Claude van de Berge debuteerde in 1968 met de roman De ontmoetingen. Daarna volgden nog een 14-tal prozaboeken, die als poëtisch proza kunnen omschreven worden, waaronder Stemmen (1973), De oever (1975), Ergens zijn (1977), Hiiumaa (1987) en Attu (1988). Vanaf 1988 zou hij zich volledig wijden aan de poëzie - met één enkele uitzondering: in 1990 verscheen nog de roman Aztlan – wat twintig dichtbundels opleverde, waarvan het merendeel verscheen bij uitgeverij P, vaak met illustraties en foto’s van Arlette Walgraef - zoals in de bundels Asland (1998), Arctica (2000), White-out (2004), Kristalschedel (2006) en De vonk (2016). Arlette Walgraef begeleidt meestal ook de literaire lezingen van haar echtgenoot met zang, voornamelijk geïnspireerd door de muziek van Noordelijke culturen zoals de Inuitcultuur en de Lapse liedzang. In 2010 verscheen bij P als de tiende titel in de Parnassusreeks (“een eigenzinnige reeks bloemlezingen van dichters van vandaag”) een bloemlezing van de poëzie van de dichter: Het zwijgende woord, met als inleiding een essay van Jooris van Hulle.
Al vanaf zijn debuut was het duidelijk dat het oeuvre van Claude van de Berge een unieke plaats inneemt in de Nederlandse literatuur. Het meditatieve en mystieke karakter van zijn schriftuur werd meermaals door critici benadrukt. Centraal staat de enkeling die op weg is naar een ontmoeting, die ergens moet zijn. Het is vooral een innerlijke reis die de mens confronteert met zichzelf en een mogelijke confrontatie met de ander. Tegenover de dagdagelijkse en maatschappelijke realiteit biedt de auteur een spirituele bewustwording, vergeestelijking en verinnerlijking.
Na Gebed tot de leegte (2021) en De witte zon van de dood (2023) is zijn nieuwste bundel Heelal en stem, de derde uitgegeven door het Poëziecentrum, opgebouwd uit twaalf cycli. Het heelal is een metafoor voor onbegrensdheid; de stem voor het scheppende element: klank (Zoals een klank door een grenzeloze leegte gaat en/ roerloos wordt in zijn echo?), zang (We verlangen dat onze zang zal zijn als de immense zang/ die voorafgaat aan de grondruis van het heelal.) en woord (Ieder woord is een heelal.). Als beide versmelten worden ze de sleutel tot de universele creativiteit. Uit de versmelting van stem en heelal ontstaat het gedicht. Gedichten die ook liefdesgedichten zijn. We zijn niet wie we zijn./ We zijn wat we verlangen. // We zijn wat we liefhebben.
Uit het laatste gedicht, het zesde van de cyclus Sterrensporen: (…) We zijn gekomen bij de bron van het onzichtbare./ We verlangen de ster te drinken als een helder water/ dat ons uitwist, diep in ons.// In ons verschijnt een aanwezigheid zonder grens,/ in zijn niet bestaande oneindigheid./ Het immense.// We kunnen elkaar niet uitwissen./ We kunnen onszelf niet uitwissen./ We worden uitgewist in elkaar.
We wachten op het gouden getij van het licht in ons. Tot dan kunnen we ons laven aan deze bundel, de twintigste in dit uitzonderlijke oeuvre van Claude van de Berge.
Heelal en stem, Claude van de Berge, Poëziecentrum, Gent, 2025, ISBN 978-90-5655-272-5
(Roger Nupie)
