Twijfelaars in bloei

Frank De Vos (° Hoboken, 1956) was 51 toen hij met Infiniti debuteerde als dichter. Daarna liet hij er geen gras over groeien en volgden In omstandigheden (2008), Trek de wind niet van de wieken (2009), Excisa (2010) en Naamvallen in het ontheemde (2012). En nu is er een vijfde bundel: Twijfelaars in bloei.
Met Twijfelaars in bloei plaatst De Vos (van opleiding historicus, in het dagelijks leven behalve dichter ook zakenman en troubadour) naar mijn smaak een waar orgelpunt op zijn zesde decennium, de tijdspanne waarin hij artistiek open bloeide. Deze bundel omvat 22 verzen.
Frank De Vos weigert in zijn expressie schroomvallig te zijn. De afdelingen La mélancolie c’est le bonheur d’être triste (een citaat uit het oeuvre van Victor Hugo) en Descripta bestaan uit ‘losse’ verzen, waaronder gedichten die hij schreef bij een lied van Leo Ferré, het gehucht Doel (waarvan hij DorpsDichter was), een beeld van Hubert Minnebo of een foto van Hartmut De Maertelaere. Graag gelezen, niks op aan te merken, petje af. Maar, de gustibus non est disputandem, mijn lezershart ligt bij de eerste afdeling Om het afscheid dat afscheid neuriet. In dit hoofdstuk maakt hij weemoed haast fysiek voelbaar. Prachtig: Tussen jou en ooit viel niet te kiezen. / Ik weet het: ooit is zoals uiteindelijk, / een loper die altijd past. Ook schoon: Ik laat nu je geur die zwijgen zal, / die ik in kleur herdenken moet: // mosgroen dat je aarde dekt, / oker voor je adem, / blauw voor je gemis, een eenzame scheur. Ook mooi, uit Ostinato: Het palmtakje dat je kruisigde, dat ik vergat, steeds weer vergeet. / Naar dat onze blijf ik kijken, naar al dat samen eten. // Je bent zo fier in vieren en ook zo moedig zonder taal. / Ik beadem elke tafel met dit weten, met nog een zoen zoals het past.
De Vos heeft zich een geheel eigen plaatsje op de poëziekaart afgebakend. Hij heeft (zoals de door hem en trouwens evenzeer door mij bewonderde Maurice Gilliams) van de echte dichter de onbepaalbare bekoring, van de echte lyricus het accent. De mijmeringen over zijn jeugd, zijn vader, zijn schone broer en vooral de herinneringen aan zijn dierbare overleden moeder grijpen absoluut naar de keel.
Slechts één inhoudelijke bemerking, betreffende het ‘vadergedicht’ Preludio: Het ukje dat ik werd, in vichyblauw geruit / op je arm, loslippig op de trap. // Waar ging het heen en al die zomers zonder leugen? / Waar zal het blijven? Mooi, maar hier blijf ik toch even ‘haken’. Had hij niet beter Waar ging het heen al die zomers zonder leugen? kunnen schrijven? Want zoals het er nu staat is er volgens mij sprake van een foutieve samentrekking van singularis en pluralis. Ik zou geopteerd hebben voor Waar ging het heen, en bleven al die zomers zonder leugen? Maar dit is, ik geef het toe, een spijker op laag water.

Twijfelaars in bloei, Frank De Vos, Uitgeverij P, Leuven 2014, ISBN 978-94-91455-49-0

(Bert Bevers)

Vloed van woorden

Het vloedgetij is de veertiende dichtbundel van Claude van de Berge en volgens de flaptekst is deze titel ‘een metafoor voor ontgrenzing, ontzelving, vervoering’ en ‘vormt (hij) een stroom van verbale ritmen waarmee de stem van de lezer een eenheid aangaat.’ Met het laatste gedeelte van deze verklaring heb ik het wat moeilijk, want de stroom van de verbale ritmen is in deze bundel zo hevig dat ik door de woorden van de dichter totaal werd overspoeld en dat mijn stem helemaal niet de kans kreeg om tot een eenheid over te gaan.
Is hier trouwens wel een dichter aan het woord? Of heeft de auteur zich vermomd tot profeet of tot druïde? Vragen die ik open laat, zoals er in deze bundel veel vragen worden gesteld die niet worden beantwoord, want vragen zijn bepalend, maar antwoorden polyinterpretabel.  

Zuiver zingt het licht in de kruiken van de ogen.
Wat roept vanuit dit huiverend ijle, waarin het aangezicht
verstilt, ons in onszelf?

Claude van de Berge is een van de belangrijkste vernieuwers van de hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Hij doet dit echter op een zo strikt eigen wijze dat ze totaal onnavolgbaar is en hij zich op een hoge, maar eenzame eigen plaats bevindt. Soms kan zijn poëzie eenvoudig lijken, maar let op, want zelfs het woord lijken heeft verschillende betekenissen.
Een vloedgetij heeft in de natuur uiteraard een strikte structuur en dat heeft deze bundel eveneens. Hij bevat zes ‘zangrunen’, zes ‘dankgezangen’ en zes ‘aanwezigheidstekens’. De zangrunen en dankgezangen zijn netjes genummerd en bevatten op hun beurt elk zes gedichten, maar dat woord wordt nergens in de bundel gebruikt. Er worden hier enkel gezangen aangeboden en hun teksten werden in druk gecentreerd. Ik zou deze gezangen meer visioenen noemen.
Van de Berge start deze publicatie met een niet gecentreerde inleiding, die Het aanwezige wordt genoemd. Hierin tracht hij een en ander te verklaren: ‘Het uitgangspunt van de poëzie is de plotselinge aanraking van een aanwezigheid’, die aanwezigheid wordt verder uitgebreid beschreven, onder meer zo: ‘Ze is zonder vorm. Ze is in zichzelf ondoorgrondelijk en kan door niets worden doorgrond’, die mededeling wordt gevolgd door talrijke andere bepalingen om te eindigen met: ‘Ze valt geheel samen met de topos van het onzegbare, en is zo het wezen van de poëzie.’ Deze magistrale bundel vol gedreven woorden bevat dan ook heel wat magie en mysteries. De auteur verklaart echter de mysteries niet, hij tracht ze wel zeer adequaat te duiden. Daardoor worden deze teksten het verhaal van geen verhaal. Een boodschap verhuld in metaforen, die op en neer vloeien als allegorieën in een steeds wisselend getij, even onvatbaar als de adem van reine poëzie.

Als we staan bij de laatste grens, is voorbij de laatste
grens het middelpunt van de aanwezigheid, verzonken
in de wereld van de stilte.

Deze prachtige bundel werd verrijkt met tien kleurrijke kustlijnfoto’s van Arlette Walgraef, die deze wonderbaarlijke teksten schitterend illustreren.

Het vloedgetij, Claude van de Berge, Uitgeverij P, Leuven, 2013, ISBN 978-94-91 455-30-8

(Tony Rombouts)

De laatste keer dat ik hem zag

De verleiding om het literaire werk van schrijfster, vertaalster (o.a. Gustave Flaubert, Michel Foucault en Marcel Proust) en docente in creative writing Lydia Davis als origineel, vernieuwend of zelfs geniaal te omschrijven is groot, mochten deze termen niet al te vaak lukraak en gratuit gebruikt worden. Origineel is het op zijn minst. Dat zij de grenzen van wat een verhaal is uitpuurt en verlegt is een objectieve vaststelling.
Haar verhalen beschrijven is een bijna onmogelijke opdracht. De sceptische lezer kan zich afvragen of het hier nog wel om verhalen gaat. Sommige ervan lijken niet meer dan beschouwingen over banaliteiten. Ze zijn vreemd, soms poëtisch, soms absurdistisch, even diepgaand als humoristisch, steeds geschreven vanuit een verrassend oogpunt. Voor het feit dat ze in lengte variëren van twee zinnen tot enkele pagina’s heeft de schrijfster een eenvoudige verklaring: De vorm ontstaat met het verhaal zelf.
Na De verzamelde verhalen, die de verhalenbundels Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak bevat en De taal van dingen in huis en andere verhalen verschijnt nu Davis' eerste en voorlopig enige roman, die al dateert van 1995, net als de twee vorige uitgaven voortreffelijk vertaald door Peter Bergsma: Het eind van het verhaal.
Davis geeft haar hoofdpersonages geen naam. Een vrouw (zij) is geobsedeerd door de man (hij) met wie ze een verhouding had. Ze onderneemt een zoektocht naar hem en probeert haar herinneringen eraan in kaart te brengen. Hoe kan je iets (na)vertellen, hoe komen herinneringen naar boven, hoe breng je ze in kaart en krijg je daardoor greep op de werkelijkheid: een kerngegeven in haar verhalen en meteen ook de motor van deze roman. Het boek beschrijft zowel de nuances van die obsessionele, bijwijlen neurotische zoektocht als het schrijfproces ervan.
Als iemand me vraagt waar de roman over gaat, zeg ik dat hij over een verdwenen man gaat, omdat ik niet weet wat ik zeggen moet. Het is waar dat nu al een hele tijd niet weet waar hij is, na het eerst wel en toen niet te hebben geweten, het opnieuw te hebben geweten en hem daarna weer te zijn kwijtgeraakt.
Joyce Carol Oates omschreef de verhalen van Davis als scherp, vaardig, ironisch, ingehouden en continu verrassend. Dat is in deze roman niet anders.
In 2013 werd Lydia Davis bekroond met de Man Booker International Prize. Bart Moeyaert zei naar aanleiding van De verzamelde verhalen: Lydia Davis is nodig. De rest is overbodig.
Haar werk laat zien hoe de taal zelf onderhoudend kan zijn, hoe alles wat een woord zegt en ongezegd laat, de aandacht van de lezer kan vangen, verklaarde de jury van de MacArthur Foundation die haar in 2003 een Fellowship toekende, een beurs voor genieën….
De verleiding om het werk van Lydia Davis als geniaal te omschrijven is dan toch wel terecht.

Het eind van het verhaal (The End of the Story), Lydia Davis,  vertaling Peter Bergsma, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2014, ISBN 978 90 254 4344 3

(Roger Nupie)

Jubileumbundel

Meer dan 100 gedichten publiceert de Dilbeekse dichter Jan Vanhaelen in Zo gaan de woorden weer hun eigen weg en die van mij, een bundel uitgebracht ter gelegenheid van zijn 50-jarig dichterschap. Op de voorkant een grote romantische foto van de dichter. Lulu Wang schreef het voorwoord. Achteraan een lijst met publicaties: Jan Vanhaelen schreef dichtbundels, romans en dossiers omtrent onderwijs en psychiatrie.
Deze bundel van Jan Vanhaelen is een chronologisch gerangschikte verzameling poëzie, geschreven van 1963 tot 2013, keurig gedateerd. Soms noteert de dichter zelfs het uur waarop het gedicht is gecreëerd! Verder is de bundel niet gestructureerd. De gedichten zijn niet thematisch gerangschikt of ondergebracht in cycli en er is geen index. Verrukkelijk frisse verzen uit de beginjaren (eerste verzen daterend van 1963) worden aangevuld met een selectie gedichten gepubliceerd in de jaren ’90; blijkbaar een vruchtbaar decennium voor deze auteur. Vanaf pagina 94 belanden we in de eenentwintigste eeuw. Het laatste gedicht in deze bundel schreef de dichter in augustus 2013.
Vanhaelen schrijft vooral vrije verzen met een vloeiend en verfijnd timbre. Als twintiger schreef hij het verrukkelijke gedicht Proef me: Wees het gedicht niet dat ik schreef / maar leef / niet in de herinnering/ maar altijd zoals soms /… Wees geen gevoel dat ik in woorden ving / maar voel me/ proef mezelf / en niet het woord dat op mijn lippen hing… / Wees mijn sprookjeskoningin / maar geef / je hand / en wees geen woord / van deze zin.
In 1990 noteerde Vanhaelen in een dichter: een dichter / luistert met zijn huid; / als hij zijn huis verlaat / dat opgebouwd uit letters / in een verhaal te dromen staat, / ruikt hij nog onverdacht / naar woorden; / zijn broze handen /  weten niet / waarom de tekstverwerker / in zijn hoofd / weer vers om vers serveert, / waarom de printer weer / zijn vel binnenste buiten keert, / een dichter fluistert / zijn gedachten / in papieren ruimten.
De dichter schuwt geen enkel onderwerp. Hij is ook in zijn nopjes als hij hekeldichten schrijft. Hij kan aardig overweg met rijm en evenwichtige strofenbouw. Kerstmis in Brussel bijvoorbeeld is een satirisch gedicht op rijm dat de verloedering van het kerstgebeuren aan de kaak stelt : Ik ging naar Brussel van de nacht / ‘t was schooner dan ik had gedacht: de straten vol met glas en blikskes / van alle fleskes, linten, strikskes; / en duizend lampkes in de lucht/ en nog veel andre brol en bucht;/ vol zatlappen en drugsverslaafden/ vol sluiers en vol hoogbegaafden.
Vanhaelen schijft sobere poëzie. Hij blijft trouw aan zichzelf, wars van stromingen. Hij schrijft gedichten, zoals een breed publiek denkt dat gedichten moeten worden geschreven: lyrisch, gevoelig, zangerig, vol klank en rijm. Voor liefhebbers mag deze fraaie jubileumbundel zeker niet ontbreken op de boekenplank! 

Zo gaan de woorden weer hun eigen weg en die van mij, 50 jaar gedichten 1963-2013, Jan Vanhaelen, uitgeverij De Draak, Tollembeek, 2014, ISBN 9789-4907-3817-4

(Nicole Van Overstraeten)

Beschadigde kinderen

Beschadigde kinderen. Dezen worden in het nieuwe boek van Noëlla Elpers als de engelen van Titiaan geschilderd. Dolores!, haar roman over de dwerg-nar van Johanna de Waanzinnige, was een prijsbeest: de Thea Beckmanprijs 2007, de Boekenleeuw 2008, genomineerd voor de Gouden Uil Jeugdliteratuur 2008, de Kleine Cervantesprijs 2009, het boek eindigde op de 2de plaats van de KJV. Vuurkraal en Malou van de mussen werden allebei genomineerd voor de Thea Beckmanprijs. Met Vuurkraal won zij de Kleine Cervantes 2013 en Malou van de mussen werd genomineerd voor de KJV 2013-2014 (naar aanleiding van dit laatste boek ontving mijn achternichtje haar voornaam).
Drie is een mooi priemgetal. Na Dolores en Vuurkraal vormt De Engelen van Venetië de sluitsteen van een drieluik. Deze kunnen echter apart worden gelezen. Zoals altijd zijn Elpers’ historische romans stevig onderbouwd, de aangehaalde feiten kloppen. Het boek bestaat uit twee delen: Verduistering en Verbeelde Stad. De verteller is Piotto de Vernon, de plaats van handeling: Nantes en Venetië. Het omgevingsgeluid is de zestiende eeuw.
Iedere engel is schrikbarend […]  Wat zij verlangen van mij? / Dat ik zachtjes de schijn van onrecht wegneem die hun geest soms nog belemmert in volmaakte vrijheid te zweven. Deze verzen uit De elegieën van Duino van Rainer Maria Rilke openen het verhaal. Angelo is de stiefbroer van Piotto en beiden zijn lid van een rondreizend theatergezelschap. Voor Piotto is Angelo een Wisselkind dat door Elfen in een andere wieg werd gelegd.
Op dat moment begon ik te geloven dat de elfen de engelachtige aard van Angelo hadden gestolen…Elfen…hun hart is een gapende leegte.  Voortaan kun jij de wereld dromen, Piotto, misschien is die wel mooier dan de echte'.
Piotto wordt blind en Angelo, verandert nadat zijn moeder sterft aan de pest. Met de belofte op succes bij de Commedia dell’arte en de vereeuwiging als model door de inmiddels beroemd geworden schilder Titiaan, laat hij zich door Torentino, een Venetiaanse koopman, overhalen om stiekem naar Venetië te vertrekken. Piotto ontdekt dit, en met de zegen van zijn ouders trekt hij zijn stiefbroer achterna. Op hetzelfde schip van Angelo scheept hij samen met Filou, zijn blindenhond als verstekeling in. Hier eindigt Verduistering en beginnen de avonturen in Venetië, de Verbeelde Stad waar Angelo de schone, Violante ontmoet. De rest van dit zinderend verhaal zal u zelf moeten lezen
Zoals in Eén mens is genoeg van Els Beerten wordt met woorden als moeke, vake, peinzen, ravotten, zeer doen, ons moeder en rappe leden  de Zuid-Nederlands toon gezet.
Mooi en meeslepend slaat Noëlla Elpers een warme moederarm rond haar beschadigde kinderzielen; zijdezacht, teder en oprecht maar niettemin indringend zoals alleen een vrouw dat kan. Na mijn ontdekking van Ingrid Vander Veken, Diane Broeckhoven, Mieke De Loof en Els Beerten had ik me voorgenomen om 2014 uit te roepen tot Het Jaar van de Literaire Vrouw. Bij deze heb ik Noëlla Elpers in mijn vrouwelijk Pantheon opgenomen.

De Engelen van Venetië, Noëlla Elpers, Uitgeverij Uniebook/Het Spectrum, ISBN 978 90 00 33711 8

(Frank De Vos)

Beken!

Onlangs kreeg ik een bundel in handen van Uitgeverij Kleinood en Grootzeer. Een zeer aantrekkelijke uitgave die aanzet om niet meteen te gaan lezen, maar wel om minuten lang te beduimelen, te betasten en te bestuderen. Een verzamelobject bijna, heel tactiel: Beken!
De auteur Erick Kila heeft zijn sporen als jeugdauteur en prozaschrijver reeds verdiend, maar is hij ook dichter? Trouwens wat moet er ‘bekend’ worden? Waarom is de imperatiefvorm, met zijn zo dwingend karakter, hier nodig? Laten we dus dan toch maar gaan lezen, wie weet vinden we het antwoord. Kila houdt van de beperkte strofevorm, hij speelt graag op een vierkante meter en laat zijn spel daar beperkingen uitpuren. Zijn observaties worden nergens overladen, wat er niet staat is wat de lezer aanvoelt. De auteur serveert, de lezer verrijkt door de gevoelsassociaties die de woorden van Kila oproepen. Het zorgt voor vertwijfeling, rust en aha-beleving om doorheen deze wereld van de auteur zijn vragende invalshoeken te analyseren. De auteur ziet van op afstand, maar blijft terzelfder tijd heel dicht bij zijn onderwerp. Hij is als een vader, waakzaam bezorgd, tot alles in staat. De auteur traint zijn opgelegde beperking: hij schrijft geen haiku, maar zou het perfect kunnen. Hij tekent een universum uit dat wazig blijft en dus mysterieus wordt, hij houdt ons op een aangename manier aan het lijntje. Zijn personages verbergen alle overbodigheden, worden dus universeel en ballastvrij. Zijn woorden worden secuur afgezet. Geen woordenstroom, in de hoop hier en daar een geslaagde versregel neer te zetten. Lyrische ontboezemingen krijgen hier geen kans, klinisch koel, kil en streng het spanningsveld dat betere poëzie kenmerkt. Kila laat de visuele elementen hun ding doen. De constructies zitten intelligent in elkaar. Leestekens zijn hier weinig gevraagde gasten. Eindrijm wordt adequaat toegepast en het repetitief beginrijm beoogt een sacraal element, een bijna ritueel verwerken van taalritmiek. Door zijn – vermoedelijke – passie voor geschiedenis duiken in deze bundel twee wat langere gedichten op: Mauritius Tiberius en Meester van de springende dieren.

Meester van de springende dieren
onder het veld
waren er kleine vergeten
dingen
dakpan, spinsteen, kraal van glas
blinddruk in de grond werd het bewijs:
soldaten, grenspost van een heel
oud rijk
de zon prikte dan een stukje rood
in los geslagen aarde scherf van kom
met uitgebeeld een vluchtend dier
visioen in klei
de maker was van hier
hij kende bos, moeras, de wolf, het zwijn
maar was verbaasd over het dier dat
hij zelf kon zijn: springende eland
hij liet hem in de sprong en kreeg een naam
meester van de springende dieren
een verhaal, het is misschien
niet waar

In de meeste overige gedichten portretteert Kila stilte, de leegte, daar waar de mens nog niet stoort. Beken! is met de hand gemaakt door graficus/uitgever Gerrit Westerveld. Op de achterkaft een strenge foto van de ‘dader’.  De eerste oplage van 100 zal wellicht de deur uitvliegen, want ik moet bekennen: Erick Kila kan het!

Beken!, Erick Kila, Uitgeverij Kleinood en Grootzeer, Bergen op Zoom, 2014, ISBN 978-90-76644-72-1

(Frank Decerf)

Woordbeeld

Poëzie copuleert graag met tekeningen, grafiek en muziek. Het gedicht is vaak een aanleiding voor beeldende kunst en klanken. Omgekeerd komt minder voor. In Dichter bij beeld, manifestatie plus boek, is er eerst ‘het beeld’ en daarna het erdoor geïnspireerde vers. Het domein voor de artistieke samensmelting is de collectie van sculpturen in het Antwerpse park Middelheim. Dichter bij beeld is een functionele titel. Je ziet ze voor je geestesoog staan, de dichters. Naast het aan hen toebedeelde beeld. Declamerend in de schemering. Brengt zoiets de lezer ook dichter bij de sculpturen?
Het handzame en prettig vormgegeven boekje levert zeker de prikkel op om de beelden (zonder de dichters) in het wild te gaan bekijken. De verschillende reflecties (15 dichters) intrigeren, irriteren of laten koud. Als de genoteerde ‘woordbeelden’ zich als het ware materialiseren in je bovenkamer merk je wat treft en wat tot nadenken beweegt. Met uitleggerige of beschrijvende woordsculpturen heb ik niets. Mij treffen gedichten of passages van gedichten waarin het beeld en niets anders dan het beeld zich opnieuw manifesteert. Door middel van het ‘onbedachte’, dat zich bescheiden opstelt naast de aanleiding gevende sculptuur.
Bij Frank De Vos bijvoorbeeld valt het kwartje onmiddellijk. Hij bespringt teder Moïra, en feuille morte, een sculptuur van Roel D’Haese, die jammer genoeg foutief gedateerd is in het boekje (niet 1900, maar 1978!). De Vos verwoordt heel eigen en beeldend de hoopvolle vergeefsheid die de kern is van D’Haeses plastiek:
Moïra, / Dichter bij het beeld ben ik een spraakgebrek, / een kalend hiaat waarvan ik weet dat er nog een / punt ontbreekt, het lot dat in mijn nerven kraakt. // In deze onverlaat, in mijn stroom van broze woorden / opgerold, in het blote dode blad dat mij kleedt, / en langzaam met het weinige aarzelt. // Bijziend blijf ik, zal ik zijn tot de tijd voluit mijn naam / uitschrijft. Na het alles dat ik bezong, bezing ik nog / steeds het ooit, een warm woord en twijfel. Roger Nupie bezielt Camiel van Breedams Zonnewagen op een charmante manier: Op dit spookuur komt deze zotte zonneauto / in beweging, krakend en kramiekel / rijdt hij het park uit.
Marleen de Crée kijkt intens naar De kardinaal (Giacomo Manzù, 1952). Jan Wolkers had ooit les van de Italiaanse beeldhouwer, die veel opdrachten van de kerk kreeg. Het enigmatisch geslotene van de geestelijke doet onheilspellend aan (hier werkt de fotografie, van opzij, i.c.m. met het gedicht). Richard Foqué, initiator van het project, sluipt bijna letterlijk Firmament III (Antony Gormley, 2009) binnen. ‘Een grillig driedimensionaal net rond een leegte in de vorm van een mens’, zo staat ergens op internet te lezen. Foqué wijdt er de volgende passage aan: Het is leegte die door leegte dwaalt / kruipend een schuilplaats / zoekt om te bestaan.
Ik mis toch wel zeer enige beknopte info over de beeldhouwers in het boekje. Komt er een volgende keer?

Dichter bij Beeld – Poëtische wandeling door het Middelheimmuseum, samenstelling Richard Foqué, vzw Middelheimpromotors, Antwerpen, 2014

(Erick Kila)

Het orakel van Parijs

Een intrigerend pocketboek is Het orakel van Parijs. Dit miniboekje is ontworpen door dichter, zanger-gitarist, verhalenschrijver en docent Job Degenaar, in samenwerking met Monica Maat, dichteres, illustratrice, meubelontwerpster en liedjeschrijfster.
Het orakel van Parijs ligt aangenaam in de hand. Een glanzende kaft, een dertigtal kleine hoofdstukken, geserveerd als hapklare brokjes leesvoer, plus een even groot aantal kleurrijke illustraties (die een beetje doen denken aan gravures uit oude Franse tijdschriften) nodigen uit tot kijk- en leesplezier. De cover vermeldt dat het hier gaat om de memoires van Sophie Natalie Lippens (1961-2013), voorheen wildebras en stewardess, thans mannequin, verhaallegende en levenwswijze.
In de eerste hoofdstukken presenteert de auteur Sophie Lippens, ex-stewardess en fotomodel. Op haar dertiende wordt ze naar een meisjesinternaat gestuurd, op haar twintigste is ze al stewardess. Eind jaren tachtig raakt ze verzeild in de onderbuik van Parijs, in een doolhof van gangen: het Labyrint. In theater Le Miracle vinden optredens plaats. De lezer maakt kennis met de blinde Joe, een knappe cowboy uit Texas en stripper. Sophies oom Jean-Louis zingt liedjes van Johnny Hallyday, Elvis Presley en oude blueszangers. Nick, een echte dandy, voormalig pianoleraar van Sophie, is de pianist. Kunstschilder Pierre vindt de hele Cobrabeweging alweer passé. Patrick, de portier, schermt een elegante en geheimzinnige dame, La Belle Dame sans Merci, af voor ongenode bezoekers. Zij bekleedt een functie in de Parijse metro, schrijft gedichten en verwijst Sophie door naar het orakel. Die ‘zwerfjongen met het dier’, houdt zich ook schuil in het Labyrint en zou het antwoord weten op alle levensvragen.
Sophies hartsvriendin trekt bij haar in. Sjaan heeft een oogje op Pierre, Sophie lonkt naar Joe, haar knappe cowboy. Samen met Sjaan maakt Sophie een trip naar Lourdes, waar zij Pierre spotten. Terug in Parijs raadpleegt Sophie het orakel. Ook Pierre en Nick vragen raad aan de zwerfjongen en zijn dier. Behandel elkaar en het leven goed. En ik beloof u voorspoed, orakelt hij. Sjaan en Sophie beklimmen nde Eiffeltoren. In het sjieke resto Jules Verne bestellen ze een krabcocktail met een glas Chablis. Als ze naar het panorama kijkt, overziet Sophie haar Parijse avontuur in slow motion. Op 1 september 1990 ruilen de dames Parijs definitief voor Knokke.
Het lijkt wel of de auteur verhaaltjes schrijft bij prentjes. Het zou ook omgekeerd kunnen: misschien heeft de illustratrice plaatjes gemaakt bij notities van de schrijver. De lezer kan, bij het bekijken van de plaatjes, eventueel zelf een verhaaltje bedenken en het dan toetsen aan de teksten van Job Degenaar. Een speels en interactief concept! Maar sommige pagina’s in Het orakel van Parijs zijn slordig geschreven: het meervoud van likeur bijvoorbeeld, is likeuren, niet likeurs! Ik laat het aan de lezer om te oordelen of Job Degenaar juist en spannend Nederlands schrijft: Pappa was muzikaal en speelde klassiek gitaar. En: we schurken ons met onze ruggen er lekker tegenaan en zetten de televisie aan. Proost!

Het orakel van Parijs, Job Degenaar en Monica Maat, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2014, ISBN 978-94-91O34-28-2

(Nicole Van Overstraeten)

Een brief uit De Panne

Ook de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (VWS) speelt in op het feit dat een eeuw geleden De Groote Oorlog (zoals de Eerste heette totdat er een Tweede kwam) losbarstte: in Een brief uit De Panne verzamelde Fernand Bonneuje elf fragmenten uit het werk van West-Vlaamse auteurs die vooral in het eerste deel van de vorige eeuw over de oorlog schreven. De VWS is zinnens om de herdenking van 100 jaar Wereldoorlog I te herdenken met drie themanummers van de VWS-Cahiers. Dit is er het eerste van.
Ik ben het met Bonneure eens dat er in het Nederlands amper oorlogsliteratuur bestaat. De Groote Oorlog leverde alleszins niet de klassiekers op die in het Duits (Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque, In Stahlgewittern van Ernst Jünger), Engels (Goodbye to all that van Robert Graves) en zelfs Frans (Le Feu van Henri Barbusse) ontstonden.
De samensteller beperkte zich tot proza. In Een brief uit De Panne zijn opgenomen Malvine van Raymond Brulez, Het bombardement van Kamiel Delaere, het stuk waaraan de bloemlezing haar titel dankt van Louis E. De Mey, De Duitse soldaten van Jos De Smet, De doodstrijd van de levenden, Furore Germanica van Norbert Edgard Fonteyne, De dood van Yper van Caesar Gezelle, De eerste botsing aan de IJzer van Abraham Hans, De bezetting van Luc Schepens, In oorlogstijd van Stijn Streuvels en Demobilisatietijd van Achiel Van Acker.
Het meest geboeid raakte ik bij de notities van Stijn Streuvels (1871-1969), die als Frank Lateur bij het uitbreken van de strijd met zijn 43 al een man van middelbare leeftijd was. West-Vlaanderen zou heel wat oorlogsgeweld over zich heen gaan krijgen, maar dat was in de zomer van 1914 nog niet geval. Op 7 augustus van dat jaar noteerde Stijn Streuvels in zijn dagboek: “Hier op de buiten ontbreekt het verband tussen ’t geen ons omgeeft en ’t geen er op de wereld gebeurt. Ginder is alles begeestering en uit zijn gewone loop gerukt, hier echter behoudt de natuur haar onverroerlijke kalmte. Aan ’t uitzicht is niets veranderd, geen boom die er iets van schijnt te weten dat er oorlog is en geen vogel die laat van vliegen en de boeren zelfs gaan kalm hun gang alsof hun bezigheid van meer belang ware dan al ’t geen de wereld in spanning brengt.” Op 24 oktober was de krijg ook tot Streuvels’ gewest aan het doordringen: “Het geschut wordt nog feller, de ruiten daveren en de slagen rammelen dooreen als een stortvloed. Er moet iets beslissends aan de gang zijn of een wanhopige tegenstand plaats hebben in de westhoek. Over de streek doen allerhande mondelinge geruchten de omloop: men spreekt van verschrikkelijke verliezen der Duitsers [….].”
Fernand Bonneure leverde keurig werk. Een brief uit De panne biedt een interessant panorama op een ongelooflijk heftige tijd. Heb het boekje, dat geïllustreerd is met pentekeningen van Joe English, met belangstelling gelezen.

Een brief uit De Panne, samenstelling Fernand Bonneure, VWS Cahiers, Wevelgem, 2014, ISSN 0775 5953

(Bert Bevers)

Reiner Kunze tachtig lentes jong

Wie ooit voet aan land heeft gezet in de DDR zal zich wellicht herkennen in de anekdotes over de kafkaiaanse bureaucratie die Job Degenaar in zijn inleiding aanhaalt, en misschien ook kunnen aansluiten bij deze conclusie: In die tijd van kapitalisme en conservatisme in het Westen had ik, als veel van mijn vrienden, naïeve sympathie voor de communistische idealen. Die ene dag in de DDR genas me daarvan.
Maar goed, het gaat hier wel degelijk over de poëzie van Reiner Kunze, die ter gelegenheid van zijn tachtigjarige verjaardag bedeeld wordt met een selectie uit zijn werk in de Bordeauxreeks van Uitgeverij Liverse, waarin eerder al werk van Kavafis en Charles Bukowski verscheen. Naast de originele tekst is telkens ook een Nederlandse (Job Degenaar) en Engelse vertaling (Annmarie Sauer) opgenomen.
Kunze werd na de publicatie van Die wunderbahre Jahre (1977) naar West-Duitsland verbannen, waar hij in 1982 dan weer in conflict kwam met de West-Duitse schrijversbond. De teksten die expliciet gerelateerd zijn aan de vroegere DDR-situatie zijn, hoe sterk en indertijd succesvol ook, om compositorische redenen niet opgenomen, schrijft Degenaar. Er werd geselecteerd uit werk van 1969 tot 2007.
Degenaar steekt zijn bewondering voor Kunze niet onder stoelen of  banken: Reiner Kunze heeft veel voor mij en mijn dichterschap betekend. Zijn loepzuivere beelden en soms scherpe, maar bovenal menselijke en wijze gedichten beklijven door hun eenvoud en kernachtige formulering: je neemt ze een leven lang mee.
Natuurbeelden en bespiegelingen over het mensdom versmelten in deze vaak korte en ogenschijnlijk lichtvoetige gedichten.
Aangezien de gedichten in drie talen zijn opgenomen, is het verleidelijk de versies onderling te vergelijken. Dat er in gedichten in vertaling altijd wel iets verloren gaat is een dooddoener. Door niet altijd voor de meest voor de hand liggende vertaling van een bepaald woord of begrip te kiezen, leidt dat ook wel eens tot een meerwaarde. Degenaar en Sauer hebben een mooie, degelijke en vlotte vertaling afgeleverd waarbij ze met zorg over de poëtische geest van Kunze gewaakt hebben.

Rudern zwei

Rudern zwei
ein boot,
der eine
kundig der sterne,
der andere
kundig der stürme,
wird der eine
führn durch die sterne,
wird der andere
führn durch die stürme,
und am ende ganz am ende
wird das meer in der erinnerung
blau sein

Als er twee roeien

Als er twee
in een boot roeien,
de een met verstand
van sterren,
de ander
van stormen,
dan zal de een
door de sterren leiden,
de ander door de stormen,
en aan het eind helemaal aan het eind
zal de zee in de herinnering
blauw zijn

When two row

Two rowing
a boat,
the one
skilled in stars,
the other
skilled in storms,
the one will
steer through the stars,
the other will
steer through the storms,
and at the end at the very end
the sea as a memory will
be blue

Achtzig, Reiner Kunze, drietalige uitgave, vertaling Annmarie Sauer (Engels) & Job Degenaar (Nederlands),  Bordeauxreeks nr. 21, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2013,  ISBN 978-94-91034-25-1

(Roger Nupie)

De pracht van priemgetallen

In tegenstelling tot de twee auteurs Paul Levrie en Rudi Penne, docenten wiskunde aan de faculteit Toegepaste Ingenieurswetenschappen van de UA, blijf ik een Neanderthaler wat betreft getallen. Niettemin heeft de ondeelbaarheid en de oneindigheid van priemgetallen op mij een magische aantrekkingskracht.
In zijn voorwoord schrijft Jean Paul Van Bendegem over verliefdheid op priemgetallen. Het zijn geliefden maar ook te ontsluieren, geheimzinnige minnaressen. De aanleiding voor dit boek is een ongeval waar de twee auteurs bij het invullen van de formulieren elkaar met priemgetallen bestoken. De ironische toon is gezet. (Hun blog heet niet voor niets Wiskunde is Sexy)
Priemgetallen doen hun intrede met de lezing van Cole en de maatschappelijke nutteloosheid van de getallentheorie van Hardy. Hij gaat er zelfs prat op. Meteen neemt het boek je op sleeptouw. Men verwacht dat je spontaan gaat applaudisseren voor de Toren van Hanoi van Eduard Lucas en de elektrische zeef van Lehmers.
Met de ontbinding in factoren van een getal van 167 cijfers door Wagstaff – parbleu, er bestaan ook semi-priemgetallen – komt het staatsbelang om de hoek kijken en besef je dat ze belangrijk zijn voor de beveiliging van het internet. Er volgt een eerbetoon aan Euclides, de vader van de bewijslast en zijn impact op het wetenschappelijk denken.  
We lezen hoe deze getallen als onkruid tussen de natuurlijke getallen groeien en duiken met de Zeef van Eratosthenes terug in de tijd. We leren dat het grootste priemgetal ( tot nu toe) uit 17.425.170 cijfers bestaat.
Interessante figuur is Marin Mersenne aan wie we de Mersennegetallen danken. Door zijn ondogmatische kijk had hij met de kerk problemen. Het klokrekenen is iets wat elke dag nog wordt gebruikt in online IBAN-calculators tot en met goochelen met kaarten.
Met monsieur Le Blanc, dekmantel voor Sophie Germain, ontdekken we dat het voor vrouwen niet eenvoudig was om mee te mogen spelen. Aan haar danken we de Germainpriemgetallen.
Op de titel van de bestseller  De eenzaamheid van de priemgetallen van Paolo Giordano zijn de auteurs jaloers. Julius Ceasar gebruikte codes om te communiceren en op het Voynich-manuscript hebben cryptoanalisten hun tanden stuk gebeten.
Met een bouche bée las ik over priemtelfuncties, priemgaten, het Riemannvermoeden, priemtweelingen, Wieferichgetallen. O, hermetische poëzie! Dit boek gaat over passionele pogingen om grote getallen te kraken. Het is een verhaal zonder happy end omdat finaal de bedoeling van priemgetallen niet kan ontsluierd worden. Ze zijn te grillig, te onvoorspelbaar.
Mijn historische ziel kon zich laven aan de vele anekdotes. Zonder deze anekdotiek en la petite histoire, was het een boek bestemd voor ingewijden. Ik blijf erbij dat ironie krachtiger is dan de ernstigste (academische) serieus. Zo is de passage over de 44ste en 45ste kunst van de Kamasutra die beide auteurs beweren vakkundig te beheersen, ronduit hilarisch. De hoofdstukken werden met de knipoog van een priemgetal genummerd, werden met vlotte ernst geschreven en zijn een schoolvoorbeeld van mijn ‘ernstige’ stelling.

De pracht van priemgetallen, Paul Levrie en Rudi Penne, Prometheus-Bert Bakker, Amsterdam, 2014, ISBN 978-90-351-3863-6

(Frank De Vos)

Een hinkelbaan in de wolken

Omwille van hun roodwit geblokte wapenschild heb ik altijd de impuls om voor Kroaten te supporteren. Dat komt omdat ik uit Noord-Brabant kom, en de roodwit geblokte vlag van deze provincie immer wonderschoon heb gevonden. Ik werd dan ook onmiddellijk vrolijk toen ik het boekje Brabants vlag – Historiek en gedichten uit de enveloppe haalde, want tegen een blauwe achtergrond wapperde hij daar trots.
Het gaat hier om een smaakvol vormgegeven uitgave van de zogenaamde Stichting Hoeders van de Brabant Bokaal in samenwerking met het Prins Bernhard Cultuurfonds, samengesteld door Pien Storm van Leeuwen. Paul Spapens en Jac. Biemans, respectievelijk voorzitter en secretaris van de Brabantse Hoeders, lichten de geschiedenis van het Brabantse dundoek (dat al in de middeleeuwen wapperde in het oude hertogdom) toe. De hoofdmoot van de bundel bestaat echter uit zeventien speciaal voor deze gelegenheid geschreven gedichten van evenveel dichters. In alfabetische volgorde zijn dat Rick Baggermans, Catharina Boer, Frans August Brocatus, Olaf Douwes Dekker, Christina Guirlande, Albert Hagenaars, Bauke van Halem, Kees Hermis, Marijke van Hooff, Peter Korsman, Pieter Luykx, Kees van Meel, Jasper Mikkers, Ronella Moser, Pien Storms van Leeuwen, Jace van de Ven en Willem van de Vrande.
Hier en daar scheren sommige dichters griezelig langs de rand van het chauvinisme. Neem mijn tweekleur wappert trouw, door wind gedreven, / verbeeldt de mooiste zin ooit neergeschreven: / “en nergens ligt een glimlach zo gereed / als waar de wereld land van Brabant heet”. van Pieter Luykx (° Ginneken, 1935). Of: En gedenk, geschapen op de zesde dag / gaan wij ooit over in water, aarde, lucht en vuur, / de vier levensbronnen van ons gewest / waar deze vlag altoos zal blijven wapperen. van Albert Hagenaars (° Bergen op Zoom, 1955). Alsof de elementen buiten de grenzen van de provincie niet zouden bestaan. Gelukkig is de rest van zijn bijdrage erg sterk. Een fragment: Over de schaamte na de nederlaag, / de grafelijke banier beslijkt in het mistig woud / dat respijt bood voor vernedering, verlies / aan meer dan domein, ontvallen eer.
Marijke van Hooff (° Haarlem, 1944) omschrijft het vaandel erg mooi als Een hinkelbaan in de wolken. Ook de bijdrage van Christina Guirlande (° Moerzeke, 1938) mag er zijn: En luister maar: de wind / herinnert zich nog feilloos alle / woorden van het oude lied. Treffend vind ik voorts het gedicht van Catharina Boer (° De Bilt, 1939), waaruit: Ons dundoek lijkt op Brabants Bont, / geblokt als moeders trouwe schort en / keukendoek die nog gekoesterd wordt / als eens haar zult, haar kersenstruif of soep. Ook Een dichter maakt een vlag van Frans August Brocatus (° Gooreind Wuustwezel, 1957), Grondbeginselen van Kees Hermis (° Hulst, 1941) en Twee geloven van Peter Korsman (° Werkendam, 1982) las ik met veel genoegen. Brabants vlag – Historiek en gedichten is wat mij betreft een charmante uitgave.

Brabants vlag – Historiek en gedichten, samenstelling Pien Storms van Leeuwen, Uitgeverij Ceedata, Chaam, 2014, ISBN 978 90 71947 44 5

(Bert Bevers)

Wie geen schaduw blijft

Afscheidnemend stadsdichter Geert Vanhassel uit het Vlaams-Brabantse Halle publiceerde dit voorjaar zijn eerste dichtbundel: Wie geen schaduw blijft, uitgegeven door de Tollembeekse uitgeverij De Draak.
Wie geen schaduw blijft is een mooie, luxueus uitgegeven bundel, die makkelijk in de hand ligt en aangenaam leest. De foto’s van de schilderijen van Wim Adriaenssens zijn werkelijk adembenemend. Het oranjerood-groen en bruingrijze kleurenpalet van de schilderijen en de de afgebeelde personages stralen een bruisende energie uit. De levenskracht spat van de pagina’s, in synergie met Geert Vanhassels’ felle poëzie.   
De auteur bundelt 34 gedichten, samengebracht in 6 reeksen: Verlangens, Armoede, Liefde, Leven, Afscheid/Dood en Stadsgedichten. Geert Vanhassel lijkt een meester in de occasionele poëzie: meer dan de helft van de gedichten kan worden ondergebracht in de categorie gelegenheidsgedichten. Het is trouwens ook de taak van stadsdichters om vlug en gehaaid een gedicht te schrijven over belangrijke gebeurtenissen in stad en omgeving. Geen sinecure: vooral de korte tijdspanne waarin moet worden gewerkt, is een struikelblok.
Ter gelegenheid de Werelddag Dementie 2012 schreef Geert: Ben bang voor de dag / dat ik me niet meer ‘herinneren’ zal. / Het leven slechts één scène is. / Die van het moment.… Wil jij die dag dan zoenen? / Zacht en zoals altijd in de hals. / Want dan zal ik weten, / ook al ben ik het vergeten, / dat ik je zo graag heb bemind. De preventiecampagne borstkanker in de stad Halle 2009 inspireerde de dichter tot volgende onverwacht grappig-erotische opsomming, een eerbetoon aan vrouwelijke rondingen: Visitekaartjes, dat zijn ze / Etalage van wie ze is / Eerst bron van troost en veiligheid / Later magneet voor testosteron / Een volmaakte malse zachtheid / Subtiel afgerond optimisme / Jokers voor eigen groot gelijk / Geleiders van aandacht en stroom. In het gedicht Bocht in het Hoogland, dat hij schreef voor de Onthaaldag nieuwe inwoners in 2013, zegt hij: Er reizen veel vragen met me mee /op de trein met terminus Zennestad. / Ik neem plaats tussen koffers met / een overgewicht aan herinneringen / … Zal altijd afkomstig zijn, / maar waag het graag om hier te zijn. / Want wie geen schaduw blijft / zal hier ook niet verdwalen. / Voor wie deze stad geen vlucht is, / zit Halle als gegoten. / ‘Eenderien es er content’, zong den Dries / Daar in het diepe zuiden van het Nederlands.
Wie geen schaduw blijft bevat natuurlijk ook niet-occasionele gedichten. Dieter en Hij zijn liefdesgedichten. In Flamingo, Immer stel ik me te weer, Soevereiniteit, Zwart Wit zijn de thema’s afwisselend het verlies van onschuld en illusies, de worsteling met het bestaan en het besef van het ouder worden.
Tot slot nog dit: Geert Vanhassel is uiterst zuinig met woorden. Hij schrijft geen lyrische of vloeiende poëzie. Integendeel, Wie geen schaduw blijft kenmerkt zich door korte, heftige verzen, met een onstuimig ritme en de kracht van een statement.

Wie geen schaduw blijft, Geert Vanhassel, Uitgeverij De Draak, Tollembeek, 2014, ISBN 978949073815

(Nicole Van Overstraeten)

Doorheen de duisternis het licht

Patricia De Landtsheer is bekend als jeugdboekenschrijfster, maar Doorheen de duisternis het licht is tegelijk een dichtbundel en een fotoboek. Etienne Van den Bulcke nam een vijftigtal zwart-wit foto’s van een aantal overgebleven concentratiekampen in Europa, waaronder Auschwitz-Birkenau, Dachau, Mauthausen en Vught. Patricia De Landtsheer schreef er tweeëntwintig gedichten en een prozatekst bij. De bundel is een eerbetoon aan de nagedachtenis van de miljoenen mensen die tijdens WOII in de nazi-concentratiekampen de dood vonden.
De poëtische verwoording van oorlogsgruwel is een moeilijke, zo niet onmogelijke oefening. Toch roemt professor Herman Van Goethem, conservator van de Dossin-Kazerne in Mechelen, in Doorheen de duisternis het licht de behoedzame omgang van de auteurs met de artistieke en literaire esthetisering van het lijden. Zij vonden een broze schoonheid in de evocatie van namen en gezichten, anoniem verbonden met het bloed dat vloeit over de basalten keien.
Opvallend in de fotoreeks is de bijna volledige afwezigheid van menselijke gedaanten. We zien sobere foto’s van gebouwen, ramen, trappen, zalen, met prikkeldraad afgebakende terreinen. De gefotografeerde ruimten zijn clean, de ramen keurig geverfd en gezeemd. In de gangen glimmen de tegels. Doorheen de restanten van de herinnering waart een bijna sacrale stilte.
Patricia de Landtsheer zoekt in haar gedichten naar metaforen van deze menselijke aanwezigheid, probeert contact te krijgen met de schimmen die door de kampen dwalen. Zij leeft zich in het lot van de slachtoffers in, reikt ze de hand, laat ze hun verhalen vertellen, probeert ze te troosten,  maakt ze onsterfelijk:

tussen de tafelpoten/ voeten van mensen/ over en op het tafelblad/ bewegende zoekende handen/ aan de overkant een blik/ in lachende schreiende ogen/ … de hartklop in hun hunkeren/ het verlangen naar aanraking/ het versmelten met de dingen.

En:

Je hebt nooit gevraagd/ hier te worden begraven/ anoniem/ in het massagraf word je begin en einde/ de echo van je naam/ scheurt over de vlakte/ onsterfelijk.

Van de eerste transporten vanuit de Dossin-Kazerne in 1942 was in 1945 niemand nog in leven. De overlevenden kwamen uit de allerlaatste transporten in 1944. Tegenover de doden is alleen stilte een aanvaardbare houding, maar voor de overlevenden was een streepje licht in de duisternis, een suggestie van menselijkheid of de herinnering eraan een houvast. Daarom is in een aantal gedichten het licht aanwezig:

hier lig ik wacht / tot het licht mij zal bereiken / ik weer ontvangen kan / wat zoet en zacht en zuiver is .

En:

licht is je tred / … alsmaar hoger naar dat ene /  naar het enige / naar het licht / waarin jij schittert / jij alleen .

De grondtoon in Doorheen de duisternis het licht is niet lichtvoetig. Desondanks kunnen we stellen dat niet de gruwel, maar hoop en herinnering de kernmotieven zijn van deze gevoelige en sterke bundel.

Doorheen de duisternis het licht,  Patricia De Landtsheer en Etienne Van den Bulcke, Uitgeverij De Vries- Brouwers, Antwerpen/Amsterdam, 2013, ISBN 978-90-5927-461-7

(Nicole Van Overstraeten)

L'amour, toujours l'amour?

Liefde: zelden is een woord zo veel gebruikt en misbruikt. De liefde, het blijft een favoriet thema in de poëzie. Ivo van Strijtem windt er geen doekjes om, er staat nog net geen uitroepingsteken achter de titel van zijn nieuwe, vijfde dichtbundel: De Liefde, jazeker. Het is tevens de titel van één van de vier cycli, al veronderstellen De heilige vrouwen en Hartverscheurende regen en liefdesbrieven dat ook daar al heel wat, al dan niet heilige liefde uit zijn poëziehemel zal neerdalen.
In de cyclus De heilige vrouwen scoren gedichten als Godelieve en de kraaien en het aangrijpende Lucia en de ossen het best: Lucia wordt als het bange meisje in een kooi vervoerd op een ossenspan om als nieuwste aanwinst als hoertje in Syracuse te arriveren. Maar:

Het nieuwe meisje zal niet komen,
haar minnaar heeft haar ogen uitgestoken,
en samen met de ossen werd ze omgebracht.

Een dergelijke spanning is ook terug te vinden in een gedicht uit de laatste cyclus (Dichterschap): Er werd een meisje opgehangen. Een stuk ingetogener is het gedicht Moeder: 

Laat moeders
brood en boter halen.
Laat hen de ene dag
naar koffie geuren,
de andere naar witte wijn.

Geef ons toch de rondte
van hun borsten,
opdat wij nooit
een moord gaan plegen,
jonge dromen openrijten
of een meisje slaan.

Laat moeders heel,
laat moeders fruit
en verse groenten,
laat moeders altijd
ademhalen.

In de titelcyclus wordt de liefde tot een plaats verheven:

Al gehoord van het dorp dat Liefde het
en nu niet meer bestaat?
Het ligt tussen Stamel en Steenworp,
maar vandaag heet het gewoon Dorp.

De dichter komt hier ook al wat lichamelijker uit de hoek: Hoi. Ik heet Pearl en ben clitoris. En in Koorts: Heb ik koorts dan knaagt / een lichte pijn aan mijn teelballen. Maar het zijn vooral gedichten als Jongens en meisjes (gelukkig zijn zij nog steeds min of meer meisjes / gebleven, en wij om de haverklap jongens) en Verjaardag die bijblijven:

(…)
De dode dagen heb ik
In een graf gelegd.
Maar alle andere zijn weer
Helemaal zichzelf:

Zij betuigen hun spijt of
Delen hun vreugde.
En dan, op haar verjaardag
Geef ik de voorbije tijd terug.

In de cyclus Hartverscheurende regen en liefdesbrieven verrast het gedicht Dag dichter:

Dag dichter,

Mag het wat warmer s.v.p., wat zachter,
wat begripvoller ook en iets lichter misschien
iets voorzichtiger, meer een schuilplaats,
meer liefde zelfs, indien ik mij het woord
veroorloven mag, ik vraag excuus,

voordat je met je hautaine woorden
op dat arme meisje poëzie gaat liggen?

Alsof de dichter beseft hoe moeilijk het wel is over de liefde te schrijven, haar te betrappen, vast te nagelen in een gedicht? En als dat gebeurd is, waar is de liefde dan? Voor eeuwig vervat in het woord, of is ze intussen al weer weg, even onverwacht als ze je leven binnenkomt? 

De Liefde, jazeker, Ivo van Strijtem, Uitgeverij  Houtekiet, Atlas / Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2014, ISBN 978 90 892 4301 0

(Roger Nupie)

 

Een te ver eiland

Wie een imponerend fragment uit Rainer Maria Rilkes Het dagboek van Malte Laurids Brigge (roman uit 1910) als ouverture neemt voor een bundel gedichten riskeert veel. Wat volgt, De eerste letter van Lieke Marsman (1990), steekt dan ook flauw af bij het met poëzie en existentiële vragen geladen proza van Rilke. Er lijkt zich een school van jonge damesdichters te ontwikkelen, met als kenmerken: onvrede met de man (als partner, als verschijnsel) en het niet te missen smaakvolle statieportret op de achterflap (paginagroot, koket, volgens de laatste inzichten uit de damesbladen).
Afgezien van het eeuwige gezeik over de man/de relatie (een moderne meid is op de toekomst voorbereid) vind ik de beoefening van het prozagedicht in deze bundel minder geslaagd. Te veel een procedé, te weinig de verrassing van een ware poëtische wending.
Lieke Marsman toont zich behendig in het ironisch beschrijven van het niet gebeurde. Na Rilke plonsen we gelijk olijk in de reeks Omdat ik een held was.

Nummer 3: De nachten waarin ik wakker word en alles draait voor mijn ogen ./ De ochtenden waarop er zich muziek in mijn hoofd bevindt, iedere / minuut een ander liedje. De dagen waarop ik aan andere dingen denk. / Wezenloos voor de televisie zit, maar zit, alsof ik ooit anders voor de / televisie heb gezeten dan wezenloos. Heb ik niet. De mooiste mens / is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen  / woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje / thee. Die alles opnieuw leert.

Uit deze mengeling van quasi ironie en dito wijsheid stijgt geen zuchtje poëzie op. Ook in de volgende cyclus De eerste letter wordt althans mijn poëtische snaar niet beroerd. In gedicht 5 zien we een echo van Rilke. Deze opsomming (of deftig ‘enumeratie’) waarvan de delen beginnen met Als creëert bij lange na niet de spanning van Rilkes stapeling van angsten.
Op een toon waarin de eigendunk tintelt, gaat de dichteres moedig en bijna koddig door met haar behendige ‘prowezie’. Neem Liefde in tijden van eenzaamheid: Als je zo doet ga ik zeggen dat je een door het water gesleurde / boterham bent, ik bedoel geen drabbig wentelteefje maar een / in de gootsteen gevallen sneetje. (…) Als je nu gaat huilen dan zie ik me / genoodzaakt om een puppy na te doen, zelf weten, we kunnen / samen in de lach schieten, maar zorg dan ook eens dat jij zelf // het grapje maakt.
In Poëzie (what’s in a name?) erkent Marsman, wellicht onbedoeld, dat poëzie haar niet als vanzelfsprekend aan komt waaien. (…) Poëzie / lijkt me vandaag een land / waar ik geen ticket naar toe / heb gekregen, een oude geliefde / van wie ik het nummer / nog niet uit mijn telefoon / durf te wissen, een ver eiland / vol pinguins.
Nog eens heel goed Rilke lezen.

De eerste letter, Lieke Marsman, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2014, ISBN 978-90-282-6058-0

(Erick Kila)

 

De herinneringen van Marie-Cécile

Marie-Cécile Moerdijk, een Nederlandse volkszangeres, schrijfster en radiomaakster, werd in 1929 geboren in het Zeeuwse Zuiddorpe, maar woont tegenwoordig in Lommel-Kolonie (België), waar ze benoemd is tot stadsdichteres.
Voor de vijftigste verjaardag van haar dochter schreef zij Lieve Lotje, een relaas over haar eigen eerste vijftig levensjaren. Sinds haar kindertijd hield Marie-Cécile schriftjes bij; deze notities dienden als basis voor haar boek. De schrijfster noteert haar memoires in een levendige, meisjesachtige stijl. Het boek bevat foto’s uit haar privé-archief. Een guitige Lotje prijkt op de cover.
Moerdijk deelt Lieve Lotje niet in hoofdstukken in. De eerste vijftig pagina’s zijn stukjes met een datum als titel. 1929 gaat over haar kindertijd in Zuiddorpe. Thuis werd er veel gemusiceerd: M’ma speelde uren achtereen op de vleugel. P’pa zong of, de koffergrammofoon aanzwengelend, draaide hij de platen van Amelita Calli-Curci of Schaliapin. In 1940 begint de oorlog. Marie-Cécile moet naar een pensionaat in Kortrijk, dat wordt gebombardeerd. In het pensionaat Le Nouveau Bois in de Rue longue des Violettes in Gent voelt zij zich eindelijk thuis. Zij ontdekt haar roeping: voordragen en zingen. Op eigen initiatief gaat ze op auditie in de Gentse opera, bij de beroemde sopraan Vina Bovy. Uiteindelijk volgt ze zangles bij Ruth Horna in Amsterdam en vindt ze in 1952 een baan in Den Haag.
In 1954 verhuist ze naar Amsterdam, waar ze verliefd wordt op Johnny. Die krijgt een opdracht bij een baggerbedrijf  in Venezuela; Marie-Cécile besluit hem te volgen. Zij vestigen zich in de primitieve pueblo Rio Chico. In Caracas ontmoet ze de Argentijnse hoogleraar etnomusicologie Isabel Aretz de Ramon y Rivera. Door de revolutie is Johnny genoodzaakt een job bij Philips te aanvaarden in Caracas. Het paar verhuist naar een wolkenkrabber in de wijk Altamira. Samen met Isabel treedt ze voor het eerst op; ze krijgt een radioserie en geeft recitals in de Nederlandse Antillen. Na haar terugkeer uit Curaçao ontdekt ze dat Johnny homoseksueel is. Zij besluit terug te keren naar Nederland.
In het hoofdstuk Caiiia beleeft de zangeres een nieuwe liefde: de Rus Caiiia wordt de vader van haar dochter. Maar zijn labiele persoonlijkheid, zijn voorkeur voor illegale praktijken, zijn jaloezie en gewelddadigheid maken ook van deze relatie een regelrechte puinhoop. In 1968 heeft Marie-Cécile Moerdijk een verfrissende flirt met de vijftien jaar jongere Rius, een dirigent uit Heerenveen. Maar in 1972 ontmoet ze Jan. In 1975 trouwen ze en eindelijk komt er rust in haar leven. De relatie met Jan is een verademing, maar hij overlijdt niet veel later aan een hartaanval.
1982: Lotje behaalt een mooie prijs tijdens de Europese kampioenschappen kogelstoten, maar wordt lerares therapeutisch paardrijden. Moeder en dochter verhuizen naar een grote boerderij. Gedurende de twaalf volgende jaren musiceert, zingt en schrijft Marie-Cécile; Lotje geeft paardrijles aan gehandicapten. Het verhaal eindigt in 2013, met een speciale opdracht aan Lotje. Moerdijk schreef met Lieve Lotje boeiende, diepgaande, aangrijpende en vlot leesbare memoires!

Lieve Lotje, Marie-Cécile Moerdijk, Uitgave De Bezige Brem, Lommel, 2013, ISBN 978-90-70471-15-6

(Nicole Van Overstraeten)

 

Allesbehalve kleurloos

De Japanse schrijver Haruki Murakami (° 1949) onderscheidde zich al snel van zijn tijdgenoten door zijn interesse in Amerikaanse literatuur, westerse films, pop en jazz. Na een toneelopleiding werkte hij in een platenzaak en opende hij een  jazzclub: Ik bedacht alleen hoe mooi het zou zijn als ik zou kunnen schrijven alsof ik een muziekinstrument bespeelde. Van Norwegian Wood (1987) werden miljoenen exemplaren verkocht en Murakami werd eensklaps een nationale beroemdheid. Intussen worden zijn boeken in meer dan veertig landen uitgegeven. Om het schrijvershoofd koel te houden doet hij aan hardlopen – hij nam zelfs deel aan marathons en triatlons. Op 12 januari 2014, Murakami’s 65ste verjaardag, verscheen De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren.
De twintigjarige student Tsukuru Tazaki wordt verstoten uit het vriendengroepje waartoe hij sinds de middelbare school behoorde en opeens is  hij helemaal alleen. Zijn jeugdvrienden, achtergebleven in zijn geboortestad toen hij in Tokyo ging studeren, willen van de ene op de andere dag niets meer met hem te maken hebben en Tsukuru heeft geen idee waarom.
Zijn vrienden hebben een naam waarin een kleur voorkomt: Blauwezee, Rodeden, Wittewortel, Zwarteveld, wat hen de respectievelijke bijnamen de Blauwe, de Rooie, Witje en Zwartje oplevert. Alleen in de naam van Tsukuru Tazaki komt geen kleur voor, wat hem laat besluiten dat hij een kleurloos persoon is, iemand zonder enige inhoud.
Zestien jaar later ontwerpt Tsukuru - intussen afgestudeerd als ingenieur - stations, maar sinds de traumatische verstoting door zijn vrienden heeft hij het gevoel geen vat te hebben op zijn leven, evenmin op de relatie met zijn nieuwe vriendin Sala Kimoto. Zij spoort hem aan het heft in eigen handen te nemen. Hij  bezoekt zijn vroegere vrienden en tracht de gebeurtenissen van zestien jaar geleden te reconstrueren. Uiteindelijk wordt na een omzwerving in Finland het mysterie over de breuk met de vriendenclub verklaard. En wat blijkt: Niet alles is met het verstrijken van de tijd verdwenen, want Toén geloofden we vast in iets, en zo dachten we ook over onszelf: wij waren mensen die rotsvast in iets konden geloven. Zoiets kan niet zomaar zinloos verloren zijn gegaan.
Het zou niet de eerste keer dat zijn fans en de kritiek een van zijn boeken tot een   meesterwerk bombarderen, of het nu Kafka op het strand, De opwindvogelkronieken of de trilogie 1q84 is. Feit is dat Murakami steeds weer weet te boeien en blijkbaar onuitputtelijke invalshoeken vindt om zijn vaste thematiek  - de vergankelijkheid, de doelloosheid, het verlangen, het gemis, de zoektocht naar identiteit en  menselijk contact - ijzersterk vorm te geven. Het grensgebied tussen droom en realiteit is nooit veraf, zonder dat dat ook maar een moment gekunsteld overkomt. Murakami weet keer op keer te verrassen, de spanning te behouden en een diepmenselijk karakter te bewaren. En dat bewijst hij hier weerom op meesterlijke wijze.

De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren, Haruki Murakami,  vertaald uit het Japans door Jacques Westerhoven, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2014,  ISBN 978 90 254 4207 1

(Roger Nupie)