Vaderschap

De Utrechtse dichter Ingmar Heytze is met De man die ophield te bestaan ondertussen toe aan zijn 15de bundel. De afbeelding op de cover is grappig. Een man verdwijnt achter een lijst, met  daarin vermeld de titel, de naam van de auteur en de uitgeverij.
Onlangs werd Ingmar Heytze vader en daar gaat deze bundel over. Beginnend met een citaat uit Alice in Wonderland van Lewis Caroll (Nee maar! Ik heb vaak een kat zonder grijns gezien, dacht Alice, maar een grijns zonder kat! Nog nooit in mijn leven heb ik zoiets raars gezien!) heeft hij het 41 gedichten lang over deze gebeurtenis. In zijn verantwoording somt de dichter namen op van dichters die hem hebben geïnspireerd waaronder Gerrit Komrij, Alain Tournier, Ellen Deckwitz, Mustafa Stitou en Ramsey Nasr.
De bundel is niet ingedeeld in cycli. Toch suggereren 3 echogedichten een structuur: het relaas over de zwangerschap van zijn vrouw Anouk, vanaf de eerste echo tot de laatste, is gespreid over 26 gedichten. Iemand wijst je op een hart. Het is een peperkorrel klein. / Het trommelt als bezeten in het zwart /… En: Als je beweegt ben ik op slag vergeten wie ik was /… Nog twintig weken en er stapt een vader uit mijn as. En: Hierna zul je dicht zijn, / Overvol van top tot teen / gekleed in huid. We zwijgen, / kijken voor het laatst dwars / door je heen, een waterdier / op weg naar het droge.
Fundamenteel verwoordt Ingmar Heytze in deze bundel een van de meest aangrijpende ervaringen in een mensenleven. De geboorte van een kind is een vreugdevolle gebeurtenis - en tegelijk een aartsmoeilijke oefening voor de ouders. De dichter beseft zich terdege dat het nieuwe leven ruimte opeist: zowel de moeder als de vader staan een deel van zichzelf af, hun persoonlijkheid verdwijnt om plaats te maken voor een nieuwe ik. Het lijkt of ouders en kind tegelijk geboren worden: Langzaamaan begin ik te begrijpen / dat we alle drie tegelijk geboren worden. / Je vader is niet snel in zulke dingen, / zingen kan hij ook niet goed, / gelukkig heb je nog een moeder.
In de laatste 15 gedichten wordt de dichter op tedere wijze geconfronteerd met zijn vaderschap. Bij de geboorte voelt de dichter zich een beetje overbodig: Iedereen in de behandelkamer vraagt zich af / wat moet dat oude kind hier nog, / wat is hij meer dan een grijns zonder kat, een verlegen fluittoon / in de schemering, wachtend op antwoord. Al gauw ontdekt hij zijn vadergevoel, hij wil zijn dochter beschermen: Ik ben de laatste man tussen jou / en de wereld. Alles moet ik stoppen / voor het je kan raken… Niemand, hoor je. Niemand komt erdoor.
Ingmar Heytze schrijft verrukkelijke verzen. De man die ophield te bestaan is een heerlijke bundel, geschreven met tederheid, humor en vakmanschap. Warm aanbevolen!

De man die ophield te bestaan,  Ingmar Heytze, Uitgeverij Podium, 2015,  ISBN 0978 90 5759 698 8
 
(Nicole Van Overstraeten)

De dagen van goed en kwaad

Gedurende dertig dagen volgen we Alphonse, een veertigjarige man van Senegalese oorsprong, die na een druk leven als muzikant in het Brusselse gekozen heeft voor een rustiger bestaan met zijn vrouw Kat in de Westhoek, waar hij zijn eenmansbedrijf runt. Alphonse voert klussen uit in heel wat huizen, bij mensen die elkaar soms wel, soms niet kennen. Gaandeweg evolueert hij van gewone klusjesman tot vertrouwenspersoon en biechtvader: de mensen vragen hem niet alleen voor het werk, maar ook om hun problemen en roddels te ventileren. Alphonse is de goedheid zelve en kan geen oproep of gesprek weigeren. Zijn adviezen worden ter harte genomen. Dat is niet altijd naar de zin van Kat, die haar man te meegaand vindt; ze voorspelt dat hij ooit het slachtoffer van zijn grenzeloze hulpvaardigheid zal worden.
De Westhoek, de ruimte waarin de roman Dertig dagen van Annelies Verbeke zich afspeelt, is immers een afspiegeling van de gewone wereld: een oord van afgunst, nijd, wraaklust, racisme. Buren bekladden elkaar via Alphonse die hier behangt, daar verft. Het racisme gaat zelfs zo ver, dat een klus geannuleerd wordt wanneer de opdrachtgever verneemt dat Alphonse een zwarte huidskleur heeft. Bij andere mensen krijgt hij nou net dat vertrouwen wél, omdat hij een buitenstaander is – dus is hij: ongevaarlijk. Alphonse ondergaat het allemaal met relativerende afstandelijkheid: hij heeft niet die aangeboren argwaan die Kat wel heeft.
Maar de menselijke conflicten worden zo kwetsend en problematisch, dat Alphonse en Kat overwegen om binnenkort weer in een grote stad te gaan wonen en een kindje te adopteren.
In Dertig dagen speelt de dualiteit tussen goed en kwaad een overheersende rol. Ook in de interactie tussen Alphonse en zijn klanten is die dualiteit terug te vinden: mensen geven hem opdrachten om van zijn aanwezigheid als biechtvader gebruik te kunnen maken. Eerst hebben zij hem nodig, maar als zij door hun gesprekken voor hun problemen een oplossing hebben gekregen, neemt ondankbaarheid de bovenhand. De dualiteit brengt ons bij de rode draad van de roman: racisme. Het probleem bereikt zijn climax in de conflicten, gecreëerd door de vluchtelingenkampen in het aangrenzende Noord-Frankrijk. Alphonse ontdekt zo’n kamp en wil de daar verblijvende Afghanen en Syriërs helpen, en dat wordt hem allerminst in dank afgenomen.
Verbekes taal in Dertig dagen is heel poëtisch. Mooi is ook het gebruik van een leidmotief als de veldleeuwerik die geregeld in Alphonses nabijheid opduikt en door zijn gedragingen als een vooruitwijzing kan worden beschouwd van wat op de volgende pagina’s zal gebeuren. 
Dertig dagen is geen saaie roman. Door zijn confrontaties met intieme details, geheimen en allerhande problemen komt Alphonse de vreemdste mensen en situaties tegen: absurde en hilarische scènes en gevatte humor geven meer dan eens het anders zo vlakke Westhoekleven kleur en een diepere betekenis. Annelies Verbeke weet hoe ze een roman moet schrijven en beseft terdege dat poëtische beschrijvingen en suggestief taalgebruik haar werk naar een hoger niveau tillen.

Dertig dagen, Annelies Verbeke, De Geus, Breda, 2015, ISBN 9789044535545

(Philippe Cailliau)

Nieuw werk van de schone gekwetste

Vijfenveertig dagboekbladen. Die allemaal simpelweg een datum als titel dragen (al staat er achter 21 december ook Winterzonnewende, en achter 21 juni nog Zomerzonnewende) Daaruit bestaat De kerselaar, de jongste dichtbundel van Aleidis Dierick. Die heeft als ondertitel Dagboek van een minnares. En ondanks de vijfenveertig verzen als duiding Een gedicht. Het dagboek in kwestie zou, zoals de flaptekst suggereert, ‘gevonden’ zijn. Heel wat gedichten vangen aan met de regel Ik lees haar dagboek in de nacht. Nergens wordt expliciet duidelijk wier dagboek het betreft, maar er gaat een vermoeden uit naar ene Constance Chatterley vermits de bundel heel wat citaten uit Lady Chatterley’s Lover van David Herbert Lawrence bevat. Niet minder dan vijftien. Daarnaast zijn er ook van Thomas Stearns Eliot (naar wiens April is the cruellest month, uit The Waste Land, de eerste regel van 19 oktober duidelijk verwijst: Wreder dan maart april), Patrick Kavanagh, Friedrich Nietschze, Rainer Maria Rilke en Oscar Wilde. De dichteres werkt sowieso graag met citaten. Ik pak er twee willekeurige recente bundels van haar bij en noteer dat in De onbeantwoorde brieven (2009) regels staan van Martin Heidegger, weer Nietschze, weer Rilke en van Bernhard Schlink en in De ontwapende man (2012) van Eavan Boland, Catherine Byron, Maureen Farley, Seamus Heaney, Brendan Kennelly en Alice Taylor.
Die citaten vullen Diericks eigen poëzie wezenlijk aan. Zeker veelzeggend is (in De onbeantwoorde brieven) Gibt es schöne Wunden? / Nein, es gibt keine schöne Wunden. / Aber es gibt die Schönheit / der Verwundeten. van Peter Handke (uit diens Gestern unterwegs). Dat zegt veel over de dichteres. Zij is noodgedwongen een schone gekwetste. Zo moest ze afscheid nemen van haar geliefde man Roel. Eerder leed ze enorm onder het onrecht dat haar en haar familie is aangedaan omdat haar vader in de Tweede Wereldoorlog aan de kant van de uiteindelijke verliezer vocht. Dat feit heeft er mede toe bijgedragen dat haar poëzie door de Vlaamse politiek-correcte literaire goegemeente lang ‘in de hoek’ is gezet. Door het soort lieden dat vindt dat je de muziek van Richard Wagner niet mooi mag vinden omdat Hitler er van hield. Lieden van wie niemand meer iets weet als het werk van Aleidis Dierick nog gelezen zal worden. Dierick is er ondertussen 83, maar gelukkig maakt ze nog mee dat haar werk de laatste jaren meer en meer erkend wordt.
Terug naar De kerselaar. Ook haar veertiende bundel staat bol van existentiële regels, en beklijvende beelden. Alleen wie blinde dichters leest / weet waar de nacht begint bijvoorbeeld. Of Duld mijn moegeschreven handen / als balsem op uw smal gezicht. Of De wolven zijn goed voor mij / zij weten om wie ik schrei. Geheimzinnige, doorleefde, van verlangen kloppende gedichten die ik regelmatig, dat weet ik nu al, zal herlezen. Aleidis Dierick is een van onze grootste dichteressen, die hopelijk nog lang mag blijven schrijven.

De kerselaar – Dagboek van een minnares, Aleidis Dierick, Uitgeverij P, Leuven, 2015, ISBN 978 94 91455 75 9

(Bert Bevers)

Opgepast voor meisjes in de trein

Paula Hawkins,  aanvankelijk werkzaam als journaliste, schreef een boek over  vrouwen en geld, The Money Goddess en onder het pseudoniem Amy Silver drie chicklitromans waarvan er een in Nederlandse vertaling verscheen, Recessionista slaat terug. Het grote succes bleef echter uit, tot ze, opnieuw  onder eigen naam, Het meisje in de trein uitbracht, een thriller die prompt een hype werd in de VS, Canada en Engeland.
Rachel neemt elke dag de trein, alsof ze op weg is naar haar job in Londen. Niets is minder waar, ze is ontslagen. Ze leeft in een droomwereld, fantaseert dat het koppel dat ze elke dag  in een huis ziet - als de trein even halt houdt voor een stoplicht - en Jess en Jason heeft gedoopt ziet perfect gelukkig samenleeft.
Het verhaal komt wat traag op gang, maar onderhuids voel je als lezer dat er onheil op de loer ligt in het relaas van de aan de drank verslaafde Rachel die de breuk met haar man niet heeft verwerkt. Het koppel heet in werkelijkheid Megan en Scott. Het verhaal van de tweede verteller, de ongelukkige Megan is evenmin opbeurend. 
Het boek komt in een stroomversnelling terecht als een derde vrouw die over haar leven vertelt aan het woord komt, Anna, de huidige vriendin van Tom, Rachels ex-man.
De spanning neemt toe als Rachel vanuit de trein iets vreemds ziet in de tuin van Megan en Scott en besluit de politie in te lichten. Maar hoe betrouwbaar is de getuigenis van een aan de drank verslaafde vrouw die bovendien Anna en Tom stalkt?
Paula Hawkins weet de lezer op verbluffende wijze te betrekken bij het wedervaren van de weinig spectaculaire personages. De verhaallijnen van Het meisje in de trein zijn prima uitgebalanceerd. Het boek is inventief gestructureerd en stevent af op een verrassende plot.
Dat een boek, en zeker een thriller, een hype wordt, wordt bij de literaire goegemeente al te vaak met enig scepticisme ontvangen. Uitgevers van thrillers hadden daar al eerder iets op gevonden: de term “literaire” thriller, om toch maar te hopen dat dit genre au sérieux zou genomen worden en tot de Literatuur (met hoofdletter!) zou gerekend worden. Ooit al gehoord van een “literaire” dichtbundel? In een interview met De Nieuwe Gazet (1-2 augustus 2015) verklaarde Pieter Aspe: Ik haat de term “literaire thriller”. Wat is het verschil tussen een literaire en niet-literaire thriller? En wie bepaalt dat? (…) Soms lijkt het alsof ik me moet excuseren omdat mijn thrillers goed verkopen.
In het geval van dit domestic noir debuut van Paula Hawkins (thrillers voornamelijk gesitueerd in de huiselijke kring), uitgeroepen tot VN thriller 2015 door de Vrij Nederland Detective en Thrillergids, is het succes meer dan gerechtvaardigd. De film volgt, filmmaatschappij Dreamworks had al snel begrepen dat er een flink Hitchcockgehalte in dit verhaal schuilt en kocht de rechten op.

Het meisje in de trein,  Paula Hawkins, vertaling  Miebeth van Horn, A.W. Bruna Uitgevers, Amsterdam, 2015, ISBN 978 94 005 0388 5
 
(Roger Nupie)

De herhaalmachine

Het wezen van de poëzie laat zich moeilijk vangen. Tussen het hermetische ingeklonken vers en het prozagedicht bevinden zich vele mogelijkheden.  Zelfs een onversneden prozafragment kan zuivere poëzie belichamen. Het enige dat houvast biedt is de factor kwaliteit in combinatie met een waarachtige lyrische inslag. Elvis Peeters is een gelauwerd schrijver die volgens zijn biografie niet alleen uit zichzelf bestaat maar die met Nicole Van Bael een duo vormt. Dat geldt voor drama en proza. Poëzie beoefent hij alleen. Zijn nieuwe bundel Nu voldoet niet aan het hierboven genoemde criterium (ik beken, het is uit eigen keuken). Peeters rekt in Nu prozateksten uit. Die lijken dan gedichten.
De auteur rekt niet alleen uit, hij herhaalt ook gaarne. Hij is een man van het procedé. Tijd // Zijn we ongelukkig? / We zijn niet ongelukkig. / Zijn we blij? / We zijn niet blij. / Hebben we redenen tot klagen? / We hebben redenen tot klagen. / Klagen we? / We klagen niet. Is dit poëzie? Nee, dit is geen poëzie. De bundel is doorspekt met dit soort praterig staccato geneuzel. Onder de regen // Het regent, ik kom onder het afdak waar jij staat. / Ik kijk naar de regen, jij kijkt naar de regen, ik kijk / hoe jij naar de regen kijkt. / Ik kijk of ik jou door de regen kan zien, (…)
Behalve veel gemakzuchtig geflans vinden we in dit 23e deel van de reeks ‘Eigentijdse Poëzie’ nogal gratuite verwijzingen. Bijvoorbeeld naar oorlog (Donetsk) en honger (op televisie). Er loopt kennelijk een dunne scheidslijn tussen ‘eigentijdse poëzie’ en tegeltjeswijsheid.

Te vroeg // Ik ben wie ik ben, niet  /  wie ik was, ik word wie / ik zal zijn. Dat is voor / straks, nu is het te laat. // Dat geldt ook voor jou. // Laten we morgen / doen alsof alles zich / vandaag afspeelt. Dan / slaan we deze dag over / voor het opnieuw te laat is. 

Tjonge…

De lengte van de gedichten in Nu valt op. Er zijn verzen die meerdere pagina’s beslaan. En dat meer niet altijd beter is, wordt pijnlijk duidelijk. Met hulp van de herhaalmachine waaiert een gedicht als Ballet onbelemmerd uit. (…) Boven de libellen dansen twee zwaluwen. / In scheervlucht op en onder elkaar. / Kwetterend, kwetterend. / Witte buik, zwarte mantel, gegaffelde staart. / Ze duiken naar het water. / Als kleine bommenwerpers. / Plots, plots. Plofjes in het water, golfjes. / Kringen, deining. / De kringen dansen in het water. / Het water deint in kringen. / Spiegeling, weerspiegeling. / Twee zwaluwen dansen in de lucht op het water. (…) 
Zo wordt deze door Voetnoot goed vormgegeven bundel helaas een oninteressante leeservaring. De prikkelende titel Nu doet veel vermoeden. Het lijkt een aankondiging van iets verrassends. De omslag knalt je prettig brutaal in het gezicht. Helaas pindakaas. Na Nu komt eigenlijk niks. De nadrukkelijk vermelde redacteur Andrea Voigt blijft in gebreke.

Nu, Elvis Peeters, Uitgeverij Voetnoot, Antwerpen, 2015, ISBN 978-94-91738-18-0

(Erick Kila)

Een poëtisch herinneringsalbum

Reeds een tijd verblijft Wolken schoven boven ons voorbij (Een verhaal van winst en verlies), de meest recente dichtbundel van Frans Depeuter, in mijn leesstapel. De ene keer bovenop, dan ergens middenin, ook wel eens onderop. Deze keer was het tijd het boekje niet door te bladeren, maar eens grondig te bekijken.
Depeuter overschouwt in deze suite van twee uit 18 verzen bestaande cycli (De buitenste schil en De binnenste schil) voorafgegaan door een ‘los’ gedicht zijn leven. De meeste gedichten ontstonden ‘uit foto’s die in een herinneringsalbum zijn gekleefd en na al die jaren een toegevoegde betekenis verwierven’.
Met Wolken schoven boven ons voorbij schiep de dichter een poëtisch equivalent van dat herinneringsalbum. Vol eigen reminiscenties, maar ook met twee gedichten die ooit diepe indruk op hem maakten. De bundel opent met Eenzaamheid van Ed Hoornik en De wolken van Martinus Nijhoff. De titel ontleende Depeuter aan de eerste strofe van dat ook door mij reeds lang bewonderde Nijhoff-gedicht: Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag / Lang-uit met moeder in de warme hei, / De wolken schoven boven ons voorbij / En moeder vroeg wat ’k in de wolken zag. De jonge Nijhoff zag Scandinavië, en: eenden / Daar gaat een dame, schapen met een herder -. De opmaat naar Depeuters eerste (het ‘losse’) gedicht, Scandinavië, en: eenden waarin ook hij de wolken voorbij ziet varen om nooit meer in dezelfde formatie terug te keren.
De toon voor de bundel zet Depeuter eigenlijk al met een motto van Willy Roggeman (een van de belangrijkste naoorlogse Vlaamse dichters): De schone oude dag, wat is hij anders dan / de knopen van het voorbije bestaan tussen / de vingers laten glijden als paternosterkralen / en de herinnering prevelen bij elke knoop.
Depeuter volgt Willy Roggemans advies, en laat vele herinneringen liefdevol tussen zijn vingers glijden. Aan de eerste ontmoeting met zijn lief bijvoorbeeld (En nu, jaren later, voelt hij nog haar heup / onder zijn hand op en neer deinen, als een / boot die naar Utopia vaart), aan de eerste gezamenlijke reizen, aan het eerste kind (Het Eerste Kindje, in het gezegende / jaar ’64 was dat en de kamer droeg het / nummer 310, en heel de wereld kwam / zien welk wonder hun was geschied), aan de gezinsuitbreiding, aan het opgroeien van de telgen, aan vakanties (En de kinderen, iets te groot om klein, / iets te klein om groot te zijn en de weg / te weten van gisteren naar morgen, / en o zo boordevol van alles en nog / door geen vlooien gebeten, nog voor / geen duivels beducht.), aan het nieuwe huis, aan de slaapkamer….
De lezer kijkt over Depeuters schouder mee diens familiealbum in. Dat daarmee ook het zijne wordt. Depeuter evoceert niet alleen zijn eigen maar dé levensloop op een innemende wijze. Met genoegen gelezen.

Wolken schoven boven ons voorbij (Een verhaal van winst en verlies), Frans Depeuter, Berghmans Uitgevers/Heibel, Antwerpen/Olen, 2014, ISBN 9789070959 982
 
(Bert Bevers)

De dag dat alles anders werd

Als onheilspellende titel kan dit wel tellen? Dit duoboek trekt aan door zijn aantrekkelijk omslagontwerp van Mark Heuveling naar een tekening van Sofie Jonckers. De dag dat alles anders werd is ingedeeld in vier perioden tussen 2011 en 2014. Bij hoofdpersonage Berthy wordt het Guillain-Barré Syndroom vastgesteld; een aandoening waarbij het lichaam het eigen immuunsysteem aanvalt. Bij lezing wordt de lezer eraan herinnerd hoe geluk enkel kan gevonden worden in een goede basisgezondheid. Als we de ervaringen van Berthy lezen wordt al vlug duidelijk dat we het materialisme als onbenullig moeten gaan beschouwen. Stabergh & Jonckers schreven een positief boek over een zeer zwaar moment in het leven van een mens. De revalidatie is niet van de poes bij GBS. We leren wat revalideren eigenlijk inhoudt. Afwisselend schrijven Berthy en partner Freddy hun impressies, emoties en herinneringen neer in een poging om de algemene toestand voor henzelf en de mensen rondom hen te verbeteren. De ziekte eist een tol in de relationele communicatie over en weer. Ze blijven echter niet bij de pakken zitten, integendeel zelfs. Freddy begint met zijn eerste observaties neer te schrijven en Berthy zal volgen. Freddy wordt als het ware de medische geschiedschrijver. De begripsinhoud van woorden als ‘wachten’ en ‘afwachten’ krijgen in dit verhaal een heel andere invulling. De beschrijving van het ziektebeeld en daaraan gekoppelde pijnervaringen worden aangevuld met flashbacks doorheen een leven vol gezondheidsproblemen; afgewisseld met reis- en jeugdherinneringen waarin een beeld wordt geschetst van het Vlaanderen van toen. Daarbij komen ook oorlogsherinneringen aan bod en zelfs hedendaagse geopolitieke analyses over de broeihaarden die enkel de vluchtelingenproblematiek verergeren. De dag dat alles anders werd, is dus zeker geen hospitaalromannetje geworden. Geen gejank en gesnotter-werkje. De auteurs geven de lezer filosofische overwegingen mee over hoe zieke mensen zich gedragen. Ze leren ons dat revalidatie naast gedreven professionals ook van de patiënt erg veel inspanning en wilskracht vergt. Ze ondervinden, zien en bevestigen hoe de appreciatie voor verpleegkundigen beter moet. Ze stellen zich moedig op en maken hun mening over het establishment duidelijk.

[…] Verpleging is zonder twijfel één van de zwaarste beroepen en toch is er geen loon naar werk. Bovendien wordt het werk steeds zwaarder omdat men het takenpakket maar blijft uitbreiden. […] Ministers en ‘aanverwanten’ hebben nauwelijks voeling hebben met de werkvloer. Ze leven als het ware in een cocon en beseffen niet eens dat al de vergoedingen en extraatjes helemaal niet in verhouding zijn met de prestaties. Door hun partijpolitieke spelletjes, electorale berekeningen en vooral ‘het met zichzelf bezig zijn’ ontgaat hen datgene wat écht belangrijk is, namelijk het stellen van prioriteiten. […]

Berthy vindt doorheen het hele ziekteproces de innerlijke kracht om haar rotsblok de heuvel op te duwen. Ze maakt door die ingesteldheid atletische vorderingen. Stabergh en Jonckers schreven een moedig boek dat nog jarenlang zijn authenticiteit zal bewaren. Het reikt ook een zorgende hand uit naar toekomstige patiënten…

De dag dat alles anders werd, Stabergh & Jonckers, Uitgeverij Aspekt, 2014, ISBN 97-894-6153-529-0
 
(Frank Decerf)

Licht explosieve verzen

De Nederlandse dichteres Yvonne Né is een fenomeen. Op de achterplat van De werkelijkheid houdt het lang vol, haar zeventiende bundel, zien we een foto van deze dame, met een automatisch geweer (Ratata) in aanslag. Het lijkt wel een speelgoedgeweer - maar pastelkleurige wapens, speciaal voor vrouwen, bestaan echt! Op de felroze voorplat een tekening van een pluizig kuiken, gesigneerd Yvonne Né.
De bundel is ingedeeld in 6 cycli: Ontvangers, Huishouding van het medeweten, Whereabouts, De werkelijkheid houdt het niet lang vol, Espresso en Je kunt het niet weten. Titels zonder hoofdletters, de gedichten zelf in gangbare interpunctie. In haar gedichten verzamelt Yvonne Né trendy topics, maatschappelijke statements en filosofische oneliners - en spreidt ze daarna als sterrenstof over de pagina’s.
De dichteres registreert de werkelijkheid: Op een industrieterrein loop ik te zoeken / naar de garage waar mij auto is hersteld. / Ik vraag een jongeman de weg. / Hij zit te leren aan een witte tafel in de zon. / Naast een tas papier ligt wit zijn boterham / met chocopasta die hij ruw in parten snijdt. Enkele pagina’s verder formuleert ze een filosofische vraag, briljant omgezet in poëzie: Ideeën - waar toch kwamen ze vandaan, / waar waren ze opeens naar op weg? / Kleiner, kleiner brekend, tussen talloze kaken / van insecten, met slimme pakjes toegerust, / cirkelen mensen zonder herinnering. / Al leger, al dwazer dan insecten.
Onderstaande verzen lijken oneliners, maar zijn vakkundig verwerkt in gedichten: Omdat verschijnselen van gedaante wisselen / weet ik nooit hoe iets zich aan me toont… Een verschijning valt nog helemaal in de klasse ‘werkelijk’ / als ze zichtbaar iets meedraagt wat je niet ziet… Het grootste raadsel verschijnt als onverhuld feit. / Hoe zou de werkelijkheid het anders zo lang vol kunnen houden?… De realiteit is een diepte / die niemand in haar geheel, ook niet / in een kruimel op tafel, openlegt… Niemand is wie hij denkt wie hij is.
De dichteres beseft dat de werkelijkheid vele gedaanten heeft. In haar wereldbeeld onthult het raadselachtige zich als een feit en feiten worden raadsels. Maar zij besluit mooi en humaan: Zeker is het dat we passanten zijn. / Passanten horen andere passanten te groeten./  Men begrijpt alleen nog niet, / dat de welkomstgroet het oudste, / meest wezenlijke gebaar is onder de sterren.
Yvonne Né zet ons aan het denken. Het vergt enige leesinspanning om haar intuïtieve reflexen, haar associaties en haar verrukkelijk talent voor verdichting te doorgronden. Maar uiteindelijk kunnen we haar verzen niet anders dan intens, mooi en licht explosief noemen: Om droog te blijven / hang ik aan een bloem, het hoofd omlaag, / net Kleine Prins aan zijn planeet. / Bommen, granaten. Stravinsky, Monet! / De deining spoelt in deze positie /  iets los uit het rif in mijn brein.
De werkelijkheid houdt het lang vol is een opmerkelijke bundel, geschreven door een even opmerkelijke dichteres!

De werkelijkheid houdt het lang vol, Y. Né, De Geus, Breda, 2014, ISBN 978-90-445-3419-1

(Nicole Van Overstraeten)

Het geleende woord van Staf De Wilde

Staf de Wilde debuteerde in 1973 met de dichtbundel Tsja. Zijn tweede, Sjaloom Salomé (1979), werd bekroond met de Vijfjaarlijkse Guido Gezelleprijs van de stad Brugge. Hij woont in De Haan, maar zijn geboortedorp Hamme inspireerde hem tot maar liefst drie bundels: Terug naar Hamme (1995), Van toen en thuis’ (2004) en Dromendorp (2011).
In 2010 verscheen Een stuk of wat, een selectie uit elf bundels, verschenen tussen 1973 en 2006: Eigenlijk is dit een terugblik, of noem het zelfs mijn voorbarige poëtische testament. Ik heb niet alleen een selectie gemaakt van mijn, volgens mezelf, beste gedichten, maar ook de toegankelijkheid ervan speelde een grote rol in de opname ervan.
Die toegankelijkheid is ook kenmerkend voor Zonneleen, zijn zeventiende dichtbundel.
Geen cycli, geen motto, alleen de mededeling bijzondere dank aan mijn vaste lectoren: Hervé J. Casier, Ronald Ranson  en Flor Will, voor de Wilde meer dan 80 gedichten op de lezer loslaat. De toon laat niets aan duidelijkheid over. Al in het eerste gedicht stelt hij: alle schrijven is genadeloos,/ hoe zou je anders schouwen/ in de afschuw van de afgrond/ in het grondeloze van ginds boven.
Een veelvoud aan thema’s. Liefdesgedichten als liefde en knuffelmoment: ik zal de zachte zijn/ die het laken omlegt, jou/ optilt, opsnuift en luistert/ naar de dromen van je huid. Ook Hamme komt in deze bundel aan bod: ik zie een doorgebroken dijk/ toen mijn dorp nog overstroomde/ mannen staan op uitkijk/ het hoofd gebogen.
Heel wat gedichten waarin de ouder wordende dichter mijmert: de dag zal komen en dan/ is het mooi geweest, mooi genoeg:/ ik ben aan het einde van mijn dromen,/ schuif nu maar de vitrage toe; oud zijn dat is vandaag/ geen sneeuwman maken; men wenst en praat/ de dood in slaap/ en hij ademt aan het raam/ dat rammelt van zijn gieren.
En niet in het minst de gedichten waarin de dichter onrecht aanklaagt: Stefan Zweig in 1914 en ’42; gifgas in Syrië: voor mij geen krant vandaag/ - vaarwel beschaving, adieu à Dieu - en oordeel toch, doch met mate: (…) tegelijk roep ik op tot woede/ jegens de machtigen der aarde/ die een volk doen bloeden.
Het laatste gedicht is het aangrijpende de zoon: hoe eenzaam moet hij zijn / hij slaapt nog met een aapje / een man, een zoon van zesendertig.
Dit alles onder de vlag van een wat mysterieuze titel: Zonneleen, synoniem voor het Latijns begrip allodium, oorspronkelijk vaak een rijks- of koningsgoed,  door de vorst voor bewezen diensten aan een trouwe vazal geschonken. Een soort aangeërfd goed - zoals de dichter woorden te leen heeft gekregen en er vrijelijk wil en kan over beschikken: (…) opeens/ is daar het woord dat jou,/ de schrijver, heeft gekozen.
Ontneem me de woorden niet, ze zijn als een laatste maaltijd lezen we in het gedicht censuur. Waarom zouden we, als het een gevarieerde en boeiende bundel als deze oplevert?

Zonneleen, Staf de Wilde, Uitgeverij Het Punt, 2015, ISBN 9789460792106

(Roger Nupie)

Secretaris van de verbeelding

Juliën Holtrigter (pseudoniem van Henk van Loenen, Hilversum, 1946) maakt schilderachtige gedichten. Hij kijkt naar de natuur, het menselijk bedrijf en naar zichzelf. Uit het kleine, het gewone, haalt hij een gevoel. Hij noteert het zo, dat het ‘beweegt’. Het is niet eenvormig, het heeft iets ongrijpbaars. De lezer kan er wat van zichzelf in ontdekken.
Als secretarissen, elkaar onbekend, lopen we rond op aarde, zonder veel te begrijpen. Met dit citaat uit Gedichten van Czeslaw Milosz opent ‘Raadselwater’. De voorstelling kan beginnen en het voorgestelde is een gevoelswereld waarin de werkelijkheid vloeibaar is als water.
Holtrigter is een soort erfgenaam van het aardse bestaan. Het doet zich aan hem voor als een tafereel in een kijkdoos.
De erfgenaam  //  Zijn kamer kijkt uit op de straat en / de straat staart schaamteloos bij hem // naar binnen. Nooit heeft hij de tijd zo traag / zien verstrijken over het blauwe tapijt. // De erfgenaam pakt zijn servet, veegt het vet / van zijn kin, vult zijn glas bij, praat // in zijn kraag. De woorden vloeien vanzelf / van zijn lippen, als water. // Een mestvlieg stijgt op van het lamsvlees en / landt op zijn iPhone. Hij is online. // Dankzij rechtstreekse beelden steeds / op de hoogte van wat er speelt in de wereld.
De laatste zin is van een berustende ironie. De dichterlijke voelspriet is immers oneindig meer  verfijnd dan de handpalmcomputer van de moderne mens. De dichter leeft met het raadsel. Met zijn fantasie meet hij de kijkdooswerkelijkheid van deze tijden door. Uit bijna niets wordt de wereld geschapen, / elke dag weer, / uit huisvuil, uit zweet en verbeelding.
De verbeelding is de redding. De voorstelling van de wereld, zoals ons aangeboden door onderwijs, politiek en de elektronische media,  is beperkt en gemanipuleerd. Het wezenlijke laat zich nu eenmaal niet in oneliners en geschreeuwlelijk vangen. Begon de dag met een mooie gedachte, / weliswaar niet mededeelbaar maar evengoed / waar, over geluid en het licht in de ogen.
Holtrigter behoort niet tot de kunstenaars die zich zelf de hoogte in steken. Als hij de schrijver en schilder (hij is beiden) ten tonele voert, zet hij ze neer als underdogs. De schrijver bijvoorbeeld wacht. Hij wacht lang op iets en rommelt wat. Misschien kan het verplaatsen van dingen / het brein iets verlichten.
Holtrigter verplaatst subtiel, zonder het raadsel te beschadigen. Hij ‘vertelt’ zijn gedichten en ontsluit zonder grote woorden een verfijnd bewustzijn.
De raadselestafette // Droevige warmte hangt in de bomen. / Winters mogen voorbijgaan, maar zomers. // Onder de heg wacht een lijster. Waarop? / Op applaus? // Waar stront taalt naar strontvlieg en zaad / zich verplaatst in de darmen van vogels, / daar kun je alles verwachten. // (…) We moeten evenwel verder. / Het raadsel dragend, de een aflossend de ander, / en zo maar voort, // je weet niet eens wat je doorgeeft.

Raadselwater, Juliën Holtrigter, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2015, ISBN 978-90-76174-471

(Erick Kila) 

 

Geen gehaakt truitje

De dichteres Jenny Dejager (˚1951), in een vroeger leven leerkracht, is nu studente cultuurwetenschappen aan de OUN - én zij volgt ook een schildersopleiding aan de academie van Ieper!
In 2014 publiceerde zij bij het schrijverscollectief De Scriptomanen (nu een POD-uitgeverij), haar achtste dichtbundel, Een glimlach in de mondhoeken van de troost. Op de cover een foto van het schilderij De vrouw en de spin, van.... Jenny Dejager! De bundel bevat 49 grotendeels korte gedichten, in vrije, toegankelijke verzen. Het eerste gedicht draagt zij op aan de in 2013 overleden dichter Thierry Deleu.
Jenny Dejager schrijft over onderwerpen als het verlangen, de liefde, de eenzaamheid, het winterlicht, de stilte. Toch profileren zich in haar versregels enkele terugkerende thema’s. Zij analyseert de onrust die haar ertoe aanzet te schrijven en tegelijk de verrukking de zij ervaart bij het schilderen. Een deel van haar wil de wereld ontdekken, een ander deel wil zich terugtrekken in een tulpenglas. Ook de nostalgie naar de kindertijd, de herinnering aan haar vader, weet zij om te zetten in bekoorlijke verzen: Laat mij dromen / op de schouder van mijn papa / de cadans van zijn stap / maakt mij zo sterk / als de man die de wolken meet. / Ik ben Wolf en papa is mijn wolk. Met meisjesachtige behaagzucht en een gevoel voor romantische enscenering schrijft zij in Haar prelude: Ze strekt haar handen, telt haar stappen, / ze loopt op haar tenen in een jurk van doorschijnend roze / waarin ze wil behagen... Haar krullenbol die de wind herkent als de prelude / van een paard op hol, is ook het meisje in tutu / dat voorover buigt... Naast raadselachtige vrouwen voert de dichteres ook stoere mannenfiguren op: de vader, de vrijgezel, de ongekende soldaat. Zij wijdt een gedicht aan Ludovicus Baekelandt, rover, soldaat, zwendelaar  en (bijna) volksheld, die in 1803 onder grote publieke belangstelling werd terechtgesteld op de Grote Markt in Brugge.
In een vijftal gedichten worstelt de dichteres met woorden: ’s Morgens kleedt de geur van koffie ook mijn woorden aan, een wolk vervuld van stille gewoontes, kleine aarzelingen, knisperende vragen, verhalen... Mijn toetsenbord is zuinig bandeloos, het is een luik dat opengaat waaruit nieuwsgierig graan wordt uitgestrooid. Soms heeft de dichteres hier moeite mee: Wanneer worden wij die moeilijke woorden beu? En: Ik wandel over een wolk als een mank schaap dat ganzen begrijpt.
In deze bundel ontwerpt Jenny Dejager verstilde tableaus, die zij neerpent met haar beeldend vermogen en geholpen door haar schilderservaring. Knappe aanvangsverzen als Ze wil geen gehaakt truitje zijn, geen masker van verdringing dragen. / Ze wil niet lijken op het nonnetje / naast haar in die wiegende zeezieke vaas. En: Ik, de stuntelige die zich optrekt aan kruimelgeluiden / zit op het achtergelaten tapijt te wachten / op de vrijbuiter want hij komt zo… verhogen met verve de panache van deze charmante bundel!

Een glimlach in de mondhoeken van de troost, Jenny Dejager, vzw de Scriptomanen, 2014. ISBN 978-94-6266-O62-5

(Nicole Van Overstraeten)

Het uur van de wolf

Antoon Van den Braembussche situeert zelf zijn debuut als dichter in 1979 met de uitgave van Liefdesverklaring bij de uitgeverij Yang. Nochtans had hij daarvoor al onder het pseudoniem Tonko Brem heel wat gepubliceerd. Maar, ongetwijfeld ook onder invloed van zijn professoraat in de kunst- en cultuurfilosofie, verschuift zijn literaire productie naar interdisciplinaire samenwerkingen met andere kunstvormen. Het uur van de wolf is daar een treffende emanatie van. Het is een geïntegreerd werkstuk tussen de dichter, fotograaf Benn Deceuninck en Butoh-danseres Emilie Vlam.
Het uur van de wolf is dat mythische moment tussen duisternis en licht. Het uur waarop dood en geboorte elkaar vinden, waan en wezen in elkaar vloeien. ‘De zwarte nacht van de ziel’, zoals Ingmar Bergman het noemt, maar die in deze bundel veruitwendigd wordt in het clair-obscur van het naakte lichaam: Het lichaam als pure stilstand, / vleesgeworden sculptuur. / Een gevallen engel. Dit vers uit het openingsgedicht van de eerste cyclus vat meteen de essentie van de bundel, die bestaat uit drie cycli van telkens 6 gedichten: Het lichaam, een universum, Tussen vrees en beven en Château du loup, het geheel aangevuld met 12 foto’s en een foto helemaal aan het begin, waar je de dichter waarneemt kijkend naar zijn model als een schilder, maar schrijvende.
Het geeft meteen aan hoe de gedichten tot stand zijn gekomen, als een soort action writing met een fotograaf op de achtergrond, die registreert, wat je eigenlijk nooit kan zien, met name het bevriezen van de tijd, het gijzelen van het licht in één nanoseconde, terwijl de dichter die stilstand terug wil openbreken en de beweging reconstrueren met taal. Dit is het fascinerende proces wat zich in deze bundel voltrekt: het trachten te vatten van het lichaam in de vier dimensies van de ruimtetijd: Zo ontvouwt zich ruimte die zwijgt / in zenuwstrengen. En verder: Er is enkel het lichaam / dat elk ogenblik verandert. / Tussen het hier en nu /…/ Er is enkel het lichaam / dat de afstand overbrugt /tussen tijd en ruimte.
Het dansende lichaam bakent ruimte af in de tijd in al zijn vluchtigheid, de fotograaf bevriest het, de dichter geeft dat bevroren lichaam als het ware terug aan de ruimte en maakt het tijdloos. Deze transformatie van abstrahering en interpretering naar een nieuwe werkelijkheid is de essentie van de dialoog, die de kunstenaars met elkaar aangaan in deze bundel: Schrijvend met woorden als subliem gemis / het lichaam hertekenend /…/ Het lichaam als muziek gewikkeld / in stilte die langzaam openbarst.
Dit project is een tour de force, vastgelegd in een ingehouden uiterst poëtische ritmische frasering, door een fotograaf, die de grenzen verkent van licht en duisternis en een butoh-danseres, die de duisternis van de ziel door haar lichaam naar het licht brengt en haar energie bevriest in de leegte van de ruimte. Prachtig uitgegeven! Een absolute must.

Het uur van de wolf, Antoon Van den Braembussche, Benn Deceuninck, Emilie De Vlam, Uitgeverij P, 20214, Leuven, ISBN/EAN 978-94-91455-44-5

(Richard Foqué)

 

Bodemdrang

In 2012 won de dichteres Laura van der Haar het NK Poetry Slam en dat was een verdienste, maar poëzie op een podium en poëzie op papier zijn twee verschillende entiteiten die elk een andere invalshoek vragen. Het zijn twee verschillende vissen die in de juiste poel moeten leven. Wat een festivalpubliek zal boeien, is niet altijd wat de eenzame lezer van poëzie wil lezen. Tussen lezen, horen en zien ligt een krachtveld dat snel aan energie kan verliezen. Podiumdichters beperken zich beter tot hun eigen biotoop. Uitgeschreven gedichten op papier zijn toch wat anders. Van der Haar houdt van speelse woorden. Ze werkt graag met opsommingen en associaties die, als het medium écriture automatique, op zoek gaan naar trefzekere doelen. Haar rondhuppelende beelden zijn haar geliefde kleine kinderen die moeilijk onder controle te krijgen zijn. De bundel Bodemdrang werd ingedeeld in de cycli: Doorlopen, Verlanden en Dagzomen. Waarom?
Laura van der Haar speelt met haar woorden en metaforen, maar in deze oefening worden geen rustpunten gevonden. Ze brengt een spetterend vuurwerk om vooral te entertainen. We lezen niet te stoppen monologen. Laura van der Haar moeten leren schrappen. Ze moet weten waarheen ze wil. Ondertussen lopen haar woorden in kringetjes, zoemend als zomervliegen. Gelukkig is Bodemdrang een debuutbundel; we moeten dus mild zijn. Lees de bundel en trek zelf je conclusie. Mustafa Stitou schrijft alvast over deze gedichten: “Regels die spankracht hebben.”
En jawel, deze dichteres beschikt over taalkracht en taalvondsten om tot een vorm van poëzie te komen die zij de wereld instuurt met de hoop adepten te vinden. Zij hanteert de taalmiddelen op een correcte manier, ze gebruikt haar enjambementen en alliteraties zoals het hoort, ze streeft een origineel vocabularium na en werkt zeer losjes als het om opbouw gaat. Voor mij moeten versregels meer worden dan losgeslagen projectielen die ergens aankomen. Bodemdrang is een bundel woordenvol lettertjes en tussen al die lettertjes vind je dan opeens leuke gedichten zoals

splinters

rottende slootkant, stofhooi, seks in de bosjes, festivalkots
klein straatgedierte sterft in roosters, vogels
walmen na op het wegdek

de zomer is begonnen

overal klinkt zacht gelik
aan ijsjes, liefjes, hondenanussen
autogeronk, bericht voor een meisje, plus het meisje
dat voorzichtig in haar handen wrijft

de smeulende resten van een barbecue
waar het vlees weer redelijk lekker was
rolschaatsers, rochelaars en wespen

die vroege zomer
steekt
net als de bosjes

hoeveel splinters zal haar lijf blijven verdragen
voordat ze meer hout is dan mens

In de archeologie is alles wat opduikt meestal bruikbaar en waardevol. Elk fragment brengt iets bij. In de poëzie moet vooral worden gebalanceerd om veilig tot aan de overkant te komen. Deze tocht moet best traag en behoedzaam worden ondernomen, anders wint de afgrond alweer. In Bodemdrang zijn schitterende versregels te vinden, maar ze leven heel ver van elkaar, ze worden verdrongen door stoorzenders, luidruchtige fanfares die beter vlug doorstappen.

Bodemdrang, Laura van der Haar, 2014, Uitgeverij Podium Amsterdam, ISBN 978 90 5759 658 2

 (Frank Decerf)

De volledige Patrick Melrose-saga

De vijf Patrick Melrose romans van Edward St Aubyn vormen een familiesaga, gesitueerd in de kringen van de Britse upper class, met als hoofdmoot de vernedering en het - ook seksueel - misbruik van het hoofdpersonage, Patrick Melrose, en hoe hij uiteindelijk, na jaren van druggebruik, min of meer in het reine komt met zijn verleden en vooral met het leed dat zijn vader hem heeft aangedaan.
Laat maar situeert zich in een landhuis in de Provence. We maken kennis met zijn aan alcohol verslaafde moeder Eleanor, afstammelinge van een rijk Amerikaans geslacht, en zijn vader David, een dokter met enig muzikaal talent maar vooral een sadistische geest: hij mishandelt en verkracht zijn vijfjarig zoontje Patrick tijdens een feestje met vrienden.  
Patricks trauma leidt tot een drugverslaving. In Slecht nieuws haalt hij als twintiger de as van zijn overleden vader op en wordt de lezer meegesleurd in een hallucinante tocht doorheen New York. Zijn drang naar heroïne en cocaïne voert ons van de meest chique naar de meest marginale drugsscene. 
In Wat heet hoop lijkt Patrick, inmiddels een dertiger, aan de beterhand. Hij biecht zijn jeugdtrauma op aan een vriend en op satirische wijze analyseert hij de beau monde waar hij willens nillens toe behoort.
Oorspronkelijk zou Edward St Aubyn het op drie romans over het wel en wee van Patrick Melrose houden, maar later breidde hij de trilogie uit met nog twee delen: Moedermelk en Eindelijk.
In Moedermelk, genomineerd voor de Booker Prize shortlist  (2006) en een jaar later bekroond met de Prix Femina Étranger in Frankrijk, wordt een portret van Patrick geschetst als huisvader die zijn seksuele pleziertjes buitenhuis zoekt. Zijn moeder is intussen dement en overweegt het familievermogen weg te schenken. Hij staat haar bij in haar verzoek tot euthanasie. In het vijfde boek, Eindelijk, is Patricks moeder overleden.
Wat maakt deze Patrick Melrose bundeling nu zo bijzonder? Niet het feit dat het grotendeels op autobiografische feiten is gebaseerd, maar dat de auteur de wanhoop, de haat, het doodsverlangen en de zelfdestructieve neigingen van het hoofdpersonage gedetailleerd in de maag van de lezer splitst en hem messcherp ontleedt in een aaneenschakeling van verhalen die nergens naar sensatie neigen. Dat hij ons dit aanbiedt in een prachtige taal, doorspekt met spitsvondige geestigheden. Dat hij Patrick, op het breekpunt van betrokkene en toeschouwer, op zo een meesterlijke wijze zijn verhaal laat doen en dat meer dan 800 pagina’s volhoudt is meer dan verbluffend.
Klaar voor de volgende zet, schreef St Aubyn het satirische Lost for words (2014), waarin hij de jaarlijkse uitreiking van de Man Booker Prize te grazen neemt. Het boek werd niet zo enthousiast ontvangen als de Melrose-romans, maar dat zal een zorg zijn voor wie deze vijfling van rasauteur St Aubyn zal ontdekken.
Gegarandeerd literair genot van de bovenste plank.

De Patrick Melrose-romans (Laat maar, Slecht nieuws, Wat heet hoop, Moedermelk, Eindelijk), Edward St Aubyn, vertaald door Nicolette Hoekmeijer, Prometheus, Amsterdam, 2015, ISBN 9789044626476

(Roger Nupie)

Een verrukkelijke symbiose

Zand op een zeebed van Lies Van Gasse is een kanjer van een bundel. 175 pagina’s poëzie en tekenkunst, in raadselachtige samenhang. Op de kaft, in een prachtige tint oranjerood (koraal of tomaat?) twee getekende naakte vrouwenlichamen. Een lijkt te zweven, een ander componeert een tekst.
In Zand op een zeebed lijkt de lezer te verdrinken in een grillig lijnen- en kleurenspel. Toch komen, na enig speurwerk, structuren boven water. Tien handgeschreven raamgedichten, De Sirenen, (systematisch beginnend met het vers Als alles kan), geïnspireerd op de gelijknamige groteske van Paul van Ostaijen over deze noodlottige verleidsters, fungeren als inleiding, onderbreking en afsluiting van reeksen tekeningen en gedichten. In de Aantekeningen vermeldt de dichteres zes grafic poems: Orakel, Droog woud, Een binnenplaats, Wenteling, De tweede wolvin, De Sirenen en de kortere reeksen wilg, kers en appel, netjes aangeduid met vermelding van paginanummers, die ook een soort structuur in de bundel suggereren.
De toon wordt gezet met het eerste Sirenengedicht: Als alles kan, zien wij ons / als engelen uit de lucht vallen, / plat op onze buiken. De weg / uit onze hemel zal hard zijn, / lang en diep. Wij zullen / in ons een zee zien. Wij zullen / in ons hart de takken tellen / van een woud, verstrikt / in onze vleugels. Het gedicht Orakel voorspelt de tsunami van woorden en beelden die de dichteres wil optekenen. Een kring van manen scheen rondom u. / Ik overstroomde, was onstelpbaar / Ik sloeg u los, u werd bedolven onder golfslag. Droog woud vervolledigt het thema van het eerste raamgedicht: de reis over land en zee van de engelen, een stuwende maar ook beklemmende ervaring. Zelfs als ik hoorde dat het ochtend werd, kon ik mij niet bewegen, / het was alsof zich diep in mij een schreeuw zette, zegt Lies Van Gasse even later. In Een binnenplaats bevindt zij zich in de oorverdovende  jungle van de stad: het drummen en dichtslaan van mensen… Er wordt verteld, / Wij horen niet. / Hakken tikken, tussen mijn handen groeit een rif. / Voeten komen los van de aarde.
Ze observeerde het bloeien van de kerselaar en koos beslist de wapens - een keuze die in Wenteling leidt tot vervreemding: niemand weet waar ons gezicht is en hoe het in ons past. Op p. 81 begint De tweede wolvin. Met een knipoog naar het Reynaertverhaal, schrijft zij over de affaire die de vos had (als wraak op Isegrim) met de wolvin Hersinde: Wie haar begeert, moet / snorharen langs wangen strijken, / schichtig, snel en onverwachtsDan ruikt hij nog het dier dat in haar bovenkwam. De meerminnen in De Sirenen worden met jubel onthaald. Het was een mooi lied, zegt de dichteres, maar het had geen refrein… We trekken naar plaatsen / zonder uitstel. / De huid is juist.
Met Zand op een zeebed realiseerde Lies Van Gasse een verrukkelijk en intrigerend kunstboek, in een bijzondere symbiose van woord en beeld. Een aanrader!

Zand op een zeebed, Lies Van Gasse, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015.  ISBN 9789028425866

(Nicole Van Overstraeten)

 

Zullen we samen schuilen?

De ondertitel van dit boek, Een kleine jongen in Oradour, brengt ons meteen tot een van de thema’s die in het werk van Patricia De Landtsheer nogal vaak aan bod komt. Nog een boek over de oorlog… hoor ik je zuchten. Inderdaad blijven uitgeverijen openstaan voor goed geschreven manuscripten en/of kwaliteitsvolle fotoboeken die het over WOI of WOII hebben. Er is interesse voor. Daar is niets mis mee. Het hoofdpersonage in dit verhaal is de kleine Roger Godfrin-Maillard, die tijdens de slachting van 10 juni 1944 in het dorp Oradour-sur-Glane aan de nazibeulen wist te ontkomen. Alhoewel De Landtsheer heel wat opzoekingswerk heeft verricht, blijft het verhaal weinig detailvol of mist het diepgang. Een rechtlijnig verhaal in dagboekvorm neemt ons mee naar de periode van zaterdag 10 juni 1944 tot en met september 1945. Er zijn heel wat sprongen voorwaarts. Historische gegevens over bijvoorbeeld de Duitse troepen of andere dorpelingen en details over de precieze omstandigheden in het gehucht worden achterwege gelaten. Wat meer fotomateriaal of plattegronden waren zeker geen luxe in deze uitgave. Het kan een afgewogen keuze zijn geweest, want dit boek moet dienen voor zowel kinderen als volwassenen. Dat is altijd een moeilijke balans. Gelukkig maakt het nawoord van de auteur alles goed; we komen meer te weten en de hoofdrolspelers in deze tragedie worden in deze interessante bijlage toegelicht. Belangrijkst evenwel is dat deze auteur het als haar taak ziet om dit onderwerp ter sprake te brengen. Ze durft wat anderen in alle vormen opzettelijk vermijden. Moedig zijn die schrijvers die maatschappelijke thema’s in hun teksten verwerken en het  historisch vergeten alzo geen kans geven. Deze auteur verdient dus ons respect. De Landtsheer vertrekt met haar boek vanuit een zeer originele invalshoek. Zij vertelt ons over de kleine Roger Godfrin-Maillard die blijkbaar voor niemand anders interessant genoeg was om over zijn wedervaren te vertellen. Het was enkel de Franse journalist Gandebeuf die zijn getuigenis in 1999 neerschreef. De Landsheer zorgt dus voor een primeur in de Nederlandstalige literatuur.

[…] Ik bevind me ter hoogte van de zijdeur van de gang. Ze staat op een kier. Zonder verder na te denken, glip ik ongezien langs de deur naar buiten. Even later sta ik in één van de aanpalende tuinen. Een beetje verder begint de muur, die bijna tot aan het kerkhof reikt. Als ik het kerkhof kan bereiken, is er misschien een kans om vandaar verder te vluchten. Weg van Oradour. Instinctief voel ik dat hier iets verschrikkelijks aan de gang is. […]

Het verhaal leest vlot. Volgens de interpretatie van De Landtsheer moet de 8-jarige Roger wel een heel bijzonder ventje zijn geweest. Zijn denken en handelen getuigen van een bijzondere maturiteit. Het verhaal is een gezonde mélange van realiteit en fictie. Zullen we samen schuilen? is een aanrader en zeker een boek dat in elke schoolbibliotheek een plaats verdient.

Zullen we samen schuilen? Een kleine jongen in Oradour, Patricia De Landtsheer, Uitgeverij C.de Vries-Brouwers Antwerpen Rotterdam, 2014, ISBN 978-9-059277-11-3

(Frank Decerf)

 

Persoonlijk

Naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag verscheen van Willem Persoon Persoonlijk, een lijvig boek van 416 bladzijden, waarin zijn negen verschenen bundels volledig zijn opgenomen en dat eindigt met een aantal nieuwe gedichten. De dichter voorzag voor deze uitgave elke bundel van een inleiding. Zo kunnen we lezen dat Stuipen naar de middag (1972) een gestencilde uitgave in eigen beheer was, waarin voorzichtig, onder invloed van het Nieuw realisme, de mogelijkheden van het schrijverschap werden afgetast. Nummer twee, Plantaardig (1975) verscheen nog steeds in eigen beheer. De jonge journalist werd vader en verwoordt voorzichtig zijn vreugde en zijn vrees. In Het Niemandsuur, verschenen bij De bladen voor de poëzie in 1977, neemt de dichter meer afstand van zijn onderwerp. Zijn beeldspraak wordt echter veel rijker. In Regeneratie (1981) evolueert hij naar een meer klassieke schrijfstijl met kwatrijnen en terzinen, maar er is ook een hele reeks Kleingedichten waaronder dit: Ik was nooit een behanger / Maar men heeft het me geleerd / Ik was ooit een lichtgelover /  Maar men heeft het me verleerd. De bundel eindigt met de mooie cyclus Antverpia. Archeologie (1988) ontstond na enkele zware levensklappen, zoals een echtscheiding en de dood van de vader. De titel verwijst naar het zoeken van wat er overblijft. De auteur wil tevens zijn grenzen verleggen en schrijft op afstandelijke wijze over binnen- en buitenlandse steden. De volgende publicatie Onderzeeër verscheen 1997 en bevat een inventaris van winst en verlies in het leven. Het is een sterk geconstrueerde bundel met als hoogtepunten de 16-delige cyclus Getijden voor Mathilde, die geïnspireerd is door de Mathilde-cyclus van Jacques Perk. De titelcyclus die verwijst naar de na een zware onherstelbare hersenbloeding woordenloos geworden geliefde. In Vuurmaker (2005), met als bijkomende titel De Heidense Gedichten, wil Persoon nogmaals komaf maken met het verleden, maar hij doet dat nu in een totaal andere stijl, op een vrijere manier die dieper treft en verwijst naar sjamanen en genezeressen. De auteur is teruggekeerd naar zijn geboortestreek en schrijft er zijn poëtische Akte van geboorte. Het wordt een zoektocht naar belangrijke gebeurtenissen op en rond zijn geboortedag. Andere cycli zijn Het water, met natuurgedichten, De Rebus, gedichten die Persoon schreef bij grafisch werk van de kunstenaars Albert Daniëls, Enk De Kramer en Christophe Meul en Bessas, gedichten over de Ardèche.  In Sub Rosa (2007) worden eerst een aantal geheimen onthuld en daarna volgen talrijke cycli geschreven bij grafisch werk van Veerle Rooms. De bundel sluit af met gedichten geschreven bij werk van graficus Robert Wuytack. Our Soldiers verscheen in 2009, ter herdenking van de Slag bij Passendale en behandelt de inbreng van Nieuw-Zeeland tijdens de Eerste Wereldoorlog. De verzamelbundel sluit af met een addendum van een aantal gedichten over het leven, over ziekte, over mythen en tekens. Deze publicatie toont duidelijk dat Willem Persoon debuteerde als een poëtische zoeker die na verloop van tijd een zeer bedreven persoonlijke stijl heeft gevonden.

Persoonlijk, Willem Persoon, Uitgeverij C.de Vries-Brouwers, Antwerpen, 2014, ISBN 978 90 5927 791 5

(Tony Rombouts)

Onbalans

Bart Van der Straeten, bekend als poëzierecensent van onder andere Knack en De Morgen, is momenteel deeltijds verbonden aan de Vakgroep Letterkunde van de UGent. Met Onbalans debuteert hij zelf als dichter. Stroper die boswachter wordt of is het omgekeerd? Eigenlijk is het beide. Met dit debuut stroopt Van der Straeten het vel van de keizer, die al geen kleren had, met name de huidige tendens bij de jonge dichtersgilde van de vaak melige, totaal irrelevante en selfkickende prozagedichten en zet tezelfdertijd opnieuw de bakens uit voor wat poëzie echt dient te zijn: de kunst om op basis van het medium taal de werkelijkheid zo te herscheppen, de betekenissen ervan in vraag te stellen dat ze transformerend werkt op de lezer. Poëzie doet dat door gebruik te maken of juist niet van de taalregels en door vorm, stijl, ritme en klankkleur een geïntegreerd inhoudelijk geheel te smeden. Pablo Neruda, in zijn toespraak bij het ontvangen van de Nobelprijs, formuleerde het als volgt “Poëzie is een daad, waarbij eenzaamheid en solidariteit, emotie en ratio, de nabijheid van zichzelf en van de gehele mensheid en de geheimen van de natuurkrachten als gelijke partners bij betrokken zijn.” Onbalans tracht zich hierin in te schrijven.
De bundel bestaat uit 6 cycli. De eerste hebben een opgaande reeks van respectievelijk drie, vier en negen gedichten, de laatste drie een neergaande van negen, vier en drie. Het geeft meteen een duidelijke structuur aan de bundel, die zich ook in de stijl en de vorm ervan weerspiegelt: korte staccato verzen als feitelijke vaststellingen afgewisseld met bevelende aansporingen, die in de lengte van de verzen zelf aanzwellen om dan weer terug te vallen op de naakte betekenis van het woord in al zijn gelaagdheden, zoals in de aanhef van de laatste cyclus: hoe / nu hier / dit bestaan / te bestendigen / ontsnappingsroute / strijdershart. Het is alsof de dichter door de duidelijk bewuste bijna mathematische compositie van de bundel en haar cycli de balans weer in evenwicht wil tillen. Want begint de bundel niet als je moet alles / op de helling zetten / tot het begint / te schuiven /en dan weer zachtjes / kantelen.
De poëzie van Bart Van der Straeten munt uit door haar naaktheid, de taal is als het ware gestript van haar alledaagsheid, terug naar de essentie. Het is strijden met de taal: woord, / leef niet / in de plaats / van mij / laat mij / met u / vechten / u bevechten. De dichter plaatst de woorden in juxtapositie, confronteert ze met elkaar, spreekt de lezer aan in de imperatieve vorm, gebruikt afwisselend de ‘wij-vorm’ om dan weer afstand te nemen door de ‘men-vorm’ of  het ‘er is/zijn’. Het leidt tot een bezwerende poëzie, alsof de dichter iets wil temmen wat eigenlijk niet controleerbaar is, om de wereld terug in balans te krijgen. De bundel Onbalans biedt poëzie in haar pure vorm.

Onbalans, Bart Van der Straeten, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2014, ISBN 978-9-46-001264-8

(Richard Foqué)

Thorleif

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: een fijne nieuwe bundel is Thorleif van de productieve Job Degenaar. Vijf jaar geleden zag Handkussen van de tijd het licht, een bloemlezing uit zijn eerste zeven bundels, die een jaar later reeds een tweede druk beleefde. Kom daar nog maar eens om in de poëzie.
Dit jaar verschenen de drietalige poëziebloemlezing Achtzig van de 80-jarige Duitse dichter Reiner Kunze, waarvan hij de samenstelling en de Nederlandse vertaling voor zijn rekening nam, en het beeldverhaal Het orakel van Parijs, dat hij schreef bij illustraties afbeeldingen van Monica Maat.
Voor Thorleif liet de sympathieke Job Degenaar (° 1952) zich inspireren door fascinerende tijdsbeelden die dik een eeuw geleden werden gemaakt door de naar de Verenigde Staten geëmigreerde Noorse fotograaf Thorleif Sverre Pedersen Cooke (1878-1950). Die Engelse achternaam dankte hij aan Mary Jane Cooke uit Cambridge, Massachusetts, een kinderloze weduwe die hem adopteerde toen hij nota bene reeds 31 was. Zij liet hem een vermogen na, hetgeen hem in staat stelde te reizen en te fotograferen. Degenaar raakte in de ban van wat Thorleif zoal op droge glasplaat vastlegde, en schreef er 20 gedichten bij. Het is immer een heikele onderneming om iets te schrijven bij bestaand beeld, maar Degenaar is er schijnbaar moeiteloos in geslaagd om tot autonome verzen te komen, die je toch net weer iets anders leest wanneer je de foto’s bekijkt die er de aanleiding toe waren. Die je dan ook weer net iets anders beziet wanneer je de gedichten hebt gelezen die er bij werden geschreven. Een en ander levert een fraaie caleidoscopisch spectrum op. Bij een opname van de fotograaf (die geregeld met de zelfontspanner in de weer was) met zijn zus en verloofde op Revere Beach Boulevard (het eerste openbare strand) schreef Degenaar Nu en hier: Geen grotere uitzinnigheid / dan vrij het water in, de oceaan / is eindeloos als dit leven hier //  Straks is alles passé, ben je / een schim van wie je was / blader je met bevende vingers // door je droge plaatjes, blijft / je hand hier even dralen: ach / hoe mooi en bitter lang geleden.
Mooi ook (uit Terugblik uit een later eeuw): Verwonderd bezie je de wereld waaruit je / komt, gaat en in het niets verdwijnt. Of: Geef jij mij een duurzaam heden / ik jou voeten in de tijd? (uit Woord vs. beeld). Verder zetten automobielen, zeppelins, vliegtuigen en spoorwegarbeiders de pen van de dichter in beweging. Maar ook stadsgezichten van New York, indianen en het huis waarin Thorleif woonde. Ontroerend mooi is de Optocht der olifanten, een gedicht dat eindigt met En niemand van ’t geamuseerd publiek / die hun radeloosheid voelde // toen ze verdreven werden / uit hun bossen, hun zachtgroene steppen / en naar dit stenen decor verscheept.
Met Thorleif breidde Job Degenaar zijn oeuvre uit met een pareltje.

Thorleif – Beeld en poëzie, Job Degenaar, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2014, ISBN 9 789491 034442

(Bert Bevers)

Bij gebrek aan piano

Ik ken Paul Cox niet, maar zijn werk wel. Deze auteur is de dichter van de passie; de passie voor de vergetenen. De mensen die in Cox’ vizier komen zien het leven als een lastige oefening. De kracht van de avondschemering brengt in deze gedichten rust en hoop. De dichter is hier een treurende optimist. Hij spreekt met de lezer, probeert niet te storen, maar vraagt wel aandacht. Zijn verzen dwingen ons subtiel om elke bladzijde om te draaien. Zijn poëtica legt geen beslag op ons, zijn poëzie verleidt tot verder lezen, we volgen en slenteren zo zijn universum binnen. Cox heeft een eigen wereld gecreëerd. Op die plek komen we zijn vluchtelingen, zwervers en wanhopigen tegen. Deze bundel huisvest alle menselijke zorgen en zoekt naar oplossingen. Cox weet dat alles vergankelijk is. Zijn gedichten zalven de wonden die eigen aan de mens zijn. Over deze gedichten is nagedacht. Zijn bundel is secuur opgebouwd. De afgemeten verzen brengen een parlando cadans en de ritmiek wiegt ons naar inzichten. Cox blijft echter de vrije vlegel die de lezer op zijn qui-vive houdt. De rake observaties worden ontvet en komen in de verzen zonder overtollige woordenbrij. Hij wil de vergankelijkheid stoppen.

Onder de maretak

Laten we afspreken onder de maretak
bij bijengezoem
en in elkaar verstrengeld zijn.

Je zei: beur me wat op,
het was een ellendige dag vandaag,
zeg me wat liefs.

De komende nacht wordt kort, zei ik,
de morgen spreidt een wit satijnen laken.
Laten we afspreken onder de maretak
en er elkanders naam herhalen
bij zwermen verlangen.

De komende nacht verlicht vele manen.

Paul Cox hanteert doorheen de hele bundel de gekende stijlelementen op een subtiele manier. Bij hem geen nevelige woordensoep, geen mistig intellectueel gedoe. Bij hem zijn begrijpbare woorden de torenwachters die orde op zaken houden. Ik noem Paul Cox daarom de dichter van de duidelijkheid. Zowel in de korte als de wat langere gedichten zijn de parels niet voor de zwijnen, maar voor de geduldige lezer. Cox laat het ook niet na om te waarschuwen, als bezorgde medemens probeert hij de alwetende te behoeden voor wat komen zal. Hij ziet wat achter de horizon ligt en hoopt dat wij zullen luisteren. De dichter wordt radar. Hij gruwt van leiders die enkel meer lijden veroorzaken. Zijn gedichten bedanken de vergankelijkheid, want in dat ophouden ligt een tastbare schoonheid. Cox is de gevoelige troubadour die het belang van muziek in de caleidoscoop van nodige medicijnen heeft opgenomen. Zijn herinneringen filtert hij tot ze maanheldere poëzie worden. Zijn eerlijke aandacht voor menselijke waarden en appreciatie voor diegenen die onze steun nodig hebben, vind ik meer dan lovenswaardig. Paul Cox doet ons inzien dat we heel krachtig mogen bedanken om het feit dat wij nog bestaan. Zijn gedichten zijn de beste schuilkelders om in te overleven. Bij gebrek aan piano is een bundel zonder pretentie, maar met een duidelijke en specifieke kracht.

Bij gebrek aan piano, Paul Cox, Uitgeverij Partizaan, Gent, 2015, ISBN 978-94-9200-715-5

(Frank Decerf)