Zo is het om jong te zijn

Jacobus Bos (1943) kent het geheim van de eeuwige jeugd. Niet dat hij, eindeloos, tot de wilde frisheid van limoenen is veroordeeld. Nee, veel mooier. Bos weet de magie van prilheid en verlangen op te roepen in zijn gedichten. Hij brengt meer dan gemijmer of wijs besef van wat verdwenen is. De dichter genereert een impuls die zegt: ook als het laat is, is het nog niet te laat. Water, schaduw, licht: eigenlijk vinden wij in Het geluk van een jeugd de beproefde metaforen. Maar het gevaar van bejaard gemonkel weet de dichter moeiteloos te bezweren. Alsof ik al die zomers uit mijn jeugd / nooit te boven ben gekomen. / Met een voet in de afgrond. / Met een voet in de geest. Waar het ouder worden niet ontkend wordt, geven soepelheid en toon deze po√ęzie iets vitaals. Sta op de kade en wacht / op een schip dat de haven / uren eerder heeft verlaten. // Steel een boot en roei de zee op / als een ware Engelandvaarder. Overtuigend verbaast de ik-figuur in Het geluk van een jeugd zich. Hij twijfelt en droomt alsof hij nog steeds het leven aan het uitvinden is. Hij beziet zichzelf in de ruimte die tijd heet en die vooral bestaat in de hersenpan. En altijd die onzekerheid / of een mens nu wel of niet eeuwig leeft. / En of eeuwig een grens heeft / die ongemerkt dichterbij komt. / Als een man met een mes in de nacht. // Of hij en ik een en dezelfde persoon zijn. / Of dat hij iemand is uit mijn verleden / die misschien niet eens meer leeft. Als je jong bent, ken je geen grenzen. De dichter speelt met het opraken van lichaam en tijd. Hij kent de macht van de ironie: Veilig verschanst in mijn harnas / van steeds strammer wordend vlees / en botten die voor anker liggen / in een haven waar ik al jaren / amper nog aan wal kom. Het dubbele van de titel van de bundel geeft aan dat een jeugd niet slechts als herinnering blijft bestaan, maar ook als een omstandigheid, een revitaliserende krachtbron die onderdeel is van de machine ‘mens’. Mooi zo’n besef. Een bescherming tegen ‘ouwe lullen’-gedachten en -gedichten. Soms is een steen ineens groter dan een oog. / En opent dat. / Mijn leven is de tijd voor de steen / het oog raakt en kort daarna. / Als herinneringen elkaar verdringen. / Tover weer // een sigaret uit mijn oor en gooi die / buitelend door de lucht omhoog / en vang die / precies tussen de lippen weer op. / En steek er grijnzend de brand in. / En strijk me weer over mijn haar. // Zo is het om jong te zijn en elke herinnering /te bewaren voor later. / Als het bijna te laat is. (…)

Het geluk van een jeugd, Jacobus Bos, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2013, ISBN 978-90-284-2521-7

(Erick Kila)