Alledag de taal


De nieuwste bundel van Tijs van Bragt, weier, trekt consequent de lijnen door die in zijn eersteling werden uitgestippeld en dat met een steeds grotere spankracht en vakkundigheid. Zijn taalfinesses, waarbij een uitgekiend vocabularium opvalt, lokken meerduidigheid uit. Bijvoorbeeld in de titel van de bundel. weier draagt verschillende betekenissen uit: een eigennaam, een vijver, een kabel (in de context van de visserij) of gewoon ‘wijder’ (weier ploegen luidt het in het eerste gedicht). Zoals in de vorige verzameling vinden we in deze compacte bundeling een nieuwe reeks ‘veldnotities’ terug waarin hij de staat van de velden en de loop van de dieren van het Zeeuwse landschap noteert. Hiermee ontstaat de neiging om hem als een Zeeuws natuurlyricus te beschouwen. Als lyricus gaat deze dichter bijwijlen voluit en klankrijk in de lyrische zang, in een hoogtij van taal zoals bijvoorbeeld in volgende strofe: uit dat torenhoog gehevene/waaien wieren, vleugelen vissen/vallen de wulken tot wees.

Zijn taal lijkt als met een navelstreng aan Zeeuws-Vlaanderen gebonden. Het gedicht mantra dat deels is geschreven in het Zeeuws dialect (dat begint met a koei srij bij ochtend en eindigt met alledag die taol, alledag de taal) bewijst dat. Toch lijkt me dit slechts één aspect van dit dichtwerk te zijn. Zijn poëzie reikt verder.

Zo lees ik er ook een existentiële problematiek in die zich als een innerlijk conflict voordoet: ten hemel! ten hemel!/klinkt het vanuit de koude, feitelijke grond. Het is het conflict tussen het ‘sublieme’ (de symbiose van het gedicht, het ik en de natuurlijke omgeving) en ‘de werkelijkheid’. De dichter wil zijn ego afleggen maar dat lukt hem niet vanwege een onbegonnen rusteloos zoeken naar het systeem dat sluimert in de wieren. Dat rusteloze formuleert zich als een gezang van doornen, of in titels als papierzang (waarin de leegloop in mijn spaties wordt vastgesteld) en het krachtige wildzang (waarin de dichter zich bewust wordt van het armoedige, de onmacht van de poëzie: mijn woorden zijn ontoereikend / ze klinken niet verder dan mijn tuin/halen de bezette steden niet.

De werkelijkheid die als een kanker binnenvalt is als een huis waarin de mensen inwisselbaar zijn. De dichter stelt vast: alles vervliegt, ik ben als veldspaat: kouwelijk wit vergeten en moe, het is een loodgrijze avond/en ik verdraag dit niet meer. Maar komt tot een inzicht: dat eeuwige water van je, die oermoeder/is een troebele poel die zich terugtrekt/als bij een versterven. Het confronteert hem met een diepe eenzaamheid die omschreven wordt als de mot die tegen het raam blijft vliegen. Hij stelt zich de vraag wat is een aards woord voor verlossing. Hij zoekt een ‘alternatief voor losbreken’, hij wil weerbaarheid aanleren. Het gedicht biedt hem die kans. Eén van de gedichten heeft als titel poëzie is een zwezerik. Een zwezerik of thymus, is een orgaan dat afweercellen aanmaakt. Je kunt er de grote vleeshouwer (een metafoor voor de dood) mee bezweren. Poëzie, je moet er op tijd bij zijn voor ze je ontglipt. Subtiel complexe gedichten vaak maar die toch in hun schijnbare eenvoud blijvend aantrekken en intrigeren. Van Bragt is de aandacht van de lezer meer dan waard.

weier, Tijs van Bragt, Stichting De kaneelfabriek, Udenhout, 2022, ISBN 978-90-832654-0-7

(Alain Delmotte)