Wildnissen


Ik weet ongeveer hoe het kruispunt Desselgemseweg met de Expresweg en de Jozef Duthoystraat in Waregem oogt, en dat dankzij GoogleEarth en Xavier Roelens. Die meldt in zijn jongste bundel Wildnissen terloops dat hij daar even met zijn zoon voor het stoplicht moet wachten, een bijna-ongeluk registreert en tegelijkertijd ziet dat er in de berm onder een smeltend sneeuwtapijt bezemkruiskruid groeit.

De bundel volgt naar eigen zeggen van de auteur, wiens debuut Er is een spookrijder gesignaleerd (2007) me destijds al opviel, exact de nummering van de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Toen ik dat in de aantekeningen las had ik al een poos zitten peinzen over het hoe of wat van de indeling, maar die is me nu duidelijk. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik alleen die titel van Wittgenstein kende. Ik geloof Xavier op zijn woord.

Dit is geen bundel voor hoi polloi. Wie zich aan Wildnissen zet dient over een leeshouding te beschikken die het consumerende lezen te boven gaat: de dichter maakt het zijn lezer niet gemakkelijk. Ik sla er bij het lezen van deze bundel behalve GoogleEarth ook Wikipedia regelmatig op na.

Roelens trekt zich niet terug op traditionele verworvenheden van de poëzie maar durft buiten de vormen te verkennen, hetgeen in een bundel resulteerde die op het eerste gezicht kan ogen als een stilistisch bont allegaartje maar tegelijkertijd uitnodigt al die verschillende geoffreerde kanten mee op te denken.

De bundel getuigt van een verscheurd hart. De dichter vindt eigenlijk dat deze wereld er geen is om nieuwe kinderen op te zetten, maar doet wat in zijn mogelijkheden ligt om er toch het beste van te maken (we planten afval aan de deur, / angst in onze kinderen). Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de frustratie van het besef dat hij mee de boel vervuilt (asfalt slaapt nooit rouwt nachtenlang) en de onlesbare dorst naar schoonheid. De natuur krijgt ruimhartig her en der aandacht (zo richt zijn loep zich op niet alledaagse flora als basterdwederik, biestarwegras, duindoorn en zeewolfsmelk), maar niet zonder dat de mogelijkheden der Moderne Techniek worden vergeten (zal ik je vergelijken met een verslaving? // of zal ik je namaken met een 3d-printer [….]).

Roelens heeft oog voor een bos dat een menigte is: een bos slaagt erin ruwweg tevreden te zijn met / spechten en / kevers als knusse / prullaria, maar noteert ook meedogenloos de politicus belegt in / tweets en / dansjes voor de / camera voor de stijgende / hebzucht van een nukkige / achterban. Roelens heeft weet van klassieke poëzie, maar ook van AI.

Her en der duikt in Wildnissen het charmante beeld van zelfgemaakte kinderen op. De fysieke zijn van Roelens, maar de literaire las ik toch echt eerder (en dat zie ik – of ik moet eroverheen gelezen hebben – nergens geduid) bij zijn gouwgenoot Philip Hoorne (cf. Ze heeft alles en alles nog voor zich, / straks een vriendje met een piemel / en zelfgemaakte kindjes die dollen in de zon [….] in diens gedicht dochter). Wel jammer dat juist de herkomst van dit beklijvende beeld niet wordt vermeld in de Bronnenwildnis.

Dat laat onverlet dat Wildnissen een fascinerende, pluriforme bundel is waarin Xavier Roelens zich toont vanuit verschillende invalshoeken van waaruit hij met een bewonderenswaardige regelmaat verrassende perspectieven opent.

Een dappere poging om de caleidoscoop die de alledaagse werkelijkheid is in poëzie te vatten.


Wildnissen, Xavier Roelens, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2026, ISBN 9 789025 477868

(Bert Bevers)

Onderkoorts


De debuutbundel van Kris De Lameillieure is beslist niet het werk van een debutant. De roeping, als we dit zo willen noemen, kwam op vijftigjarige leeftijd en de uitgave van deze bundel meer dan een decennium later. Een late en trage bloei dus onder mentorschap van Jana Arns. De lessen werden grondig geleerd.

De bundel is verdeeld in vier delen, ongetiteld, maar alle ingeleid door een gedicht van Miriam Van Hee. Dat geeft het thema aan en brengt ons in de juiste stemming. Sleutelzin voor het eerste deel: de ribben zijn van het geraamte het mooiste onderdeel (Van Hee).

In Moederwezen klinkt de grote trom van de dood:

Wij zijn zonen en dragen dezelfde moeder. We houden
onze hoofden koppig, kijken star en hullen ons in wierook.


In sobere bewoordingen, een weinig onderkoeld misschien, verhaalt de auteur over het lijden en overlijden van de ouders. Uit Haven:

Hoe hij wankel door de kamer laveert een dode hoek probeert,
in het hoofd lij en loef verwart. Hoe hij eb over vloed plooit.


In het tweede deel ‘vakantie’ probeert een koppel een stukgelopen relatie te lijmen, vergeefs zo blijkt. Uit een titelloos gedicht:

Nu braakt de nacht ons uit, blaast luchtbellen
in woorden, legt ijsplaten tussen de ruggen
die we mekaar toekeren.


Het volgende deel spreekt van angst, leegte, zelfgekozen isolatie: men komt immers van alle reis terug:

Geen mens aan wie ik nog kleef
naast kind of kind van een kind.
Voor jou ben ik een traan.
Schud mij van je af nu je nog kan.

Het laatste deel (‘als ik mij kon beveiligen’) brengt uiteindelijk meer licht en kleur, al bestaat er geen blijvende zekerheid.

In ons ligt vruchtbaar land.

Uit het laatste gedicht Licht:

zo loopt hij over straat in aquarellen:
een kleurrijk toeval, een schitterend effect.
……..

In dit kader past hij niet altijjd. Hij wil zand zijn
en verstuiven, regen en verdampen.

En als hij kon: licht.


Over de leer van de ‘vier temperamenten’ hoor je in deze tijd niet veel meer. Volgens deze theorie mogen we de dichter typeren als een melancholicus. Uit het gedicht Onderkoorts:

Om te lachen trek je zonder verpinken /kaken op, de ogen onbewogen….
je laat het netvlies los,/ naait de lippen dicht/ schrijft je testament/
in gedichten.


De dichter heeft veel van zich afgeschreven, schoon schip gemaakt. Dit soort belijdenissen zal niet bij iedereen in de smaak vallen, maar voor wie deze situatie herkenbaar is, voor wie bezig is zich tot op de bodem te laten zakken in de hoop daar iets waardevols te vinden, kan dit een hulp zijn. Afgezien daarvan kan men ook een gedicht lezen om het gedicht zelf, om de klank of de sfeer daarvan, zoals men ook een voorkeur kan hebben voor de melancholische, introverte klanken van de altviool.

De vier gedichten van Miriam Van Hee vormen een waardevolle bonus.


Onderkoorts, Kris De Lameillieure, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 9789464757866

(Cel Vermeulen)


Onwelvaart


Steve Marreyt (1983) is muzikant en taalleerkracht. Onder de naam Edgar Wappenhalter bracht hij in 2024 de elpee ijsschots veenlaag mist uit, een muzikale ode aan de Nederlandse dichter Sonja Prins. Men noemt hem een ‘psych folk veteraan’ uit Brugge. Als dichter/schrijver publiceerde hij voornamelijk chapbooks (kleine uitgaven) via Marktcorruptie en zijn eigen micro-uitgeverij Edities Marreyt. Zijn werk, waaronder het project CISWHITEMALE uit 2018 verkent thema’s als het Antropoceen en gender. In februari 2025 debuteerde hij officieel in de literatuur met de bundel Onwelvaart.

De omslag van de bundel is bruin. Terug naar de oorsprong, naar de aarde. De bundel opent met (leestijd: minder dan twee minuten). Wel bewust tussen haakjes gezet. Een uitnodiging aan de lezer:


Toch nodig ik je uit.
We hebben het zo gewild.
Ik wou hier deel van zijn.
Jij wou hier deel van zijn.


Vervolgens is er een zwart-wit tekening van Natasja Mabesoone. Zelf zegt zij over haar werk: “Het narratieve aspect van mijn werk heeft geen plot nodig. Het verhalende potentieel ligt veeleer in de beelden, de materialiteit, de achterliggende culturele associaties of verbeeldingswerelden, de etymomogische achtergrond.”

Een fragment uit een liedtekst van Walter De Buck is de voorbode van wat gaat volgen: “‘k Zou zo gere willen leven in ne wereld zonder geld Da de niet van schrik moet beven Veur nen oorlog en geweld ‘k Zou zo gere willen leven In ne wereld zonder doel Waar gerekend wordt met schreefkens Geen bankiers en genen boel”

Daarna is het de beurt aan Steve Marreyt. In zes cycli vertelt hij ons waar het al dan niet om gaat. De titels lijken zo geplukt uit het boekhouders- en/of bankiersjargon: Transacties, Koers, Kostelijke affaires, Kapitaal, Geld ist Krieg, Aanmaning.

De titel van de bundel is het tegenovergestelde van ‘welvaart’ namelijk ‘onwelvaart’. En ja je zal voor minder ‘onwel’ worden. De dichter fileert ons huidig bestel en de wereld waarin wij leven op een scherpe manier. Geld en menselijke waardigheid staan voortdurend tegenover elkaar. Hij dissecteert een wereld waarin alles op de weegschaal wordt gelegd en alles ten koste gaat van nog meer (geldelijke) gewin. Met zijn teksten stemt hij tot nadenken, hij houdt ons een spiegel voor waarvan we niet kunnen wegkijken.

De teksten zijn pamfletten. Als ze de omschrijving ‘poëzie’ zouden verdienen dan zou ik ze ‘pamflettaire poëzie’noemen. Het is wel duidelijk dat de schrijver met het presenteren van deze rekeningen wilde afrekenen door te revolteren tegen een maatschappij waarin hij zich niet (meer) herkent. Hij besluit de bundel met aanmaning:

Het is 2025 en ik heb nodig:
money and a room of my own.
Ik twijfel over nog een oorbel.

Ik twijfel over schrijven
tegen identiteit want niks
draait om jou en mij

als we niet eerst de banken
in brand steken en ophalen
wat al lang van ons was.



Onwelvaart, Steve Marreyt, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978 90 5655 212 1

(Frans A. Brocatus)

Kratermond


Zeitgeist! Kunnen we de tijd waarin we leven ten volle begrijpen? Kunnen we er dan nog daadwerkelijk in leven? Vragen die bij me opkwamen na lezing van Kratermond, de tweede bundel van Sara Eelen.

Dat zij zichzelf klimaatdichter en activist noemt en daarmee publicatie en lof oogst is alvast één kenmerk van ‘onze’ tijd.

Bij eerste lezing kwam de bundel mij enigszins vreemd voor, het is even wennen en oriënteren, maar talent is hier vanzelfsprekend aanwezig. Het is duidelijk dat Eelen zich een spreekbuis weet, voorstander van een nieuwe eco-spirituele samenleving, een ‘mondiale’ ethiek.

De natuur komt op de eerste plaats, de aarde zelf spreekt door haar ‘Kratermond’. Dat staat duidelijk te lezen in het inleidende gedicht anomalie (I) in de volgende fraaie verzen:

We zochten niet naar voetafdrukken
liever wetmatigheden die wegleiden van onszelf
hoe de havik neerdaalt
in dezelfde spiraal als de nautilusschelp.
We zoeken de navel, het doorgeknipte koord.


Een ander belangrijk kenmerk van haar poëzie valt af te leiden uit het volgende gedicht Glassnijder (dit blijkt een type libel te zijn).

Ik observeer je aan de rand. Wie van ons het dier
het stilstaand water, stukgebeten glas?


Hier spreekt de wens om te verdwijnen, in de plaats van objectiverende observatie komen empathie en osmose:

Bijt je vast in mijn hals, span mijn trillende bovenlip.
We vliegen in tandem langs een krimpend meer.


Wordt de voortplantingsstrategie van de libel (waarbij het vrouwtje dan toch beslist?) hier vergeleken met die van de mens? Hetzelfde thema komt ook terug in het gedicht Sepia:

Na de paring blijft het mannetje haar volgen
bang dat ze met een ander dezelfde vlucht voltrekt.


Waar de dichter het ook over heeft; een orka die treurt over haar dode jong, aangereden wild, geschonden landschappen, het leven van een foetus, alles wat zich afspeelt tussen man en vrouw, het gebeurt met een fanatieke gerichtheid grenzend aan versmelting. Het vrouwelijke, het grenzeloos moederlijke spreekt hier zo luid dat het deze (mannelijke) lezer soms iets te veel wordt… Een en ander kan leiden tot vergezochte associaties en een beeldende, naïeve typografie, bijvoorbeeld in Het waterbekken, cyclus waaruit ik graag deze mooie zin licht: Hoe wij altijd in beweging, in beweging altijd zijn.

Het vrouwelijke en bij uitbreiding de natuur wordt voorgesteld als het kwetsbare, het geofferde. Maar deze natuur heeft ook nog een ander gezicht, dat van de verslindende moeder, ook in psychologische zin! Ik heb de indruk dat het activistische element soms afbreuk doet aan het talent van de dichter, persoonlijk verkies ik de verzen die minder ‘programmatisch’ zijn.

In het laatste gedicht, meer verzoenend in toon, genaamd Anomalie (II) trof mij de volgende regel:

Waarom niet eens een man die zijn hoofd
in zijn hals legt als een zwaan?


Voortreffelijke gedachte die me brengt bij de Griekse mythe van Leda en de Zwaan. Zeus verleidt (middels transformatie) Leda door schoonheid. Heeft de dichter het zo bedoeld? Geen idee! Maar het gegeven dat schoonheid kan triomferen over ideologie vind ik ronduit prachtig.

En dus… blijf ik ten zeerste benieuwd naar een volgende bundel van Sara Eelen.


Kratermond, Sara Eelen, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam-Antwerpen, 2025, ISBN 978 902 148 8936

(Cel Vermeulen)

Gelukkig de mens....


Ton van ’t Hof is poëzieanimator, blogger (samen met Chretien Breukers startte hij de poëzieweblog De Contrabas op) en uitgever. Na zijn uitgeverij Stanza volgde in 2019 de reeks Gaia Chapbooks. Met zijn debuutbundel Je komt er wel bovenop (2007) verwierf hij bekendheid als flarfdichter. Flarf is een genre waarbij internetzoekresultaten verwerkt worden in of tot een gedicht. Je komt er wel bovenop was trouwens de allereerste Nederlandstalige flarfbundel. In 2009 hebben de belangrijkste Nederlandstalige flarfdichters zich als collectief georganiseerd en Flarf, een bloemlezing, uitgebracht.

Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt is de veertiende dichtbundel van Ton van ’t Hof.

Enig experiment was de dichter in vorige bundels niet vreemd, maar dit is vrij traditionele, keurig vormgegeven, uitgepuurde poëzie. De bundel bestaat uit drie cycli: Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt (16 gedichten), Op den duur moet je toch op iets uitkomen (4 gedichten) en Ik heb meer lief dan ik aankan (8 gedichten), telkens voorafgegaan door een tekening die verschillende stadia van een weg suggereert. Wie de tekenaar is wordt niet vermeld – de dichter zelf? Voor en na de cycli een citaat uit zijn dagboek: Ik wilde eerlijk zijn, gedroeg me als een woudezel en Nam een glas wijn, een imposant glas, als een kathedraal.

De dichter neemt de lezer mee op een reis, op zoek naar een nieuwe bestemming. De vraag is waar je terechtkomt/ in het leven. Ik liep verder, toch een tikje/ verontrust. Een mens is omgeven// door omstandigheden. Een geweldig/ karwei. Zo vaag en bewolkt je gedachten/ de diepte van je bestaan.

Zal een nieuwe liefde en/of een nieuwe omgeving ertoe leiden dat hij zijn bestemming bereikt heeft? Of het zijn definitieve bestemming zal zijn, daar heeft de lezer, en wellicht de dichter zelf het raden naar. Veel relativering, zowel over zichzelf als over het dichterschap:

Een middelmatige dichter/ herken je altijd daaraan/ dat alles klopt altijd.// Is het een introverter type/ en beschrijft hij zichzelf/ dan is het eveneens pure eerlijkheid// wat de stok slaat./ De geniale dichter daarentegen/ is vooral onbegrijpelijk.//Dit is een echt goed gedicht./Je wilt met het lezen ervan doorgaan.

Je mag ervan uitgaan/ dat tamelijk veel mensen/ bij het woord poëzie// aan iets duurs denken/ aan iets dat misschien niet eens/ bestaat.// Ieder mens heeft zo zijn eigen/ wereld. We slepen van alles en nog wat/ met ons mee. Taal die nuttig is/ om de werkelijkheid weer te geven.// En dat je net zo goed de ene/ als de andere kant op bewegen kunt.

In het laatste gedicht lezen we: Met welk woord bedoel/ ik iets anders. Wat niet wegneemt dat hij de lezer vanaf het eerste gedicht op sleeptouw weet te nemen.

Gelukkig de lezer die deze bundel ontdekt, al dan niet met een glas wijn erbij.


Gelukkig de mens die ergens verwacht wordt, Ton van ’t Hof, Gaia Chapbooks, 2025, ISBN 978-1-326-30187-3. De bundel kan ook gratis worden gedownload op de website van Gaia Chapbooks (gaiachapbooks.com).

(Roger Nupie)

Onvolledig alfabet


Annelie David (Keulen 1959) is dichter en vertaler van Duitstalige poëzie. Zij studeerde dans in Keulen en choreografie in Amsterdam. In 1992 richtte zij de Pure Dance Company op, een collectief van dansers, componisten en beeldend kunstenaars die in wisselende samenstelling vijftien dansproducties maakten. Na 2003 ontwikkelt zij zich als dichter en wordt ze bekroond met de Dunya Poëzieprijs (2004). Ze schrijft essays, vertaalt Duitstalige poëzie. Haar bundel Schokbos (2020) werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2021. In 2013 debuteert ze met de bundel Machandel. Haar centrale thema’s zijn ontheemding en natuur.

De bundel Onvolledig alfabet is voorzien van fraaie tekeningen. Grijsblauw. Tegen een achtergrond van gebroken wit met dunne craquelé-lijntjes. Fijn werk van haar man, filmmaker en graphic novelist, Guido van Driel.

Onvolledig alafabet is een eerbetoon aan haar grootmoeder bij wie ze haar kinderjaren doorbracht op een boerderijtje in Noordrijn-Westfalen. In de inleiding, niet toevallig onder de titel Dahlia, vertelt ze dat haar grootmoeder uit Samland kwam, een schiereiland aan de Oostzee dat nu deel uitmaakt van de Russische exclave Kaliningrad. In de winter van 1944/1945 vluchtte zij met haar vier kinderen, voor de Russen uit, naar het Westen.

Het Samlands dat haar grootmoeder enkel binnenshuis tegen haar sprak is een mengtaal van Jiddisch, Nederlands, Nederduits, Pools, Russisch en Nederpruisisch. In de beleving van David is dat de taal van liefde, warmte en geborgenheid. Een taal ook waarin verlangen naar een verloren wereld en pijn van het gedwongen vertrek doorklinken. Deze taal wekte in Annelie een verlangen naar het vreemde, naar vrijheid en de natuur. Maar ook de taal van schaamte, van de vreemdeling die buitengesloten wordt.

Annelie David opent met twee citaten die meteen de spijker op zijn kop slaan: The seemlingly irrational, illogical choice of words, however, is by nature personal, creating a familiar landscape in which one can exist (Mari Mahr) en Heiss willkommen die Fremden. Du wirst eind Fremder sein. Bald. (Johannes Bobrowski)

Een alfabet waarin letters ontbreken is onvolledig. Er vallen gaten. Je mist klinkers, medeklinkers. Woorden ontbreken klanken. Hoe vorm je zinnen met incomplete woorden? Op papier wordt het een landschap waarin vogels en andere dieren pootafdrukken nalaten als om het verdwijnen tegen te houden. Tekens te geven dat er iets is dat blijft. Iets dat weerbarstig is en onbestemd heimwee oproept. Verleden en heden klinken dieper in een taal die bijna verdwenen is.

Het verdient lof dat de dichter een bijzonder experiment aangaat. De spanningsbogen zitten niet in de gedichten apart maar in het geheel. Je begint te lezen, grijpt terug en leest verder. Annelie David verplaatst de taal naar het midden, de navel van ons zijn en omringt, bouwt een decor met bijna verdwenen en bestaande natuurlijke elementen. Er is geen begin, midden, einde. Het is allemaal midden. Je wordt meegezogen in een wonderlijk mengsel van kleuren, geuren, herinneringen die je naar het nu brengen. Niets, geen taal, verdwijnt als je woorden blijft vinden.

Onvolledig alfabet
, Annelie David, PoëzieCentrum, Gent, 2025, ISBN 978 90 5655 262 6

(Frans August Brocatus)

Heelal en stem van Van de Berge


Claude van de Berge debuteerde in 1968 met de roman De ontmoetingen. Daarna volgden nog een 14-tal prozaboeken, die als poëtisch proza kunnen omschreven worden, waaronder Stemmen (1973), De oever (1975), Ergens zijn (1977), Hiiumaa (1987) en Attu (1988). Vanaf 1988 zou hij zich volledig wijden aan de poëzie - met één enkele uitzondering: in 1990 verscheen nog de roman Aztlan – wat twintig dichtbundels opleverde, waarvan het merendeel verscheen bij uitgeverij P, vaak met illustraties en foto’s van Arlette Walgraef - zoals in de bundels Asland (1998), Arctica (2000), White-out (2004), Kristalschedel (2006) en De vonk (2016). Arlette Walgraef begeleidt meestal ook de literaire lezingen van haar echtgenoot met zang, voornamelijk geïnspireerd door de muziek van Noordelijke culturen zoals de Inuitcultuur en de Lapse liedzang. In 2010 verscheen bij P als de tiende titel in de Parnassusreeks (“een eigenzinnige reeks bloemlezingen van dichters van vandaag”) een bloemlezing van de poëzie van de dichter: Het zwijgende woord, met als inleiding een essay van Jooris van Hulle.

Al vanaf zijn debuut was het duidelijk dat het oeuvre van Claude van de Berge een unieke plaats inneemt in de Nederlandse literatuur. Het meditatieve en mystieke karakter van zijn schriftuur werd meermaals door critici benadrukt. Centraal staat de enkeling die op weg is naar een ontmoeting, die ergens moet zijn. Het is vooral een innerlijke reis die de mens confronteert met zichzelf en een mogelijke confrontatie met de ander. Tegenover de dagdagelijkse en maatschappelijke realiteit biedt de auteur een spirituele bewustwording, vergeestelijking en verinnerlijking.

Na Gebed tot de leegte (2021) en De witte zon van de dood (2023) is zijn nieuwste bundel Heelal en stem, de derde uitgegeven door het Poëziecentrum, opgebouwd uit twaalf cycli. Het heelal is een metafoor voor onbegrensdheid; de stem voor het scheppende element: klank (Zoals een klank door een grenzeloze leegte gaat en/ roerloos wordt in zijn echo?), zang (We verlangen dat onze zang zal zijn als de immense zang/ die voorafgaat aan de grondruis van het heelal.) en woord (Ieder woord is een heelal.). Als beide versmelten worden ze de sleutel tot de universele creativiteit. Uit de versmelting van stem en heelal ontstaat het gedicht. Gedichten die ook liefdesgedichten zijn. We zijn niet wie we zijn./ We zijn wat we verlangen. // We zijn wat we liefhebben.

Uit het laatste gedicht, het zesde van de cyclus Sterrensporen: (…) We zijn gekomen bij de bron van het onzichtbare./ We verlangen de ster te drinken als een helder water/ dat ons uitwist, diep in ons.// In ons verschijnt een aanwezigheid zonder grens,/ in zijn niet bestaande oneindigheid./ Het immense.// We kunnen elkaar niet uitwissen./ We kunnen onszelf niet uitwissen./ We worden uitgewist in elkaar.

We wachten op het gouden getij van het licht in ons. Tot dan kunnen we ons laven aan deze bundel, de twintigste in dit uitzonderlijke oeuvre van Claude van de Berge.


Heelal en stem, Claude van de Berge, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978-90-5655-272-5

(Roger Nupie)

Iets dat op een route leek....


Alja Spaan (Sint Pancras, 1957) schrijft vanaf haar elfde dagelijks zowel proza als poëzie. De bundel Misschien moet alles eerst op tekening hersteld (Watervis, 2017) is haar volwaardige debuut als dichter. In 2018 verscheen Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid (In de Knipscheer). Bij Aspekt kwam in 2021 Losse honden uit. Uitgeverij P bracht in 2023 Het langzaam voorovervallen uit. Vanaf 8 april 2006 publiceert ze elke ochtend een gedicht op haar website. Naast het schrijven organiseert zij Reuring, een taalplatform in Alkmaar. Zij is drijvende kracht achter het literaire e-magazine Meander en ook verbonden aan het Dagboekarchief. Bij de Eenzame Uitvaart Alkmaar is zij bestuurslid en al dan niet dichter van dienst.

Haar nieuwe bundel Iets dat op een route leek en een kaart van de andere wereld opent met: gedichten opgedragen aan mijn moeder. De titel komt uit het gedicht. In het gedicht wordt de titel voorafgegaan door: een koord, gespannen tussen twee wereldeneen verkreukeld papiertje met daarop vaag iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld.

De cover is een schilderij van Hans van Marwijk. Er hangt een mist over de kleuren, de titel staat er middenin, een boom die niet uit donkere aarde oprijst maar uit nevel die trapsgewijs naar boven klimt.

Relaties tussen zonen en vaders, tussen moeders en dochters zijn meermaals complex en vol van onder elkaars schaduw kruipen. We willen niet zijn wat ze van ons willen maken.

In de aanvang herken je nog de duidelijke vormen van een gedicht. Naarmate de bundel vordert groeien de gedichten naar uitgebreidere teksten.Gedichten die zich als verhalen laten lezen. Er is veel mededogen, ontroering, heimwee, melancholie. Wat voorbij is komt terug in andere vormen. Vormen die anders benoemd worden, op andere manieren afgebakend worden, niet meer met vragen maar met antwoorden. De antwoorden zijn de gladgestreken vragen op het verkreukeld papier.

In het afwezig zijn wordt juist de aanwezigheid versterkt. Er zijn geen discussies meer. In de aanvaarding kom je dichter. Luisteren wordt belangrijker als spreken. De luisteraar wordt een vertaler van de spreker. De onderlinge verschillen, de machtsverhoudingen worden geneutraliseerd juist door deze omkering. Zowel de spreker als de luisteraar leggen hun pose af, ze kleden zich uit woord na woord en vinden elkaar niet gehinderd door leestekens, komma’s, puntkomma’s, punten, dubbele punten, vraagtekens, uitroeptekens… Ze staan onbevangen tegenover elkaar. Ze scheppen elkaar niet leeg maar vullen elkaar.

Op een treffende en ontroerende wijze verwoordt de dichter de dochter-moederrelatie. De herinneringen ontvluchten het verleden en stappen het heden in zonder toeters en bellen, zonder opsmuk maar met een tedere, alles omhelzende duidelijkheid.

… en ik hoop dat er een vogel langs
vliegt die zich nestelt in de ene boom daar achter en
dat zijn vleugels zacht genoeg zijn om mijn moeders
oren te strelen…


Iets dat op een route leek en een kaart van de andere wereld, Alja Spaan, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 94 64757 90 3

(Frans August Brocatus)

Het helderst is het waas


Job Degenaar is Neerlandicus en docent met een lange staat van dienst. Zomerschaduw moet ongeveer zijn twintigste poëziebundel zijn. De titel heeft een melancholische bijklank; op de cover staat hij in vette donkerblauwe letters, lichtdoorlatend als de schaduw van een boom. Het is geen toeval; het woord werd geplukt uit het gedicht Weg waarin een oude eik wordt geveld door een man met een kettingzaag:

in een zucht viel zijn lange staat van dienst
die adem gaf en zomerschaduw, hoop en zachte kleuren.


Typerend voor de dichter, die zich mogelijk vereenzelvigt met de eik. Want de dichter is niet jong meer, zo blijkt uit een gedicht dat geen titel draagt maar waarboven een ?-teken zweeft:

Maar die laatste fase van je levensreis met
aan weerszij hagen die het zicht ontnemen
opgaand in een steilte van steen.


De bundel bestaat uit drie delen: In dit licht, herinneringen, observaties en reflecties in verband met de eigen omgeving. Vervolgens De lange adem van het licht, een cyclus over IJsland, om af te sluiten met Speedlight (dubbelzinnige titel?) bevindingen en sensaties in het Portugese landschap.

Dit alles roept de sfeer op van het voorbije en het onvatbare, het zijn mijmeringen soms tot op de grens van landerigheid of existentiële verveling. Niet alles komt even goed uit de spreekwoordelijke verf maar dat is waarschijnlijk ook niet de bedoeling: het gedicht Mirnsen Klif vandaag begint als volgt:

wat wazig is vandaag was gisteren nog helder om te eindigen met:
het helderst is het waas dat over alles ligt


Maar het is niet al sfumato en dissectie van licht wat de klok slaat: In Amsterdam, in vogelvlucht vlamt plots een contrasterende wereld op:

In de pislucht van een tochtsteeg zigzagt tussen de peuken, naalden
en lachgashulzen een éminence grise met groenpaars kopje
schoksgewijs naar alle kanten plechtig pikkend
naar wat geen zaden zijn of kruimels


De dichter haalt echter geen heilige of onheilige huisjes neer (is alles niet al neergehaald?), blijft doelbewust toegankelijk, relativerend, lijkt zich te conformeren aan de tijdsgeest.

Onopvallende hoogtepunten in de bundel staan er mijns inziens aan het begin en het einde van de bundel, zich door hun cursivering onderscheidend van de rest. Licht telkens anders, en toch hetzelfde, mag dan het algemene thema zijn, in de marge staan de twee gedichten over de zon, de bron van het licht. Vooraan in Schaduwcantharel groet morgenzon:

……….hij geeft me omhelzend
de volle laag, zijn diepschuine, witgouden missie
spat mijn wereld open en die van de op mij aanstormende
schimmen tussen wie ik zwenkend mijn weg zoek


en in het laatste gedicht, De zon en ik:

In zijn licht zijn woorden vluchtig, hij laat me achter
in een vraagteken, ik kan me doodschrijven over hem

maar hij schijnt onvermoeibaar door
dus hou ik op afstand de relatie scherp

Op de binnenzijde een foto van de dichter; een gebruind gezicht, getaande huid, lange grijzende haren, even meende ik een van de oude Azteken of Maya’s voor mij te zien.


Zomerschaduw, Job Degenaar, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 946 4757668

(Cel Vermeulen)


Onderdak


In de verzamelbundel Onderdak wordt zo’n 35 jaar dichterschap van Joris Iven in beeld gebracht. In een uitgebreide voorbeschouwing licht professor Dirk De Geest de poëzie van Joris Iven toe. Onder een aantal rubrieken geeft hij tekst en uitleg bij de verschenen bundels. Een lezer wordt dichter. Poëzie en gemis. De fotograaf en de dood. Wandelen langs het water. De herinnering en het verhaal. Verhalen. Kunstenaars onder elkaar. Onderweg steeds weer onderweg.

Dirk De Geest noemt de dichter een eigentijds romanticus, een dichter die wordt gestuurd door zijn dromen en zijn verlangens, maar die zich er tegelijk van bewust is dat die slechts deels of helemaal niet kunnen worden gerealiseerd. Deze tweespalt tussen verlangen en realiteit is de basis waarop de poëzie van Joris Iven zich ontwikkelt. Romantisch is de obsessie met het onvolmaakte van het bestaan en de niet te stillen honger naar het absolute. Poëzie is in dit kader een toevluchtsoord, dat als alternatief voor de banale wereld geldt.

De titel Onderdak verwijst naar het beroemde vers van J. J. Slauerhoff: Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak.

Bij de opening van de bundel stelt Dirk de Geest: “Onderdak, een eeuwig onderweg?” Daaronder een citaat van Gerrit Komrij “Poëzie is geen tijdelijk onderdak, poëzie is kost en inwoning.”

Het laatste deel van de verzamelbundel bestaat uit ongepubliceerde gedichten onder de titel In de bas-fonds van een aartsengel. Gedichten geschreven met als leidraad de figuur van de Belgische architect en vertegenwoordiger van de art nouveau, Victor Horta. De dichter neemt je bij de hand en voert je langs de gebouwen. Zij zijn het decor van wat er in of voor gebeurt.

Hortagalerij

1

Samen met haar zie ik wat zij ziet,
als ze vanop de begane grond

de brede trappen naar beneden neemt
en het zenitale licht haar door de haren vloeit.

Wie deze galerij binnenloopt, loopt zo vaak verkeerd.
Hij denkt op een perron aan te komen,

waar hij op een trein kan stappen,
maar niets is minder waar.


Een keuze maken is moeilijk. Kiezen is altijd ook een beetje verliezen. Doorheen de bundels zie je dat de dichter experimenteert met vorm en zegging. Sommige gedichten beginnen als verhalen maar verbergen, noodzakelijk voor poëzie, een verrassend beeld, een ongewone waarneming.

Uit alle bundels heb ik mijn voorkeuren en die gaan meer naar de strak gecomponeerde bundels. Strakke composities geven meer ademruimte. Ik hou van witregels die vaak veelzeggend zijn. Ik heb nood aan stilstand. Bij deze bundels noem ik: Galerie de Taxus (1987), Splijt ons (1994), Sluiter/sluier (2009), Braziliaans blauw (2018) en Stabat filius (2016). Met deze keuze wil ik de overige bundels echter geen onrecht aandoen.

Onderdak is een treffende keuze uit het oeuvre. Om te lezen en te herlezen. Het pleit absoluut voor de dichter dat hij in zijn gedichten het experiment niet schuwt. Het moge duidelijk zijn dat er in zijn huis vele kamers zijn.


Onderdak – Parnassusreeks 23, Joris Iven, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978 94 64757 32 3

(Frans August Brocatus)

De doden niet meer tellen


Op zaterdag 3 mei 2025 waren Lucienne Stassaert en Bart Stouten te gast in ‘Het Schooltje’ van de Sint-Pauluskerk in Antwerpen. Van Lucienne Stassaert werd Alle eindige dingen openbaren oneindigheid voorgesteld, haar vertaling van poëzie van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke. Katelijne Boon leidde de recentste dichtbundel van dichter en jarenlang presentator bij KLARA Bart Stouten in: De doden niet meer tellen. Dat alles werd muzikaal voortreffelijk omkaderd door pianiste Eliane Rodrigues.

De doden niet meer tellen is de dertiende bundel die van Bart Stouten verschijnt bij Uitgeverij P. Bij dezelfde uitgeverij verscheen in de Parnassus-reeks ook een bloemlezing van zijn werk: Onder de avondklok van de liefde (2018).

De nieuwe bundel is één lang prozagedicht. Bart Stouten reisde in de winter van 1982 (toen Brezhnev de plak zwaaide) naar Moskou, gefascineerd door de iconenschilder Andrej Rublev. Die herinneringen worden poëtisch verweven met de actuele wereld waar steeds meer oorlogen opdoemen. Met als kernfiguur de anonieme soldaat: een held, een vriend: De oorlog zal jaren duren./ De pijn zal eeuwig blijven./ Wie ben je, onbekende soldaat?/ Waar kom je vandaan, Vlad?/ Jouw stad? Je ouders?

De dichter tast thema’s als dood, geloof, kunst en vrijheid af. De tekst is doorspekt met citaten van of verwijzingen naar zowel mythologische personages (Homeros, Aeolus, Ares - god van de oorlog) en politieke figuren (Brezhnev, Lenin, Poetin, Donald Trump, Zelensky) als artiesten uit de populaire muziek (Harry Secombe, Vera Lynn, Elton John), dichters (Konstantínos Kaváfis, Fernando Pessoa), plaatsnamen, een mantra uit de yoga-traditie… Dat alles is welbewust en smetteloos geïntegreerd in de tekst én wordt toegelicht, gelukkig niet in voetnoten achteraan de bundel, maar rechts meteen naast de plaats waar ze zich voordoen.

HET DODENTAL IS GESTEGEN TOT VIERHONDERDDUIZEND/ terwijl de president een vergadering belegt/ over het economisch beleid van zijn land./ Ze zullen een subsidieprogramma bespreken/ voor kleine en omvangrijke bedrijven.

Doorheen de tekst neemt de beklemming toe en wordt het dodental vermeld: van vier (pagina 13) tot zevenhonderdduizend (bladzijde 38), tot de melding “IK KAN DE DODEN NIET MEER TELLEN” in de rest van de bundel geregeld herhaald wordt. Tenslotte eindigt dit prozagedicht met “IK KAN DE DODEN NIET MEER TELLEN. MAAR WEL DE OORLOGEN”.

Duizenden burgers komen om het leven,/ maar dat doen ze al dagen-,/ weken- , maanden-,/ nu al jarenlang.

Alsof soldaten een wanhoop meedragen/ die ze proberen te verbergen,/ verliezen ze zich in een levensagenda/ die ik beter moet leren doorzien./ Hun oorlog is niet die van de media.

Enig engagement was Bart Stouten al niet vreemd. Hij schreef eerder een roman over het lot van een Oegandese vluchteling: Liefde en andere overvloed (Uitgeverij Vrijdag, 2019) en vorig jaar verscheen bij Uitgeverij Pelckmans Zonde van de hemel, een brief aan een jonggestorven dakloze in Tokio. De doden niet meer tellen is een prestigieuze, overtuigende en geslaagde poëtische aanklacht die we beslist tot zijn belangrijkste publicaties mogen rekenen.


De doden niet meer tellen, Bart Stouten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-76-7

(Roger Nupie)

Voetafdruk van stilte


Hanna Kirsten (1947), pseudoniem van Johanna Bral, publiceerde zeven gedichtenbundels. Haar eerste gedichtenbundel Adem van vogels verscheen in 1973. Later volgden Elders wonen (2003), Korst en kruim (2005) en Hoe sterk is de hechtzijde (2007). Ze was gedurende tien jaar werkzaam als lerares Nederlands en Verbale Expressie in Antwerpen. Ze schrijft ook poëtische teksten bij de schilderijen van Mia Goovaerts. Tussen 1983 en 1997 maakte ze samen met haar man, wijlen Hendrik Brugmans, reizen door en voor Europa. De levensgeschiedenis van haar man schreef ze op in Wij, Europa (Kritak-Meulenhoff 1988).

Het omslag van de bundel is sober, geheel in de stijl van Uitgeverij P. De bundel bestaat uit zeven cycli: Raap je stem op, Uit de tijd en zo dichtbij, How News must feel when travelling, Jy is my liefling en ek is so bly, Kom dan mijn beste vader, zet u op mijn rug, De herinnering aan goede ogenblikken en Levende steentjes. De titels van de cycli komen onder andere uit gedichten van Emily Dickinson, Breyten Breytenbach, Wislawa Szymborska. De cyclus Levende steentjes is een verwijzing naar een tekst van Hanna Kirsten, geschreven bij schilderijen van Mia Goovaerts, eerder gepubliceerd in Liefdeknoop. Naast de algemene opdracht zijn er ook gedichten opgedragen aan onder anderen Marleen de Crée en Renaat Ramon. “Woorden en stilte zijn mijn materie, mijn bron in het bestaan” zegt de dichteres. Een bron waar ook deze bundel aan ontspringt.

Ofschoon de bundel in cycli is onderverdeeld kom je als je alles achter elkaar doorleest in een soort trance, een uiterst precieze verstilling. Ze gebruikt geen bombastische beelden, schijnbaar achteloos maar achteraf weldoordacht plant ze haar woorden in, wat uiteindelijk gedichten worden. Al wat opsmuk en overbodig is, is geschrapt. In deze gedichten staat de essentie, een punt waar de dichteres naar toe leeft en geleefd heeft. Onder de woorden schuilt heimwee en gekoesterd maar geen beladen verdriet. Bijzonder zijn ook de in memoriam gedichten voor mance post, jelle abma, tich walker, hajo izaäk johannes wildschut (alle namen geschreven zonder hoofdletters):

i.m. mance post
….

verlangen naar sneeuw
vult de witte plekken
van een leemte

Ze schrijft zorgvuldige en intieme gedichten over ouder worden, over liefde, gemis, vriendschap, seizoenen en kinderen en toont zich in haar actuele gedichten over covid, asielzoekers, discriminatie ook als fijngevoelige, warme, geëngageerde dichter:

wit en roze wiegen bloesems
in haspengouw
tractoren, bloesems en bijen
worden gewijd

tegen nachtvorst
cirkelen helikopters boven
de bloemenzee

opgesloten in het laadruim
of in lekke sloepen
haken duizenden
naar het land van belofte

de middellandse zee
zwijgt

in zakken
witter dan het wit
van perenbloesems
de rij van lichamen
op een onbekende kust

Haar gedichten spiegelen zich in het citaat van Marleen de Crée:

De stilte, Hanna, is het woord willen en
zonder het woord kunnen we niet zeggen
dat we de stilte liefhebben.


Voetafdruk van stilte, Hanna Kirsten, Uitgeverij P, 2025, ISBN 978 94 64757 72 9

(Frans August Brocatus)

Een dichter zonder grenzen


Dichter-criticus Willem M. Roggeman werd onlangs 90. Collegadichter Guy van Hoof stelde Andreas van Rompaey voor naar aanleiding van deze verjaardag een huldeboek samen te stellen. Beide heren leverden bijdragen. Guy van Hoof met Willem Maurits Roggeman, over de poëzie van Willem; Andreas met maar liefst drie bijdragen: Uitbeelding van de verbeelding, over de romans van Willem M. Roggeman, Op zoek naar Atlantis en Interview over interviews, over Roggeman als interviewer.

Andreas Van Rompaey studeerde taal- en letterkunde. Met zijn belangstelling voor de naoorlogse Nederlandstalige literatuur leverde dat tot op heden een aantal interessante publicaties op. Zo verscheen de biografie Paul de Wispelaere, Bruggenbouwer (Zorrobooks, Damme, 2020), de essaybundel Verhalen in perspectief (Eburon, Utrecht, 2021), De literaire roeping (Les Iles, Elzele, 2023), een interviewboek met aandacht voor zeventien auteurs en de monografie De detective ontmaskerd (Gaia Chapbooks, Leeuwarden, 2025). In 2022 stelde hij de poëzieverzameling Johan Sonneville. Letaal samen (Uitgeverij C. de Vries, Antwerpen/Rotterdam). Samen met Renaat Ramon, Willy Tibergien en Lieve Terrie heeft hij AᗡᗞA - cahiers voor concrete & visuele poëzie opgericht.

Het huldeboek opent met gedichten, drie opgedragen aan Willem: Honderd nabij van Renaat Ramon, Willem M. Roggeman weet het van Hendrik Carette, Het onderbewuste van Guy van Hoof, die ook zijn gedicht The Modern Jazz Quartet aan hem opdroeg en tenslotte een gedicht van Willem zelf: Zo spreekt alleen een dichter

Na de inleiding van Andreas volgen dan de bijdragen, waarvan sommige niet eerder verschenen zijn, die zowel het dichterschap van Willem als zijn reizen, zijn belangstelling voor jazz en zijn erkenning in het buitenland (De ontvangst van Willem M. Roggeman in Bulgarije, een tekst van Aneta Dantcheva-Manolova) belichten. Actrice Alice Toen, net als Willem nog superactief op hogere leeftijd - op haar honderdste bracht ze voor het eerst een CD uit, Een eeuw van Toen - heeft het over Willem als toneelschrijver. Van Paul de Wispelaere werd de tekst Willem M. Roggeman als criticus opgenomen. Jos Buurlage heeft het over de schrijversinterviews van Roggeman, die eerst in het tijdschrift De Vlaamse Gids werden opgenomen (waar Roggeman redacteur van was) en op een paar uitzonderingen na in de zes bundels Beroepsgeheim die van 1975 tot 1992 verschenen.

Na de bijdragen zorgde Andreas voor een bibliografie van Willem en kregen alle medewerkers een korte bio mee. Het boek is verlucht met een fotokatern. Ook nu heeft Andreas Van Rompaey uitstekend werk afgeleverd met dit huldeboek. Deze uitgave heeft als doel om zoveel mogelijke aspecten van Roggemans oeuvre te belichten, lezen we op de flap. Daar is hij prima in geslaagd.

Tot slot deze bedenking van Peter-Holvoet Hanssen: Willem M. Roggeman: hou koers, naar de Kaap van Honderd! Zo graag wil men de melancholische man-rog naar de randgebieden van de vergetelheid verdringen, maar hij is de beste vriend van zijn schaduw, hij blijft tot nader order poëziewolken uit de hemel snijden.


Willem M. Roggeman, een dichter zonder grenzen, Andreas Van Rompaey, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2025, ISBN 978-94-92519-98-6

(Roger Nupie)

Lift


Michael Tedja (1971) groeide op in een gezin met Surinaamse ouders. In 2001 won hij de Charlotte Köhlerprijs. Hij is schrijver, dichter, beeldend kunstenaar, curator en oprichter/ directeur van The DFI Publishers. Dat is een platform ‘for exciting ideas from beyond our own national borders, producing remarkable images, crazy associations in stinging criticisms, stories and poems which it places in an intercultural context’, dat een deel van zijn teksten (mede) heeft uitgegeven. Hij debuteert in 2003 met de roman A.U.T.O.B.I.O.G.R.A.F.I.E.. Vervolgens verschenen De aquaholist (prozagedichten, 2005); Hosselen (roman, 2009); Tot hier en verder (gedichten, 2013); Regen (gedichten, 2015); Briljante man (roman, 2018); Exclusief (gedichten, 2019); Meta is haar naam (roman, 2021); Het uitgelezen deel (gedichten, 2022) en Het diagonale instituut (roman, 2024).

Het lange gedicht Lift, opgebouwd uit ontelbare fragmenten, wordt voorafgegaan door het volgende, veelzeggende citaat: 'In the very end, civilizations perish because they listen to their politicians and not to their poets' van Jonas Mekas. Een waarheid die staat als een huis.

Een lift is een verticaal transportsysteem bedoeld voor het vervoer van personen of goederen in gebouwen. Het vervoer geschiedt door middel van een liftkooi, ook liftcabine genoemd. De kooi bevindt zich meestal in een schacht en verplaatst zich langs vaste geleiders omhoog of omlaag.

In dit gedicht vertolkt de lift een hoofdrol. Ik citeer: in de lift zocht ik naar een interne structuur…de lift bleef in beeld. De liftgeschiedenis toonde inzicht in wat de lijn van bewegen was…De mensen in de lift vonden mijn ideeën niks…vonden mijn ideeën fantastisch…In de lift vroeg ik om de kunstmatige grenzen op te heffen…De lift als cirkel…In de lift lichtte de taal op…

Een plek waar je mensen en dieren gedwongen ontmoet. Een kooi die je naar de kelder, naar een flat brengt. Flatbewoners met verhalen die ze vertellen of verzwijgen. Flatbewoners met diverse achtergronden. De schoonmakers. De conciërge. De arts. De rechercheur. En naast de lift de trap die een ander leven leidt. Waarop de ontmoetingen sneller en letterlijker voorbijgaan. De trap in het trappenstelsel van de flat. …Het waren trappen waar onderzoek naar gedaan werd. De trappen verdienden aandacht. De trappen en de patronen van de trap. De trap was naar buiten getreden…..Ik hield niet van trappen en het optreden van de huismeester.

Een bijzondere aanpak. Fragmentarisch maar daardoor juist veelzeggend, meer vragen oproepend dan antwoorden gevend, tot nadenken stemmend. Een stukje van op bladzijde 83:

Een lift waarin flatbewoners een rol speelden.
Een lift die een realiteit blootlegde.
Een lift die ik open kreeg.

Een lift die te zien was.
Een lift waarin happenings plaatsvonden.

Een lift die verslag deed.
Een lift die bevrijdend werkte.


Een lift die bewoog.
Een lift die een taal hanteerde.
Een lift die op zoek was naar het sublieme.

Een lift die een impressie gaf.
Een lift die bewondering afdwong.
Een lift die een probleem verwoordde.

Een lift die orde schiep.
Een lift die een stem had.


Lift – gedicht, Michael Tedja, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2025, ISBN 978 90 8684 281 0

(Frans August Brocatus)


Jazzy combinaties van Guy van Hoof


Dichter Guy van Hoof is best productief. In 2025 verscheen al de bundel De ontdekking van de nacht (Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam) en in ditzelfde jaar laat hij de bundel Combinaties op de lezer los, een hardcover uitgave met op de omslag een werk van Bert Prins aan wie de dichter in De ontdekking van de nacht het gedicht De vrije hand opdroeg en in de nieuwe bundel De rijzende zon.

Het is zijn tweede bundel met uitsluitend jazzgedichten. Eerder verscheen De man die (altijd) terugkwam (2019, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam). Gedichten uit deze bundel werden opgenomen in Twee soorten adem. Jazz & Poetry in de Nederlandse letteren, samengesteld door Wim Huijser en John Schoorl (Azul Press, 2021). Los van deze twee bundels met jazz als thema doken al eerder jazzgedichten op, ook in De ontdekking van de nacht, waar in het gedicht Waar ben je? Frank S. (Frank Sinatra) met de song I’m gonna live till I die de dichter inspireerde.

Na de inleiding van Bart Madou volgen vier cycli: Het betere gevoel, Nooit of nu, De tijd gaat nu in en What’s next. Daarna volgt nog het gedicht The Modern Jazz Quartet, opgedragen aan Willem M. Roggeman, dat ook werd opgenomen in het huldeboek Willem M. Roggeman, een dichter zonder grenzen (Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2025) dat Andreas van Rompaey samenstelde en waar Guy van Hoof ook aan meewerkte. Tot slot volgen nog enkele recensies over zijn eerste jazzbundel.

Het was onder meer Cannonball Adderley die de dichter inspireerde tot het schrijven van jazzgedichten. Enkele fragmenten uit Uit de tijd gaat nu in, suite voor alt en tenor. De alt is Adderley, de tenor Trane (John Coltrane): ze geven en nemen, alt en tenor,/ wie is wie, wie speelt wat, ze zien de tekens/ dubbel of in tweevoud als een waaier en een wolk (uit Verbazing). Ze steken de koppen bij elkaar/ beter gezegd tegen elkaar aan/ de lippen aan het mondstuk dat een stuk/ van hun lijf is geworden als gereedschap/ om klanken te maken die nog niet bestonden (uit Gereedschap). Coltrane, de heilige en Adderley, de kannibaal/ de middelen heiligen het doel/ ze willen voor iemand onderdoen/ ze verliezen mekaar geen maat uit het oog/ ze betalen hun eigen consumpties/ ze lopen over elkaars schaduw heen (uit Duet).

Veel instrumentalisten, al komt ook Billie Holiday aan de beurt in het gedicht Magnolia: zoete/ sfeer van bloed en ontbindend vlees/ die als en zachte wonde klinkt/ uit de mond van Billie Holiday en wordt Frank Sinatra zeer treffend getypeerd: Sinatra, in tegenlicht, zorgvuldig voorbereid/ maar geoefend in professionele nonchalance.

Guy van Hoof belicht, evoceert en interpreteert niet alleen voortreffelijk de muziek van zijn jazzhelden, maar evengoed wat er bij hen leeft, hun lief en leed, en de impact ervan op de luisteraar. Wat een luxe is dan ook niet toevallig een titel van een van de gedichten.

Combinaties, jazzgedichten, Guy van Hoof, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2025, ISBN 978-94-92519-94-8

(Roger Nupie)

"God is een dichter"


Ludo Noens publiceerde aanvankelijk literaire fantastiek (verhalen en novellen). Later zou hij vastgesteld hebben dat er eigenlijk niets fantastischer en raadselachtiger is dan de wereld en het leven zélf en dus schakelde hij grotendeels over naar wat fantastisch realisme wordt genoemd. Ondertussen verschenen van hem al een tiental werken in dit genre (waarvan één ook in een Franse en één in een Engelse vertaling).

Zo schreef Noens eerder over de paranormale eigenheden van marginale personages uit de esoterische traditie, maar ook uit de academische wereld.

Als adolescent frequenteerde hij een tijdje theosofische kringen in Antwerpen en hij verdiepte zich in de werken van onder andere de Russische esoterici H.P. Blavatsky en P.D. Ouspensky. Ook de oud-Indische en boeddhistische metafysica hebben blijkbaar grote indruk op hem gemaakt.

In zijn nieuwste boek Als in een wazige spiegel neemt Ludo Noens ons mee in zijn zoektocht naar de basis van wat wij de realiteit noemen. Samen met een stijgend aantal theoretische fysici bevroedt hij dat de fundamentele bouwstenen van onze ‘werkelijkheid’ niet van fysische, maar van mentale aard zijn. De waarnemingen in de deeltjesfysica gaan in ieder geval die richting uit, zoals zelfs Max Planck, grondlegger van de kwantummechanica, ooit verklaarde: De kracht die actief is in het atoom is afkomstig van een bewuste, intelligente geest. Geest is de ultieme bron van materie.

In zijn boek heeft Noens het eerst over de huidige wetenschappelijke inzichten aangaande het ontstaan van het heelal. Over de Big Bang en over Albert Einstein, en de begrippen zwaartekracht en ruimtetijdkromming. Blijkt dan verder dat Einstein niet enkel een hard-boiled wetenschapper was, maar wellicht óók de geschriften van Blavatsky had gelezen. De ontwerper van de fameuze Relativiteitstheorie schreef hoe dan ook het voorwoord bij het boek Mental Radio van Upton Sinclair over telepathie en (zoals de Nederlandse professor Westerse Esoterie Alexandra Nagel aantoonde) liet hij zijn handen ‘lezen’ en had hij contact met helderzienden!

Esoterici verzekerden overigens al eind 19de eeuw dat de zwaartekracht géén fundamentele natuurkracht is, en dat brengt ons bij het opmerkelijk hoofdstuk over levitatie. De heilige Josef van Copertino was één van de eerste goed gedocumenteerde personen die (aanvankelijk tot zijn schaamte) bijwijlen lichamelijk de wetten van die zwaartekracht tartte, maar er zijn, zo lezen wij hier, ontelbare getuigenissen over leviterende personages, en niet enkel in een katholieke context. Ook zekere Tibetaanse yogi’s gingen bijwijlen spontaan aan het vliegen of verkregen psychokinetische krachten in hun doorgedreven mentale zoektocht naar het nirvana.

Wat (mathematicus!) Ouspensky betreft, die schreef dat de artistieke inspiratie (kunst in haar hoogste verschijningsvorm) doelmatiger was dan rationele natuurwetenschap om tot kennis te komen aangaande finale waarheden. Het is trouwens die zogenaamde ontopoëtische intuitie die de Amerikaanse schrijver Edgar Allan Poe al in 1848 ertoe dreef in zijn diepgaande prose poem Eureka! het ontstaan van het heelal met de Big Bang te beschrijven. Welnu, zo lees ik hier verder, diezelfde Edgar Poe – hoewel eveneens goed onderlegd in de mathematica – trok uit de specifieke aard van de realiteit finaal ook de conclusie dat de Schepper-God geen soort ingenieur is, maar… een dichter!


Als in een wazige spiegel. Twijfels bij een ontspoord wereldbeeld, Ludo Noens, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2025, ISBN 9 789464 873658

(Anouk Kallen)


Intimiteit zonder woorden


De derde broer van de schrijver overleed onverwacht aan een hartstilstand, alleen, in zijn geliefde Zuid-Frankrijk. Voor de hechte familie, die oorspronkelijk bestond uit tien personen, vier boers, vier zussen, vader en moeder, laat zijn plotselinge eenzame dood een schurend gevoel achter. De schrijver en één van zijn broers vatten het plan op om per fiets in twaalf dagen van hun geboortedorp, Wuustwezel, te reizen naar Banhars, waar hun broer gestorven is. Het boek is een verslag van de reis met enkele vaste onderdelen. Bij elk overnachtingsadres worden gedenkwaardige wedstrijdmomenten uit diverse jaren van de Ronde van Frankrijk vanaf 1950 benoemd die betrekking hebben op de betreffende locatie. Elke dagtocht wordt afgesloten met een passend gedicht uit de bundel Le livre ouvert van Paul Eluard.

Aan het begin van de tocht zijn er vooral ervaringen uit de vroege jeugd, het gezinsleven, het schoolleven. Ook komen herinneringen boven aan de eerste confrontatie met de dood, een klasgenootje dat het leven laat bij een dodelijk verkeersongeluk. De indrukwekkende doodsstrijd die de schrijver als misdienaar, samen met de pastoor op huisbezoek, meemaakt, laat nog altijd zijn sporen na. Het eerste meisje waarop de schrijver, als middelbare scholier, verliefd was, werd op haar brommertje aangereden en stierf datzelfde weekend. Ze leek op Francoise Hardy. Later komen gedachten boven aan vrienden die overleden of die zelf voor de dood kozen.

De broers lijken onderweg weinig over dit alles en over de broer te praten. Ze memoreren hoe hij altijd op zijn fiets zat, maar hun intimiteit is veelal een zwijgende. Er is de onuitgesproken vrees de eindstreep niet te halen, hartstilstand heeft ook de moeder het leven gekost. De schrijver krijgt blaren op zijn billen. Zijn broer, de techneut, verzorgt die liefdevol, net zoals hij de mankementen aan de fiets verhelpt. Hoewel de tocht hen bij tijden zwaar valt, piekeren ze er niet over om op te geven. De derde broer duwt hen voort. Tijdens verschillende verblijven waar zij de betekenis van hun tocht benoemen, opent dit deuren van meegevoel. De receptioniste van een hotel krijgt tranen in haar ogen, haar vader is drie jaar eerder overleden. Dat gemis wordt opnieuw aangeraakt. Ze doet extra moeite een overnachting voor hen te regelen op hun volgende rustplaats.

Wanneer ze hun doel gehaald hebben, vallen ze elkaar geëmotioneerd in de armen. De overige broer en de zussen arriveren met partners. Ze delen hun verdriet om de dode zonder woorden, maar in omhelzing, met tranen. Het schurende gevoel maakt plaats voor berusting.

Het boek is een ode aan het leven, aan familie, aan dierbare vrienden, aan de wielersport. Naast de gedichten van Paul Eluard zijn er gevoelige gedichten van de schrijver zelf naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder, het overlijden van andere dierbaren.

Wij vulden ons samenzijn niet
met woorden maar tussen begin
en einde lagen gebaren, tekens
die nu voor altijd voorbij zijn.



Reis naar het einde van de derde broer, Frans August Brocatus, Uitgeverij Amilicious, Breda, 1025, ISBN 978 9493 366954

(Truus Rozemond)


De honden komen om alarm te slaan


De cover van een dichtbundel geeft al een bepaalde indruk, vooral wanneer de dichter een dubbeltalent is en zelf tekent voor het ontwerp. Het beeld dat wordt opgeroepen is er een van angst en dreiging, het maakt meteen duidelijk dat de auteur niet op zoek is naar het schone of het sublieme.

De inhoud blijkt zeer persoonlijk: in zeven delen krijgt men hier, in min of meer chronologische volgorde een autobiografie in vrije verzen gepresenteerd.

Het eerste deel WARME SOKJES gaat over de kinderjaren, de ouders die lijnrecht tegenover mekaar staan: ze hadden ook een kind / en dat was ik / vanaf geboorte cactuskind….Dat kind blijft geketend aan de moeder, de vader blijft hoofdzakelijk een vermaledijd figuur: vol van gelijk verwondden zij de man / die weerloos was / de man en vader

Samenhangend hiermee wordt er gezinspeeld op trauma, eetstoornissen en smetvrees maar ook op de kiem van het schrijverschap: Voordat ze zien kon wat ze zag / stak uit het niets een wind op / die naar binnen vlaagde een grote hand / joeg alles weg en ongedaan / geen letter bleef gespaard

HET BED NOG NOOIT ZO WIT beschrijft het verval, de dood en het afscheid van de moeder. Het eindigt ermee dat de schrijfster bij zichzelf ‘op visite gaat’: We telden wie nog leefde / gelukkig viel het mee / we kregen bij mijn uitvaartdienst waarschijnlijk wel twee banken vol

Ook in VERZIN EEN GOD gaat het om verwijdering en afscheid. Gebeden worden niet verhoord maar het is niet al kommer en kwel: m’n schoenen zitten goed / ik heb brood en water bij me / deze keer vergeef ik god dat hij niet bestaat

Vervolgens komt in HOE HIJ HOE ZIJ onvermijdelijk de liefde aan bod, van grote verwachting: ze hoopt / dat hij haar vinden zal / haar wit getal / het cijfer nul / de omega naar: steeds weer de man / die door afwezigheid/ zijn spijkers slaat

In BLINDLICHT lijkt het om de zoon te gaan, de huiselijke taken en bekommernissen, het echtelijke en buitenechtelijke leven (de verboden man). Maar ook hier, op de achtergrond: Ga maar liggen pijn / gewoon terug in je hok / anders moet je de halsband om / en pak ik weer je muilkorf en je riem.

SCHUIMGEBAK verhaalt hoe een waakzaam, argwanend oog geworpen wordt op de omgeving: broederhoeders, onbevlekten / tandsteenflossers, gulle gevers, blijmoedigen en u /kwanselaars, ontduikers, voortvluchtigen / draaideurklanten en therapiezuigers

In het laatste deel DE KRULSTAART VAN EEN KEESHOND gaat het van bevlogenheid tot ontnuchtering, van lust tot berusting: ik loop hier goddank / zonder doel / ik weet het niet / is geen probleem vandaag en: we staan hier bij het hek / het is goed / samen somber te zijn

Hier zegt de dichter: ‘ik heb mijn verre voorouders ontmoet’…

we keken elkaar aan, herkenden ons vermoeide bloed
het trachten met botbreuk toch te rennen
het speuren, het verdwaald niet weten

maar ondanks alles ons volhardend zoeken
naar het bedwelmend zoet van wilde bessen
de oud beloofde smaak in onze mond


De verzen van Margriet Westervaarder zijn puur en simpel, ze hebben de ‘wildheid’ de vaart en het volume van rock’n roll.


Een waakhond aan me vastgebonden, Margriet Westervaarder, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2025, ISBN 978-94-93368-28-6

(Cel Vermeulen)

Het menselijk tekort


Wij zijn niet meer dan rechtop lopende zoogdieren, die (als enigen menen we zelf) kunnen denken. Dat is kort samengevat hoe Midas Dekkers (volgens The Times Literary Supplement ‘bioloog van beroep en genie van nature’) de soort waarvan hij onderdeel uitmaakt ziet.

Ik ben dol op de redeneertrant en de heerlijke schrijfstijl van Midas Dekkers: “Herken je een god aan zijn volmaaktheid, als je een mens wilt maken moet je voldoende onvolkomenheid inbouwen. Mensen maken is dan ook niet moeilijk. Iedere vruchtbare soortgenoot kan het. Maar een god? Hoe maak je een god? En waarvan? Toch maar niet door vervolmaking van een mens. Dat is de omgekeerde weg. Goden moeten mensen maken, mensen geen goden – wat zou zijn als water dat omhoog stroomt.” Zomaar een prikkelend fragment uit Het menselijk tekort, weer een smakelijke uitbreiding van ’s mans oeuvre.

Ook waar: “Een doel is een teleurstelling in de maak. Blijkt een doel onbereikbaar, dan zit je niet alleen zonder het verhoopte resultaat maar – adding insult to injury – mét een knagend gevoel van ontoereikendheid. Was je er nooit aan begonnen dan was het probleem evenmin opgelost, maar was de teleurstelling je bespaard gebleven. Als het je doel is om teleurstelling te voorkomen, dan staat je vrijwel zeker een teleurstelling te wachten.”

En opnieuw een willekeurige greep: “De mens zit gevangen in ruimte en tijd als een klas kinderen van groep drie voor wie die van groep vijf al buitenaardse wezens zijn. Omdat zijn zintuigen maar op een fractie van de werkelijkheid scherp zijn gesteld gaat de rest van de wereld aan hem voorbij.” Op vrijwel iedere bladzijde van Het menselijk tekort trakteert Midas Dekkers de lezer op zulke fijne constateringen.

Ook over het succesvolste boek aller tijden heeft hij het. Er is iets vreemds aan: “De Bijbel is het raarste boek. Hij zit achterstevoren. Hij begint waar hij op had moeten houden. ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed’: een mooier einde is er niet. In het begin was iedereen gelukkig, op het eind minder. Niks eind goed, al goed. Het bestverkochte boek ter wereld heeft geen happy ending maar een happy start.”

Wat een fijn boek schreef Midas Dekkers, 79 ondertussen maar quasi onafgebroken productief, toch weer. Lees Het menselijk tekort! Tot slot nog een citaat: “Het leven is net een oude jas: het moet je passen. Het kan best prettig zijn, als je je plaats maar weet. Op zoek naar een lekker plekje voor een mens is het verstandig uit te kijken naar een vacature voor een landbewonend zoogdier van anderhalf à twee meter, tweepotig, levendbarend, kort van memorie, een tikje luidruchtig en behept met een handvol tekorten dat hem goed staat. Als je een beetje aardig tegen hem bent valt hij reuze mee.” Je zou er warempel jezelf in herkennen.

Het menselijk tekort, Midas Dekkers, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2025, ISBN 9 789045 052526

(Bert Bevers)

VERblijf


Yasmin Namavar (Amstelveen, 1983) is van Iraans-Nederlandse afkomst. Ze werkt als psychiater, was finalist van de El Hizjara Literatuurprijs 2022 en kreeg in 2024 de schrijversbeurs voor poëzie van Hollands Maandblad. Haar gedichten en essays verschenen in bladen als De Gids, Tirade, Hollands Maandblad en Poëziekrant.

Op de omslag wordt het woord ‘verblijf’ in kapitalen (VER) en in gewone letters (blijf) weergegeven. Afstand overheerst wat dichtbij is. Er is een voortdurende strijd tussen de horizon en dat wat aan je voeten ligt.

De citaten van Samuel Beckett en Virginia Woolf geven de tussenliggende en volgende gedichten nog meer gewicht. Ze zijn wegwijzers naar de queeste van de dichter. Richtinggevers naar diverse bestemmingen.

In het openingsgedicht Vingerafdrukken zegt de dichter:


desalniettemin ben ik bang voor vingerafdrukken, bijtwonden
op het lichaam van een dierbare, op het mijne


De gedichten zijn in twee delen, respectievelijk Deel I. HONGER en Deel II. WILDGROEI, ondergebracht. De bundel sluit af met het gedicht ZEEGAZELLE dat is opgedragen aan Ahoo Daryayi, een Iraanse vrouw die zich op 3 november 2024 tot op het ondergoed uitkleedde uit protest tegen een opmerking betreffende haar ‘incorrecte klederdracht’. Kort na het voorval werd ze gewelddadig aangehouden door de veiligheidsdienst van de universiteit.

De bundel is op een zeer bijzondere manier opgebouwd. Op de linker pagina, voorafgaand aan de gedichten staan verschillende ‘opdrachten’. De nacht was onze eerste opdracht. De ochtend werd onze tweede opdracht. De derde, vierde en vijfde opdracht kwamen steeds in tweedelig pak. Na twee jaar kwam ik bij opdracht zes. Pas bij de zevende opdracht begreep ik mijn taak. Het zijn intrigerende inleidingen.

Haar gedichten worden bevolkt door talloze dieren, die symbool staan voor vruchtbaarheid en verlies. Familie is belangrijk. Haar familie wordt, behalve dat ze genoemd wordt in de gedichten, heel tastbaar aanwezig en een rode draad. Haar beelden zijn gespierd en heel fysiek. Haar poëzie verhaalt, rekt, strekt zich uit, bakent niet af, geeft een inkijk in haar wezen. Dreiging en een soms unheimisch gevoel ontstaan als ze een dunne messnede kerft tussen lichamelijkheid en geweld. Ze geeft een overvloed aan details wat je de adem beneemt en dwingt om terug te grijpen naar het begin. In de aanloop naar de slotregels van de gedichten is zij uiterst passioneel om dan in die slotregels vaak te eindigen met een vraag, een tedere conclusie, een stap terug in de werkelijkheid. Er staat geen woord te veel in haar gedichten. Ze grijpt je bij de keel om te eindigen met een teder gebaar bijvoorbeeld Een hand die niet verloren ligt. Gedichten om te lezen en te herlezen. Ik was en ben meer dan blij verrast.

Een klein fragment, een vingerafdruk die nieuwsgierig maakt naar de hand en klimmend het lichaam en gravend: de ziel.


luister, ik ben de voetstappen waarin ik sta
vergeet, mijn voorouders koud
sleep mijn passen traag over schelpen
ik ben geen roofdier, ik ben een volgeling
….


VERblijf, Yasmin Namavar, Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2025, ISBN 978 94 93397 08 8

(Frans August Brocatus)

Op een landtong woont de zanger


Marcel Cel Vermeulen neemt een bijzondere plaats in binnen het huidige literaire landschap. Naast dichter is hij ook een bijzonder getalenteerd gitarist en musicus, die bij meerdere bands en orkesten speelde. Muziek lijkt voor hem een ‘devoir vivre’, een notie, die in de traditie van Kant leidt tot een vorm van vrijheid en geluk. Cel Vermeulen complementeert dit met een in de muziek gewortelde poëzie. Reeds in zijn bundel Golflengte, die een lovende recensie kreeg van Marc Bruynseraede in De Auteur (september 2022), komt die drang om muziek en taal poëtisch te versmelten naar voor. Zelf zegt hij daarover dat al van in zijn collegejaren in Herentals die fascinatie groeide via de lessen Nederlands en hij zo begon te publiceren in het collegeblad. Hij werd later medewerker en zelfs redactielid van het literaire tijdschrift Deus ex Machina.

In Op een landtong woont de zanger werkt Vermeulen verder aan die symbiose tussen woord en klank. Zijn stijl is niet alleen debet aan een ritmisch muzikale uitvoering maar de muziek zelf is het thema dat aan deze bundel ten grondslag ligt. In vier cycli - Kaleidoscoop, Harpen en Harpijen, Klankbodem en Wuivende Kruinen Snaren Rivier, in het midden onderbroken door een kort intermezzo Toonladder Fantasie, acht miniatuur gedichten van grondtoon tot octaaf – neemt de dichter de lezer mee op een reis door een muzikale geschiedenis vanaf de bronstijd. Het zijn geen belerende gedichten maar impressionistische toetsen hoe Vermeulen zelf die muziekstijlen ervaart en verwerkt. Het openingsgedicht zet meteen de toon, het ontstaan van de ‘oer-muziek’, Hier fluistert de rivier / klinkt het schrapen van botten / de kleidrum, zingende steen / mondboog verhalen.//…// Toen raaf sprak, donder brak / vuur de hemel scheurde. Met het woord ‘mondboog’, een primitief snaarinstrument waarbij de mond van de speler als klankkast fungeert, reikt de dichter reeds een leidraad aan voor wat zal volgen. In muzikale zin is ‘boog’ een begrip met meerdere betekenissen. Enerzijds een notatiesymbool in de geschreven muziek, maar het verwijst ook naar de strijkstok of naar de spanningsboog van een muzikale compositie of improvisatie. Evenzeer refereert het woord boog naar een bouwkundig element met akoestische kwaliteit: Uw stem meng ik op papier / met de uitgelezen woorden / zingende bogen en retoriek / niet door becijfering maar weten.//…// Zo bezingt u in kleuren / alles wat zich voedt met licht. (bladzijde 50).

Vermeulen bedient zich van een staccato ritme dat hij dan weer afwisselt met een zachter legato. Maar in elk gedicht leidt het ritme ook de inhoud. Zo confronteert hij bijvoorbeeld het staccato gedicht Underground (pagina 16) met het vloeiende Vuurvlieg (pagina 17) of Piano encore (bladzijde 48) en Pastorale (pagina 49). Deze juxtapositioneringen geven een bijzondere leeservaring en voeren je bijna bedwelmend door de verschillende muziekstijlen, componisten en uitvoerders, die Vermeulen vanuit zijn persoonlijke ervaringen, kennis en voorkeuren aan je opdient om zo de reis te beëindigen in de laatste cyclus, opgedragen aan zijn helaas veel te vroeg gestorven vriend en musicus, Daniël Climan. De dichter sluit zo de boog tussen het ontstaan van muziek en het zwijgen, de stilte als het ultieme geluid in het laatste gedicht Silentium…loquetur, stilte zal spreken, Taal van wind in bomen / stilte na Bach / stilte onder de gewelven.// Wacht op het laatste signaal / woordeloos bevlogen alleen / sprekend in Uw zwijgen. (bladzijde 67).

Met deze bundel bewijst Cel Vermeulen zijn dubbeltalent als begenadigd dichter en gepassioneerd musicus. Dergelijke dubbeltalenten zijn zeldzaam zoals de landtongen waar de zangers verblijven. Het is jammer dat een dergelijk warm aanbevolen kleinood in eigen beheer dient uitgegeven.

Op een landtong woont de zanger, Cel Vermeulen, eigen beheer, Herentals, 2025
celvermeulen@me.com

(Richard Foqué)


Niet anders dan de grote leegte


Over ‘Mila Fertek’ vond ik nergens informatie. Ik ga ervan uit dat het een pseudoniem is. Van een man of van een vrouw. Worden we als lezer voetje gelicht? Ik moet het open laten. Maar het is duidelijk dat er in deze gedichten voor een vrouwelijke focus gekozen wordt. Vandaar wellicht dat het beroemde schilderwerk van Gustave Moreau Salomé dansant devant Hérode op de voorflap staat. Ook het ik in deze gedichten ontdubbelt zich in een ‘ik’ en een ‘zij’. Maar wie zich ook achter Mila Fertek bevindt, erg relevant is het niet. Want in de kern blijft poëzie iets naamloos. We lezen het in deze bundel: Nietszeggend als naar mijn mening / Namen zijn. Ironie is in dit werk niet weg te denken. Maar het is een ernstig te nemen ironie: Mijn geweten lacht om alles / (Hetgeen mij pijn doet). De bundel Antipode – Heimwee naar wie ik nooit ben geweest is hoe dan ook een merkwaardig werkstuk. Een antipode betekent onder meer ‘tegenhanger’ en ‘tegenpool’. Deze gedichten balanceren tussen spraak en tegenspraak. Elke bewering wordt door een andere bewering weerlegd en/of ontkracht. De geliefkoosde taalfiguur die we uit deze gedichten aflezen is de paradox – die we meteen al merken in de ondertitel. Stilistisch, zo zou je kunnen zeggen, wordt hier rijkelijk de retoriek van de paradox gehanteerd. Die paradoxen zijn ruimschoots te herkennen. Een lukraak voorbeeld hiervan: Ik kom vooruit door mijn / Hardnekkig / Stil blijven staan. Het effect dat hieruit sorteert is deze van een annihilatie. Er is geen vooruitgang en er is geen stilstand. Er is in wezen ‘niets’ (het woord valt verschillende keren). Alles resulteert in leegte: Wat verder valt er te zeggen/Mijn verleden is/ Wat mijn toekomst zal zijn/Te weten/Niet anders dan/de grote leegte uit vanwaar/ik gekomen ben. We hebben te maken met een poëzie die afwijkt van wat men doorgaans van poëzie verwacht. Ze is in geen geval lyrisch: in het ritmische taalspel (wat de formele kern van poëzie is, lijkt me) is zij lucide. Ze zingt niet, ze beschouwt. De dichter omschrijft de gebruikte werkwijze als volgt: Waarnemen slechts/Niet voelen/Zich het liefst in de schemer bevindend/Weergeven wat waargenomen wordt/Is wat mij drijft/Verder niets. In zekere zin brengt deze scherpzinnige poëzie een metafysische problematiek ter sprake: zijn of niet zijn, schijn en werkelijkheid, waarheid en leugen, verleden en toekomst. Niets lijkt wat er is want het is er niet. Of het wordt nauwelijks of verkeerd ontwaart. Ik/Uiteindelijk aangekomen/Kijk om me heen/Om te zien/Dat niets lijkt op/Dat wat ik/(Destijds)/Meende te zullen gaan zien. Kenmerkend voor dit soort poëzie is dat ze vrij wil zijn van metaforen: Ik begin te denken dat alle metaforen zinloos zijn/Aangezien metaforen niets betekenen/Noch ergens toe leiden kunnen. Ik vind dit al bij al merkwaardige, zeer kervende poëzie. Zij is bijzonder subtiel. Deze poëzie draait niet uit op positief of negatief: ze is geankerd in een existentiële feitelijkheid .

Antipode – Heimwee naar wie ik nooit ben geweest, Mila Fertek, Uitgeverij De Manke God, Julianadorp, 2025, ISBN 978 9083211152

(Alain Delmotte)

Internationale bloemlezing


De Atunis Galaxy Anthology is een Engelstalige bloemlezing van dichters wereldwijd. Hoofdredacteur is de in België wonende Albanese dichter Agron Shele; adjunct-hoofdredacteur is Hannie Rouweler (Nederland), bijgestaan door Alicja Kuberska (Polen) en Shoshana Vegh (Israel). En dan is er nog een uitgebreid team van raadgevers, literaire redacteurs en een adviesraad.

Voor we kennismaken met het werk van de maar liefst 200 (!) dichters zijn er inleidende teksten van Agron Shele (Meditatie en een blik door de tijd), Hannie Rouweler (Het belang van vrede en tolerantie in de samenleving) en twee Italiaanse dames: Dr. Claudia Piccinno (De poëzie wil bruggen bouwen door middel van een meertalige dialoog) en Ada Rizzo (Introductie).

Er is werk opgenomen van acht Nederlandstalige dichters.

Antoon Van den Braembussche: I write and feel you/ like my own artery.// Every pain within you/ a tardy echo.// A twin pain./ A sorrow of my own. (uit: Love in Times of Lockdown)

Germain Droogenbroodt: Rivers overflow their banks/ houses are demolished/ cars swept away/ by the raging waters:/ man has disrupted nature. (uit: Artificial Intelligence).

Gerhard te Winkel: The universe has/ known a day without yesterday/ and will one day/ experience a day without tomorrow. (uit: The House of Many Friends).

Hannie Rouweler: There are days/ when words no longer mean anything/ are worthless - take them to a jeweler/ they weigh less than 1 gram on a gold scale/ you can put your words back in your pocket (uit: Cryptocurrency: Word Porridge).

Jos van Hest: Come back: Come back/ Close the night/ Open the day/ Lose your loss/ Turn a dream into a door/ Turn a door into a window/ Turn a window into a world/ See we are still here.

Jenny Dejager: Maybe we know: We’re too different from each other./ We’re bleeding in ignorance./ We’re sitting on a sandbank/ that disappears a little bit more/ every day and maybe/ we know that.

Paul Gellings: August afternoon, the sun at its highest./ A terrace in the shade, dark and deep./ The land warm and deserted; the village slept/ in a scent of rye that had just been harvested. (uit: Terrace).

Yvon Né: 'Rooms by the sea' is a canvas which disquites,/ as you’re loving and free, you’ll handle it, the gap,/ as the ocean in dreams. You know the tide will fall. (uit: Rooms by the Sea - a painting by Edward Hopper).

Niet minder boeiend is de kennismaking met de andere dichters.

"Deze bloemlezing wil de rijkdom en diversiteit van poëtische expressie vieren door de stemmen van 200 dichters en kunstenaars uit alle hoeken van de wereld te bundelen". Dat is meer dan geslaagd. En er is nog meer goed nieuws: volgend jaar verschijnt de tiende editie van de Atunis Galaxy Anthology.

Atunis Galaxy Anthology World Poetry 2025, Demer Press, 2025, ISBN 978 1 326 42262 2

(Roger Nupie)