Persoonlijk

Naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag verscheen van Willem Persoon Persoonlijk, een lijvig boek van 416 bladzijden, waarin zijn negen verschenen bundels volledig zijn opgenomen en dat eindigt met een aantal nieuwe gedichten. De dichter voorzag voor deze uitgave elke bundel van een inleiding. Zo kunnen we lezen dat Stuipen naar de middag (1972) een gestencilde uitgave in eigen beheer was, waarin voorzichtig, onder invloed van het Nieuw realisme, de mogelijkheden van het schrijverschap werden afgetast. Nummer twee, Plantaardig (1975) verscheen nog steeds in eigen beheer. De jonge journalist werd vader en verwoordt voorzichtig zijn vreugde en zijn vrees. In Het Niemandsuur, verschenen bij De bladen voor de poëzie in 1977, neemt de dichter meer afstand van zijn onderwerp. Zijn beeldspraak wordt echter veel rijker. In Regeneratie (1981) evolueert hij naar een meer klassieke schrijfstijl met kwatrijnen en terzinen, maar er is ook een hele reeks Kleingedichten waaronder dit: Ik was nooit een behanger / Maar men heeft het me geleerd / Ik was ooit een lichtgelover /  Maar men heeft het me verleerd. De bundel eindigt met de mooie cyclus Antverpia. Archeologie (1988) ontstond na enkele zware levensklappen, zoals een echtscheiding en de dood van de vader. De titel verwijst naar het zoeken van wat er overblijft. De auteur wil tevens zijn grenzen verleggen en schrijft op afstandelijke wijze over binnen- en buitenlandse steden. De volgende publicatie Onderzeeër verscheen 1997 en bevat een inventaris van winst en verlies in het leven. Het is een sterk geconstrueerde bundel met als hoogtepunten de 16-delige cyclus Getijden voor Mathilde, die geïnspireerd is door de Mathilde-cyclus van Jacques Perk. De titelcyclus die verwijst naar de na een zware onherstelbare hersenbloeding woordenloos geworden geliefde. In Vuurmaker (2005), met als bijkomende titel De Heidense Gedichten, wil Persoon nogmaals komaf maken met het verleden, maar hij doet dat nu in een totaal andere stijl, op een vrijere manier die dieper treft en verwijst naar sjamanen en genezeressen. De auteur is teruggekeerd naar zijn geboortestreek en schrijft er zijn poëtische Akte van geboorte. Het wordt een zoektocht naar belangrijke gebeurtenissen op en rond zijn geboortedag. Andere cycli zijn Het water, met natuurgedichten, De Rebus, gedichten die Persoon schreef bij grafisch werk van de kunstenaars Albert Daniëls, Enk De Kramer en Christophe Meul en Bessas, gedichten over de Ardèche.  In Sub Rosa (2007) worden eerst een aantal geheimen onthuld en daarna volgen talrijke cycli geschreven bij grafisch werk van Veerle Rooms. De bundel sluit af met gedichten geschreven bij werk van graficus Robert Wuytack. Our Soldiers verscheen in 2009, ter herdenking van de Slag bij Passendale en behandelt de inbreng van Nieuw-Zeeland tijdens de Eerste Wereldoorlog. De verzamelbundel sluit af met een addendum van een aantal gedichten over het leven, over ziekte, over mythen en tekens. Deze publicatie toont duidelijk dat Willem Persoon debuteerde als een poëtische zoeker die na verloop van tijd een zeer bedreven persoonlijke stijl heeft gevonden.

Persoonlijk, Willem Persoon, Uitgeverij C.de Vries-Brouwers, Antwerpen, 2014, ISBN 978 90 5927 791 5

(Tony Rombouts)

Onbalans

Bart Van der Straeten, bekend als poëzierecensent van onder andere Knack en De Morgen, is momenteel deeltijds verbonden aan de Vakgroep Letterkunde van de UGent. Met Onbalans debuteert hij zelf als dichter. Stroper die boswachter wordt of is het omgekeerd? Eigenlijk is het beide. Met dit debuut stroopt Van der Straeten het vel van de keizer, die al geen kleren had, met name de huidige tendens bij de jonge dichtersgilde van de vaak melige, totaal irrelevante en selfkickende prozagedichten en zet tezelfdertijd opnieuw de bakens uit voor wat poëzie echt dient te zijn: de kunst om op basis van het medium taal de werkelijkheid zo te herscheppen, de betekenissen ervan in vraag te stellen dat ze transformerend werkt op de lezer. Poëzie doet dat door gebruik te maken of juist niet van de taalregels en door vorm, stijl, ritme en klankkleur een geïntegreerd inhoudelijk geheel te smeden. Pablo Neruda, in zijn toespraak bij het ontvangen van de Nobelprijs, formuleerde het als volgt “Poëzie is een daad, waarbij eenzaamheid en solidariteit, emotie en ratio, de nabijheid van zichzelf en van de gehele mensheid en de geheimen van de natuurkrachten als gelijke partners bij betrokken zijn.” Onbalans tracht zich hierin in te schrijven.
De bundel bestaat uit 6 cycli. De eerste hebben een opgaande reeks van respectievelijk drie, vier en negen gedichten, de laatste drie een neergaande van negen, vier en drie. Het geeft meteen een duidelijke structuur aan de bundel, die zich ook in de stijl en de vorm ervan weerspiegelt: korte staccato verzen als feitelijke vaststellingen afgewisseld met bevelende aansporingen, die in de lengte van de verzen zelf aanzwellen om dan weer terug te vallen op de naakte betekenis van het woord in al zijn gelaagdheden, zoals in de aanhef van de laatste cyclus: hoe / nu hier / dit bestaan / te bestendigen / ontsnappingsroute / strijdershart. Het is alsof de dichter door de duidelijk bewuste bijna mathematische compositie van de bundel en haar cycli de balans weer in evenwicht wil tillen. Want begint de bundel niet als je moet alles / op de helling zetten / tot het begint / te schuiven /en dan weer zachtjes / kantelen.
De poëzie van Bart Van der Straeten munt uit door haar naaktheid, de taal is als het ware gestript van haar alledaagsheid, terug naar de essentie. Het is strijden met de taal: woord, / leef niet / in de plaats / van mij / laat mij / met u / vechten / u bevechten. De dichter plaatst de woorden in juxtapositie, confronteert ze met elkaar, spreekt de lezer aan in de imperatieve vorm, gebruikt afwisselend de ‘wij-vorm’ om dan weer afstand te nemen door de ‘men-vorm’ of  het ‘er is/zijn’. Het leidt tot een bezwerende poëzie, alsof de dichter iets wil temmen wat eigenlijk niet controleerbaar is, om de wereld terug in balans te krijgen. De bundel Onbalans biedt poëzie in haar pure vorm.

Onbalans, Bart Van der Straeten, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2014, ISBN 978-9-46-001264-8

(Richard Foqué)

Thorleif

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: een fijne nieuwe bundel is Thorleif van de productieve Job Degenaar. Vijf jaar geleden zag Handkussen van de tijd het licht, een bloemlezing uit zijn eerste zeven bundels, die een jaar later reeds een tweede druk beleefde. Kom daar nog maar eens om in de poëzie.
Dit jaar verschenen de drietalige poëziebloemlezing Achtzig van de 80-jarige Duitse dichter Reiner Kunze, waarvan hij de samenstelling en de Nederlandse vertaling voor zijn rekening nam, en het beeldverhaal Het orakel van Parijs, dat hij schreef bij illustraties afbeeldingen van Monica Maat.
Voor Thorleif liet de sympathieke Job Degenaar (° 1952) zich inspireren door fascinerende tijdsbeelden die dik een eeuw geleden werden gemaakt door de naar de Verenigde Staten geëmigreerde Noorse fotograaf Thorleif Sverre Pedersen Cooke (1878-1950). Die Engelse achternaam dankte hij aan Mary Jane Cooke uit Cambridge, Massachusetts, een kinderloze weduwe die hem adopteerde toen hij nota bene reeds 31 was. Zij liet hem een vermogen na, hetgeen hem in staat stelde te reizen en te fotograferen. Degenaar raakte in de ban van wat Thorleif zoal op droge glasplaat vastlegde, en schreef er 20 gedichten bij. Het is immer een heikele onderneming om iets te schrijven bij bestaand beeld, maar Degenaar is er schijnbaar moeiteloos in geslaagd om tot autonome verzen te komen, die je toch net weer iets anders leest wanneer je de foto’s bekijkt die er de aanleiding toe waren. Die je dan ook weer net iets anders beziet wanneer je de gedichten hebt gelezen die er bij werden geschreven. Een en ander levert een fraaie caleidoscopisch spectrum op. Bij een opname van de fotograaf (die geregeld met de zelfontspanner in de weer was) met zijn zus en verloofde op Revere Beach Boulevard (het eerste openbare strand) schreef Degenaar Nu en hier: Geen grotere uitzinnigheid / dan vrij het water in, de oceaan / is eindeloos als dit leven hier //  Straks is alles passé, ben je / een schim van wie je was / blader je met bevende vingers // door je droge plaatjes, blijft / je hand hier even dralen: ach / hoe mooi en bitter lang geleden.
Mooi ook (uit Terugblik uit een later eeuw): Verwonderd bezie je de wereld waaruit je / komt, gaat en in het niets verdwijnt. Of: Geef jij mij een duurzaam heden / ik jou voeten in de tijd? (uit Woord vs. beeld). Verder zetten automobielen, zeppelins, vliegtuigen en spoorwegarbeiders de pen van de dichter in beweging. Maar ook stadsgezichten van New York, indianen en het huis waarin Thorleif woonde. Ontroerend mooi is de Optocht der olifanten, een gedicht dat eindigt met En niemand van ’t geamuseerd publiek / die hun radeloosheid voelde // toen ze verdreven werden / uit hun bossen, hun zachtgroene steppen / en naar dit stenen decor verscheept.
Met Thorleif breidde Job Degenaar zijn oeuvre uit met een pareltje.

Thorleif – Beeld en poëzie, Job Degenaar, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2014, ISBN 9 789491 034442

(Bert Bevers)

Bij gebrek aan piano

Ik ken Paul Cox niet, maar zijn werk wel. Deze auteur is de dichter van de passie; de passie voor de vergetenen. De mensen die in Cox’ vizier komen zien het leven als een lastige oefening. De kracht van de avondschemering brengt in deze gedichten rust en hoop. De dichter is hier een treurende optimist. Hij spreekt met de lezer, probeert niet te storen, maar vraagt wel aandacht. Zijn verzen dwingen ons subtiel om elke bladzijde om te draaien. Zijn poëtica legt geen beslag op ons, zijn poëzie verleidt tot verder lezen, we volgen en slenteren zo zijn universum binnen. Cox heeft een eigen wereld gecreëerd. Op die plek komen we zijn vluchtelingen, zwervers en wanhopigen tegen. Deze bundel huisvest alle menselijke zorgen en zoekt naar oplossingen. Cox weet dat alles vergankelijk is. Zijn gedichten zalven de wonden die eigen aan de mens zijn. Over deze gedichten is nagedacht. Zijn bundel is secuur opgebouwd. De afgemeten verzen brengen een parlando cadans en de ritmiek wiegt ons naar inzichten. Cox blijft echter de vrije vlegel die de lezer op zijn qui-vive houdt. De rake observaties worden ontvet en komen in de verzen zonder overtollige woordenbrij. Hij wil de vergankelijkheid stoppen.

Onder de maretak

Laten we afspreken onder de maretak
bij bijengezoem
en in elkaar verstrengeld zijn.

Je zei: beur me wat op,
het was een ellendige dag vandaag,
zeg me wat liefs.

De komende nacht wordt kort, zei ik,
de morgen spreidt een wit satijnen laken.
Laten we afspreken onder de maretak
en er elkanders naam herhalen
bij zwermen verlangen.

De komende nacht verlicht vele manen.

Paul Cox hanteert doorheen de hele bundel de gekende stijlelementen op een subtiele manier. Bij hem geen nevelige woordensoep, geen mistig intellectueel gedoe. Bij hem zijn begrijpbare woorden de torenwachters die orde op zaken houden. Ik noem Paul Cox daarom de dichter van de duidelijkheid. Zowel in de korte als de wat langere gedichten zijn de parels niet voor de zwijnen, maar voor de geduldige lezer. Cox laat het ook niet na om te waarschuwen, als bezorgde medemens probeert hij de alwetende te behoeden voor wat komen zal. Hij ziet wat achter de horizon ligt en hoopt dat wij zullen luisteren. De dichter wordt radar. Hij gruwt van leiders die enkel meer lijden veroorzaken. Zijn gedichten bedanken de vergankelijkheid, want in dat ophouden ligt een tastbare schoonheid. Cox is de gevoelige troubadour die het belang van muziek in de caleidoscoop van nodige medicijnen heeft opgenomen. Zijn herinneringen filtert hij tot ze maanheldere poëzie worden. Zijn eerlijke aandacht voor menselijke waarden en appreciatie voor diegenen die onze steun nodig hebben, vind ik meer dan lovenswaardig. Paul Cox doet ons inzien dat we heel krachtig mogen bedanken om het feit dat wij nog bestaan. Zijn gedichten zijn de beste schuilkelders om in te overleven. Bij gebrek aan piano is een bundel zonder pretentie, maar met een duidelijke en specifieke kracht.

Bij gebrek aan piano, Paul Cox, Uitgeverij Partizaan, Gent, 2015, ISBN 978-94-9200-715-5

(Frank Decerf)

De immer wandelende tijd

Van de nu 82-jarige Francis De Preter verscheen de dichtbundel De wandelende tijd, zijn dertiende. Die omspant niet minder dan vijftig jaar dichterschap, en is een soort van orgelpunt of poëtisch testament van de zo geliefde thematiek van Francis De Preter: natuur, muziek en het organisch proces van alles: van kiem, groei, bloei tot verval en ondergang.
De wandelende tijd telt drie cycli: Waar is de tijd?, De wandelende (tijd) en De gehorige (tijd).
De eerste cyclus Waar is de tijd? doet vermoeden dat er bespiegelingen in gemaakt worden over het verleden. En Francis heeft de leeftijd bereikt waarop zulks gebruikelijk is. De gedichten tonen aan dat de dichter de dwangbuis van grammatica en woordbetekenis overwonnen heeft. Het hele menselijk bedrijf met daaraan gekoppelde angsten, twijfels en elegische overwegingen worden door De Preter in romantische natuurelementen gevat en uitgedrukt.

Kaleidoscoop

Door een verrekijker             
een mozaïek van steentjes zien,
onderstroom van verzonken dagen,
geluk en wanhoop worstelend
met de verten van het hemelkijken:
wie verzamelde deze flarden levenslicht
van verglaasd karaat ?
[…]

Niet alleen de schoonheid van de gebezigde beelden treft maar ook de bewuste beleving van de natuurelementen die ons omgeven en waar de meesten van ons achteloos aan voorbijgaan. Niet Francis De Preter.
In de tweede cyclus De wandelende (tijd) treffen we prachtige bespiegelingen aan uit de pen van een zinnelijk-vitalistische en bedachtzame dichter.

Spleen

Ver zijn van het nu
om de achterzijde van het hier
te zien
met handen vol heide
oren vol vogels
en in de houding van het hout
de gespaarde wouden

Zeg mij: wie schrijft zoiets als Francis De Preter? Een gedicht als Herfst zou je kunnen interpreteren als een naturalistisch credo van Francis De Preter:

[…]
Wat waait er door de hemel ?
Zwermen van geschiedenis,
krankzinnigheid van kraaien
en verwaaide maatschappijen;
tijd, ijzer, steen en aarde
draaien wervelend rond.
Een laatste vrucht stort zuchtend
in de koker van het donker.

De derde en laatste cyclus De gehorige (tijd) gaat thematisch terug op één van de geliefkoosde onderwerpen van Francis: de muziek. ‘Gehorig’ betekent in de Dikke Van Dale: mensen die een fijn en muzikaal gehoor hebben.
De muziek en de beeldentaal die hij in zijn aparte logica oproept zijn een middel om de realiteit te begrijpen zoals we dat met ons verstand niet kunnen.
Het slotgedicht van deze cyclus heet Het mysterie van de tijd. Francis De Preter schreef het naar analogie met de gelijknamige orchestrale compositie van de Tsjechische toondichter Miroslav Kabelác:

[…]
Brommende fagotten, contrabassen
zetten de melkweg in beweging.
Alles wentelt: assen en slingers,
kometen, noorderlicht
en tikkende horloges.
Galileï registreert de snarenklank
der sferen; met vaste hand
leidt Einstein massa’s energieën                   
in een baan rond Miroslavs planeet.

De wandelende tijd is een bundel die een bekroning mag genoemd worden van een poëtisch oeuvre dat een unieke plaats inneemt in onze letteren. 

De wandelende tijd, Francis De Preter, Demer Uitgeverij, Diepenbeek, 2014, ISBN 978-1-291-15061-2 

(Marc Bruynseraede)

De halfrust van Pauline Pisa

Pauline Pisa betrad in 2006 voor het eerst de podia met haar poëzie en won prompt de Simon Vinkenoogprijs op een poetry slam in Festina Lente in Amsterdam. In hetzelfde jaar belandde ze in de finale van de NK Poetry Slam, voluit het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam, een initiatief dat in 2002 werd opgestart door het Literair Productiehuis Wintertuin in Nijmegen. De winnaars mogen daarna hun kans wagen op het Wereldkampioenschap Poetry Slam. Volgens North Sea Poetry is Pisa live een niet te missen ervaring: Pauline Pisa bruist en fonkelt op het podium. Pisa tilt je op en voert je mee in haar aansprekende wereld van verbeeldingskracht.
Op de cover van Halfrust lezen we dat deze bundel haar debuut is. Vreemd,  want eerder, in 2008, verscheen de bundel Het gestolen wijf (Uitgeverij Aspekt)… In 2011 stond ze in de top 100 van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd met het gedicht Nestblijver: Tussen het erfgoed van zijn dialect/ leidt de boer het varken rond in cirkels// het allerlaatste dier zit binnen/ en streept op ribfluweel een dagdeel door// In de schemering aan tafel/ boven zaterdagse soep/ slingeren snorren/ halverwege het gezicht// Godverdomme// Als het oude loof is weggeknipt/ en de rui is gestagneerd/ zal de nazaat in beweging komen
Nestblijver - zoals al haar gedichten zonder eindpunt - is ook opgenomen in Halfrust. De titel wordt omschreven als een toestand waarin de kalmte bedrieglijk is, als het kwispelen van de staart van een liggende hond.
Al in de eerste cyclus tast de dichteres de vergankelijkheid af. Een voorbeeld: Broer en zus: Op het balkon bewegen/ we langzaam grafwaarts/ een merel trekt zijn keel open// Vogels verjongen zich/ maar hun zang blijft hetzelfde/ het leven lijkt eindeloos// Jouw benen zijn nauwelijks veranderd/ neem de huid die om je knieën spant/ het litteken dat je zestien houdt// Onze ouders rusten achter het gordijn/ de ballen van de klok neigen naar de grond// Als de kuilen klaar zijn/ zullen we hun nesten moeten dragen
Op de raaklijn van ironie en scherpte, lichtvoetigheid en mededogen richt Pauline Pisa haar blik op momenten in het leven waar we vaak niet bij stilstaan, de bedrieglijke halfrust in haarzelf en haar lezers en lotgenoten: Straks ga ik op een afstand van je liggen/ zoals een panter in de dierentuin/ met één oog open// Houd mijn staart maar in de gaten/ ik ben in halfrust
Terloops: voor wie wat sceptisch is over de kwaliteit van de poëzie op papier van  dichters die sterk scoren op het podium is Pauline Pisa het zoveelste bewijs dat beide krachten perfect samengaan.
De dichteres gaf haar bundel een citaat van Gerard Reve mee, uit De avonden: Het graf gaapt, de tijd zoemt, en nergens is redding. Redding misschien niet, maar Halfrust biedt wel soelaas: Ik roep de dingen aan die bij me zullen blijven,/ aai mijn vleugels, sluit mijn leed, wees lief

Halfrust, Pauline Pisa, Uitgeverij Marmer BV,  Baarn, 2015, ISBN 978 94 606 8226 1

(Roger Nupie)

De blanke gave

De blanke gave, de derde bundel van Ellen Deckwitz (Nederlandse kampioene Poetry Slam 2009) omvat een dertigtal gedichten. Het boekje bevat vier titelloze cycli, bij de derde cyclus zes aparte gedichten omtrent onze rick.
Op de cover een waterverftekening van een vliegend hert, een afschrikwekkend uitziende maar onschuldige kever, vereeuwigd door Albrecht Dürer in 1505. Deckwitz produceert tweeregelige gedichten, strofische gedichten, prozagedichten, poëzie geschreven langs een as. Soms schrijft ze hoofdletters aan het begin van een vers, soms vloeien alleen sprankelende kleine letters uit haar pen.
Haar poëzie vraagt om geconcentreerde lezing. Ogenschijnlijk doen personages vreemde dingen in nog vreemdere situaties. De lezer moet af en toe nadenken vóór hij het verband tussen titels en gedichten begrijpt. Een vader heeft een obsessie voor ijsmummies, onze rick vouwt blauwe enveloppen tot scheepjes. Moeders beklimmen rotsen met kinderen op hun rug geplakt (met duct tape!) om naar de kerkklokken te luisteren. De baby’s worden daarna tegen een boom gekleefd, de moeders trekken de velden in. Historische figuren (Willem de Zwijger, Filips II) onderhandelen aan de vloedlijn, geesten in een ver land hebben vreemde ideeën over conceptie en geboorte. Hoefdieren worden in camions weggevoerd, iemand roept dat hij een boom is, wordt bij de wortels losgemaakt en eindigt in delen. De dichteres vertelt deze gebeurtenissen schijnbaar afstandelijk; toch zijn de verzen over haar (wellicht) zieke vader ontroerend.
Water, de zee en zeereizen zijn terugkerende items in Ellen Deckwitz’ poëzie. Een atlas is nooit ver weg. Vijf intrigerende Waterpsalmen sijpelen doorheen de bundel, zij fungeren als koorzangen bij rampen, bij overstromingen:

Een paar knopen verderop hebben de aflopende daken / mensjes op de kaft. Voor hen die beneden en zwevend/ hun (afbetaald) plafond kussen, begint een tweede leven / met de schoorsteen als snorkel waardoorheen / lucht en as opborrelen.

en

Op het droge werden de mensen wakker en ze bekeken de schade. Er voeren kuikens, soms ging er eentje onder. Er was een kleine draaikolk toen ze thinner door de gootsteen spoelden. Er viel niets meer te verdunnen. Ze hielpen elkaar het water in en begonnen aan hun trek met de stroom mee. Plukken gras, verbleekte wilgentakken dreven op de beek. Uit het water kropen mensen.

De dichteres suggereert gevoelens van ontreddering, maar af en toe wringt zich een grapje doorheen de wanhoop:

Het is belangrijk om je geschiedenis te kennen / maar daar heb je niets aan wanneer je een lekke / koelkast kit. Tegen het einde beweerde hij liever / grappig te zijn / … dan zichzelf.’

De dichteres brengt de lezer op een verkeerd spoor: het woord kit staat daar onverwachts. Misschien zat die koelkast in een doos verpakt, had ze een toolkit nodig om hem te installeren. Een heel verhaal, verdicht in 1 enkel woordje.
Voor Ellen Deckwitz  is het leven een tedere hallucinatie, vol onheilspellende voorvallen en rampspoed. Toch schrijft zij krachtige, avontuurlijke gedichten, met een knipoog naar het surrealisme.

De blanke gave, Ellen Deckwitz,  Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2015, ISBN 9789025443399

(Nicole Van Overstraeten)

Fascinerende handleiding

Zowel Daniel Billiet, Erwin Steyaert, Hilde Van Cauteren als ann van dessel (geen tikfout, zij ziet haar naam gaarne met kleine letters geschreven) lieten zich met hun poëzie reeds eerder opmerken. Ze hebben alle vier een eigen stijl. Samen vormen zij ook de dichtersgoep Pazzi di parole, waarmee zij regelmatig een podium betreden. Dat een ensemble soms meer is dan de som der delen bewijzen zij met Een kier in het rumoer, een collectieve bundel met de fascinerende ondertitel Handleiding voor het betrappen van stilte.
Volgens de flaptekst zijn de gedichten in het boek ‘geschreven op het moment tussen in- en uitademen, voor wie de oorverdovendheid en de ruis even achter zich wil laten’. Dat vind ik een wervende tekst. Dikwijls staat er immers veel blabla op de flap. Dat ‘moment tussen in- en uitademen’ manifesteert zich rijkelijk. In de witregels van een gedicht / leg ik mijn vinger op je lippen, schreef Erwin Steyaert (in Stilte). Sterk. Veel fijntjes geregistreerde herinneringen ook. Neem ann van dessels zondagskind waarvan hier de eerste strofe: na de hoogmis mag ik mee naar fonne en matje / het ruikt er naar lourdeswater en naar oorlog / in vaders broekzak twee schijfjes lichaam / van Jezus, naast zijn pakje zemir filter. Persoonlijk herinner ik me van Lourdeswater geen geur (wel van de Eau de cologne van mijn oma), maar de sfeer wordt duidelijk opgeroepen. Ook van Daniel Billiet zomaar een pakkende opener: Mijn huis geeft altijd licht. Van ver al / wenkt het mij met open ramen.
Typerend voor de aanpak en de ‘rode draad’ door het boek is beslist Blikken doos met wuivend vorstenpaar (Beklijvende titel, je kent die blikken wel van de rommelmarkt) van Hilde Van Cauteren:

Elke zondag haalt ze haar neven en nichten
boven voor hun wekelijkse wandeling.

Ooms en tantes komen later, zij liggen onderin.
Eerst schenkt ze koffie in haar mooiste kop.

Geduldig stelt ze paren op: twee tegen een vaasje,
twee tegen de suikerpot. Twee achter de bloempot

voor een meer intiem gesprek. De stilte wordt
één groot familiefeest van lang verkleurd

verleden. Er wordt gekibbeld en verzoend,
hier en daar over een dij gewreven. Stiekem,

tot ze met de avondboterhammen komen.
Dan gaan de doden zonder morren in de doos.

Dit vind ik een een mooi, zuiver gedicht. Je ziet het tafereel zo voor je.

De bundel bevat 7 reeksen van respectievelijk 12, 10, 10, 8, 9, 10 en 11 verzen: Hoe wij van aarde stammen, Ik zing mijn huis, Loop niet dood in mij, Een omgewoeld bed, Wijl de rivier door de open ramen, Zonder morren in de doos en Het lek waarlangs je leegloopt. Alle vier schreven ze aan alle cycli mee. Billiet, Steyaert, Van Cauteren en Van Dessel leverden achtereenvolgens 18, 18, 15 en 19 bijdragen. Een kier in het rumoer is een fijne bundel, regelmatige herlezing waard.

Een kier in het rumoer, Daniel Billiet, Erwin Steyaert, Hilde Van Cauteren, ann van dessel, Uitgeverij P, Leuven, 2015, !SBN 978-94-91455-66-7

(Bert Bevers)

Zal ik het eens vertalen?

Ondenkbaar wat je zou moeten missen mochten er geen vertalers zijn die zwoegen om de wereldliteratuur naar onze taal over te zetten. Maar hoe zit het met de kwaliteit van die literaire vertalingen?
Schrijven als een ander van Maarten Steenmeyer is opgedeeld in twee delen: oneven hoofdstukken die een idee geven van wat literair vertalen is of zou moeten zijn en even hoofdstukken met voorbeelden uit de Spaanstalige literatuur, het terrein waarop Steenmeijer, vertaler en hoogleraar Spaanse literatuur, het meest thuis is.
De doorsneelezer van vertalingen heeft geen boodschap aan het origineel, want dat kan hij niet lezen. Voor hem telt alleen de vertaling. Die moet daarom op eigen benen kunnen staan en overtuigen als Nederlandse tekst. Concreter gezegd: de vertaalde tekst moet op alle niveaus (grammatica, stijl, idioom, betekenis) coherent zijn. Dat is helaas nogal eens niet het geval.
Steenmeijer laat heel wat vertalingen waar iets aan schort de revue passeren, maar haalt evengoed voorbeelden aan van vertalingen die wel goed zijn en hij verklaart ook waarom. Het is er hem niet in de eerste plaats om te doen ‘fouten’ te ontdekken: fouten komen in elke vertaling voor (en trouwens ook in vrijwel elk origineel).
Hij raadt de vertaler aan indien nodig af te stappen van het idee dat een vertaling zo dicht mogelijk het origineel moet benaderen en zichzelf de vrijheid te gunnen teksten af te leveren die in de doeltaal moeten kunnen functioneren als zelfstandige teksten. Je zou in principe dus niet moeten kunnen zien dat het om vertalingen gaat. De vertaler moet de schrijver een stem in het Nederlands (…) geven: Die stem is méér dan de toon, tempo, klankkleur, en bereik; zij is ook een manier van denken en voelen, een visie op de wereld, een levensgevoel, een gemoedstoestand.
Allerhande vertaalproblemen komen aan bod, vragen als: hebben vertalingen een vervaldatum? In hoeverre mogen of moeten vertalers gebruik maken van of rekening houden met voorgaande vertalingen?
De auteur wijdt ook een hoofdstuk aan Nederlandse liedjesteksten en vertalingen van Engelse, Amerikaanse en Italiaanse liedjes. Steenmeijer ergert zich - terecht - aan het feit dat het ‘fout’ was als je van de Rolling Stones, Dylan en Zappa hield je ook naar bijvoorbeeld Conny Vandenbos zou luisteren.  Dat was hooghartig en kortzichtig, want er werden toen prachtige teksten geschreven in het Nederlands.  Als voorbeeld haalt hij haar lied Ik ben gelukkig zonder jou aan, geschreven door Hanny Meijler en de prima vertalingen en (recenter) eigen Nederlandstalige teksten van Dave von Raven van de band The Kik.
Steenmeijer weet het enthousiasme voor zijn vak op sprankelende wijze over te brengen en heeft een boek afgeleverd dat niet alleen onmisbaar is voor iedereen die met vertalen bezig is maar voor elke literatuurliefhebber die een kick krijgt van een tekst die goed geschreven (of vertaald) is. Nu maar hopen dat dit ook weer niet als ‘fout’ wordt bestempeld.

Schrijven als een ander, over het vertalen van literatuur, Maarten Steenmeijer, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015, ISBN 9789028426177

(Roger Nupie)

Hommage aan Loepsie

Souvenirs, herinneringen, memoires, autobiografische teksten … al die begrippen betekenen iets verschillends, en de keuze van het begrip bepaalt uiteindelijk de inhoud van de tekst. Lucienne Stassaert, al decennia gekend als dichter, toneel- en romanschrijver, vertaler en schilder, heeft nu beslist haar visie op de dingen eens in een andere vorm te gieten. Voor mij ligt het bij poëzieuitgeverij P gepubliceerde Souvenirs: een prozaboek. De auteur noemt haar boek: Aantekeningen in de loop van de tijd.
Stassaert, die in 2016 tachtig zal worden, heeft uiteraard stof (aarde) genoeg om diep te graven in interessante momenten en ervaringen uit haar leven. Al op de eerste bladzijden maakt ze gebruik van de titel van haar dichtbundel uit 1978 om zich als steller van deze memoires de jonkvrouw met de spade te noemen. Ze zal meer dan 135 pagina’s diep in haar verleden graven en zoeken naar details en gebeurtenissen die haar leven van toen, en zelfs dat van nu, beïnvloed hebben. De jonkvrouw met de spade komt terecht bij haar ouders en grootouders, en bij een traumatische ervaring met haar grootvader die fundamenteel haar houding tegenover de mens en ten opzichte van relaties bepaalde. Maar in het verleden waren er ook andere belangwekkende zaken: de lectuur van auteurs die hààr schrijven stuurden, schilders die een onuitwisbare indruk op haar maakten door wat zij creëerden of door hun levensverhaal.
Niet alleen het verleden komt aan bod. Stassaert heeft Souvenirs in drie periodes geschreven: in 2010, 2011 en 2013, en elk ‘hoofdstuk’ bestaat uit teksten over vroeger, afgewisseld met beschouwingen over het heden. Nagedacht wordt over items die in haar dagelijks leven om aandacht vragen: het aftakelende lichaam, haar rol van vrouw, echtgenote en moeder, het leven van haar twee dochters en haar aandacht en liefde voor hen. Stassaert schrijft, haar dichterschap indachtig, heel poëtisch proza. Het boek barst van lyrische zinnen en metaforen. Onderwerpen zijn: dromen, de omgang met de problematische tijd, het beeld van de dood, eenzaamheid, angst. Stress en bitterheid verschijnen als ze zich miskend voelt. Souvenirs is ook een boek vol kunst. Ze becommentarieert werk en leven (soms ook de dood) van collega-schrijvers en reflecteert over haar eigen literair en beeldend werk. Ze vertelt het verhaal van haar eigen poëtica en haar vertaalactiviteiten. Nergens krijgt de lezer de indruk dat Stassaert oppervlakkig is. Met kennis van zaken blijft ze de lezer boeien. Voor haar zijn haar kunst en haar neiging om alles tot schoonheid te herleiden onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Ontroerend, passioneel zijn de aantekeningen over haar lievelingskater Loepsie en zijn dood, die de schrijver in een leegte stort waaruit ze met veel moeite kruipt. Loepsie was 17 jaar lang haar levensgezel, hij gaf haar leven inhoud, zin en warmte.  Ik heb wel de indruk dat Stassaert deze aantekeningen geschreven heeft om afscheid te kunnen nemen van bepaalde episodes in haar leven. Maar Souvenirs is geen eindpunt: de toekomst lonkt.

Souvenirs. Aantekeningen in de loop van de tijd, Lucienne Stassaert, P, Leuven, 2014, ISBN 978-94-91455-57-5

(Philippe Cailliau)

Op tederheid betrapt

Rose Vandewalle publiceerde drie dichtbundels: In haar zak een doek van staal (Wolkbreuk, 1986), Laat de klok met rust (Fingerprints Productions, 1992) en Verwaaid (bf Ampersand & Tilde, 2006). Daaruit werden tweeëntwintig gedichten geselecteerd, aangevuld met acht gedichten die verschenen in diverse bloemlezingen en verzamelbundels.
Annmarie Sauer vertaalde alle gedichten naar het Engels en het geheel werd boven de doopvont gehouden als Zwanenzang / Swansong, opgedeeld in drie cycli: ik die niet wist van de tijd / I who knew nothing of time, einderloze dagen / days without outlook en alles kwijt/ everything lost.
De bundel opent met een gedicht over Antwerpen, de thuishaven van de dichteres, stad van diamant / van heenvarende schepen / toeters en sirenen. Haar voorspelling is niet mis te verstaan: op D-dag zal onze feestneus worden afgerukt / en terwijl de stad krult en brult van drift/ zal pijn rondkruipen overal door jouw lichaam / en mijn hersens teisteren //  het is een zwarte dagdroom / dat eens in de niet zo nabije toekomst. Het lijkt wel een liefde-haat verhouding: Weg wil ik uit haar / wurgende straten (…) Maar opnieuw word ik aangezogen (…) Al is het maar dat steeds weer meeuwen van broos/ porselein & eeuwig schreeuwend breken door de straten / Niets blijft hier evenwel duren. Deze stad is geen haven.
De hoofdmoot van de bundel bestaat uit gedichten over ouder worden, afscheid nemen, verlies, dementie: van missen, van nooit meer terug… Nergens leidt dit tot zwaarmoedigheid of sentimentaliteit, alsof de dichteres aan de zijlijn staat, toekijkt en nauwgezet registreert, weliswaar met een flinke portie inlevingsvermogen: tussen tramsporen afscheid van hem nemen / alweer weifelend tussen u en gij / hem niettemin omarmen geroerd / met iets van bijna tederheid // altijd zal hij me uitwuiven wankel en/ wapperend in zijn te wijd geworden kleren / het gevoel dat ik hem achterlaat / op een verlaten en winderig eiland. 
Annmarie Sauer stelt dat ze beoogt de oorspronkelijke tekst zo getrouw mogelijk weer te geven, al permitteert ze zich lichte deviaties al was het maar ter wille van klank of ritme. Indien nodig legt of verlegt ze behoedzaam maar weloverwogen een accent dat het origineel beslist geen oneer aandoet.   
Gemis ligt in wind, die de dronkenman / het vermogen ontneemt te lopen en het besef / waar de dingen beginnen en waar ze eindigen. / Gemis is komend en gaand. Als de wind. In vertaling: Loss lays in wind, robbing the drunk / of the means to walk and the realization / where things begin and where they end. / Loss is coming and going. Like the wind.
Op de website van Rose lezen we wat schrijven voor haar betekent: spreken zonder al te veel ballast, in korte penseelstroken het essentiële weergeven. Niet alleen daar is ze in geslaagd. Haar poëzie is van een aangrijpende, diepmenselijke en beklijvende schoonheid.
Alle lof voor beide dames én voor dodopers voor deze fraai verzorgde en vormgegeven tweetalige uitgave!

Zwanenzang / Swansong (1982-2012, een selectie / a selection), Rose Vandewalle, vertaling: Annmarie Sauer, 2015, dodopers, Eindhoven, ISBN 978-90-822047-2-8

(Roger Nupie)

Op dood spoor

Er is een tendens merkbaar in de poëzie die tot nadenken stemt. Het gaat om de beoefening van oppervlakkigheid. De beoefenaars hebben veel woorden nodig om weinig mee te delen. Het gaat vaak om mededelingen die als gedicht worden opgemaakt. De mededelingen zijn overwegend lawaaierig, gratuit en quasi maatschappijkritisch. Ze zijn doorspekt met trendy uitdrukkingen.
Kurt De Boodt (1969) bedient zich in zijn nieuwe bundel Ghostwriter bepaald niet van het kleine en ingetogene. Zijn verzen zijn te hard opgepompte gedicht-achtigen.
Er ligt een idee ten grondslag aan deze verzameling. Althans dat vermoed ik. Op de achterflap wordt iets geformuleerd om de lading te dekken: ‘stemmen spreken zich uit over macht en denkbeelden, winnaars en verliezers’. Ja, ja stemmen. Zo blijft aanstichter De Boodt toch maar mooi buiten schot.

BVBA Heilige Heidense Hemel

Oog, oor, long, nier, teelbal, been, tenen, arm.
U heeft ze dubbel. Ruilen is goed voor de speeltijd.
Nu ernstig. Er lopen teveel mensen rond op deze planeet.
Minder is meer. Begin bij uzelf. Beperking is een meesterzet.

De onvermijdelijke taalfout daargelaten (teveel is een substantief, te veel wordt hier bedoeld), is dit eerste stukje van een lang (gecentreerd opgemaakt) ‘gedicht’ van een diepe diepe nikserigheid.
Gaan we vervolgens naar het Songfestival.

Sussend liedje

Hoe in, hoe team
hoe heel, hoe veel
hoe caffè latte
hoe één in twee
kunnen we zijn.

Pijn blijf bij mij
laat me voelen
dat ik leef.

(…)

Je hoort het Ronnie Tober bijna zingen.
En zo gaan de ‘stemmen’ een hele dikke bundel door. De ene compositie is nog minder relevant dan de andere. De Arabische lente, John Lennon, Ramses Shaffy: niets blijft de lezer bespaard.
Alleen als De Boodt zijn theaterervaringen als inspiratie gebruikt, gloort er een beetje licht aan het eind van deze poëtische tunnel.

Samenhorig 1

Kom op. Het spotlicht wijst de weg. Het verloop staat vast.
Er is oneindig vaak gerepeteerd. Jij was erbij, weet je nog?
De techniek zit goed. Het publiek murmelt om te luisteren.
Het wil zich één voelen. Het wil opgaan in dat ene ogenblik.
Het wil vergeten dat het hier is. Het wil wat meemaken.

(…)

Hier spreekt, voor een ogenblikje, een ingetogen stem die sober verwoordt  wat er in een acteur of performer omgaat vlak voor zijn optreden. Theater en echtheid komen voor een klein moment mooi samen. Subtiel in balans. Helaas zijn er weinig vergelijkbare fragmenten te vinden. In Ghostwriter overheerst het foute theater van effectbejag.

Zingt, muizenvolk, zingt met me mee. Is iedereen tevree? Horen jullie nog het verschil tussen muziek en gepiep?

Jawel, het verschil tussen muziek en gepiep.
De Boodt/Ghostwriter/de stemmen: het perspectief van waaruit alles klinkt, is zoek.
Laten wij dan maar De Boodt (die vaak reist met de intercity Amsterdam - Brussel) volgen.
Mogen wij vragen, straks uw blik af te wenden, nog een goede reis

In lustige staar
tegen de rijrichting in
botten oponthoud.

Dit is poëzie op dood spoor.

Ghostwriter, Kurt De Boodt, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015, ISBN 978-90-284-2607-8

(Erick Kila)

Zij die mij bewoont

Een zacht verlangen, altijd wel met een beetje pijn erin, naar vroeger. Dat klinkt in het oeuvre van Marijke van Hooff (° Haarlem, 1944) immer door. Zij debuteerde in 1984 met de dichtbundel Een huid van regen (Wat een prachtige titel toch). Sindsdien verschenen van haar hand vele poëzie- en prozatitels.
Nu is er Zij die mij bewoont. De titel duikt op in het gedicht Zeventig: ik koop een bloemetjesjurk / voor als ik zeventig word / dat duurt nog even maar / wat vrolijk toont kan men / beter tijdig in huis halen // misschien ben je al dood / zegt zij die mij bewoont / dan kun je fleurig opgebaard / je kist in of een rieten mand / of rechtop in een vaas / als vrolijk bebrilde bloem / vlak voor je wordt verbrand [….].
Veel herinneringen aan haar jeugd. Mooie bespiegelingen ook bij nieuwe jeugd (die van Saartje bijvoorbeeld: met de zekerheid van de driejarige / neemt ze het blauwe, haar neusje / dwingt tot schuifgebaar omhoog / ze oogt als een kleine kamergeleerde (uit brilletje), en aardig wat reflecties over België (Berchem, de Marollen en Middelheim bijvoorbeeld). Het mooist vind ik vannacht kwam moeder: vannacht kwam moeder / ze zei dat een scheiding / in het midden mij niet stond [….]. Mooi slot, als ze haar vraagt nog wat te blijven: ze ging / gewoon weer terug naar waar vandaan / ik vroeg hoe is het daar en of het wende // het maakt niet uit, zei ze, hoe vroeg je daar / ook komt, het wordt er nooit meer later.
Beslist charmant is ook de cd Verblijf met vrienden – Over leven, liefde en een vleugje weemoed, die bij Zij die mij bewoont hoort. Het was een van Van Hooffs dromen om ooit een album te maken met liedjes waarvoor zij de teksten schreef, want ‘dichten doe je alleen, muziek maken met anderen’. 12 liedjes die ze dan (met het a capellakoor Chestnut, dan weer met het ensemble Viaggio) ook nog eens zelf mee zingt. Rinie van der Leer en Piet van Tienen zetten respectievelijk 2 en 10 van Van Hooffs teksten op muziek. Liedjes als Zondagmorgen en Saartjes eerste lach doen me qua toonzetting denken aan vroege radiojaren, aan de eerste jaren van het Eurovisie Songfestival. Verheugend vind ik er alleszins aan dat de slot-n er nog hoorbaar in is. Die hoor je in het hedendaagse Nederlands immers bijna niet meer. Marijke van Hooff doet ook hier, met muzikale collegae weliswaar, haar eigen ding. Als zangeres, maar zeker ook als dichter. Regelmatig hoor je hier mooie poëtische regels als Ik zal voorzichtige gedachten hebben en alles langzaam doen. (uit Klein eiland) of Op al mijn reizen ga je met me mee, want uit mijn hoofd kun je niet vluchten. (uit Ik zie je in de spiegel van de zee).
Met plezier gelezen, met genoegen beluisterd.

Zij die mij bewoont, Marijke van Hooff, Uitgeverij Kievenaar & Vijn, Heveadorp, 2014

(Bert Bevers)

Een fascinerende kathedralentocht

Voor wie zijn vakantie nog niet heeft geboekt, heb ik een tip: lees de nieuwe dichtbundel van Albert Hagenaars, Cathedra. Laat je meenemen op een fascinerende kathedralentocht, die begint in Noord-Frankrijk en via Vlaanderen eindigt in Nederland.
Het boekje bevat een proloog, een epiloog en een cyclus van zeven gedichten, gepresenteerd in het Nederlands, Engels, Frans en Spaans. De vertalingen zijn van John Irons, Bernard de Coen en Silvia Rubio Samper. Op de cover een duivels fragment uit Het laatste oordeel van Dirk Bouts, een werk dat zich in het Louvre in Parijs bevindt.
De tocht start in Parijs, aan de kathedraal van Saint-Denis, de begraafplaats van de Franse koningen: hun bijeengegaarde resten, verzegeld / door de virussen van een geloof dat dreigender en doordringender/ dan dat van de zeloot uit Genève,/ de argumenten van de Verlichting / of de keffende godin van de Revolutie: / ons peilen in DNA, in nano’s en heelal. De heidens geïnspireerde roosvensters van de kathedraal van Chartres zijn een lust voor het oog: het steeds anders kleurende licht boven / uit het roosvenster, gewijd  aan zon en maan. Maar over de Notre-Dame in Parijs schrijft Albert Hagenaars: Zacht krakend in kalksteen en lood / zuigt het onvermoeibaar voorstellingen / aan die alleen in geheime annalen staan,/ projecteert in een tijdloze gloed / wat de aard van het beest in ons bestemt / wanneer wij bevreesd zijn en wellustig, / ons willen meten met de Meester, vermomd / als Zijn moeder, likkend op onze schoot. Ook het mysterieuze labyrint van Amiens is een bezoekje waard: Betreed, in navolging van ontelbare / pelgrims, de rechte lijnen van marmer / die cirkels zouden willen worden / gelijk mannen de vrouw die in hen schuilt.
Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, de trots van de Sint-Baafskathedraal in Gent, inspireerde de dichter tot volgende verzen: De luiken knarsten open,/ gezang klonk op en boven de levensfontein, / een teder mekkeren van angst,/ en genot, / te hoog voor een litanie van genade. Boven op de toren van de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen is ruimte gereserveerd voor een eventueel goddelijk bezoek: want eens slaat Hij alsnog de verbinding!
Bij de restauratie van de Sint-Janskathedraal in ’s-Hertogenbosch in Nederland werd een grappig beeld van een ‘moderne’ engel toegevoegd, die via een GSM in gesprek is met God: En hier drukt de glimlachende engel,/ op de enige toets van zijn stenen telefoon, / wachtend op het drievoudig antwoord / om ons, als toen, te verstarren in liefde.
Albert Hagenaars weet in elk gedicht een sacrale toon op te roepen. De beschrijving van de architectuur, de beeltenissen, de koningsgraven, de gebrandschilderde ramen, de relieken en de inscripties zijn verweven met poëtische, geschiedkundige, filosofische en religieuze connotaties. De vloeiende Franse, statige Engelse en zangerige Spaanse interpretaties voegen klank en sfeer toe, met als resultaat een tot leven gebracht verhaal van liefde, godsvrucht en verlangen.
 
Cathedra, Albert Hagenaars, Uitgeverij WEL, Bergen op Zoom, 2015, ISBN 90 6230 0995
 
(Nicole Van Overstraeten)

De uithoeken van de geest

Titelloze gedichten van elk 10 regels, samengebracht in 4 cycli: Richard Foqué (1943) noemde zijn bundel Hier staan wij. Dat klinkt nogal definitief, maar de bepaling van plaats biedt in dit geval allesbehalve een verhelderende houvast. Zeker, je bent tot ergens gekomen in dit leven, maar tot wat of tot waar in vredesnaam?
‘Het bestaan’ wordt in deze gedichten niet opgevat als een vanzelfsprekendheid. In het poëtisch bewustzijn van Foqué loopt het besef van bestaan parallel aan een prangende existentiële vraag. Hoe weeg ik de waarde van het zijn, hoe relevant ben ik in het tijdloze onmeetbare?
Een broodkruimel te zijn op de rok van het universum: het hield ook Lucebert bezig. De denkende en voelende mens ontkomt niet aan deze ‘ongemakkelijke’ constatering. Maar hoe ga je er mee om?
Foqué werkt zijn thema beheerst en  doeltreffend uit. Zijn poëzie is in de eerste plaats van endogene aard. Alles staat in dienst van een inwendige koorts die met hulp van taal bedwongen of althans verbeeld moet worden. In een streng volgehouden cadans van cri de coeurs met steeds dezelfde lengte roept de dichter een staat van twijfel op die de som is van zijn overwegingen.
De lezer tast, overweegt en twijfelt mee. Het geheel heeft iets van een proces. In navolging van procesmuziek (minimal music) kun je hier misschien spreken van een soort procespoëzie.  Onontkoombaar repetitief betrekken de gedichten je bij een verontrustende  meditatie. Vader en moeder, wijsheid en warmte tollen door een innerlijk universum om tegenwicht te bieden aan kilte, leegte en vergankelijkheid. De diepste impuls in het bestaan, de motor achter deze gedichtenstroom, is uiteindelijk vertwijfeling. Dat lijkt tamelijk zwaar op de hand, maar bij Foqué pik je het door zijn soepele en ingehouden manier van componeren. Hier staan wij is geen bundel van losse gedichten. Het is een aangrijpende onderdompeling in veel.

2.13

Zo tussenin zijn
tot geen enkele kant behoren
schaduw zijn vergeten
in de draaikolken van de tijd.
De wachtkamer binnengaan
de teerlingen werpen en wachten
tot je schaduw een deur bouwt.
Je naam vergeten en naamloos
onder de naamlozen
geroepen zijn.

Als tijd, ruimte en herinneringen geen kader bieden waarbinnen je je geborgen voelt, dan schep je een kader van taal. Onmacht en ontworteling laten zich bij Foqué overtuigend en zonder pathetiek aanraken.

4.3

Hier staan wij
wachten wij.
Gekerkerd in de tijd
onzichtbaar onuitgesproken
verdwaald in de geschiedenis
in bedrieglijk verleden.
Kinderdromen
bang gehuil
tekens op de muren.
De pijn is oud.

Dit samenstel van verzen is een organisme dat omkeert en onthecht. Toch stijgt deze poëtische nulmeting moeiteloos boven het domein van donkerte en beklemming uit..

Alsof alles nog moet beginnen
alsof wij nooit hebben bestaan
alsof de wereld
opnieuw wordt uitgespuwd.

Foqué gebruikt geen fluwelen handschoenen, hij stelt de lezer niet op zijn gemak. Zijn gedichten spoken. Ze sturen de dichter naar de uithoeken van de geest en bewegen tot denken en voelen.

Hier staan wij, Richard Foqué, Uitgeverij P, Leuven, 2015, ISBN 978-94-91455-67-4

(Erick Kila)

De hemel revisited

Voer voor dendrologen. Dat is De benen van de hemel, de jongste bundel van Peter Theunynck. ‘Bomen zijn levende wezens,’ klinkt het in Boomidioot. Het woord boom of het meervoud daarvan valt in deze bundel niet alleen 18 keer te turven, ook worden er heel wat bij naam genoemd: appelboom, beuk, cipres, esdoorn, kastanje, kerselaar, lariks, lork, mammoetboom, moerbeiboom, notenboom, olm, populier, pruimenboom, spar, trompetboom, tulpenboom en wilg.
Ook het woord hemel duikt geregeld op (op de bladzijden 38, 52, 54 en 71 meer bepaald). De dichter heeft iets met bomen en hemel, dat moge alleen al blijken uit de titel van de bundel die hij in 1999 publiceerde De bomen zijn paars en de hemel, en ook weer uit De benen van de hemel. De titel is ontleend aan de slotregel van het aan Albijn van den Abeele opgedragen gedicht Latem: Niemand / penseelde zo fijn de benen van de hemel. En die benen van de hemel dat zijn, het moge niet verbazen, bomen.
Het boek bestaat uit het losse, eerste, gedicht Voor alsmede de cycli Nazaat, Flanders Fields, Geloof, Sporen, IJkpunten, Geluksvogel en Jij. Peter Theunynck schrijft over zijn familie en de herinneringen daaraan, over de Groote Oorlog, over zijn geliefde, over vogels (bijvoorbeeld de ijsvogel en de pimpelmees), over steden (bijvoorbeeld Antwerpen en Venetië) en over kunst (behalve over die van de genoemde Van den Abeele over die van onder meer Valerius de Saedeleer en Antonello da Messina).
Door heel de bundel heen blijkt duidelijk dat Peter Theunynck, die overigens ook een monumentale biografie van de grote dichter Karel van de Woestijne op zijn naam heeft staan, een oprecht gedreven en gegrepen dichter is die zijn pen door een uiterst gevarieerd scala aan inspiratiebronnen in beweging heeft laten zetten.
Elk van de vijf kwatrijnen waaruit het vers Afstand bestaat eindigt met dezelfde regel: Alleen een beuk die toekeek. Het tweede echter eindigt op die regel zonder punt, waar er in de andere gevallen wel een staat. Ik ben dan in eerste instantie geneigd om al piekerend te komen tot een antwoord op de vraag waarom daar géén punt staat, maar ik kwam er niet uit. Vermoedelijk is het gewoon een tikfoutje.
Hartgrondig ben ik het eens met de slotregel van Haig: Wie bliksemt Haig van zijn paard in Montreuil? Natuurlijk weet ik best dat overwinnaars de geschiedenis schrijven, maar toch is veel te onderbelicht gebleven hoe Alexander Haig zijn troepen keer op keer nodeloos af liet slachten omdat hij geen bliksem begreep van wat er gebeurde. Hij dacht nog in 19de eeuwse militaire termen. Hoog tijd dat deze geschiedenis beter beschreven wordt. Weg dus met dat beeld daar.
De benen van de hemel is een verzameling mooie gedichten, en een waardige uitbreiding van ’s mans oeuvre. Ik lees de poëzie van Peter Theunynck bijzonder graag. Deze bundel beveel ik dan ook zonder de minste schroom van harte aan.

De benen van de hemel, Peter Theunynck, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2014, ISBN 9 789028 426023

(Bert Bevers)

De kamermuziek van Svetlikova

Op de cover: foto’s van een hysterieaanval van een patiënt in een Parijs hospitaal, 1885.  Zeven cycli. 46 gedichten.
Deze zachte witte kamer, het debuut van  Runa Svetlikova, opent met A Big Bang: er is niet meer nodig dan afstand om ons te zien zoals we zijn/ het aangroeien en afsterven van tijdelijke structuren, licht/ in het donker in het licht wij groeien in alle richtingen, een woeker en sluit met The Big Rewind: elk moment is mogelijk het moment waarop wij de uiterste grens/ bereiken, waarop wij niet verder uit elkaar drijven maar in alle stilte/ imploderen in ruimte en tijd.
Als het leven niet meer is dan wat atomen die willekeurig de ruimte doorkruisen, wat dan met de vervreemding die je voelt bij de geboorte van een kind (er werd iets/ voortgebracht met een minstens even groot vermogen/ tot gruwel als wij bezitten), de liefde die je in stand probeert te houden zonder te weten of er wel zoiets als liefde bestaat, het achterhalen van herinneringen aan een driejarig verblijf met haar ouders in Tenerife?
De dichteres tracht dit alles in een realiteit te gieten, maar beseft dit een utopie is. De verwarring bezweren, het onbehagen een stem geven, zoals ze ook de noodzaak voelt om een overleden vader een stem te geven (de cyclus De gebruiker van dit lichaam, in Vlaamse spreektaal: Ge hebt u uitgelijfd. Maar al uw woorden/ zijn er nog. En al uw woorden zijn de mijne) - dat lijkt het enige mogelijke. Bij het vastleggen van de val blijven alleen de gaten heel, dat wat gewist werd:/ de verwondering die aan de taalgrens achterbleef.
Wat Svetlikova laat achterblijven aan die taalgrens is een bijzonder sterke bundel.
At random: Verzorging: Bewaak het in een kooi van vingers./ Blaas het warmer. / Vouw het vleugels./ Draag het in een doos de dag door./ Laat het slapen.// Kijk hoe het moeilijk ademt/ tussen opgetrokken schouderbladen./ Streel het, doe de doos weer dicht.// Morgen is het kouder/ kus het kippenvel weer glad/ blaas het wakker, draag het mee.
Tongval (v38.b): (…) Wij kunnen ons niet kennen. We zien alleen elkaars randen/ vallen af en toe elkaar in, elkaar weer af.// In deze aanhoudende beweging richten wij de val in/ tot zachte witte kamer.// Vullen de kamer met buiten/ de lijnen gekleurde jeugdherinneringen// vullen de kamer met versies van elkaar/ en richten onze blik steeds weer op de volgende leegte.
In het juryverslag van de Herman de Conink debuutprijs, die ze in januari 2015 won, lezen we: dit is een bundel die een volwassenheid toont die menig dichter die het debuteren al lang achter de rug heeft zou sieren.
Nu en dan staat er een dichter op met een authentiek geluid die een bundel aflevert die van de eerste tot de laatste letter blijft boeien. Deze zachte witte kamer is daar een zeldzaam voorbeeld van. Meer dan een aanrader!

Deze zachte witte kamer, Runa Svetlikova, Uitgeverij Marmer, Baarn, 2014, ISBN 9789460682223

(Roger Nupie)

Het vuil van de schoonheid

Erik Bindervoet schreef twee romans, is schilder en dichter. Zijn poëziedebuut, Tijdelijk zelfportret met hoofd en plaatsbepaling, oranje werd in 1996 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Samen met zijn literaire kompaan Robbert-Jan Henkes ondernam hij ambitieuze vertaalprojecten als o.a.  Finnegans Wake van James Joyce en alle songteksten van The Beatles en Bob Dylan.
We stonden in een oerwoud van afval./ Dood speelgoed. Lijken van poppen/  Afgedekt door witte badhanddoeken./ Ik zoende haar op haar blote schouder./ Ze heette Amparo Lopez Oviedo/ En ze vond het mooi/ Dat we na een busreisje van een week/ Al zo vertrouwd met elkaar waren./ Perfecte Spaanse schone. Lange benen./ Zwart haar. Zwarte bikini./ Alleen haar bovengebit zat los. Het titelgedicht uit Het vuil van de schoonheid, het derde deel van een trilogie die begon in 2010 met Het spook van de vrijheid, in 2013 gevolgd door De mond van de waarheid. Wat we bij een eerdere bespreking in De Boekhouding over Het spook van de vrijheid opmerkten, kan hier herhaald worden.
Ook nu wisselt Erik Bindervoet wat stijl betreft af van vrij klassieke gedichten (zowaar een sonnet: Het tuinhuis) tot bladzijdenlange teksten (categorie poëtisch proza?) die de pan uit swingen: Ugly Street, met als ondertitel een eposje in vier bedrijven, om en nabij tweehonderdvijftien regels en plusminus zestienhonderdzevenenzestig woorden, een mnemotechnische onderneming en een voorlopige verkenning van de plattegrond. Ook nu duiken zeer uiteenlopende personages op, van Laurel en Hardy, Eddy Merckx en Claude Monet tot de Pogues, de Ramones en Man Ray. De bundel opent na Onderwerpen waar nog niet zoveel of betrekkelijk weinig gedichten over zijn gemaakt met een aantal beklijvende teksten over de dood van zijn vader: Schuldgevoel, Trotste vader, Noorse ruiten, Herdenking, …
Ook nu schrijft Bindervoet met enige ironie over het dichterschap. Maar wie het moeilijk heeft met zijn Dylan vertalingen, krijgt een veeg uit de pan: Uit de cursus: Leren Omgaan Met Kritiek 3 (Wederom vrij naar een Chinees (weer die vermaledijde Han Shan)): De immens populaire levensliedjeszanger Frank Boeijen/ Heeft moeite/ Met onze vertalingen/ Van de Kronieken van Bob Dylan.// Die vindt hij dramatisch./ Het ritme is cruciaal, zegt hij.// Daarom móét je hem in het Engels lezen./ Maar misschien moeten we Franks liedjes// Ook eens omzetten naar het Engels/ Om te zien wat ervan overblijft// Van dat schorre aftandse gesnotter/ Uit een verkouden kanarie.
Erg mild voor collega-dichters is hij evenmin: Collega’s (we noemen geen namen): De schrijvers die je noemt/ Die en die en die/ En die niet te vergeten,/ Ja, die ken ik,/ Hele goeie schrijvers natuurlijk,/ Alleen zijn ze verbaal niet zo sterk.  
Tja… Ik doe/ Dat wat/ De taal/ Mij ingeeft lezen we in De robot. Het is aan de lezer, die voorlopig nog vrijuit gaat, om te ontdekken wat de poëtische kracht en pracht van deze bundel is en hoe sterk verbaal Bindervoet dan wel scoort.

Het vuil van de schoonheid, Erik Bindervoet, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2015, ISBN 978 90 761 7432 7

(Roger Nupie)