan de tafel van aanmoederen heerst oorlog.
Heel anders gaat het eraan toe aan de tafel waar plannen worden gesmeed als de kinderen de dichter een weg van hun wieg naar de uithoeken/en verder van de wereld trekken: we zitten rond de tafel / herhalen ons tot we vertrouwd / praten over lichtjaren. In dat latere leven staat het kind, intussen ook moeder, zelf aan de kook. Dat gaat ook niet zonder slag of stoot: vandaag verdwaalde ik / tussen aanrecht en voorraadkast / mijn handen vol geschaafde amandelen.
De dichter beschrijft vol warme emotie de gevaren van haar aanstaande moederschap en het kwetsbare kind in de couveuse: met opgekropte moedermelk / sta ik voor de couveusewand / lek melk en troost / draag.
Uit al deze strikt persoonlijke, intieme momenten puurt de dichter een weergaloze inspiratie, bitter en zacht als gestoofd witloof (om eens even ook wat culinairs uit mijn eigen kast te halen).
Anne Meerbergen sluit deze bundel af met herinneringen aan een woestijnreis die misschien wel een metafoor vormen van de weg die ze aflegde om tot het kortste, éénregelige gedicht uit deze bundel te komen: het geleende zand wordt uitgeschud. Poëzie ligt voor het rapen, maar je moet haar zien liggen. Anne Meerbergen heeft haar gezien. Haar debuut staat als een huis.

Aanmoederen, Anne Meerbergen, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978 94 92339 546 64

(René Hooyberghs)

Vlinders in het mijnenveld


Meer dan 10 dichtbundels voor de jeugd gingen aan Vlinders in het mijnenveld vooraf, stuk voor stuk sympathieke bundels vol gedichten ‘voor de jeugd van 13 tot 133’, zoals hij dat eens gezegd heeft. Wat mij altijd heeft aangetrokken in de poëzie van Daniel Billiet is de toon van zijn gedichten in combinatie met zijn woordkeuze. Nergens capituleert hij voor de druk om kinderlijke taal te bezigen in gedichten voor kinderen. Evenwel schrijft hij eenvoudige verzen met woorden die voor iedereen begrijpelijk zijn, en die toch of misschien wel juist daardoor, een spanning oproepen die zijn gedichten intrigerend maken. Ik wil steeds weer de bladzijden omslaan om meer te genieten van zijn gedichten, van zijn thema’s en vooral van de manier waarop hij ook de zogenaamd ‘grote’ onderwerpen aan zijn taal onderwerpt.

In de kast

Soms kan ik de kast niet in
is ze gekaapt door mijn zus.

Soms zitten we allebei een potje
te zwijgen tegenover elkaar

en luisteren en ademen de kleren
van papa in en uit. En soms zeggen we

een woord en lachen even donker.
Soms ben ik verdrietig als ik uit de kast

Mama zal me nooit storen als ik
bij papa, want soms hoor ik haar

in de kast.

Vlinders in het mijnenveld is Daniel Billiets meest geëngageerde bundel tot nu toe; hij snijdt er de volgende thema’s in aan: armoede, incest, (alcohol)verslaving, relationele verwaarlozing, dood, pesten, tienerzwangerschap. Het zijn onderwerpen die om een gesprek vragen, daartoe bieden deze gedichten alle gelegenheid.
De gedichten zijn daardoor niet zozeer gericht op de jongeren zelf, vooral ook op hun directe omgeving. Ouders, leerkrachten, hulpverleners kunnen deze gedichten integreren in hun zorg, in hun benadering van de (probleem)jongeren. Ook jongeren zelf kunnen hun voordeel doen met deze bundel, de gedichten kunnen hun bewustwording scherpen.
Naast het sociaal engagement verstopt Billiet ook, nog steeds, de liefde voor het woord, de liefde voor elkaar in zijn gedichten. Ach, het is niet eens echt verstoppen:

Als al je vingers even lang zijn

lacht hoog boven alle lichtjes
Manneke Maan, maneklaar.



Zolang we naar elkaar stralen
ben ik je enige ster.

Kietel ik een manestraal,
knipoogt hij lachend en

vallen we weg van elkaar,
word ik zijn vallende ster.

Dan hoop ik dat jij mij hebt
gezien en iets hebt gewenst,

mij misschien?

Vlinders in het mijnenveld is opgebouwd uit 7 afdelingen die het thema van de gedichten als titel hebben: armoede, ik, school, moeder, vader, dieren en liefde. Hoewel de laatste titels dat niet suggereren, schuilt ook in sommige gedichten het engagement. Zoals in

Kip Tok

Op een blauw bord
keek een kip naar mij.
Ze zei niet veel meer.
Zelfs niet één tok tok.

Naast dat blauwe bord
lagen een mes en een vork.
Ik moest kleine hapjes
Tok in mijn mond stoppen.

Ik had grote honger
naar haar vrij gefladder,
niet naar bloot dood vlees
dat ooit in mijn handen

Hoe slik je een zusje door?

Met deze bundel voegt Daniel Billiet opnieuw een mesterwerkje toe aan zijn oeuvre.

Vlinders in het mijnenveld, Daniel Billiet, Uitgeverij De Draak, Tollembeek, 2018, ISBN 97894907383306

(Wim van Til)