Kleine grimmige gedichten


Frank De Crits schrijft sinds 1961 en maakte van dan af naam als dichter. Sindsdien publiceerde hij een achttal dichtbundels, vertaalde Franstalige poëzie en schreef liedjesteksten voor onder anderen Johan Verminnen. Heel die tijd was hij bijzonder actief op de Brusselse poëziescène. Zo was hij actief betrokken bij de oprichting van Passa Porta en Het Beschrijf. Het zal dan ook niet verwonderen dat de stad Brussel in al haar aspecten een terugkomend thema is in zijn oeuvre.

Niet zo evenwel in zijn nieuwe bundel Kleine grimmige gedichten. Het onderwerp hier zijn doodgewone dingen, waarmee de mens dagelijks geconfronteerd wordt. Als thema niet nieuw en andere auteurs hebben hem dat voorgedaan. Ik denk bijvoorbeeld aan het in 2020 verschenen prozawerk Gevonden voorwerpen van Frans August Brocatus. De Crits doet het evenwel in dichtvorm. Hij selecteerde 43 items, zoals kous, mes, zakdoek, spiegel en dies meer. Rond elk van deze voorwerpen schrijft hij een kort gedicht van telkens twee strofen van elk 4 versregels. De eerste strofe is eerder beschrijvend, het tweede is becommentariërend vanuit persoonlijke observaties en gevoelens. Wat de gedichten daarbij zo aansprekend maakt is de directe confrontatie met het voorwerp vanaf het eerste woord. De voorwerpen worden personen, die ageren, soms een eigen wil hebben en de lezer meteen bij de keel grijpen. In die zin zijn ze inderdaad ‘grimmig’. Bijvoorbeeld het gedicht lepel

hij slurpt pletst duikt in de soep onder / van water met water en raap en een eenzaam / stukje vlees dat dobbert hij wijst / schraapt zand uit een dikke muur 

(pagina 12). Om dan in de tweede strofe de persoonlijke confrontatie aan te gaan 

ik zie ogen van vet hoop op een schuimspaan / ik schep ogen uit in een emmer vol / denk aan de oorlog van malaparte’s / verhaal een geschiedenis in de balkan.

De Crits hanteert hierbij een afgemeten, van alle ornament ontdane taal, geen hoofdletters en geen leestekens. De zegging is direct maar gelaagd en noopt de lezer tot een intensieve lezing. Helaas zijn de gedichten van een ongelijke kwaliteit en sommige ontsnappen niet aan de valkuil van het cliché, die de dichter als het ware zelf heeft gegraven: ...de nooit gerookte / sigaret in het café zonder bier (pagina 24), of (pagina 31) mijn vader sloeg nauwkeurig nagels / met koppen...Dan weer maakt De Crits er zich al te gemakkelijk van af en wordt het zelfs een tikkeltje banaal, zoals in het gedicht bijl: de bijl denkt altijd dat hij bomen moet / omhakken en hout klieven voor de open / haard...(pagina 46). Waarom de laatste strofe van het laatste gedicht tuinzetel plotseling 5 versregels bevat is daarbij een raadsel. Het doorbreekt de strakke compositorische structuur van de bundel en erger nog die laatste versregel voegt niets substantieels toe integendeel het gedicht zakt ermee door zijn titel. De diverse illustraties van Pieter Fannes, die ronduit simplistisch zijn, maken dat niet beter.
Dat is bijzonder jammer want het geeft de indruk van een dichter, die zichzelf overleeft en schrijft op ‘automatische piloot’ en dat is De Crits niet, integendeel hij is iemand die de taal kan kneden en naar zijn hand zetten en doorheen zijn oeuvre een eigen dichterlijke zegging heeft ontwikkeld. Wellicht had hij wat zelf-kritischer moeten zijn en sommige gedichten niet moeten opnemen in deze bundel. Het zou het geheel nog meer spankracht gegeven hebben en zonder twijfel meer grimmigheid.


Kleine grimmige gedichten, Frank De Crits, Fluxenberg, Gent, 2022, ISBN 978-94-6451912-9

(Richard Foqué)