Nadat bij ons thuis oud papier en oud
ijzer was opgehaald, kwam de lompenboer er nog eens achteraan. Mijn oma, die
regelmatig bij ons logeerde, zei toen tegen mijn moeder: “Ze zouden eens iemand
langs moeten sturen die je zorgen meeneemt. Ben je daar mooi vanaf.” Dat was
begin jaren ’60 van de vorige eeuw. Zij leeft allang niet meer, maar ik zou
haar de bundel van Nachoem M. Wijnberg cadeau gedaan hebben. Om mee te geven
aan een engel is de eerste bundel van Wijnberg die verschijnt bij het
nieuwe uitgevershuis Pluim.
De bundel beschrijft een wereld waarin
engelen tussen ons leven en bewegen en een soort ophaaldienst vormen die
meeneemt wat wij, de mensen, kwijt willen. Tegelijkertijd is het ook een
bezorgdienst, want het brengt wat nodig is, naar andere adressen. Het levert
een groot aantal reflecties op de manier waarop wij met onze omgeving omgaan:
“Een engel gaat met handel op zijn rug van deur naar
deur, koopt wat ze over hebben
en verkoopt waar ze niet langer op willen wachten,
omdat hij niets zomaar meekrijgt
enkel om naar een ander te brengen,
het zijn de dagen dat iedereen dat zelf wil brengen.
En waarvandaan komt de heer engel, vragen ze je, in de ver voorbij derde
persoon.”
Vervolgens wordt
aandacht geschonken aan hoe en waarom engelen zich met ons bezighouden; in die
overwegingen roert Wijnberg thema’s aan die in onze dagelijkse beslommeringen
en discussies terugkeren: rituele slachting, (angst voor) vluchtelingen,
interculturele verschillen, geloof. Wat dat laatste betreft, verwijst Wijnberg
regelmatig naar bekende bijbelse taferelen:
“Heb je ooit met een engel gevochten? Toen je kind was
kwamen engelen om je heen staan
en een van hen bracht zijn gezicht vlak voor dat van
jou, maar met engelen heb je hoogstens
gevechten waarin je elkaar licht kan verwonden, niet
waarin je geen vergissing kan maken
en dat begint met lange tijd (langer als lijkt dat je
het vaker gedaan hebt) de kleinst mogelijke
bewegingen maken
[…]”
Enerzijds zijn de
vragen die Wijnberg stelt, kinderlijk naïef en tegelijkertijd verwonderlijk
helder, anderzijds stelt hij op een luchtige manier zware maatschappelijke en
sociale thema’s aan de orde:
“Het verwerpen van het ritueel slachten
gaat niet om de pijn van het dier, want als het daarom
ging
waarom geven we het dier geen pillen
die het zich minder bedroefd laten voelen,
lang voordat het geslacht wordt,
of ook midden in zijn leven? Het gaat niet om de
slachter,
want de slachter heeft er genoeg aan te doden
en te verdelen, ook als hij alleen is,
alsof hij het aan iemand leert
die naast hem staat.”
De engel als
oplossing voor het menselijk tekort. Wijnberg roert veel aan in deze lijvige
bundel. Hij doet dat op zijn eigen wijze, los van grammaticale of semantische
regels, in een taal die makkelijk aanspreekt en uitnodigt om door te lezen. Al
is het alleen maar om achter het wezen van engelen te komen.
Om mee te geven
aan een engel, Nachoem M. Wijnberg, Uitgeverij Pluijm, Amsterdam,
2018, ISBN 9789492928047
(Wim
van Til)