Het helderst is het waas


Job Degenaar is Neerlandicus en docent met een lange staat van dienst. Zomerschaduw moet ongeveer zijn twintigste poëziebundel zijn. De titel heeft een melancholische bijklank; op de cover staat hij in vette donkerblauwe letters, lichtdoorlatend als de schaduw van een boom. Het is geen toeval; het woord werd geplukt uit het gedicht Weg waarin een oude eik wordt geveld door een man met een kettingzaag:

in een zucht viel zijn lange staat van dienst
die adem gaf en zomerschaduw, hoop en zachte kleuren.


Typerend voor de dichter, die zich mogelijk vereenzelvigt met de eik. Want de dichter is niet jong meer, zo blijkt uit een gedicht dat geen titel draagt maar waarboven een ?-teken zweeft:

Maar die laatste fase van je levensreis met
aan weerszij hagen die het zicht ontnemen
opgaand in een steilte van steen.


De bundel bestaat uit drie delen: In dit licht, herinneringen, observaties en reflecties in verband met de eigen omgeving. Vervolgens De lange adem van het licht, een cyclus over IJsland, om af te sluiten met Speedlight (dubbelzinnige titel?) bevindingen en sensaties in het Portugese landschap.

Dit alles roept de sfeer op van het voorbije en het onvatbare, het zijn mijmeringen soms tot op de grens van landerigheid of existentiële verveling. Niet alles komt even goed uit de spreekwoordelijke verf maar dat is waarschijnlijk ook niet de bedoeling: het gedicht Mirnsen Klif vandaag begint als volgt:

wat wazig is vandaag was gisteren nog helder om te eindigen met:
het helderst is het waas dat over alles ligt


Maar het is niet al sfumato en dissectie van licht wat de klok slaat: In Amsterdam, in vogelvlucht vlamt plots een contrasterende wereld op:

In de pislucht van een tochtsteeg zigzagt tussen de peuken, naalden
en lachgashulzen een éminence grise met groenpaars kopje
schoksgewijs naar alle kanten plechtig pikkend
naar wat geen zaden zijn of kruimels


De dichter haalt echter geen heilige of onheilige huisjes neer (is alles niet al neergehaald?), blijft doelbewust toegankelijk, relativerend, lijkt zich te conformeren aan de tijdsgeest.

Onopvallende hoogtepunten in de bundel staan er mijns inziens aan het begin en het einde van de bundel, zich door hun cursivering onderscheidend van de rest. Licht telkens anders, en toch hetzelfde, mag dan het algemene thema zijn, in de marge staan de twee gedichten over de zon, de bron van het licht. Vooraan in Schaduwcantharel groet morgenzon:

……….hij geeft me omhelzend
de volle laag, zijn diepschuine, witgouden missie
spat mijn wereld open en die van de op mij aanstormende
schimmen tussen wie ik zwenkend mijn weg zoek


en in het laatste gedicht, De zon en ik:

In zijn licht zijn woorden vluchtig, hij laat me achter
in een vraagteken, ik kan me doodschrijven over hem

maar hij schijnt onvermoeibaar door
dus hou ik op afstand de relatie scherp

Op de binnenzijde een foto van de dichter; een gebruind gezicht, getaande huid, lange grijzende haren, even meende ik een van de oude Azteken of Maya’s voor mij te zien.


Zomerschaduw, Job Degenaar, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 946 4757668

(Cel Vermeulen)


Onderdak


In de verzamelbundel Onderdak wordt zo’n 35 jaar dichterschap van Joris Iven in beeld gebracht. In een uitgebreide voorbeschouwing licht professor Dirk De Geest de poëzie van Joris Iven toe. Onder een aantal rubrieken geeft hij tekst en uitleg bij de verschenen bundels. Een lezer wordt dichter. Poëzie en gemis. De fotograaf en de dood. Wandelen langs het water. De herinnering en het verhaal. Verhalen. Kunstenaars onder elkaar. Onderweg steeds weer onderweg.

Dirk De Geest noemt de dichter een eigentijds romanticus, een dichter die wordt gestuurd door zijn dromen en zijn verlangens, maar die zich er tegelijk van bewust is dat die slechts deels of helemaal niet kunnen worden gerealiseerd. Deze tweespalt tussen verlangen en realiteit is de basis waarop de poëzie van Joris Iven zich ontwikkelt. Romantisch is de obsessie met het onvolmaakte van het bestaan en de niet te stillen honger naar het absolute. Poëzie is in dit kader een toevluchtsoord, dat als alternatief voor de banale wereld geldt.

De titel Onderdak verwijst naar het beroemde vers van J. J. Slauerhoff: Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak.

Bij de opening van de bundel stelt Dirk de Geest: “Onderdak, een eeuwig onderweg?” Daaronder een citaat van Gerrit Komrij “Poëzie is geen tijdelijk onderdak, poëzie is kost en inwoning.”

Het laatste deel van de verzamelbundel bestaat uit ongepubliceerde gedichten onder de titel In de bas-fonds van een aartsengel. Gedichten geschreven met als leidraad de figuur van de Belgische architect en vertegenwoordiger van de art nouveau, Victor Horta. De dichter neemt je bij de hand en voert je langs de gebouwen. Zij zijn het decor van wat er in of voor gebeurt.

Hortagalerij

1

Samen met haar zie ik wat zij ziet,
als ze vanop de begane grond

de brede trappen naar beneden neemt
en het zenitale licht haar door de haren vloeit.

Wie deze galerij binnenloopt, loopt zo vaak verkeerd.
Hij denkt op een perron aan te komen,

waar hij op een trein kan stappen,
maar niets is minder waar.


Een keuze maken is moeilijk. Kiezen is altijd ook een beetje verliezen. Doorheen de bundels zie je dat de dichter experimenteert met vorm en zegging. Sommige gedichten beginnen als verhalen maar verbergen, noodzakelijk voor poëzie, een verrassend beeld, een ongewone waarneming.

Uit alle bundels heb ik mijn voorkeuren en die gaan meer naar de strak gecomponeerde bundels. Strakke composities geven meer ademruimte. Ik hou van witregels die vaak veelzeggend zijn. Ik heb nood aan stilstand. Bij deze bundels noem ik: Galerie de Taxus (1987), Splijt ons (1994), Sluiter/sluier (2009), Braziliaans blauw (2018) en Stabat filius (2016). Met deze keuze wil ik de overige bundels echter geen onrecht aandoen.

Onderdak is een treffende keuze uit het oeuvre. Om te lezen en te herlezen. Het pleit absoluut voor de dichter dat hij in zijn gedichten het experiment niet schuwt. Het moge duidelijk zijn dat er in zijn huis vele kamers zijn.


Onderdak – Parnassusreeks 23, Joris Iven, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 94 64757 32 3

(Frans August Brocatus)

De doden niet meer tellen


Op zaterdag 3 mei 2025 waren Lucienne Stassaert en Bart Stouten te gast in ‘Het Schooltje’ van de Sint-Pauluskerk in Antwerpen. Van Lucienne Stassaert werd Alle eindige dingen openbaren oneindigheid voorgesteld, haar vertaling van poëzie van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke. Katelijne Boon leidde de recentste dichtbundel van dichter en jarenlang presentator bij KLARA Bart Stouten in: De doden niet meer tellen. Dat alles werd muzikaal voortreffelijk omkaderd door pianiste Eliane Rodrigues.

De doden niet meer tellen is de dertiende bundel die van Bart Stouten verschijnt bij Uitgeverij P. Bij dezelfde uitgeverij verscheen in de Parnassus-reeks ook een bloemlezing van zijn werk: Onder de avondklok van de liefde (2018).

De nieuwe bundel is één lang prozagedicht. Bart Stouten reisde in de winter van 1982 (toen Brezhnev de plak zwaaide) naar Moskou, gefascineerd door de iconenschilder Andrej Rublev. Die herinneringen worden poëtisch verweven met de actuele wereld waar steeds meer oorlogen opdoemen. Met als kernfiguur de anonieme soldaat: een held, een vriend: De oorlog zal jaren duren./ De pijn zal eeuwig blijven./ Wie ben je, onbekende soldaat?/ Waar kom je vandaan, Vlad?/ Jouw stad? Je ouders?

De dichter tast thema’s als dood, geloof, kunst en vrijheid af. De tekst is doorspekt met citaten van of verwijzingen naar zowel mythologische personages (Homeros, Aeolus, Ares - god van de oorlog) en politieke figuren (Brezhnev, Lenin, Poetin, Donald Trump, Zelensky) als artiesten uit de populaire muziek (Harry Secombe, Vera Lynn, Elton John), dichters (Konstantínos Kaváfis, Fernando Pessoa), plaatsnamen, een mantra uit de yoga-traditie… Dat alles is welbewust en smetteloos geïntegreerd in de tekst én wordt toegelicht, gelukkig niet in voetnoten achteraan de bundel, maar rechts meteen naast de plaats waar ze zich voordoen.

HET DODENTAL IS GESTEGEN TOT VIERHONDERDDUIZEND/ terwijl de president een vergadering belegt/ over het economisch beleid van zijn land./ Ze zullen een subsidieprogramma bespreken/ voor kleine en omvangrijke bedrijven.

Doorheen de tekst neemt de beklemming toe en wordt het dodental vermeld: van vier (pagina 13) tot zevenhonderdduizend (bladzijde 38), tot de melding “IK KAN DE DODEN NIET MEER TELLEN” in de rest van de bundel geregeld herhaald wordt. Tenslotte eindigt dit prozagedicht met “IK KAN DE DODEN NIET MEER TELLEN. MAAR WEL DE OORLOGEN”.

Duizenden burgers komen om het leven,/ maar dat doen ze al dagen-,/ weken- , maanden-,/ nu al jarenlang.

Alsof soldaten een wanhoop meedragen/ die ze proberen te verbergen,/ verliezen ze zich in een levensagenda/ die ik beter moet leren doorzien./ Hun oorlog is niet die van de media.

Enig engagement was Bart Stouten al niet vreemd. Hij schreef eerder een roman over het lot van een Oegandese vluchteling: Liefde en andere overvloed (Uitgeverij Vrijdag, 2019) en vorig jaar verscheen bij Uitgeverij Pelckmans Zonde van de hemel, een brief aan een jonggestorven dakloze in Tokio. De doden niet meer tellen is een prestigieuze, overtuigende en geslaagde poëtische aanklacht die we beslist tot zijn belangrijkste publicaties mogen rekenen.


De doden niet meer tellen, Bart Stouten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-76-7

(Roger Nupie)

Voetafdruk van stilte


Hanna Kirsten (1947), pseudoniem van Johanna Bral, publiceerde zeven gedichtenbundels. Haar eerste gedichtenbundel Adem van vogels verscheen in 1973. Later volgden Elders wonen (2003), Korst en kruim (2005) en Hoe sterk is de hechtzijde (2007). Ze was gedurende tien jaar werkzaam als lerares Nederlands en Verbale Expressie in Antwerpen. Ze schrijft ook poëtische teksten bij de schilderijen van Mia Goovaerts. Tussen 1983 en 1997 maakte ze samen met haar man, wijlen Hendrik Brugmans, reizen door en voor Europa. De levensgeschiedenis van haar man schreef ze op in Wij, Europa (Kritak-Meulenhoff 1988).

Het omslag van de bundel is sober, geheel in de stijl van Uitgeverij P. De bundel bestaat uit zeven cycli: Raap je stem op, Uit de tijd en zo dichtbij, How News must feel when travelling, Jy is my liefling en ek is so bly, Kom dan mijn beste vader, zet u op mijn rug, De herinnering aan goede ogenblikken en Levende steentjes. De titels van de cycli komen onder andere uit gedichten van Emily Dickinson, Breyten Breytenbach, Wislawa Szymborska. De cyclus Levende steentjes is een verwijzing naar een tekst van Hanna Kirsten, geschreven bij schilderijen van Mia Goovaerts, eerder gepubliceerd in Liefdeknoop. Naast de algemene opdracht zijn er ook gedichten opgedragen aan onder anderen Marleen de Crée en Renaat Ramon. “Woorden en stilte zijn mijn materie, mijn bron in het bestaan” zegt de dichteres. Een bron waar ook deze bundel aan ontspringt.

Ofschoon de bundel in cycli is onderverdeeld kom je als je alles achter elkaar doorleest in een soort trance, een uiterst precieze verstilling. Ze gebruikt geen bombastische beelden, schijnbaar achteloos maar achteraf weldoordacht plant ze haar woorden in, wat uiteindelijk gedichten worden. Al wat opsmuk en overbodig is, is geschrapt. In deze gedichten staat de essentie, een punt waar de dichteres naar toe leeft en geleefd heeft. Onder de woorden schuilt heimwee en gekoesterd maar geen beladen verdriet. Bijzonder zijn ook de in memoriam gedichten voor mance post, jelle abma, tich walker, hajo izaäk johannes wildschut (alle namen geschreven zonder hoofdletters):

i.m. mance post
….

verlangen naar sneeuw
vult de witte plekken
van een leemte

Ze schrijft zorgvuldige en intieme gedichten over ouder worden, over liefde, gemis, vriendschap, seizoenen en kinderen en toont zich in haar actuele gedichten over covid, asielzoekers, discriminatie ook als fijngevoelige, warme, geëngageerde dichter:

wit en roze wiegen bloesems
in haspengouw
tractoren, bloesems en bijen
worden gewijd

tegen nachtvorst
cirkelen helikopters boven
de bloemenzee

opgesloten in het laadruim
of in lekke sloepen
haken duizenden
naar het land van belofte

de middellandse zee
zwijgt

in zakken
witter dan het wit
van perenbloesems
de rij van lichamen
op een onbekende kust

Haar gedichten spiegelen zich in het citaat van Marleen de Crée:

De stilte, Hanna, is het woord willen en
zonder het woord kunnen we niet zeggen
dat we de stilte liefhebben.


Voetafdruk van stilte, Hanna Kirsten, Uitgeverij P, 2025, ISBN 978 94 64757 72 9

(Frans August Brocatus)

Een dichter zonder grenzen


Dichter-criticus Willem M. Roggeman werd onlangs 90. Collegadichter Guy van Hoof stelde Andreas van Rompaey voor naar aanleiding van deze verjaardag een huldeboek samen te stellen. Beide heren leverden bijdragen. Guy van Hoof met Willem Maurits Roggeman, over de poëzie van Willem; Andreas met maar liefst drie bijdragen: Uitbeelding van de verbeelding, over de romans van Willem M. Roggeman, Op zoek naar Atlantis en Interview over interviews, over Roggeman als interviewer.

Andreas Van Rompaey studeerde taal- en letterkunde. Met zijn belangstelling voor de naoorlogse Nederlandstalige literatuur leverde dat tot op heden een aantal interessante publicaties op. Zo verscheen de biografie Paul de Wispelaere, Bruggenbouwer (Zorrobooks, Damme, 2020), de essaybundel Verhalen in perspectief (Eburon, Utrecht, 2021), De literaire roeping (Les Iles, Elzele, 2023), een interviewboek met aandacht voor zeventien auteurs en de monografie De detective ontmaskerd (Gaia Chapbooks, Leeuwarden, 2025). In 2022 stelde hij de poëzieverzameling Johan Sonneville. Letaal samen (Uitgeverij C. de Vries, Antwerpen/Rotterdam). Samen met Renaat Ramon, Willy Tibergien en Lieve Terrie heeft hij AᗡᗞA - cahiers voor concrete & visuele poëzie opgericht.

Het huldeboek opent met gedichten, drie opgedragen aan Willem: Honderd nabij van Renaat Ramon, Willem M. Roggeman weet het van Hendrik Carette, Het onderbewuste van Guy van Hoof, die ook zijn gedicht The Modern Jazz Quartet aan hem opdroeg en tenslotte een gedicht van Willem zelf: Zo spreekt alleen een dichter

Na de inleiding van Andreas volgen dan de bijdragen, waarvan sommige niet eerder verschenen zijn, die zowel het dichterschap van Willem als zijn reizen, zijn belangstelling voor jazz en zijn erkenning in het buitenland (De ontvangst van Willem M. Roggeman in Bulgarije, een tekst van Aneta Dantcheva-Manolova) belichten. Actrice Alice Toen, net als Willem nog superactief op hogere leeftijd - op haar honderdste bracht ze voor het eerst een CD uit, Een eeuw van Toen - heeft het over Willem als toneelschrijver. Van Paul de Wispelaere werd de tekst Willem M. Roggeman als criticus opgenomen. Jos Buurlage heeft het over de schrijversinterviews van Roggeman, die eerst in het tijdschrift De Vlaamse Gids werden opgenomen (waar Roggeman redacteur van was) en op een paar uitzonderingen na in de zes bundels Beroepsgeheim die van 1975 tot 1992 verschenen.

Na de bijdragen zorgde Andreas voor een bibliografie van Willem en kregen alle medewerkers een korte bio mee. Het boek is verlucht met een fotokatern. Ook nu heeft Andreas Van Rompaey uitstekend werk afgeleverd met dit huldeboek. Deze uitgave heeft als doel om zoveel mogelijke aspecten van Roggemans oeuvre te belichten, lezen we op de flap. Daar is hij prima in geslaagd.

Tot slot deze bedenking van Peter-Holvoet Hanssen: Willem M. Roggeman: hou koers, naar de Kaap van Honderd! Zo graag wil men de melancholische man-rog naar de randgebieden van de vergetelheid verdringen, maar hij is de beste vriend van zijn schaduw, hij blijft tot nader order poëziewolken uit de hemel snijden.


Willem M. Roggeman, een dichter zonder grenzen, Andreas Van Rompaey, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2025, ISBN 978-94-92519-98-6

(Roger Nupie)

Lift


Michael Tedja (1971) groeide op in een gezin met Surinaamse ouders. In 2001 won hij de Charlotte Köhlerprijs. Hij is schrijver, dichter, beeldend kunstenaar, curator en oprichter/ directeur van The DFI Publishers. Dat is een platform ‘for exciting ideas from beyond our own national borders, producing remarkable images, crazy associations in stinging criticisms, stories and poems which it places in an intercultural context’, dat een deel van zijn teksten (mede) heeft uitgegeven. Hij debuteert in 2003 met de roman A.U.T.O.B.I.O.G.R.A.F.I.E.. Vervolgens verschenen De aquaholist (prozagedichten, 2005); Hosselen (roman, 2009); Tot hier en verder (gedichten, 2013); Regen (gedichten, 2015); Briljante man (roman, 2018); Exclusief (gedichten, 2019); Meta is haar naam (roman, 2021); Het uitgelezen deel (gedichten, 2022) en Het diagonale instituut (roman, 2024).

Het lange gedicht Lift, opgebouwd uit ontelbare fragmenten, wordt voorafgegaan door het volgende, veelzeggende citaat: 'In the very end, civilizations perish because they listen to their politicians and not to their poets' van Jonas Mekas. Een waarheid die staat als een huis.

Een lift is een verticaal transportsysteem bedoeld voor het vervoer van personen of goederen in gebouwen. Het vervoer geschiedt door middel van een liftkooi, ook liftcabine genoemd. De kooi bevindt zich meestal in een schacht en verplaatst zich langs vaste geleiders omhoog of omlaag.

In dit gedicht vertolkt de lift een hoofdrol. Ik citeer: in de lift zocht ik naar een interne structuur…de lift bleef in beeld. De liftgeschiedenis toonde inzicht in wat de lijn van bewegen was…De mensen in de lift vonden mijn ideeën niks…vonden mijn ideeën fantastisch…In de lift vroeg ik om de kunstmatige grenzen op te heffen…De lift als cirkel…In de lift lichtte de taal op…

Een plek waar je mensen en dieren gedwongen ontmoet. Een kooi die je naar de kelder, naar een flat brengt. Flatbewoners met verhalen die ze vertellen of verzwijgen. Flatbewoners met diverse achtergronden. De schoonmakers. De conciërge. De arts. De rechercheur. En naast de lift de trap die een ander leven leidt. Waarop de ontmoetingen sneller en letterlijker voorbijgaan. De trap in het trappenstelsel van de flat. …Het waren trappen waar onderzoek naar gedaan werd. De trappen verdienden aandacht. De trappen en de patronen van de trap. De trap was naar buiten getreden…..Ik hield niet van trappen en het optreden van de huismeester.

Een bijzondere aanpak. Fragmentarisch maar daardoor juist veelzeggend, meer vragen oproepend dan antwoorden gevend, tot nadenken stemmend. Een stukje van op bladzijde 83:

Een lift waarin flatbewoners een rol speelden.
Een lift die een realiteit blootlegde.
Een lift die ik open kreeg.

Een lift die te zien was.
Een lift waarin happenings plaatsvonden.

Een lift die verslag deed.
Een lift die bevrijdend werkte.


Een lift die bewoog.
Een lift die een taal hanteerde.
Een lift die op zoek was naar het sublieme.

Een lift die een impressie gaf.
Een lift die bewondering afdwong.
Een lift die een probleem verwoordde.

Een lift die orde schiep.
Een lift die een stem had.


Lift – gedicht, Michael Tedja, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2025, ISBN 978 90 8684 281 0

(Frans August Brocatus)


Jazzy combinaties van Guy van Hoof


Dichter Guy van Hoof is best productief. In 2025 verscheen al de bundel De ontdekking van de nacht (Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam) en in ditzelfde jaar laat hij de bundel Combinaties op de lezer los, een hardcover uitgave met op de omslag een werk van Bert Prins aan wie de dichter in De ontdekking van de nacht het gedicht De vrije hand opdroeg en in de nieuwe bundel De rijzende zon.

Het is zijn tweede bundel met uitsluitend jazzgedichten. Eerder verscheen De man die (altijd) terugkwam (2019, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam). Gedichten uit deze bundel werden opgenomen in Twee soorten adem. Jazz & Poetry in de Nederlandse letteren, samengesteld door Wim Huijser en John Schoorl (Azul Press, 2021). Los van deze twee bundels met jazz als thema doken al eerder jazzgedichten op, ook in De ontdekking van de nacht, waar in het gedicht Waar ben je? Frank S. (Frank Sinatra) met de song I’m gonna live till I die de dichter inspireerde.

Na de inleiding van Bart Madou volgen vier cycli: Het betere gevoel, Nooit of nu, De tijd gaat nu in en What’s next. Daarna volgt nog het gedicht The Modern Jazz Quartet, opgedragen aan Willem M. Roggeman, dat ook werd opgenomen in het huldeboek Willem M. Roggeman, een dichter zonder grenzen (Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2025) dat Andreas van Rompaey samenstelde en waar Guy van Hoof ook aan meewerkte. Tot slot volgen nog enkele recensies over zijn eerste jazzbundel.

Het was onder meer Cannonball Adderley die de dichter inspireerde tot het schrijven van jazzgedichten. Enkele fragmenten uit Uit de tijd gaat nu in, suite voor alt en tenor. De alt is Adderley, de tenor Trane (John Coltrane): ze geven en nemen, alt en tenor,/ wie is wie, wie speelt wat, ze zien de tekens/ dubbel of in tweevoud als een waaier en een wolk (uit Verbazing). Ze steken de koppen bij elkaar/ beter gezegd tegen elkaar aan/ de lippen aan het mondstuk dat een stuk/ van hun lijf is geworden als gereedschap/ om klanken te maken die nog niet bestonden (uit Gereedschap). Coltrane, de heilige en Adderley, de kannibaal/ de middelen heiligen het doel/ ze willen voor iemand onderdoen/ ze verliezen mekaar geen maat uit het oog/ ze betalen hun eigen consumpties/ ze lopen over elkaars schaduw heen (uit Duet).

Veel instrumentalisten, al komt ook Billie Holiday aan de beurt in het gedicht Magnolia: zoete/ sfeer van bloed en ontbindend vlees/ die als en zachte wonde klinkt/ uit de mond van Billie Holiday en wordt Frank Sinatra zeer treffend getypeerd: Sinatra, in tegenlicht, zorgvuldig voorbereid/ maar geoefend in professionele nonchalance.

Guy van Hoof belicht, evoceert en interpreteert niet alleen voortreffelijk de muziek van zijn jazzhelden, maar evengoed wat er bij hen leeft, hun lief en leed, en de impact ervan op de luisteraar. Wat een luxe is dan ook niet toevallig een titel van een van de gedichten.

Combinaties, jazzgedichten, Guy van Hoof, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2025, ISBN 978-94-92519-94-8

(Roger Nupie)

"God is een dichter"


Ludo Noens publiceerde aanvankelijk literaire fantastiek (verhalen en novellen). Later zou hij vastgesteld hebben dat er eigenlijk niets fantastischer en raadselachtiger is dan de wereld en het leven zélf en dus schakelde hij grotendeels over naar wat fantastisch realisme wordt genoemd. Ondertussen verschenen van hem al een tiental werken in dit genre (waarvan één ook in een Franse en één in een Engelse vertaling).

Zo schreef Noens eerder over de paranormale eigenheden van marginale personages uit de esoterische traditie, maar ook uit de academische wereld.

Als adolescent frequenteerde hij een tijdje theosofische kringen in Antwerpen en hij verdiepte zich in de werken van onder andere de Russische esoterici H.P. Blavatsky en P.D. Ouspensky. Ook de oud-Indische en boeddhistische metafysica hebben blijkbaar grote indruk op hem gemaakt.

In zijn nieuwste boek Als in een wazige spiegel neemt Ludo Noens ons mee in zijn zoektocht naar de basis van wat wij de realiteit noemen. Samen met een stijgend aantal theoretische fysici bevroedt hij dat de fundamentele bouwstenen van onze ‘werkelijkheid’ niet van fysische, maar van mentale aard zijn. De waarnemingen in de deeltjesfysica gaan in ieder geval die richting uit, zoals zelfs Max Planck, grondlegger van de kwantummechanica, ooit verklaarde: De kracht die actief is in het atoom is afkomstig van een bewuste, intelligente geest. Geest is de ultieme bron van materie.

In zijn boek heeft Noens het eerst over de huidige wetenschappelijke inzichten aangaande het ontstaan van het heelal. Over de Big Bang en over Albert Einstein, en de begrippen zwaartekracht en ruimtetijdkromming. Blijkt dan verder dat Einstein niet enkel een hard-boiled wetenschapper was, maar wellicht óók de geschriften van Blavatsky had gelezen. De ontwerper van de fameuze Relativiteitstheorie schreef hoe dan ook het voorwoord bij het boek Mental Radio van Upton Sinclair over telepathie en (zoals de Nederlandse professor Westerse Esoterie Alexandra Nagel aantoonde) liet hij zijn handen ‘lezen’ en had hij contact met helderzienden!

Esoterici verzekerden overigens al eind 19de eeuw dat de zwaartekracht géén fundamentele natuurkracht is, en dat brengt ons bij het opmerkelijk hoofdstuk over levitatie. De heilige Josef van Copertino was één van de eerste goed gedocumenteerde personen die (aanvankelijk tot zijn schaamte) bijwijlen lichamelijk de wetten van die zwaartekracht tartte, maar er zijn, zo lezen wij hier, ontelbare getuigenissen over leviterende personages, en niet enkel in een katholieke context. Ook zekere Tibetaanse yogi’s gingen bijwijlen spontaan aan het vliegen of verkregen psychokinetische krachten in hun doorgedreven mentale zoektocht naar het nirvana.

Wat (mathematicus!) Ouspensky betreft, die schreef dat de artistieke inspiratie (kunst in haar hoogste verschijningsvorm) doelmatiger was dan rationele natuurwetenschap om tot kennis te komen aangaande finale waarheden. Het is trouwens die zogenaamde ontopoëtische intuitie die de Amerikaanse schrijver Edgar Allan Poe al in 1848 ertoe dreef in zijn diepgaande prose poem Eureka! het ontstaan van het heelal met de Big Bang te beschrijven. Welnu, zo lees ik hier verder, diezelfde Edgar Poe – hoewel eveneens goed onderlegd in de mathematica – trok uit de specifieke aard van de realiteit finaal ook de conclusie dat de Schepper-God geen soort ingenieur is, maar… een dichter!


Als in een wazige spiegel. Twijfels bij een ontspoord wereldbeeld, Ludo Noens, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2025, ISBN 9 789464 873658

(Anouk Kallen)


Intimiteit zonder woorden


De derde broer van de schrijver overleed onverwacht aan een hartstilstand, alleen, in zijn geliefde Zuid-Frankrijk. Voor de hechte familie, die oorspronkelijk bestond uit tien personen, vier boers, vier zussen, vader en moeder, laat zijn plotselinge eenzame dood een schurend gevoel achter. De schrijver en één van zijn broers vatten het plan op om per fiets in twaalf dagen van hun geboortedorp, Wuustwezel, te reizen naar Banhars, waar hun broer gestorven is. Het boek is een verslag van de reis met enkele vaste onderdelen. Bij elk overnachtingsadres worden gedenkwaardige wedstrijdmomenten uit diverse jaren van de Ronde van Frankrijk vanaf 1950 benoemd die betrekking hebben op de betreffende locatie. Elke dagtocht wordt afgesloten met een passend gedicht uit de bundel Le livre ouvert van Paul Eluard.

Aan het begin van de tocht zijn er vooral ervaringen uit de vroege jeugd, het gezinsleven, het schoolleven. Ook komen herinneringen boven aan de eerste confrontatie met de dood, een klasgenootje dat het leven laat bij een dodelijk verkeersongeluk. De indrukwekkende doodsstrijd die de schrijver als misdienaar, samen met de pastoor op huisbezoek, meemaakt, laat nog altijd zijn sporen na. Het eerste meisje waarop de schrijver, als middelbare scholier, verliefd was, werd op haar brommertje aangereden en stierf datzelfde weekend. Ze leek op Francoise Hardy. Later komen gedachten boven aan vrienden die overleden of die zelf voor de dood kozen.

De broers lijken onderweg weinig over dit alles en over de broer te praten. Ze memoreren hoe hij altijd op zijn fiets zat, maar hun intimiteit is veelal een zwijgende. Er is de onuitgesproken vrees de eindstreep niet te halen, hartstilstand heeft ook de moeder het leven gekost. De schrijver krijgt blaren op zijn billen. Zijn broer, de techneut, verzorgt die liefdevol, net zoals hij de mankementen aan de fiets verhelpt. Hoewel de tocht hen bij tijden zwaar valt, piekeren ze er niet over om op te geven. De derde broer duwt hen voort. Tijdens verschillende verblijven waar zij de betekenis van hun tocht benoemen, opent dit deuren van meegevoel. De receptioniste van een hotel krijgt tranen in haar ogen, haar vader is drie jaar eerder overleden. Dat gemis wordt opnieuw aangeraakt. Ze doet extra moeite een overnachting voor hen te regelen op hun volgende rustplaats.

Wanneer ze hun doel gehaald hebben, vallen ze elkaar geëmotioneerd in de armen. De overige broer en de zussen arriveren met partners. Ze delen hun verdriet om de dode zonder woorden, maar in omhelzing, met tranen. Het schurende gevoel maakt plaats voor berusting.

Het boek is een ode aan het leven, aan familie, aan dierbare vrienden, aan de wielersport. Naast de gedichten van Paul Eluard zijn er gevoelige gedichten van de schrijver zelf naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder, het overlijden van andere dierbaren.

Wij vulden ons samenzijn niet
met woorden maar tussen begin
en einde lagen gebaren, tekens
die nu voor altijd voorbij zijn.



Reis naar het einde van de derde broer, Frans August Brocatus, Uitgeverij Amilicious, Breda, 1025, ISBN 978 9493 366954

(Truus Rozemond)


De honden komen om alarm te slaan


De cover van een dichtbundel geeft al een bepaalde indruk, vooral wanneer de dichter een dubbeltalent is en zelf tekent voor het ontwerp. Het beeld dat wordt opgeroepen is er een van angst en dreiging, het maakt meteen duidelijk dat de auteur niet op zoek is naar het schone of het sublieme.

De inhoud blijkt zeer persoonlijk: in zeven delen krijgt men hier, in min of meer chronologische volgorde een autobiografie in vrije verzen gepresenteerd.

Het eerste deel WARME SOKJES gaat over de kinderjaren, de ouders die lijnrecht tegenover mekaar staan: ze hadden ook een kind / en dat was ik / vanaf geboorte cactuskind….Dat kind blijft geketend aan de moeder, de vader blijft hoofdzakelijk een vermaledijd figuur: vol van gelijk verwondden zij de man / die weerloos was / de man en vader

Samenhangend hiermee wordt er gezinspeeld op trauma, eetstoornissen en smetvrees maar ook op de kiem van het schrijverschap: Voordat ze zien kon wat ze zag / stak uit het niets een wind op / die naar binnen vlaagde een grote hand / joeg alles weg en ongedaan / geen letter bleef gespaard

HET BED NOG NOOIT ZO WIT beschrijft het verval, de dood en het afscheid van de moeder. Het eindigt ermee dat de schrijfster bij zichzelf ‘op visite gaat’: We telden wie nog leefde / gelukkig viel het mee / we kregen bij mijn uitvaartdienst waarschijnlijk wel twee banken vol

Ook in VERZIN EEN GOD gaat het om verwijdering en afscheid. Gebeden worden niet verhoord maar het is niet al kommer en kwel: m’n schoenen zitten goed / ik heb brood en water bij me / deze keer vergeef ik god dat hij niet bestaat

Vervolgens komt in HOE HIJ HOE ZIJ onvermijdelijk de liefde aan bod, van grote verwachting: ze hoopt / dat hij haar vinden zal / haar wit getal / het cijfer nul / de omega naar: steeds weer de man / die door afwezigheid/ zijn spijkers slaat

In BLINDLICHT lijkt het om de zoon te gaan, de huiselijke taken en bekommernissen, het echtelijke en buitenechtelijke leven (de verboden man). Maar ook hier, op de achtergrond: Ga maar liggen pijn / gewoon terug in je hok / anders moet je de halsband om / en pak ik weer je muilkorf en je riem.

SCHUIMGEBAK verhaalt hoe een waakzaam, argwanend oog geworpen wordt op de omgeving: broederhoeders, onbevlekten / tandsteenflossers, gulle gevers, blijmoedigen en u /kwanselaars, ontduikers, voortvluchtigen / draaideurklanten en therapiezuigers

In het laatste deel DE KRULSTAART VAN EEN KEESHOND gaat het van bevlogenheid tot ontnuchtering, van lust tot berusting: ik loop hier goddank / zonder doel / ik weet het niet / is geen probleem vandaag en: we staan hier bij het hek / het is goed / samen somber te zijn

Hier zegt de dichter: ‘ik heb mijn verre voorouders ontmoet’…

we keken elkaar aan, herkenden ons vermoeide bloed
het trachten met botbreuk toch te rennen
het speuren, het verdwaald niet weten

maar ondanks alles ons volhardend zoeken
naar het bedwelmend zoet van wilde bessen
de oud beloofde smaak in onze mond


De verzen van Margriet Westervaarder zijn puur en simpel, ze hebben de ‘wildheid’ de vaart en het volume van rock’n roll.


Een waakhond aan me vastgebonden, Margriet Westervaarder, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2025, ISBN 978-94-93368-28-6

(Cel Vermeulen)

Het menselijk tekort


Wij zijn niet meer dan rechtop lopende zoogdieren, die (als enigen menen we zelf) kunnen denken. Dat is kort samengevat hoe Midas Dekkers (volgens The Times Literary Supplement ‘bioloog van beroep en genie van nature’) de soort waarvan hij onderdeel uitmaakt ziet.

Ik ben dol op de redeneertrant en de heerlijke schrijfstijl van Midas Dekkers: “Herken je een god aan zijn volmaaktheid, als je een mens wilt maken moet je voldoende onvolkomenheid inbouwen. Mensen maken is dan ook niet moeilijk. Iedere vruchtbare soortgenoot kan het. Maar een god? Hoe maak je een god? En waarvan? Toch maar niet door vervolmaking van een mens. Dat is de omgekeerde weg. Goden moeten mensen maken, mensen geen goden – wat zou zijn als water dat omhoog stroomt.” Zomaar een prikkelend fragment uit Het menselijk tekort, weer een smakelijke uitbreiding van ’s mans oeuvre.

Ook waar: “Een doel is een teleurstelling in de maak. Blijkt een doel onbereikbaar, dan zit je niet alleen zonder het verhoopte resultaat maar – adding insult to injury – mét een knagend gevoel van ontoereikendheid. Was je er nooit aan begonnen dan was het probleem evenmin opgelost, maar was de teleurstelling je bespaard gebleven. Als het je doel is om teleurstelling te voorkomen, dan staat je vrijwel zeker een teleurstelling te wachten.”

En opnieuw een willekeurige greep: “De mens zit gevangen in ruimte en tijd als een klas kinderen van groep drie voor wie die van groep vijf al buitenaardse wezens zijn. Omdat zijn zintuigen maar op een fractie van de werkelijkheid scherp zijn gesteld gaat de rest van de wereld aan hem voorbij.” Op vrijwel iedere bladzijde van Het menselijk tekort trakteert Midas Dekkers de lezer op zulke fijne constateringen.

Ook over het succesvolste boek aller tijden heeft hij het. Er is iets vreemds aan: “De Bijbel is het raarste boek. Hij zit achterstevoren. Hij begint waar hij op had moeten houden. ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed’: een mooier einde is er niet. In het begin was iedereen gelukkig, op het eind minder. Niks eind goed, al goed. Het bestverkochte boek ter wereld heeft geen happy ending maar een happy start.”

Wat een fijn boek schreef Midas Dekkers, 79 ondertussen maar quasi onafgebroken productief, toch weer. Lees Het menselijk tekort! Tot slot nog een citaat: “Het leven is net een oude jas: het moet je passen. Het kan best prettig zijn, als je je plaats maar weet. Op zoek naar een lekker plekje voor een mens is het verstandig uit te kijken naar een vacature voor een landbewonend zoogdier van anderhalf à twee meter, tweepotig, levendbarend, kort van memorie, een tikje luidruchtig en behept met een handvol tekorten dat hem goed staat. Als je een beetje aardig tegen hem bent valt hij reuze mee.” Je zou er warempel jezelf in herkennen.

Het menselijk tekort, Midas Dekkers, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2025, ISBN 9 789045 052526

(Bert Bevers)

VERblijf


Yasmin Namavar (Amstelveen, 1983) is van Iraans-Nederlandse afkomst. Ze werkt als psychiater, was finalist van de El Hizjara Literatuurprijs 2022 en kreeg in 2024 de schrijversbeurs voor poëzie van Hollands Maandblad. Haar gedichten en essays verschenen in bladen als De Gids, Tirade, Hollands Maandblad en Poëziekrant.

Op de omslag wordt het woord ‘verblijf’ in kapitalen (VER) en in gewone letters (blijf) weergegeven. Afstand overheerst wat dichtbij is. Er is een voortdurende strijd tussen de horizon en dat wat aan je voeten ligt.

De citaten van Samuel Beckett en Virginia Woolf geven de tussenliggende en volgende gedichten nog meer gewicht. Ze zijn wegwijzers naar de queeste van de dichter. Richtinggevers naar diverse bestemmingen.

In het openingsgedicht Vingerafdrukken zegt de dichter:


desalniettemin ben ik bang voor vingerafdrukken, bijtwonden
op het lichaam van een dierbare, op het mijne


De gedichten zijn in twee delen, respectievelijk Deel I. HONGER en Deel II. WILDGROEI, ondergebracht. De bundel sluit af met het gedicht ZEEGAZELLE dat is opgedragen aan Ahoo Daryayi, een Iraanse vrouw die zich op 3 november 2024 tot op het ondergoed uitkleedde uit protest tegen een opmerking betreffende haar ‘incorrecte klederdracht’. Kort na het voorval werd ze gewelddadig aangehouden door de veiligheidsdienst van de universiteit.

De bundel is op een zeer bijzondere manier opgebouwd. Op de linker pagina, voorafgaand aan de gedichten staan verschillende ‘opdrachten’. De nacht was onze eerste opdracht. De ochtend werd onze tweede opdracht. De derde, vierde en vijfde opdracht kwamen steeds in tweedelig pak. Na twee jaar kwam ik bij opdracht zes. Pas bij de zevende opdracht begreep ik mijn taak. Het zijn intrigerende inleidingen.

Haar gedichten worden bevolkt door talloze dieren, die symbool staan voor vruchtbaarheid en verlies. Familie is belangrijk. Haar familie wordt, behalve dat ze genoemd wordt in de gedichten, heel tastbaar aanwezig en een rode draad. Haar beelden zijn gespierd en heel fysiek. Haar poëzie verhaalt, rekt, strekt zich uit, bakent niet af, geeft een inkijk in haar wezen. Dreiging en een soms unheimisch gevoel ontstaan als ze een dunne messnede kerft tussen lichamelijkheid en geweld. Ze geeft een overvloed aan details wat je de adem beneemt en dwingt om terug te grijpen naar het begin. In de aanloop naar de slotregels van de gedichten is zij uiterst passioneel om dan in die slotregels vaak te eindigen met een vraag, een tedere conclusie, een stap terug in de werkelijkheid. Er staat geen woord te veel in haar gedichten. Ze grijpt je bij de keel om te eindigen met een teder gebaar bijvoorbeeld Een hand die niet verloren ligt. Gedichten om te lezen en te herlezen. Ik was en ben meer dan blij verrast.

Een klein fragment, een vingerafdruk die nieuwsgierig maakt naar de hand en klimmend het lichaam en gravend: de ziel.


luister, ik ben de voetstappen waarin ik sta
vergeet, mijn voorouders koud
sleep mijn passen traag over schelpen
ik ben geen roofdier, ik ben een volgeling
….


VERblijf, Yasmin Namavar, Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2025, ISBN 978 94 93397 08 8

(Frans August Brocatus)

Op een landtong woont de zanger


Marcel Cel Vermeulen neemt een bijzondere plaats in binnen het huidige literaire landschap. Naast dichter is hij ook een bijzonder getalenteerd gitarist en musicus, die bij meerdere bands en orkesten speelde. Muziek lijkt voor hem een ‘devoir vivre’, een notie, die in de traditie van Kant leidt tot een vorm van vrijheid en geluk. Cel Vermeulen complementeert dit met een in de muziek gewortelde poëzie. Reeds in zijn bundel Golflengte, die een lovende recensie kreeg van Marc Bruynseraede in De Auteur (september 2022), komt die drang om muziek en taal poëtisch te versmelten naar voor. Zelf zegt hij daarover dat al van in zijn collegejaren in Herentals die fascinatie groeide via de lessen Nederlands en hij zo begon te publiceren in het collegeblad. Hij werd later medewerker en zelfs redactielid van het literaire tijdschrift Deus ex Machina.

In Op een landtong woont de zanger werkt Vermeulen verder aan die symbiose tussen woord en klank. Zijn stijl is niet alleen debet aan een ritmisch muzikale uitvoering maar de muziek zelf is het thema dat aan deze bundel ten grondslag ligt. In vier cycli - Kaleidoscoop, Harpen en Harpijen, Klankbodem en Wuivende Kruinen Snaren Rivier, in het midden onderbroken door een kort intermezzo Toonladder Fantasie, acht miniatuur gedichten van grondtoon tot octaaf – neemt de dichter de lezer mee op een reis door een muzikale geschiedenis vanaf de bronstijd. Het zijn geen belerende gedichten maar impressionistische toetsen hoe Vermeulen zelf die muziekstijlen ervaart en verwerkt. Het openingsgedicht zet meteen de toon, het ontstaan van de ‘oer-muziek’, Hier fluistert de rivier / klinkt het schrapen van botten / de kleidrum, zingende steen / mondboog verhalen.//…// Toen raaf sprak, donder brak / vuur de hemel scheurde. Met het woord ‘mondboog’, een primitief snaarinstrument waarbij de mond van de speler als klankkast fungeert, reikt de dichter reeds een leidraad aan voor wat zal volgen. In muzikale zin is ‘boog’ een begrip met meerdere betekenissen. Enerzijds een notatiesymbool in de geschreven muziek, maar het verwijst ook naar de strijkstok of naar de spanningsboog van een muzikale compositie of improvisatie. Evenzeer refereert het woord boog naar een bouwkundig element met akoestische kwaliteit: Uw stem meng ik op papier / met de uitgelezen woorden / zingende bogen en retoriek / niet door becijfering maar weten.//…// Zo bezingt u in kleuren / alles wat zich voedt met licht. (bladzijde 50).

Vermeulen bedient zich van een staccato ritme dat hij dan weer afwisselt met een zachter legato. Maar in elk gedicht leidt het ritme ook de inhoud. Zo confronteert hij bijvoorbeeld het staccato gedicht Underground (pagina 16) met het vloeiende Vuurvlieg (pagina 17) of Piano encore (bladzijde 48) en Pastorale (pagina 49). Deze juxtapositioneringen geven een bijzondere leeservaring en voeren je bijna bedwelmend door de verschillende muziekstijlen, componisten en uitvoerders, die Vermeulen vanuit zijn persoonlijke ervaringen, kennis en voorkeuren aan je opdient om zo de reis te beëindigen in de laatste cyclus, opgedragen aan zijn helaas veel te vroeg gestorven vriend en musicus, Daniël Climan. De dichter sluit zo de boog tussen het ontstaan van muziek en het zwijgen, de stilte als het ultieme geluid in het laatste gedicht Silentium…loquetur, stilte zal spreken, Taal van wind in bomen / stilte na Bach / stilte onder de gewelven.// Wacht op het laatste signaal / woordeloos bevlogen alleen / sprekend in Uw zwijgen. (bladzijde 67).

Met deze bundel bewijst Cel Vermeulen zijn dubbeltalent als begenadigd dichter en gepassioneerd musicus. Dergelijke dubbeltalenten zijn zeldzaam zoals de landtongen waar de zangers verblijven. Het is jammer dat een dergelijk warm aanbevolen kleinood in eigen beheer dient uitgegeven.

Op een landtong woont de zanger, Cel Vermeulen, eigen beheer, Herentals, 2025
celvermeulen@me.com

(Richard Foqué)


Niet anders dan de grote leegte


Over ‘Mila Fertek’ vond ik nergens informatie. Ik ga ervan uit dat het een pseudoniem is. Van een man of van een vrouw. Worden we als lezer voetje gelicht? Ik moet het open laten. Maar het is duidelijk dat er in deze gedichten voor een vrouwelijke focus gekozen wordt. Vandaar wellicht dat het beroemde schilderwerk van Gustave Moreau Salomé dansant devant Hérode op de voorflap staat. Ook het ik in deze gedichten ontdubbelt zich in een ‘ik’ en een ‘zij’. Maar wie zich ook achter Mila Fertek bevindt, erg relevant is het niet. Want in de kern blijft poëzie iets naamloos. We lezen het in deze bundel: Nietszeggend als naar mijn mening / Namen zijn. Ironie is in dit werk niet weg te denken. Maar het is een ernstig te nemen ironie: Mijn geweten lacht om alles / (Hetgeen mij pijn doet). De bundel Antipode – Heimwee naar wie ik nooit ben geweest is hoe dan ook een merkwaardig werkstuk. Een antipode betekent onder meer ‘tegenhanger’ en ‘tegenpool’. Deze gedichten balanceren tussen spraak en tegenspraak. Elke bewering wordt door een andere bewering weerlegd en/of ontkracht. De geliefkoosde taalfiguur die we uit deze gedichten aflezen is de paradox – die we meteen al merken in de ondertitel. Stilistisch, zo zou je kunnen zeggen, wordt hier rijkelijk de retoriek van de paradox gehanteerd. Die paradoxen zijn ruimschoots te herkennen. Een lukraak voorbeeld hiervan: Ik kom vooruit door mijn / Hardnekkig / Stil blijven staan. Het effect dat hieruit sorteert is deze van een annihilatie. Er is geen vooruitgang en er is geen stilstand. Er is in wezen ‘niets’ (het woord valt verschillende keren). Alles resulteert in leegte: Wat verder valt er te zeggen/Mijn verleden is/ Wat mijn toekomst zal zijn/Te weten/Niet anders dan/de grote leegte uit vanwaar/ik gekomen ben. We hebben te maken met een poëzie die afwijkt van wat men doorgaans van poëzie verwacht. Ze is in geen geval lyrisch: in het ritmische taalspel (wat de formele kern van poëzie is, lijkt me) is zij lucide. Ze zingt niet, ze beschouwt. De dichter omschrijft de gebruikte werkwijze als volgt: Waarnemen slechts/Niet voelen/Zich het liefst in de schemer bevindend/Weergeven wat waargenomen wordt/Is wat mij drijft/Verder niets. In zekere zin brengt deze scherpzinnige poëzie een metafysische problematiek ter sprake: zijn of niet zijn, schijn en werkelijkheid, waarheid en leugen, verleden en toekomst. Niets lijkt wat er is want het is er niet. Of het wordt nauwelijks of verkeerd ontwaart. Ik/Uiteindelijk aangekomen/Kijk om me heen/Om te zien/Dat niets lijkt op/Dat wat ik/(Destijds)/Meende te zullen gaan zien. Kenmerkend voor dit soort poëzie is dat ze vrij wil zijn van metaforen: Ik begin te denken dat alle metaforen zinloos zijn/Aangezien metaforen niets betekenen/Noch ergens toe leiden kunnen. Ik vind dit al bij al merkwaardige, zeer kervende poëzie. Zij is bijzonder subtiel. Deze poëzie draait niet uit op positief of negatief: ze is geankerd in een existentiële feitelijkheid .

Antipode – Heimwee naar wie ik nooit ben geweest, Mila Fertek, Uitgeverij De Manke God, Julianadorp, 2025, ISBN 978 9083211152

(Alain Delmotte)

Internationale bloemlezing


De Atunis Galaxy Anthology is een Engelstalige bloemlezing van dichters wereldwijd. Hoofdredacteur is de in België wonende Albanese dichter Agron Shele; adjunct-hoofdredacteur is Hannie Rouweler (Nederland), bijgestaan door Alicja Kuberska (Polen) en Shoshana Vegh (Israel). En dan is er nog een uitgebreid team van raadgevers, literaire redacteurs en een adviesraad.

Voor we kennismaken met het werk van de maar liefst 200 (!) dichters zijn er inleidende teksten van Agron Shele (Meditatie en een blik door de tijd), Hannie Rouweler (Het belang van vrede en tolerantie in de samenleving) en twee Italiaanse dames: Dr. Claudia Piccinno (De poëzie wil bruggen bouwen door middel van een meertalige dialoog) en Ada Rizzo (Introductie).

Er is werk opgenomen van acht Nederlandstalige dichters.

Antoon Van den Braembussche: I write and feel you/ like my own artery.// Every pain within you/ a tardy echo.// A twin pain./ A sorrow of my own. (uit: Love in Times of Lockdown)

Germain Droogenbroodt: Rivers overflow their banks/ houses are demolished/ cars swept away/ by the raging waters:/ man has disrupted nature. (uit: Artificial Intelligence).

Gerhard te Winkel: The universe has/ known a day without yesterday/ and will one day/ experience a day without tomorrow. (uit: The House of Many Friends).

Hannie Rouweler: There are days/ when words no longer mean anything/ are worthless - take them to a jeweler/ they weigh less than 1 gram on a gold scale/ you can put your words back in your pocket (uit: Cryptocurrency: Word Porridge).

Jos van Hest: Come back: Come back/ Close the night/ Open the day/ Lose your loss/ Turn a dream into a door/ Turn a door into a window/ Turn a window into a world/ See we are still here.

Jenny Dejager: Maybe we know: We’re too different from each other./ We’re bleeding in ignorance./ We’re sitting on a sandbank/ that disappears a little bit more/ every day and maybe/ we know that.

Paul Gellings: August afternoon, the sun at its highest./ A terrace in the shade, dark and deep./ The land warm and deserted; the village slept/ in a scent of rye that had just been harvested. (uit: Terrace).

Yvon Né: 'Rooms by the sea' is a canvas which disquites,/ as you’re loving and free, you’ll handle it, the gap,/ as the ocean in dreams. You know the tide will fall. (uit: Rooms by the Sea - a painting by Edward Hopper).

Niet minder boeiend is de kennismaking met de andere dichters.

"Deze bloemlezing wil de rijkdom en diversiteit van poëtische expressie vieren door de stemmen van 200 dichters en kunstenaars uit alle hoeken van de wereld te bundelen". Dat is meer dan geslaagd. En er is nog meer goed nieuws: volgend jaar verschijnt de tiende editie van de Atunis Galaxy Anthology.

Atunis Galaxy Anthology World Poetry 2025, Demer Press, 2025, ISBN 978 1 326 42262 2

(Roger Nupie)

De ogen van de uil


Astrid Arns (1960), dichter en organisator van poëzieavonden in Gent, Jana Arns (1983), dichter en schrijfdocent, Ann Van Dessel (1961), dichter en schrijfdocent aan de Schrijversacademie in Antwerpen, Bo Vanluchene (1988), dichter, uitgever, recensent en ex-columnist bij Het Nieuwsblad en Elise Vos (1984), dichter. Vijf dichters maken van de nood een deugd en schrijven samen een bundel gedichten over een thema dat hen nauw aan het hart ligt: slapeloosheid, insomnia.

In vijf cycli met de indringende titels dromen oppoetsen met azijn, een kussen vol bloedzuigers, ik ben een octopus, wentelen tussen hemel en aarde en de troostende wijsvinger van daglicht benoemen zij de slapeloosheid en laten zij zien en lezen dat insomnia bijzondere gedichten kan voortbrengen. Iedere dichter met de eigen stem.

In de uitleiding beantwoordt slaapexpert Annelore Roose, klinisch psycholoog en gedragstherapeut verbonden aan het Centrum voor slaap- en waakstoornissen van het UZ Gasthuisberg in Leuven vragen van de dichters over slapeloosheid.

Op de vraag of insomnia een typisch westers probleem is en hoe andere culturen met dit probleem omgaan stelt Roose:

"Slapeloosheid is van alle tijden en van alle culturen. Stress, spanning en onrust zijn eigen aan de mens. Het is heel gewoon om in onrustigere, stressvolle periodes van je leven slechter te slapen. De omgang met slaapproblemen is misschien wel een westers fenomeen. Wij lopen vaak vast in de illusie van controle. We leven in een wereld waarin voortdurend Yes, we can! wordt geroepen en we koesteren de idee dat we alle lastigheden kunnen oplossen door nog meer ons best te doen, harder, sneller, meer en beter. In de oosterse cultuur wordt een eerder accepterende houding aangemoedigd en leert men omgaan met moeilijkheden zonder deze ‘onder controle’ te willen krijgen."

Zoals eerder gezegd verwoorden de dichters het probleem op hun eigen manier, met een eigen stem. Voorkeuren uitspreken is moeilijk maar ik werd meermaals aangenaam verrast tijdens mijn lezing van de gedichten, net voor ik ging slapen. Ik heb er geen oog minder om dicht gedaan. Een bijzonder gedicht vond ik de wanhoop van de mestkever van Ann Van Dessel:

pardoes van de dag gevallen,
ligt hij al uren op zijn rug
rondjes te draaien in een dood
lopende nacht. tergend traag

kruipen sterren langs het raam,
ze gluren schaamteloos naar binnen.
ook de maan steekt geen poot uit.

met de zon komt de reusachtige
engel. zij houdt hem een hand boven
het hoofd en steekt één vinger uit.
hij trekt zich recht aan het licht.

Er zijn (niet alleen) veel dichters die lijden aan slapeloosheid. Op de vraag of er een link is met creativiteit zegt Annelore Roose:

"Ja hoor, slapeloosheid heeft al heel wat creatieve ideeën en mooie kunst voortgebracht. Anderzijds heeft creativiteit ook heel wat nachten weggekaapt. Een onrustige nacht kan ons uit onze slaap houden. Maar uit die creatieve geest, die zo moeilijk stilvalt, worden vaak wonderlijke dingen geboren."


De ogen van de uil, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-69-9

(Frans August Brocatus)

Harpijen


Drie gevleugelde dames met ontblote borst op de cover van Harpijen, gedichten van Maria Pommerel. Na haar debuut Extramarital: The Hidden Verses neemt Maria Pommerel ons opnieuw mee naar de krochten van het onfatsoen, lezen we op de achterflap, waar weeral drie dames ons dreigend aankijken. En dat is niet gelogen over deze hardcover uitgave die verscheen bij Stichting Spleen, waar Kees Godefrooij zijn ook al niet mis te verstane erotische poëzie laat verschijnen. Maar ‘erotisch’ is een al te milde omschrijving van het werk van Pommerel. Haar poëzie baadt eerder in een Markies de Sade-sfeer.

Wie nu die harpijen zijn licht Maaike Bouman in haar Voorwoord toe: “In de Griekse mythologie waren de harpijen de drie beeldschone, gevleugelde dochters van Elektra en Thaumas. Later werden ze vervaarlijke wezens, meestal afgebeeld als roofvogels met scherpe klauwen, maar met het gezicht van een vrouw. Het waren deze hybride gedrochten die Phineus (die door de goden met blindheid was gestraft) voortdurend kwelden door hem van zijn voedsel te beroven of het te bezoedelen met hun drek. De vrouw die in woede ontsteekt, kiest niet zelden een duivelse koers. Het pad dat ze bewandelt is wraakzuchtig, boosaardig, gewelddadig of pervers. Deze vrouw kan een harpij zijn, maar ook een heks of een huismoeder van drie straten verderop. In verscheidene vormen presenteert de boze vrouw zich in deze bundel aan de lezer, die ze vergast op al haar lelijke eigenschappen, maar in het bijzonder op haar verdorvenheid. En daarbij wordt geen lichaamssap geschuwd…”

Dat wordt maar al te duidelijk in de zeven gedichten in deze bundel.

Gedrochten, het openingsgedicht is met zes regels de enige korte tekst: Ik peuter uit de allerdiepste krochten/ de walgelijkste, schunnigste gedrochten:/ gedichten over stront en pis en seks./ Of over een harpij en soms een heks./ Of over duister, dood of eenzaamheid./ Wie poëzie zegt, zegt verdorvenheid.

De harpijen krijgen een hoofdrol toebedeeld in vier gedichten, maar ze duiken ook elders op. Harpijen IV bestaat uit 12 strofen. Die lange adem is ook typerend voor Deugen (zestien strofen) en Macht, met 24 strofen.

Harpijen I zet meteen de sfeer: Wat dacht je, dat we zomaar wat gaan vrijen?/ Dat er een bad vanille op je wacht?/ Dat jij je met wat duifjes mag vermeien,/ zo lief, zo zoet, als vederdons zo zacht?// Nee, vriend, dat heb je mis; als je je vlijen/ wilt in de roze krochten van de nacht,/ verwacht dan niets van ons: wij zijn harpijen./ Bij ons wordt elk soort tederheid verkracht.

Uit Harpijen IV: Zijn zicht is troebel als hij weer ontwaakt./ Heel langzaam tekenen zich schimmen af./ Tot zijn ontzetting ligt hij poedelnaakt/ en vastgebonden op een hard matras.

Uit Macht: Ze is op oorlogspad als nooit tevoren./ Een represaille die zijn weerga niet/ zal kennen is verwoed in haar geboren. Inwendig kookt ze.

Wie kan en wil afdalen in ‘de krochten van het onfatsoen’ vindt in Harpijen beslist zijn gading.


Harpijen, Maria Pommerel, Stichting Spleen, Amsterdam, 2025, ISBN 978-90-833918-4-7

(Roger Nupie)

Zonder doel zien dolen


Een beslist, met de steun van het gemeentebestuur van Schoten, liefde- en smaakvol uitgegeven boek is Zonder doel zien dolen – Gedichten van en voor Alice Nahon. Samensteller Gust Peeters maakte een (op de volgorde van haar bundels zoals die in de DBNL staan, en op de rangschikking in die bundels gebaseerde) chronologische keuze uit het werk van Alice Nahon, en lardeerde die met citaten uit haar correspondentie zoals die werd uitgegeven in het door haar biograaf Manu Van der Aa samengestelde brievenboek Mijn ziel ligt overhoop zoals de koffer met niet beantwoorde brieven.

Daarnaast nodigde Peeters dichters uit om te reflecteren op het werk van de in haar tijd bijzonder populaire en veelgelezen (met een kwart miljoen verkochte uitgaven is zij vandaag nog na Guido Gezelle de best verkochte Vlaamse dichter aller tijden) Nahon, waarbij ze de volledige artistieke vrijheid kregen. Vijfentwintig auteurs gingen op die invitatie in, en de samensteller zelf droeg ook bij. Uit zijn Lotsbestemming: Soms klonk een wanhoopskreet uit duizend dichte monden / in bijklanken van taal en regelmaat ontstemd.

Er staan verrassende confrontaties in het boek. Terwijl de bloemen in Gladiolen Nahon geestdriftig maken (kom, drink van ’t gladiolenrood! / Want in die blommen ligt een gloed, / die bleek gedacht en bleek gemoed / weer gloeien doet….), roepen ze bij Daniel Billiet wrange beelden van winterse hongertijden op: We bedelden vijf bloembollen bij elkaar, / gladiolen. Omdat ons Veertje zo liefjes / glazig lachte, schonk een boer iets wat / hij durfde een aardappel te noemen. // Water was er genoeg. In anderhalve liter / kookten we die gladiolen en die schrompel / patat [….].

Bert Deben zorgt voor een hedendaagse versie van Nahons Avondliedeke (met de befaamde openingsregels ’t Is goed in ’t eigen hert te kijken / nog even voor het slapen gaan) met Nog even voor het slapen gaan / op mijn smartphone controleren / of ik genoeg reacties kreeg / en mensen mij nog steeds waarderen // ik tel de likes en alle hartjes / op facebook, twitter en LinkedIn / op snapchat en op Instagram / op alles wat ik daar verzin […]).

En zo zijn er doorheen heel de bundel regelmatig verrassende ‘spiegelingen’ te vinden.

Indringend: Je kan nooit / in alle talen zwijgen. // Ons vlees is te zwak / om grote dingen / lang in zich te dragen van Tom Driesen. En: ze vinden nergens ’t eigen gezicht / dan in de stille, zwijgende spiegel // in het eigen / stille huis van Jan Ducheyne.

Behalve de geciteerde werden er nog 22 dichters bereid gevonden Alice Nahon voor dit project te eren: Liesbeth Aerts, Monique Bol, Ulrike Burki, Hermine Couvreur, Vanessa Daniëls, Jan Ducheyne, Kees Godefrooij, Elbert Gonggrijp, Goedele Horemans, Anne Meerbergen, Jürgen Nakielski, Leen Pil †, Yanni Ratajczyk, Antony Samson, Vera Steenput, Runa Svetlikova, Frans Terken, Frank Van den Houte †, Shari Van Goethm, Gert Vanlerberghe, Leen Verheye, Tom Veys en Akim A.J. Willems.


Zonder doel zien dolen – Gedichten van en voor Alice Nahon, samenstelling Gust Peeters, eigen beheer, Antwerpen, 2025

(Bert Bevers)

 

Betrokken bij het weidse nabije


Met Het omber en het oker is Paul Rigolle (° 1953, Roeselare) toe aan zijn zesde bundel. Die is onderverdeeld in de cycli Een stem in de tijd, Fragmenten van het huis, Het omber en het oker, Een jaagpad in de regen, Het heimwee van de bladen naar het boek en De acht letters van het woord afscheid. Die tellen respectievelijk tien, zes, acht, nog eens acht, zes en drie verzen.

Ik lees de poëzie van Paul Rigolle reeds jaren met genoegen. Deze West-Vlaamse dichter schrijft, ik merkte dat eerder al eens op, een poëzie die aan je blijft haken, poëzie van een robuuste élégance. Hij schrijft gedichten om op te kauwen, om na te proeven, met straffe regels als Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.

Rigolle gebruikt bepaalde woorden graag regelmatig. Neem in deze bundel taal dat je niet minder dan 12 keer ziet verschijnen. Ook tijd (9 keer) vindt hij fijn. Zijn poëzie is geen navelstaarderij maar een weerspiegeling van het leven in alle facetten. Van verlies en winst, van angst en liefde, maar ook van dood en pijn. Zijn poëzie werkt in wisselende perspectieven aan het bezweren van vergetelheid.

Het is boeiend om te lezen hoe zorgvuldig Rigolle wat hij zoal in zijn belevingswereld toelaat ontleedt. Hij is een begenadigd kijker (Het landschap beneemt de adem, slijpt zich / in de ogen vast) en analytisch waarnemer (Soms wordt de tijd een ding waarin je kijken kunt. / Viewmaster, album, kijkkast.) met behalve voor het leven zelf een groot hart voor de kunst die dat verwerkt. Hij verwijst naar dichters, componisten en filosofen als Baudelaire, Hettinga, Hindemith, Pernath, Stendhal, Wigman en Wittgenstein. Ook beeldend kunstenaars als Philip Aguirre y Otegui, Maaike Bearelle, Jasper Rigole en Hans Vandekerckhove worden genoemd.

Rigolle ziet dat je niet zomaar licht hebt maar: Zoveel soorten licht zijn er. Licht dat gulzig likt / en licht dat met het blote oog voltooit wat is / gemaakt, er mag gekeken, er mag gestaard. Je vóelt bij het lezen dat hij alleszins telkens wárm licht ziet. Om het in beeldende kunsttermen te plaatsen is Rigolle nauwer verwant met de aardkleuren van Paul Klee dan met de tinten van de kille abstracties van lieden als Piet Mondriaan. Dit is poëzie die het recht opeist om schoonheid niet verloren te laten gaan.

Deze dichter is ook precies. Wat mij, als liefhebber van onze gevleugelde vrienden, bijvoorbeeld veel genoegen doet is het feit dat Rigolle hen als ze relevant opduiken in zijn werk niet zomaar als ‘vogels’ opvoert maar expliciet noemt als merel, als leeuweriken, als spreeuwen.

Hij houdt niet van kabaal, apprecieert meer en meer de stilte blijkens Van elke boodschap halen wij de ruis. (Interieur) en zoete mechaniekjes die zoemen en zingen en welhaast geluidloos mee stappen in de trage triomftocht van het gedicht (Orgelpunt) en Niets is hoorbaar. Mateloos trillen de bladen in hun heimwee naar het boek (Nauwelijks een gerucht).

Een heel erg mooi slot vind ik (van Slang) En jij, jij zal liedjes zingen in het Italiaans / en schoenen dragen, gemaakt om weg / te wandelen uit het grijs van onze steden. Zulke regels ontroeren mij, zonder dat ik kan duiden waarom. Maar gelukkig hoeft dat niet. En bij poëzie al helemaal niet. Dat Paul Rigolle nog maar lang getuigenis af mag leggen van zijn betrokkenheid bij het weidse nabije.


Het omber en het oker, Paul Rigolle, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-70-5

(Bert Bevers)

De ontdekking van de nacht


Na de bundels Het licht achter de deur (2019), De man die (altijd) terug kwam (2019) en Tifosi (2021) is De ontdekking van de nacht de vierde bundel van Guy van Hoof die verschijnt bij De Vries-Brouwers.

De bundel bestaat uit drie cycli: Een aards bestaan, Nieuwe ontwikkelingen en Slapeloze nachten, met respectievelijk 15, 10 en 16 sterk prozaïsche gedichten, meestal in één lange, doorlopende strofe, met een Woord vooraf van Andreas Van Rompaye, samensteller van De literaire roeping – waarin hij een inkijk biedt in werk en leven van ‘belangrijke Nederlandse en Vlaamse schrijvers’, en waarin ook Guy van Hoof, naast onder anderen Tony Rombouts, Willem M. Roggeman en René Hooyberghs aan bod komt.

De thematiek in de poëzie van Van Hoof is zeer gevarieerd: thema’s als jazz, de wielersport en beeldende kunst en de liefde komen geregeld aan bod - aan sommige van deze thema’s heeft hij al eerder aparte bundels gewijd - en die zijn ook terug te vinden in De ontdekking van de nacht.

Naast enkele wielergedichten komen er beeldende kunstenaars aan bod, zoals Vincent van Gogh (Wist hij dat hij gek werd, had hij het besef/ geniaal te zijn, hoe voel je dat?), Bert Prins (De schilder,/ die alles weet en onder controle heeft/ laat de kleuren hun gang gaan, zingen,/ zijn figuren springen uit de contouren) en Gerard Vanhove, wiens werk Sjamaan de cover van de bundel siert. Het gedicht Het witte vierkant van de ochtend, opgedragen aan Vanhove, sluit de bundel af.

Ook de liefde ontbreekt niet. De bundel is trouwens, zoals hij al vaker deed, opgedragen aan zijn echtgenote Yolanda Dewyn: ik zeg: zonder haar/ ben ik niet meer dan tien procent/van een mens. Wat de jazz betreft duikt Frank S. op, met een verwijzing naar de song I’m gonna live till I die van Frank Sinatra.

De dichter heeft nagedacht over dingen die gaan en komen en deelt met de lezer een privé-museum/ vol herinneringen zelfs van toen/ik mezelf niet eens kende. Of speelt het een en ander zich in een droom af? Als je droomt zie je beelden als in/ een nooit gemaakte film/ over liefde, ook zoveel méér/ dan een woord, de kunst bestaat erin/ niet blind te zijn.

Guy van Hoof ontleedt en becommentarieert onder meer de dagelijkse realiteit (een aards bestaan) en heeft het evengoed over wat we al dan niet zien en opmerken (alles/ in ons denken en voelen heeft onderaards/ diepten, gangen en holen, - vluchtwegen/ is het betere woord, al wat ongrijpbaar is/ en onbereikbaar is) als over de schaduwzijde van dat alles: ogen die binnendringen in een breekbaar/geheim. De toon van de gedichten is heel direct; de lezer krijgt het gevoel rechtstreeks aangesproken te worden. Dat alles levert interessante en sterke poëzie op die we alleen maar kunnen aanbevelen.

Mooi avondlicht geeft inzicht in wat/ zich afspeelt in de coulissen van onze/ dwaze vergeetachtigheid.


De ontdekking van de nacht, Guy van Hoof, Uitgeverij C. De Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2025, ISBN 978-90-6174-939-4

(Roger Nupie)

Jullie weten niet wat liefde is


Het grote publiek kent Raymond Carver vooral als verhalenschrijver en veel minder als dichter. Tussen de beide genres heeft de schrijver altijd een bewuste keuze gemaakt. Zijn leef- en werkomstandigheden dwongen Carver om te kiezen voor de korte vorm van het gedicht of het verhaal. In de loop van zijn leven is Carver altijd redenen blijven vinden om een tijd lang te stoppen met het schrijven van korte verhalen en zich volledig toe te leggen op het schrijven van poëzie. Het meest kenmerkende van Carvers literaire productie is dat wat zijn gedichten en verhalen gemeenschappelijk hebben: zijn oor voor gewone spreektaal en dialoog, zijn oog voor gewone mensen en gebeurtenissen uit het dagelijkse leven. De verhalen lijken op uitgewerkte gedichten, de gedichten op distillaten van de verhalen. Zijn talenten als verhalenschrijver schijnen door in zijn verhalende poëzie. Soms werkt een gedicht van Carver als een kort verhaal, met al zijn elementen van karakter, gebeuren en verhaallijn, maar gecomprimeerd in de bondigheid van poëzie. Soms werken zijn korte verhalen als een gedicht, met alle kwaliteiten van bondigheid, scherpstelling, rust en ironie.

Samensteller-vertaler Joris Iven (Diepenbeek, 1954) is een bekend dichter en vertaler van poëzie. Voor Uitgeverij P vertaalde hij onder anderen Sujata Bhatt, Charles Simic, Raymond Carver en Michael Ondaatje. Samen met Peter Flynn vertaalde hij een bloemlezing van tien kopstukken uit de naoorlogse Ierse poëzie en samen met Peter van Beek vertaalde hij een keuze uit het werk van Ruth Stone en Paula Meehan.

De gedichten, opgenomen in deze bundel, komen uit Vuren (1983), Waar water samenvloeit met ander water (1985) en Een nieuw pad naar de waterval (1989).

De keuze om de gedichten in de oorspronkelijke taal af te drukken in een kleiner lettertype begrijp ik niet, evenmin de lay-out: het lijkt alsof de gedichten zo verstrooid op het papier zijn om een ander soort aandacht te trekken. Blij verrast was ik door een tekening van een gestrande, afgetakelde boot met een paar meeuwen daarboven. Als beeld bij de gedichten kan het tellen. Van de hand van Sylvain Vandebroek.

De bundel staat vol beklijvende gedichten. Carver verwoordt uiterst precies en Iven volgt hem in een Nederlands waarin het oorspronkelijke Engels doorzindert.

Het tweede vers uit interview:


I went to draw a glass of water.
Stood at the window for a time.
When I came back
we passed easily to the next thing.
Went on with my life. But
that memory entering like a spike.


Ik ging me een glas water inschenken.
Stond een tijdje bij het raam.
Toen ik terugkwam
gingen we gemakkelijk over op het volgende.
Gingen verder met mijn leven. Maar
de herinnering drong binnen als een spijker.


Jullie weten niet wat liefde is! – You Don’t Know What Love is, Raymond Carver, Keuze, vertaling en inleiding door Joris Iven. Suggesties bij de vertaling door Peter van Beek, Uitgeverij P, Leuven, 2024, ISBN 978 94 64757 54 5

(Frans August Brocatus)

Het geduld van water


Johan Clarysse is beeldend kunstenaar en dichter. In 2023 verscheen de monografie This obscure object bij uitgeverij MER/Borgerhoff & Lamberigts, met een keuze uit zijn beeldend werk en bijdragen van kunstfilosoof-dichter Antoon Van den Braembussche, kunsthistoricus-curator Frederik Van Laere en een interview door Wim Vandeleene. De publicatie werd gekoppeld aan een solotentoonstelling in Galerie Pinsart in Brugge, met poëzie - geïnspireerd op het werk van Clarysse - van de dichters Frederik Lucien De Laere, Philip Hoorne, Paul Rigolle, Wim Vandeleene, Antoon Van den Braembussche, Steven Vanderheyden, Ludwien Veranneman en Tania Verhelst.

In een interview (Meander, 28 december 2023) lezen we, als antwoord op de vraag van Alja Spaan ‘Kun je iets vertellen over je keuzes? Wanneer denk je in beelden, wanneer in taal?’: “Beeldende kunst en poëzie hebben veel gemeen, ze werken beide met beelden maar met een ander materiaal, verf en taal. Sommige dingen kan ik beter kwijt al schilderend, andere al dichtend. Voor mezelf blijft het een mysterie waarom ik op een bepaald moment naar het ene medium grijp en daarna naar het ander”.

Johan Clarysse publiceerde al eerder in De Schaal van Dighter, Het Gezeefde Gedicht, Meander, Roer en Poëziekrant. Hij kaapte enkele prijzen weg en werk van hem werd opgenomen in bloemlezingen als De 100 beste gedichten uit de Gedichtenwedstrijd 2021.

Het geduld van water is zijn debuutbundel.

Al vanaf de eerste cyclus Afscheid - die net als de derde, Breinmist, de relatie van een moeder en een zoon als thema heeft - weet de dichter te overtuigen en dat levert meteen aangrijpende poëzie op. Uit het derde gedicht van de cyclus Afscheid: Ze schikt voorbije jaren in een vaas,/ rouwt om de vrouw die ze ooit was./ De woorden die ze opspaart, wanneer ze/ terugblikt hoef ik niet te gissen. Uit Rechter en vriend uit dezelfde cyclus: Al kan ik nooit je hand/ nog schudden, ik houd je/ lichaam wakker. In je botten/ kom ik langzaam thuis.

De dichter toetst niet alleen de verhouding moeder-zoon af in deze bundel. Hij reflecteert ook op een thema’s als bijvoorbeeld herinneringen en het ouder worden: Onvermoeibaar liggen we te gebeuren./ Jaren verliezen hun getal. Uit Vergetelheid: Zoals de jaren snel/ om zich heen grijpen,/ ons nederig maken/ en we onthouden ze niet,// we stof en as zijn,/ een stip in een wit vlak/ waarrond alles begint/ en we beseffen het niet.// Herinneringen bestaansrecht zoeken/ in de mazen van een afscheid/ en ze vinden nergens een plek.

Ook de beeldend kunstenaar is blijkbaar nooit veraf. Uit Kleuren uit de achterbuurt: Van blauw de blik te rechtlijnig./ Van geel het ego te groot./ Van rood de tong vol tegenspraak. (…) Zo kijk ik om me heen:/ als een schilder die in zijn schakeringen/ het wit van de dood legt.

Met zijn 46 gedichten, verdeeld over zes cycli, heeft Johan Clarysse met Het geduld van water een sterke dichtbundel afgeleverd.


Het geduld van water, Johan Clarysse, Uitgeverij P, Leuven, 2024, ISBN 978-94-64757-56-9

(Roger Nupie)