Verrukkend wonderlijk

Vreemd, een boekje over Japan met een onmogelijk lange titel: Het verrukkend wonderlijke en verdervend rampzalige. Overpeinzingen van een reiziger in Japan. In totaal 94 lettertekens, spaties inbegrepen.
Ik dacht dat de Japanse cultuur symbool stond voor eenvoud, subtiliteit en finesse? Niet dus. De Nederlandse schrijfster Marjolein Steenveld koos voor haar reisverslag een complexe titel, omdat zij de aandacht wilde vestigen op de tegenstelling tussen het hedendaags consumentisme in Japan en de oeroude waarden van schoonheid, terughoudendheid en elegantie. Misschien probeerde zij ook de overweldigende cultuurshock te omvatten, die iedere westerling op bezoek in Japan ervaart.
Marjolein Steenveld fietste met haar partner Enrico door dit fascinerende land. Van Hiroshima naar het eiland Shikoku met zijn 88 tempels, naar de berg Koya San en steden als Kobe en Kyoto. Na ongeveer duizend kilometer eindigde de tocht in de hoofdstad Tokyo.  Haar avonturen pent ze neer in 22 opstelletjes, met als motto een notitie uit de sublieme openingsparagraaf van De smalle weg naar het verre Noorden van grootmeester-dichter Matsuo Basho:

De zon en de maan zijn eeuwig op reis

En ook al de jaren die komen en gaan zijn reizigers

Achteraan in het boekje vinden we De statistieken van Enrico, een overzichtelijke tabel met data, plaatsnamen, het aantal kilometer per dag afgelegd, gedetailleerde aantekeningen omtrent het parcours. Een lijstje met geraadpleegde werken op de laatste pagina besluit het reisjournaal.
Uiterlijk is het moderne Japan een leven van veelheid, lawaai, massale indrukken en ononderbroken beweging. Maar Marjolein Steenveld en haar partner ontdekken achter deze façade een wereld van rust, innerlijke bezinning en vrede. Getuige daarvan de prachtige openingsreportage over het eiland Miyajima, bekend voor zijn zestien meter hoge vermiljoenrode poort die aangeeft dat een Shinto-heiligdom wordt betreden.
De reizigers logeren in typische Japanse herbergen, de zogenaamde ryokan, en worden geconfronteerd met de mooist ingerichte traditionele interieurs: tatamimatten, lage tafeltjes met gelakte theedozen, waterpartijtjes, met rijstpapier beklede schuifpanelen en knusse zitkussens.
Voor Marjolein en Enrico betekende deze reis een uitzonderlijke ervaring, een schitterend avontuur. Maar door het bergachtige landschap van Japan fietsen was geen sinecure. In overdrukke steden en buitenwijken werd het soms levensgevaarlijk, omdat de fietsstroken supersmal waren en niemand eigenlijk met de fietsers rekening hield. Zo vertelt Steenveld hoe zij in een tunnel door paniek werd overmand, omdat camions in hoge snelheid rakelings voorbijraasden. Gelukkig stopte een hoffelijke vrachtwagenchauffeur, die haar veilig voorop liet fietsen tot aan het einde van de tunnel. Een adembenemende episode!
Het boek leest makkelijk en vlot. Marjolein Steenveld hanteert een beschaafde en fijngevoelige pen. Door het ingenieus plaatsen van Japanse wijsheden boven elke episode leidt zij de lezer, doorheen alle drukte, naar de wonderlijke wereld van wabi-sabi (het schoonheidsideaal van eenvoud, terughoudendheid en elegantie), mono no aware (het diep geroerd raken door de schoonheid en de vergankelijkheid van de natuur) en ukiyo-e (de drijvende wereld, ook zeepwereld genoemd, de wereld van het vertier).

Het verrukkend wonderlijke en verdervend rampzalige, Marjolein Steenveld, Valkhof Pers, Nijmegen, 2011, ISBN 9 789056 253578

(Nicole Van Overstraeten)


Fluohesjes & Andere Breekbaarheden

Het lezen begint bij het eerste gedicht. Dat eerste gedicht staat dus op een zeer strategische plaats, want daarna beslist de modale lezer al vlug om door te gaan of de fijne bundel weer in het boekenrek te schuiven. In deze nieuwe bundel van Staf de Wilde sprak het huis aan de kade mij wel aan en het was het begin van een interessante reis. Tussen 1973 en 2011 produceerde deze auteur een hele resem werken. Hij publiceerde in vele literaire tijdschriften en zijn werk werd erkend door middel van diverse onderscheidingen. De bundel die hier op tafel ligt, bestaat uit 5 cycli. Staf De Wilde, woonachtig in De Haan, is de dichter van de cadans. Zijn versregels snellen elkaar achterna en krijgen daardoor de tijd niet om banaal te worden. Er is sprake van een voorstuwing die moeilijk te stoppen is. Hier moet de dichter de wilde stroom overbruggen wippend van juiste rots tot juiste rots, van de ene glibberige kei tot de andere balancerend en te proberen om niet te verdrinken. Elk beeld, elke metafoor weer anders en verrassend. Zijn vocabularium hanteert woorden die veel collega’s onaangeroerd laten als raffia, silex, fiolen, baldakijn en alambiek. De dichter filosofeert; hij buigt zich over relaties, het ouder worden, het verlangen, taal enzovoort. Een hele stoet passeert de revue.

words don’t come easy - popsong

woorden zijn moeizaam een spiegel

we moeten praten en zien

hoe we bezig zijn: soms een drenkeling,

een slapeloze die vecht met de slaap


soms gezeten op een paard

en we draven door, een banier

in de flank, zegepralend

en alleen het zwijgen werd verslagen


woorden vergroten als lenzen,

ze zijn de microscopen van de ziel,

ze ontbloten een kern en deeltjes

die daar rond bewegen

en soms is spreken sprokkelen

we verzamelen het dode hout,


leggen angsten op een stapel,

laten ze oplaaien in een zuiverend

vuur: spreek vurig van duisternis

en de duisternis laat zich verjagen

woorden komen moeizaam

wanneer ze nodig zijn als broden

en toch is taal een verlossend gebaar

ze opent de luiken, de blinden


die bang de dag behandelen

als een nacht van bezoeking

waarin geesten opdagen, de boze

die aanklagen en verdoemen


we spreken, nemen de leerzame

spiegels en microscopen ter hand,

en daar lopen de verlossende boden

gekomen van een verloren gewaand land

Ook laat De Wilde in dit werk af en toe wat humor doorsijpelen. In de cyclus Leermeesters komen, naar ik vermoed, de favoriete artiesten van Staf de Wilde aan de beurt. Hij staat stil bij personages György Konrad, Sandor Marai en Hugo Claus. Heel vaak laat hij zijn boodschappen via onpersoonlijke anonieme, verafgelegen bronnen tot de lezer komen. Hij geeft zijn lezers huiswerk mee: denkoefeningen en nabeschouwingen. De gelaagdheid versterkt de brug die zijn schrijven maakt. Staf de Wilde sleutelt aan zijn wereld die, door zijn poëzie en gedichten, de onze wordt. Deze bundel kan tegen een stootje…

Fluohesjes & Andere Breekbaarheden, Staf de Wilde, Demer Uitgeverij, 2012, ISBN978-1-4709-6862-5

(Frank Decerf)

Het taaie geheugen van water

Wat weten wij over het wrang verdriet van bomen? Dat is een vraag die Christina Guirlande stelt in het gedicht Oude boom in de laatste cyclus van haar nieuwe bundel, Het taaie geheugen van water.
Wie daar nog één woordje aan toevoegt, wat weten wij nóg  over … zit pal in de kern van de bundel. Wat weten wij nog, over ons leven in het paradijs? Het is de vraag naar de betrouwbaarheid van ons geheugen, onze neiging om te idealiseren, te romantiseren. Poëzie is nu eenmaal een romantische daad, een poging om de wereld te herscheppen in een nieuw paradijs, naar het beeld van het paradijs dat in ons onderbewuste zit opgeslagen. Poëzie is Geheugenwerk.
De nieuwe bundel ontleent zijn titel aan de eerste cyclus: Het taaie geheugen van water. Vijftien gedichten, waarin telkens het woord water of een verwijzing ernaar voorkomt. Water, de stroom, de Schelde, als een personage, dat leeft, glanst, luistert, draagt, verslindt, en vooral: het heeft een taai geheugen.
Het taaie geheugen van water is een sterke cyclus, gebouwd op ‘contrasten’, dag en nacht, huiver en troost, ongeloof en weten.
In een tweede cyclus staan rozen centraal. Christina Guirlande bewijst hierin ook een formeel sterke dichteres te zijn: elk gedicht bestaat uit 2 sextetten, telkens over  één bepaalde roos, een nieuw personage, naast het water: je kan ze dingen vragen, ze geven weerwoord aan de wind, zijn niet in bedwang te houden.
Vergankelijkheid, pessimisme haalt even de bovenhand in de derde cyclus, In een adem genoemd, waarin de dichteres doet wat voor dichters een manier van overleven is, therapie dus: persoonlijk verlies omzetten in poëtische winst.  Vele van de gedichten eindigen op een sombere noot  (de hele wereld kraakt, men mag het einde niet zien, onder de klamme huid siddert de donkere dood,  de kamer is barstensvol en zo leeg, niemand antwoordt nog, men raakt niet verder dan stamelen) En toch, en toch. Ook hier vindt de dichteres het begin van een uitweg, in de poëzie.             
De bundel eindigt met een cyclus van zeven natuurgedichten, waarin Christina Guirlande alle registers van haar observatievermogen opentrekt. Maar, lezer, wees op je hoede: dit zijn niet zomaar natuurgedichten, de thematiek die in de voorgaande cycli expliciet aan bod kwam, schuilt hier ook, onderhuids, een zomers onweer roept het sterfelijk zijn op in een zondvloed als toen, vogels vliegen in late-oordeelsvluchten, een merel werkt verwoed aan het verlengde van zijn leven, een vreemde woont lijdzaam in zijn wensen, en dan is er die “oude boom” die omgehakt wordt,  die zich niet verdedigt, waaraan de dichteres zich nu warmt. En zich afvraagt: Wat weten wij over het wrang verdriet van bomen?
Samenvattend: Het taaie geheugen van water is meer dan de moeite waard. Het is een bundel van de hand van een dichteres  met een grote belezenheid en een innige natuurbeleving, die de knepen van het vak kent.

Het taaie geheugen van water, Christina Guirlande, De Contrabas, Utrecht, 2012, ISBN 9 789079 432486

(Martin Carrette)


Heiligen met paranormale gaven

In 1932 verscheen de roman De harp van Sint Franciscus, een literaire levensbeschrijving door Felix Timmermans in zijn onnavolgbare stijl vol van bewondering en verwondering. Het is in zekere zin zo’n zelfde verwondering die Ludo Noens aan de dag legt om met een open geest en wetenschappelijk onderbouwd verschijnselen van ongewone, zeg maar paranormale of bovennatuurlijke aard te onderzoeken. Hij geeft al 28 jaar het tijdschrift Portulaan uit waarin, naast literatuur, thema's op het gebied van geschiedenis en sociologie vooral die verschijnselen onder de aandacht worden gebracht die men niet met rationele argumenten kan benaderen, laat staan verklaren. Het boek van Felix Timmermans was als het ware de reconstructie van een geniale gekte, en dat geldt ook voor de heiligen die Ludo Noens in zijn recente boek ten tonele voert. Een beetje toevallig ken ik wel het standaardwerk van Walter Nigg, Grote heiligen, maar dat dateert al van 1958. Noens heeft zich ten dele hierop gebaseerd voor zijn Paranormale heiligen voor wat het biografische gedeelte betreft, dat compact maar nauwkeurig de levens weergeeft van bijvoorbeeld Catharina van Sienna, Hildegard von Bingen, Theresa van Avila, Padre Pio. Op zich is dat al boeiende lectuur, waaruit we leren dat heilig zijn niet bepaald een te benijden eigenschap is, want het gaat gepaard met pijn, bloed, wonden en vele ongemakken.
Zoals de tekst op het omslag vermeldt is het onderscheid tussen de zondagsgelovige en heiligen niet zozeer hun onalledaagse vroomheid maar vooral hun bekwaamheid om alternatieve bewustzijnstoestanden op te roepen, zoals extase, trance. Vreemd genoeg ontstaan juist daardoor spanningen tussen hun enigszins overtrokken geloofsijver en de officiële kerk die onder meer op het gebied van wonderbaarlijke genezingen niet gauw geneigd is die als een mirakel te erkennen. Heiligen komen niet zelden over als vrij zielige, aandacht eisende, sjofele randfiguren, maar daarin schuilt precies hun kracht of ontstaat een voedingsbodem voor authentieke mystieke en paranormale verschijnselen.
Noens is er de geschikte auteur voor om lezers van welke overtuiging dan ook en zelfs sceptici met de neus op allerlei gebeurtenissen te drukken waarvoor niemand een pasklaar antwoord bij de hand heeft. Dat deed hij eerder al in zijn boek Het Jeanne d'Arc-syndroom over de Maagd van Orléans, volgens Noens een boerenkind dat leed aan een psychisch ziektebeeld dat hij aan de hand van voorbeelden uiteenzet. Jeanne zou gemanipuleerd zijn geweest vanuit de geest van een overledene.
Ook de in dit nieuwe boek beschreven heiligen hebben een méér dan ongebruikelijke levenswandel, en bovendien staan ze bloot aan verschijnselen die vaak zij alleen kunnen waarnemen en die hen tot aan de rand van het geestelijk draagbare brengen: geluiden, fel licht, voorwerpen die zich door de ruimte verplaatsen. Het is allemaal vlot, boeiend en overtuigend geschreven, relativerend en soms met humor, zodat deze specifieke studie niet enkel de believers zal aanspreken maar iedereen die ook wel eens de harde feiten van het rationele durft los te laten.

Paranormale heiligen, Ludo Noens, Zilverspoor Books Of Fantasy, 2011, ISBN 978 94 90767 00

(Guy van Hoof)


Het schrikdraad van Vekemans

Vertrekkend vanuit de mythe van Ariadne creëerde de dichteres Herlinda Vekemans een multi-gelaagde dichtbundel. Zoals een prisma het licht breekt en schoonheid schept, zo slaagt de auteur er in deze nieuwe bundel in om aan elke lezer zijn individuele waarheid te doen vinden. Herlinda Vekemans komt op geregelde tijdstippen - maar wel steeds met lange tussenpozen - met nieuw werk op de proppen. Bij haar huidige uitgever Poëziecentrum verschenen Versneden en Buiging. Daarna werd het stil, maar wachten loont soms en met Schrikdraad vindt de lezer waar voor zijn centen. De dichteres schrijft afgemeten, afgewogen en streng voor zichzelf. Ze polijst haar taal tot nachtelijke sterren. De dreiging, de aanslag en de onzekerheid over de toekomst verplichten de dichteres dankbaar te zijn en het leven te omarmen en dat laat ze merken. Vekemans gebruikt alle technieken die gedichten tot poëzie transformeren en in haar vocabularium zijn de verbindingen naar haar beroepsleven bijna onvermijdelijk: Herlinda Vekemans is docente Engels aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Ze begeleidt studenten geneeskunde en onderzoekers in het biomedische veld. Zij kapselt diverse metaforen in en komt op die manier tot associaties die het leestempo vertragen, maar daardoor precies elke versregel verrijken. Op dat moment wordt lezen vooral na-denken, daarna openbaart zich de ontdekking. De dichteres verrijkt ons taalpalet met woorden als oogneerslag, klankrouw, dodekafonie, letterkronkel, klankbollen, letterzetterhel en nog veel meer. Bij Vekemans ligt onder de laag van kalme waarschuwing en afwachten een sterke positieve onderstroom van waaruit vooral hoop en liefde spreken. Deze gedichten houden van de mens. De dichteres gelooft in het doorzetten. Ooit komt de viering van het rustpunt, de overwinning op de grote en kleine ellende van ons bestaan. Een voorbeeld:

Ariadne en de wereld

een schervengedicht


lichaam / kluwen

Het touw dat haar uit het doolhof had geleid, knelde rond haar

lichaam, een spiraal van pijn.

Ze sloot haar ogen, liet de sluimer van de duisternis haar huid

deppen, vond genoeg donkerte tussen smeulende as en

potscherven, doofde de beelden op haar netvlies en gaf zich

over aan de slaap.


wereld / vuur

In de verte zong de zee. De ochtend putte laaiend rood uit

de einder en goot het breeduit in de branding. Dichtbij het eiland

lag de wereld. Hij keek haar aan met de ogen van een sfinx.

eiland / schip

Het enterde de opening in het regenboogvlies van haar ogen

en plunderde haar gezichtsveld leeg. Woorden, namen van

verworpelingen op potscherven geschreven, pulseerden in grote

halen happen adem weg.

Kleiner en kleiner. Een stip in de lijn van de einder, het brandende

touw van de wereld.

Herlinda Vekemans geniet, ontvangt, bedankt; meer eisen haar gedichten niet op. Ze is geen tafelspringer, haar gedichten zoeken geen confrontaties, ze belonen ons met rustpunten. We blijven achter vol positieve energie. Slechts één enkel schoonheidsfoutje kan de puristen onder ons wat storen, namelijk de nummering in de bundel die verschillend is van wat de inhoudstabel ons zegt.

Schrikdraad, Herlinda Vekemans, Poëziecentrum, Gent, 2011, ISBN 9789056551247

(Frank Decerf)


Met nog een geeuw op steen

Dichter en organisator Frank De Vos nodigde collega-dichters uit om zich te laten inspireren door oude muurreclames die nog aanwezig zijn in het straatbeeld her en der: al dan niet half vergane en verwelkte beelden met restanten verf, beelden en teksten die aan een ver verleden herinneren.
Om de vergankelijkheid tegen te gaan, werd deze samenwerking vereeuwigd. De foto’s en gedichten werden samengebracht in een heuse tentoonstelling in Kasteel Sorghvliedt in Hoboken, van 26 februari tot en met 25 maart 2012, feestelijk geopend met een dichtersontbijt.
Maar er is meer: de mooie uitgave: Met nog een geeuw op steen, Poëzie in Hoboken, waarin  18 foto’s en evenveel gedichten zijn opgenomen van Marleen De Crée, Bart Stouten, Marc Tritsmans, Peter Holvoet-Hanssen, Annmarie Sauer, Bert Bevers, Frank De Vos, Pierre Magis, Hilde Keteleer, Yerna Van Den Driessche, Lucienne Stassaert, Rose Vandewalle, Hilde Van Cauteren, Ann Van Dessel, Guy Van Der Marlière, Richard Foqué, Albert Hagenaars en Hans Mellendijk. Verscheidenheid en kwaliteit gaan hierbij hand in hand.
In de bijdrage van Annmarie Sauer lezen we: Het verbleekte werven / bracht woorden / zo weer verloren / kleur van kopergoud / grote rode blikken / de koffie brandde er / wat was / bracht weemoed om de geur / die om mijn grootmoeder hing.
Het gedicht van Pierre Magis, Grijze gelaagdheid klinkt als een overtuigend statement:

Zoals ’n kus kan kloven

Als ’n gebaar, ’n wenk, ’n groet

plakken daar op ’n zijmuur

letters, wit, dooreen geweven

van ’n taai onroerend goed

dat aan ’t droge dok ontroerend

geruisloos de tijd ontmoet.

Letters van weleer, stevig, scheutig

je kan ze niet zomaar verguizen

vertrouw ze, jongleer ermee op straat,

ze trappelen niet ter plaatse,

ze fladderen gezwind in huizen,

nog steeds zeggen ze waarop het staat.

Letters openen zich als ’n gordijn

met wat spektakel op craquelé,

als streepjes muziek op de bühne,

eet ze gretig als verloren brood,

ze kruipen opnieuw in je hoofd

aan de nok van 't dak,in je mond,

kasseigrijs is hun achtergrond.

Letters,’t geschrift blijft vervagen,

verstilde vogels die vertragen

rond dreigende stapelwolken,

letters, schud ze uit je werkmanskleren

als fijn stof, al dat zwarte goud,

letters, laat ze rusten met verve

eenzaam op 'n antracieten muur,

slapen in de romp van ’n schip.

Lucienne Stassaert schrijft in haar gedicht Esso smeerstatie: wat ooit als sneeuw van letters gleed / betekent al niets anders meer / dan het verleden staat hier stil. Dat stilstaan bij het verleden heeft alvast een boeiend en interessant project opgeleverd. En Frank De Vos? Hij zag dat het goed was: Ik vroeg mij af hoe andere dichters met deze publicités fanées zouden omgaan. Het resultaat blinkt in deze bundel.
Dit is inderdaad een uitgave om te koesteren, in afwachting van een nieuw project dat Frank de Vos voor volgend jaar gepland heeft, waarbij dichters opnieuw een uitdaging zullen aangaan.

Met een nog een geeuw op steen, Poëzie in Hoboken, een uitgave van het District Hoboken, 2012

(Roger Nupie)


Grinnikende huizen

Pas onlangs leerde ik het werk (en de innemende persoonlijkheid) van Jabik Veenbaas kennen, toen we in Middelburg samen voorlazen uit eigen werk. De slotregel van zijn gedicht Zelfportret als onwillige zette zich onmiddellijk vast in mijn geheugen: ik ben al heel lang op zoek naar een huis waar ik nooit meer weg hoef / daar wil ik dan voor eeuwig aarzelend op de drempel staan. Zoiets vind ik wonderschoon! Veenbaas leest ook aangenaam voor, hetgeen zijn werk een meerwaarde geeft. Er zijn al te veel dichters die al te stuntelig voorlezen wat ze al te gemakkelijk meenden aan het papier toe te moeten vertrouwen. Die zijn pernicieus voor de perceptie van De Poëzie. Ongeoefende belangstellenden die hen horen gaan immers snel denken dat alle dichters/gedichten zo wel zullen zijn. Goed dus dat Jabik Veenbaas er ook is.
Zijn werk deed alleszins smaken naar meer, reden om eens met zijn laatste bundel Om de zee te bevaren onder de leeslamp te gaan zitten. Dat is zijn Nederlandstalige debuut. Jabik is tweetalig, want Fries, maar zijn eerdere bundels Metropolis (2001), De jefte (2003), Brieven aon myn bern (2004) en De sinne, it smelle bêd, myn lichem (2007) verschenen in zijn moedertaal.
De bundel telt 48 gedichten, die allerhande bronnen hebben zoals een boerenbegrafenis, de boom van Anne Frank, sterfgevallen (een zelfmoord, Jan Wolkers, Bobby Fischer, Jimmy Rosenberg), muziek (weer Rosenberg, Bach, Elvis Presley) of een oudejaarsavond om er maar een paar te noemen. Veenbaas laat, lak hebbend aan brachylogie, zijn inspiratie steeds voluit stromen. In Om de zee te bevaren klinken een onloochenbare fascinatie voor de dood (getuige ook woorden als graf, hunebed, kerkhof en zerken), en een onmiskenbare bewondering voor kunstenaars (Chagall, Ensor, Magritte, Michelangelo) door. Veenbaas werkt veel met contrasten. Zo komen de woorden nacht en zon elk wel vijf keer voor, aarde en stad zelfs wel een keer of tien. Zijn aandacht glijdt van nieuwe naar oude tijden, van dood naar leven, van stabilitas loci naar reislust.
Een paar treffende strofen: je moet ergens beginnen / sla verschrikt je ogen op / stamel hachelijke woorden / als ik en lichaam (uit beginselen der wijsbegeerte) waarom met bomen dwepen? / grimmig staan ze me naar het leven / wierpen hun voorwendsels af (uit wintergedicht) en het antwoord op de vraag waarom we schrijven (uit het bij de dood van Jan Wolkers geschreven waarom) om de zee te bevaren die ons eiland omgeeft / ons kleine kleine eiland van been en vlees.
Dit is beklijvende, ontroerende poëzie. Erg mooi vind ik (verwant aan het eerste citaat) maar op een avond droom ik: ik zit / in een stoel bij het raam. ik ben zeer / tevreden en hoor al mijn huizen / grinniken, het slot van het gedicht en dan gebeurt het toch. Volgens mij is Jabik Veenbaas graag thuis. Zijn werk mag zich dat in elk geval bij mij weten.

Om de zee te bevaren, Jabik Veenbaas, De Contrabas, Utrecht, 2011, ISBN 9 789079 432486

(Bert Bevers)


De hemelse kamer

Huub Beurskens debuteerde in 1975 en heeft intussen een indrukwekkende lijst romans en dichtbundels op zijn naam staan. Zijn poëzie werd vertaald in het Frans, Duits, Engels, Hongaars, Italiaans, Japans, Servisch en Tsjechisch. Zelf vertaalde hij werk van onder meer Gottfried Benn, Anne Duden, Georg Trakl en (samen met Wiel Kusters en Benno Barnard) W.H. Auden. Zijn meest recente publicatie is de roman De hemelse kamer.
Het hoofdpersonage Lino Nomellini is hoboïst en woont in Parijs. De herinnering aan zijn grote jeugdliefde Inés, in Amsterdam, die plots en zonder ook maar één enkel spoor na te laten uit zijn leven verdween, speelt hem nog steeds parten en bepaalt zijn leven: Zonder Inés was ik waarschijnlijk geen beroepsmusicus geworden of gebleven. Ik bedoel, zonder mijn fauneske gemis van haar. Of ook: Het klinkt clichématig, maar juist de muziek is mijn houvast, mijn ultieme houvast gebleken. Het spelen voor Inés, altijd en eeuwig voor Inés, waar ze op dat moment ook mocht zijn.
Hij denkt haar terug te zien als fotomodel in een postordercatalogus en daarna als mannequin tijdens een fotoshoot, tenminste zoals zij er nu volgens hem na al die jaren zou kunnen uitzien: Sprekend Inés was ze, zoals Inés op die leeftijd, op haar twee- of drieëntwintigste zou zijn geweest, als twee druppels water, o, met dat heerlijk zacht golvende geurende glanzende donkere mmm... haar dat achter... over haar schouders... Ah!
De volgende ochtend zat ik voor het beeldscherm nog voordat ik me had geschoren en gedoucht. Het gebeurt tenslotte niet dagelijks, nee, het was jaren en jaren, jaren en nog eens jaren niet gebeurd dat ik op iets stuitte wat, ik bedoel, dat ik iemand ontmoette die volledig beantwoordde aan mijn begeerte, mijn smachten, aan mijn passie, aan alles wat ik zowel van als voor mijn Inés, mijn enige Inés - mijn alles had bewaard!
Is zij het echt of is zij slechts een droombeeld? Het opflakkerende geluk is echter van korte duur. Lino komt terecht in activiteiten van een ondergrondse groepering en de euforie zal al snel omslaan in een nachtmerrie.
Beurskens’ stijl is vrij barok, met een niet aflatend oog voor detail, iets waar hij zich ook wel van bewust is: Moge u me deze anekdotes en uitweidingen vergeven, want wat ik er eigenlijk mee wilde zeggen en dus net zo goed zonder omwegen had kunnen zeggen. Het lijkt wel of hij de lezer op een verkeerd been wil zetten en dat lukt aardig: al die anekdotes en uitweidingen doen uiteindelijk weinig ter zake, zorgen er zelfs nu en dan voor dat het boek wat traag op dreef komt, maar onderhuids voel je als lezer dat er hier iets anders speelt en word je meegesleurd in een vreemde wending en een bizar verhaal dat verduiveld vernuftig in elkaar zit. Mede door de raadselachtige sfeer die de auteur weet op te bouwen wordt De hemelse kamer een ware pageturner.

De hemelse kamer, Huub Beurskens, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2012, ISBN 978 90 284 2433 3

(Roger Nupie)


Hoe een landschap soms oplost

Poëzie-uitgeverij WEL in Bergen op Zoom verzamelde bijna 150 gedichten van de Zeeuwse dichteres Johanna Kruit, in een bundel met als titel Zeegrens - Gedichten 1980-2000. Johanna Kruit schrijft naast verrukkelijke poëzie voor kinderen ook gedichten voor volwassenen. In deze kleine anthologie vinden we volgende bundels terug, gepubliceerd tussen 1980 en 2000: Omtrent het getij, Voorheen te Orisande, De weg van het water, De omtrek van een antwoord en De Waterveren, plus een cyclus van 20 ongepubliceerde gedichten uit de periode 1980-2000, met als titel Vermoeden Van Tijd. Op de cover een prachtige wolkenfoto. Een verlaten strand. Op de achterflap Johanna Kruit, met brede glimlach en wilde haren, samengehouden door een haarband.
Johanna Kruit is ontegensprekelijk de dichteres van de zee. In haar gedichten schuimt en bruist het van het water. Maar ook alle andere aspecten van haar poëzie komen in deze verzamelbundel aan bod: de geboorteplek als inspiratiebron, thema's als eeuwigheid en vergankelijkheid, de natuur, aandacht voor verwondering en geheim. Met de dromerige blik van een kind zwerft en schrijft ze over verlaten stranden, over duinen en polders. Dikwijls heeft haar poëzie een mysterieuze ondertoon:

Soms gaan we verder dan we willen. Maakt sneeuw
ons lichter dan we zijn? Als een gordijn
hangt nevel in het duin. Geluid verschijnt
als een gebeurtenis wanneer een vogel schreeuwt
om iets dat wij niet zien.

Over Orisande, een verdronken dorp in de Oosterschelde noteert ze:

De afstand schattend blijf ik staan. Herhaal
de naam van het verdronken land dat tussen
overkant en hier legende werd en isoleer het
water eromheeen om goed te zien wat ooit verdween.

Johanna Kruit roept dikwijls beelden uit het verleden op, maar in een verschuiven van tijd verglijden ze zachtjes naar de toekomst:

Vergissen in wat was maakt dat de middag
avond draagt. Je vraagt je af wanneer je zag
dat alles zo verschuift dat mist zich over

dingen legt die eerder helder leken. Soms weken
vogels uit, en nog. Zij stijgen hoog boven
het weten en overleven wat nog komt.

In de cycli over haar ouders ruist intens verdriet om hun dood. Maar in haar dagdromen zijn haar geliefden aanwezig. Uiteindelijk, zoals in Johanna's landschappen, lost het bestaan als zout in water op, wat resulteert in een schaduwspel van verschijnen en verdwijnen:

Vanmiddag kwam ik je ineens weer tegen.
Ik stond te strijken en de radio stond aan.
Ik luisterde maar half, net als de regen

was ik heel grijs en nevelig van binnen.
...

Alhoewel eenvoud, directheid en heldere zegging Johanna's poëzie kenmerken, gebruikt zij regelmatig de Engelse sonnetvorm: drie strofen van vier regels, gevolgd door een strofe van twee, die fungeert als pointe. Johanna Kruit is niet alleen een verrukkelijke dichteres, maar ook een taalvirtuoze.

Zeegrens - Gedichten 1980-2000, Johanna Kruit, poëzie-uitgeverij WEL, Bergen op Zoom, 2011, ISBN 90 6230097 9

(Nicole Van Overstraeten)

De Warvingegedichten

Als het stil wordt rond goede dichters, dan stel ik mij vragen. Dan word ik een beetje bang. Dan wil ik weten wat er gaande is. Hebben ze het voor bekeken gehouden; een natuurlijke reactie als je weet hoe moeilijk het is te gedijen in ons letterenland? Of zijn ze uitgeblust, omdat te vroeg te veel van hen werd verwacht? Zijn ze uitgeschreven en beseffen ze dat ze eigenlijk niets meer te vertellen hebben en gewoon voort borduren; oude gerechten opnieuw en opnieuw serverend? Gaat hun gezondheid achteruit en begeven ze zich zonder al teveel te storen naar de dichtstbijzijnde ijsschots om langzaam weg te drijven, de vergetelheid achterna? Het is allemaal mogelijk, maar als je lang genoeg wacht dan komt de waarheid aan het licht: ze hebben in alle anonimiteit aan een verzamelbundel gewerkt.
En zo ook de in De Haan-Vlissegem wonende Hervé J. Casier. Ja, het is lang stil gebleven, maar nu mogen de toeters en bellen, de rammelende blikken en serpentines weer aan zijn karretje worden gehangen. De auteur heeft een nieuw en stevig boek waarop hij fier mag zijn. Het is een sobere uitgave. Stijlvol, waardig en opgedragen aan zijn even waardige en stijlvolle echtgenote Elisabeth Franco.
De verzamelbundel De Warvingegedichten is een mooi overzicht van wat deze man bijeen heeft geschreven. Het werk begint met wat poëzie uit De landman en de wolven (1964) en eindigt met Gedichten 2009-2010-2011. De secure keuze van gedichten bezorgt de aandachtige lezer een klare kijk op de evolutie die de auteur de laatste decennia heeft doorgemaakt. En ik moet zeggen dat ik weer verrast was. De taak van verzamelbundels is, naast het gemak van een uitgebreide selectie bij de hand te hebben, weer vergeten of nog niet ontdekte poëzie opnieuw onder de aandacht te brengen. En weer konden de secuur uitgeschreven gedichten mij voort doen lezen.
Hervé J. Casier is een alchemist die zorgvuldig schrijft, zijn tijd neemt en veel zuurstof tussen de regels blaast. Hij laat zijn beeldspraak traag zijn effect vervullen zoals echte champagnebubbels die traag, gracieus en ongestoord naar het oppervlak komen om mooi in het niets te verdwijnen. Keer op keer een goed gevoel achterlatend. De waarde van een verzamelbundel is eveneens om de diverse perioden in een literaire carrière te doen ontdekken en de hoogten en laagten af te bakenen. Interessant voor literatuuronderzoekers. Een must voor elke bibliotheek.
Casier schrijft op het eerste zicht soms simpele gedichten, maar ze houden meer in dan in een beginstadium wordt ervaren. De auteur zijn titels kort, mysterieus, nieuwsgierig makend. Hij plaagt ons, verleidt ons de grens over te steken en in zijn poëtisch rijk binnen te stappen. Op die plaats wordt de poëziebezoeker gerespecteerd, op zijn wenken bediend. Hervé J. Casier wil niet meer in het voetlicht staan, hij wil gewoon goede dingen schrijven, mooie boeken maken en doen wat hij het best doet: authentiek dichter zijn.

De Warvingegedichten, Hervé J. Casier, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen- Rotterdam, 2011, ISBN 978 90 5927159-3

(Frank Decerf)

Meesterwerk van Moravia

De Italiaanse auteur Alberto Moravia schreef met De onverschilligen de eerste existentialistische roman in de Europese letterkunde. Hij is altijd één van mijn favorieten geweest: nonconformist, pacifist, een buitenbeentje. De roman De minachting (eerder in 1963 verschenen als Het spoor der herinnering) is een uniek, heel precies en met een scherpe observatie geschreven roman over een huwelijk dat op de klippen loopt. In feite is het een prachtig, maar dramatisch liefdesverhaal. Molteni, de ik-verteller, is een toneelschrijver die voor het geld scenario's schrijft voor een film over Odysseus en Penelope. Tot zijn verwarring stelt hij vast dat zijn vrouw niet alleen geen liefde meer voor hem voelt, maar hem zelfs minacht. Tevergeefs probeert hij daarvan de reden te achterhalen en tegelijkertijd haar liefde terug te winnen. Als een psycholoog ontleedt hij zijn relatie met Emilia, maar ook met de regisseur en de producer, die allebei een andere interpratatie geven aan het Griekse drama. Het komt erop neer dat de verteller een triviale wereld verwerpt van materialistisch gewin, zowel als een te ver doorgedreven psycho-analytische versie. Hij verkiest een ideële wereld waarin alles zuiver is en op zijn plaats valt. Dat heeft veel weg van een illusie, van een droom. Voor hem wordt het een ontwaken via een waanvoorstelling: zijn liefde blijft zuiver, maar de geliefde verdwijnt uit zijn leven. Haar dood was misschien een uiterste, definitieve daad van vijandelijkheid jegens mij, denkt hij vertwijfeld.
Emilia was geen intellectuele vrouw, ze kwam uit een welgestelde familie die door verkeerde speculatie tot armoede was vervallen. Toch wist ze vaak eerlijk en zuiver te formuleren en haar woorden hadden de onmiskenbare klank van de waarheid. Door haar nieuwe, minachtende houding staat er een muur van stilte tussen hen beiden, voortspruitend uit onverschilligheid, en dat is voor hem erger dan vijandschap. De producer palmt haar in, wat de wanhoop van Molteni alleen maar groter maakt. Anderzijds is er de regisseur, een Duitser die fungeert als contrast met de mediterane geest en die vanuit een Freudiaans standpunt de mening is toegedaan dat Odysseus lange omzwervingen maakt uit angst voor de confrontatie met en de liefde van Penelope. Al die draden zijn in het verhaal op aanvaardbare wijze dooreengevlochten. Meesterlijk worden de opvattingen van de personages tegen het licht gehouden, koel en secuur de gevoelens van een verscheurende liefde tot aan de grens van de waanzin beschreven. Moravia, overleden in 1990, was een cosmopoliet die vooral de hedendaagse complexiteit van de menselijke relaties puur literair wist te verwoorden. Deze roman werd als Le mépris in 1963 door Jean-Luc Godard met veel succes verfilmd. Overigens werden ook Twee vrouwen en De conformist verfilmd.
Uitgeverij Wereldbibliotheek publiceerde in de loop der jaren, altijd heel verzorgd, een hele reeks romans van Alberto Moravia en tevens in 1991 het buitengewoon goed gedocumenteerde Het leven van Moravia, waarin alle aspecten van zijn oeuvre, zijn vriendschappen, verfilmingen en reizen aan bod komen.

De minachting, Alberto Moravia, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2011, ISBN 978 90 284 2439 5

(Guy van Hoof)

Een liefdevol vriendenboek

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik nog nooit van Kari Bert had gehoord vooraleer ik Kari Bert - Liber Amicorum in handen kreeg. Toen deze titel op de redactievergadering ter tafel kwam zei Tony Rombouts: "Tiens, da's lang geleden dat ik daar nog iets van vernam. Volgens mij was de derde bundel die we destijds bij Contramine uitgaven Oefeningencahier van Kari Bert, het kan ook de vierde zijn geweest." Dat zocht ik thuis even na in Tien jaar Contramine - Een inventaris, en Tony heeft een bijzonder goed geheugen: het was (na Gastronautikon van Adriaan Peel, De heerlijkheid omhelzen van Maris Bayar en Ik verlang een landschap van Ben Klein) inderdaad de vierde.
Kari Bert (º Kortrijk, 1939) richtte zijn pijlen wat artistieke uitingen betreft sindsdien voornamelijk op de plastische kunsten. Hij was een van de gangmakers van de groep Lumen Numen waartoe onder meer ook Emiel De Keyser, Serge Larot en Marcel Rademakers (in de letteren ook wel gekend als Mark Meekers) behoorden. In 1962 en 1965 werd hij onderscheiden in de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst, en in 1963 behaalde hij een vermelding in de Prijs van Knokke. Kari Bert exposeerde in verschillende plaatsen in Vlaanderen, en was lang lid van de Belgische Vereniging van Kunstcritici.
Niet lang dat zijn levensgezellin Gilberte Deleger overleed, deden er geruchten de ronde dat Kari Bert óók het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Die bleken voorbarig: hij kwam in de Bibliotheek Kris Lambert in Oostende levend en wel de presentatie van zijn bundel Olaf Pirandello bijwonen. Maar de geruchten hadden veel van zijn vrienden dusdanig aangegrepen dat ze besloten in een ijltempo een liber amicicorum te vervaardigen, opdat Bert nog bij leven zou kunnen merken welk een positieve invloed hij op velen heeft gehad.
Het boek bevat oude foto's, verse herinneringen, reproducties en veel literaire bijdragen. Zo zijn er gedichten van onder meer Martin Burke, Marcus Cumberlege, Frank De Vos, Mary Angela Douglas en Mark Meekers. Ook staan er veel gedichten in van Kari Bert zelve en van Gilberte Deleger. Voorts aan het duo refererende beschouwingen als Quietisme en sufische gezindheid in de 17de en 18de eeuw van Jackie Tange, The beauty of mathematics, a long time ago and now van Jean Paul Van Bendegem en Poetry, art and paradise - A context for the life and work of Kari Bert van Dennis Greig.
Het geheel waait, maar dat is een liber amicorum natuurlijk eigen, vele kanten uit maar uit alle bijdragen in Kari Bert - Liber Amicorum blijkt dat de medewerkers de dichter annex beeldend kunstenaar een bijzonder warm hart toedragen. Om met Frank Decerf te spreken: "Je schilderijen, je gedichten, je teksten, je persoonlijkheid en je hele zijn blijven een baken voor ons. Wat jij hebt gecreëerd is monumentaal en je eigen opgelegde kleinheid is groots." Kari Berts neus zal bij het doorbladeren van dit welgemeende eerbetoon regelmatig krullen....

Kari Bert - Liber Amicorum, uitgever de facto onduidelijk, Oostende, 2011, Wettelijk Depot D/2011/10.163/1

(Bert Bevers)

Verrukkelijk samenspel

Equinox is een samenwerking tussen een dichter en een beeldend kunstenaar. Opmerkelijk is hier dat een schilder zich liet inspireren door poëzie, want veelal schrijft een dichter bij beeldend werk. André Goezu maakte zeven aquatinten bij de zeven gedichten van Richard Foqué waaruit de (Engels- én Nederlandstalige) cyclus Equinox bestaat. Het is een wandeling die begint met een Kanteling, langs een Schemering, en Duisternis die zijn Evenwicht zoekt in een Dageraad die na het Ontwaken uitmondt in een gelaten, milde Aanvaarding.

Richard Foqué componeert bijzondere, ritmische gedichten. Als voorbeeld kan Kanteling dienen waarmee hij de bundel opent. Hier gebruikt hij deels de anafoor om de ritmiek te ondersteunen.

Het is goud / het is een man….
Het is regen / het is een steen…
Het is het woud / het is een maan….
Het is een kind / het is een mes….

Het is alles
Het is niets
Het is

Ut pictura poësis (zoals een beeld weze een gedicht) zei men in het Latijn. De taal van Richard Foqué is plastisch en getuigt van een rijpe metaforiek. Ik sprokkelde enkele beelden die me uitermate konden bekoren: Stilte houdt de adem in / om de duisternis te tellen / in plooien van huiverende huid (een mooie alliteratie) en tijd een snaar te strak gespannen / het smelten onder de dagelijkse sleur / mijn voetstappen niet gemeten noch de stenen die het pad hebben gebaand.

Met het beklijvende gedicht Aanvaarding sluit deze cyclus. Hoe eenzaam en gelaten is hier de maker in de aanvaarding waarin deze equinox culmineert. Je leest hoe hij zich bij zet, zich nagelt aan zijn taal, wil blijven. De dichter staat hier alleen in zijn keerkring. Welig tiert het schroeiende verlangen om niets te verliezen.

Aanvaarding

Als ik dan sta
tussen dag en nacht
alleen in mijn keerkring
laat mij niet verliezen

wat ik niet bezitten kan
laat mij houden
wat ik niet verwerven kan
laat de tijd vertragen

tot voorbijgaan
blijven wordt
laat mij blijven
tot ik wakker word.

In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Dit vers uit het gedicht Wilhelm Tell van Friedrich Schiller staat hier terecht op zijn plaats. Foqué's taal is sober en wars van 'warrige woordschurft' om Jozef Deleu te citeren. Weloverwogen werd de ballast van vele lidwoorden geschrapt. Dit verhaal moest worden verteld en op deze wijze, in die intense, rijpe en typische taal van Foqué. De som zou ik hier milde wijsheid willen noemen.

Equinox is een pracht van een titel die de magie van een verrukkelijk artistiek samenspel warm omarmt. Zij zijn afwisselend elkaars zon en evenaar, loodrecht staan zij op elkaar. In deze cyclus bereiken zij niet tweemaal de equinox maar zeven maal zijn zij op dat punt zoals in de lengte van de dag en de nacht elkaars gelijken. Zeven, een priemgetal waarin zij zichzelf delen. Equinox is een priemgetal om van te houden.

Equinox, Richard Foqué en André Gouzo, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, 2011, ISBN 978 90 76644 59 2

(Frank De Vos)

In het land van Jan Vanriet

In zijn nawoord, Een dubbelster, over dubbeltalent Jan Vanriet (schilder-dichter), merkt Mark Meekers op dat met de opkomst van de conceptuele kunst niet alleen het schilderij als een oubollig medium werd beschouwd; ook kleur was taboe. Dat heeft Jan Vanriet gelukkig niet kunnen beletten een indrukwekkend oeuvre bij elkaar te schilderen dat zowel een sterke esthetische waarde heeft als een boodschap in zich draagt die vaak maatschappijkritisch is. In 2010 ging hij in de expositie Closing Time in het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen (de laatste tentoonstelling voor er een begin werd gemaakt van de grootscheepse restauratie) de confrontatie aan met onder meer James Ensor, Peter Paul Rubens en Rik Wouters. Achttien dichters uit Nederland en Vlaanderen lieten zich inspireren door een werk van deze schilder voor wie ondanks zijn internationale carrière Antwerpen zijn thuishaven blijft. Dat levert fraaie poëzie op van onder meer Christina Guirlande (Vier zwanenmeisjes), Catharina Boer (Verlaten terras), Lisette Waterschoot: We sporen elkaar aan. // Wijzen de weg: / langs daar, langs daar / langs het bloeden en Xtine Mässer: Wij zijn de spons / voor eigen verleden , / zuigen op / wat als een kanker / aan onze voeten vreet.
Het engagement is dan weer niet mis te verstaan in de gedichten van Staf de Wilde: in drommen zijn ze gekomen / van een horizont en zonder / een horizont in de ogen en Frank Decerf: Als je goed luistert, hoor je het zeker, / het heien van de ranke palen. / De totems waar straks weer 30 000 V / de draden laten beven, zingen en doden. Ook Karel Sergen, F.A. Brocatus, Norbert De Beule, Joris Iven, Lies Van Gasse, Ina Stabergh, Inge Boulonois en Hannie Rouweler zijn afgedaald in de wereld van Jan Vanriet. Onderaan de gedichten wordt de titel van het schilderij vermeld dat tot inspiratie diende en dat is handig want slechts enkele keren komt die overeen met die van het schilderij: De roker van Jeannette Coppens, Spiegelmannen van Xtine Mässer, Zwarte sneeuw van Y. Né en De leegte van Marleen De Smet. Het staat de lezer desgewenst natuurlijk ook vrij om de schilderijen te googelen. De reiziger is blind is de aanhef van een van de mooiste gedichten uit deze bundel. Rose Vandewalle vervolgt met: Rijgt zijn dagen gejaagd aan elkaar, raast / door het landschap, merkt amper hoe nevel zich sluierend legt / tussen heuvels. Hoort niet het klagen van stemmen, voelt niet de pijn, / het huilen gesmoord in de grond. Aankomen is zijn ultieme betrachting.
De achttien dichters die aan dit project hebben meegewerkt zijn niet blind: ze hebben elk hun eigen licht laten schijnen op het werk van Jan Vanriet en dat heeft gedichten opgeleverd die als wachters naast de schilderijen staan. Ze zijn goed aangekomen, hun ultieme betrachting is volbracht.

Gedichten over schilderijen van Jan Vanriet, dichters uit Nederland en Vlaanderen, samenstelling Hannie Rouweler, nawoord Mark Meekers, Demer Uitgeverij, Diepenbeek, 2012, ISBN 978-1-4478-4761-8

(Roger Nupie)

Schrijven om te ontsnappen

Van Yves Taffin uit Poperinge verschenen in 2011 drie dramatische korte romans, verzameld onder de titel Vlammenvuur. De eerste, Vlammenvuur, bestaat uit 13 hoofdstukjes. De tweede, De vrouw die haar man gehoorzaamde is ingedeeld in 10 hoofdstukjes (plus een epiloog) en de derde roman, Huis te koop, telt 14 hoofdstukken. Elk hoofdstuk heeft een cijfer als titel.
In Vlammenvuur wordt de ik-persoon aangesteld als studiemeester van de Mechelse opnamestudio van gesproken boeken voor blinden en slechtzienden. Een vrouwelijke collega, op wie hij aanvankelijk verliefd was, geeft hem voor zijn uitgesproken linkse sympathieën aan bij de directie. Hij wordt op het matje geroepen, steekt het gebouw in brand en wordt door de politie ingerekend.
In De vrouw die haar man gehoorzaamde zet een man zijn vrouw aan tot prostitutie; hij komt om het leven bij een motorongeluk. Huis te koop vertelt over een homejacking met geweldpleging. Het vrouwelijke slachtoffer Iris wordt op gruwelijke wijze verkracht en vermoord.
Yves Taffin bekent aan de lezer waarom hij schrijft: Schrijven ervoer ik overigens als mijn enige kans om te ontsnappen: zowel geestelijk als fysiek. Ontsnappen aan de anonimiteit, en aan een klotebaantje als dit hier. Want dat ik beroemd zou worden, daar twijfelde ik niet aan. Ik had immers heel wat te vertellen. Bovendien, een auteur met een visuele handicap, dat was hier nog nooit vertoond! Mooi, deze aveu werpt een licht op het interessante profiel van Yves Taffin als auteur. Schrijven is voor hem een manier om zijn visuele handicap te sublimeren en tegelijk een uitlaatklep voor zijn intellectueel talent.
In de roman Vlammenvuur vertelt het personage Jules over Paul Lafargue, schoonzoon van Karl Marx, die in plaats van het recht op arbeid het recht op luiheid propageerde. We komen ook alles te weten over een van de woeligste perioden uit de Belgische geschiedenis: de staking van 1983.
Yves Taffin is echter niet alleen een politiek schrijver. Vlammenvuur bulkt van erotische passages. Ik moet bekennen: de personages gaan hevig te keer! Hoeren, naakte meisjes in séparés, travestie, pornofilms... blijkbaar dagelijkse kost voor Yves Taffins literaire esbattementen. Daarbij worden deze seksuele avonturen met chirurgische precisie beschreven. Spannend en opwindend!
Yves Taffin is zeker een ordelijk, ijverig en secuur schrijver. In een onderkoelde, afstandelijke taal laat hij zijn personages handelen. Zijn paragrafen zijn opgebouwd zonder franjes. Ondanks het bijzondere vocabularium eigen aan het milieu, zijn Yves Taffins zinnen bijna schools correct en helder als kristal.
Toch heb ik hierbij enige bedenkingen. Alhoewel een van de eerste erotische scènes (een vrijpartij in een berg gehakt) veelbelovend was, voert de auteur een wereld op waarin keiharde seks (vrouwelijke personages vinden geweld en vernedering blijkbaar heel lekker, mannen gedragen zich als kleuters, laten zich thuis behandelen door hoertjes die komen aandraven met seksspeeltjes) schering en inslag is. Ik mis hierbij emotie, pittigheid, humor. Ik mis hierbij een beetje fantasie en vrouwvriendelijkheid. Toch ook wel een beetje wat men noemt: literatuur.

Vlammenvuur, Yves Taffin, Uitgeverij Zookie, 2011 ISBN 978 90 7983 4433

(Nicole Van Overstraeten)

Door de mazen van het net

Tussen het lezen van de vele poëziebundels steek ik af en toe ook eens wat anders onder mijn leesbril. Het gevaar van recenseren ligt in het routineus bespreken, het diagonaal lezen, het zinken in een zichzelf repeterende woordenstroom en nutteloze teksten zijn daarvan vaak het resultaat. De oplossing: iets anders lezen of een tijd(je) je pen laten zwijgen. Door de mazen van het net heeft dus niks met poëzie te maken. De auteur Joris Surmont nam zijn tijd om een balans op te maken van wat we een volzet-maritiem-leven kunnen noemen. Als 15-jarige scheepsjongen trok hij van de Oostendse kustvisserij, via de grote visserij op IJsland naar de Belgische marine waar hij uiteindelijk als technisch officier aan boord van diverse fregatten zijn stempel achterliet. Mochten we duikboten hebben gehad, was hij daar waarschijnlijk ook in beland… Nadien rijpte bij hem het idee om dat boeiend en zeer divers relaas samen te brengen. Zo een oefening leidt heel vaak tot de verleiding om via het verzamelingen van losse herinneringen, enkele sterke verhalen en een paar uit de oude doos veroverde foto’s uiteindelijk te spreken van een boek. Ik was dus een beetje op mijn hoede. Door de mazen van het net is uiteindelijk meer dan een afgemeten oprakelen van interessante anekdotes geworden. Het geheel is een leesbaar boek door de poging van Surmont om volledig te zijn en de diverse maritieme sectoren glashelder te bespreken. De auteur staat bijvoorbeeld geruime tijd stil bij de periode van de kabeljauwoorlogen; een periode die uit onze nationale geschiedenis lijkt verdwenen. Op een gepassioneerde manier bespreekt hij vooral wat de vissende mens aan boord van de kotters en trawlers voelde en dacht. Het zijn beslist geen stoere cowboyverhalen geworden, maar fijne beschrijvingen van een tijd die al ver achter ons ligt en waarvan de waarde nog betekenisvol is.
Naast het louter vertellende zorgde de auteur eveneens voor fijn uitgeschreven technische informatie, bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over de diverse vismethoden of ergens verder als hij de alternatieven voor de boomkor (daarvan zullen veel niet-vissers nooit gehoord hebben, wat een typisch woord) uit de doeken doet. Hij reikt oplossingen aan. Wat het lezen van dit boek de moeite maakt is de eerlijkheid waarmee de schrijver de lezer bij de hand neemt en begeleidt doorheen een niet alledaags thema. Daarbij wordt hij nooit belerend, maar hij bewijst te spreken en dus te schrijven met kennis van zaken. Verder is Door de mazen van het net ook nog eens voorzien van schitterende kleurenfoto's. Ook voor de beleidsmakers wil Joris Surmont een boodschap meegeven. Hij gaat de discussie aan en verdedigt zijn standpunten betreffende overbevissing, visserijdruk en het algemene visserijbeleid. Kortom die boek is ook voor landrotten een goeie keuze om de letterlijke en figuurlijke horizonten te verbreden. De auteur droeg zijn boek op aan zijn op 4 januari 1987 op zee gebleven vriend Wilfried Zwertvagher.

Door de mazen van het net, Joris Surmont, Uitgeverij Boekschout te Soest, 2011, ISBN 978-94-6089-427-5

(Frank Decerf)

Een dichter die aanwezig blijft

De Nederlandse dichter Bert Kooijman, geboren in 1932, heeft dit jaar zijn 20ste dichtbundel gepubliceerd. Hij debuteerde in boekvorm in 1961 met Koningin zwart van woede, maar hij had toen reeds meermaals gedichten in literaire tijdschriften gepubliceerd, onder meer in 1957 in het toenmalig toonaangevende Gard Sivik. Kooijman was ook de eerste Nederlander van wie, in 1980, een bundel verscheen in de poëziereeks van de Antwerpse uitgeverij Contramine. In 1998 bracht Kooijman een eerste verzamelbundel uit Gedichten 1957-1997 en tien jaar later deed hij dat nog eens over met Wat afwezig blijft, gedichten 1957-2007, een boek met een intrigerende titel, zeker wanneer het een verzameld werk betreft. Toch is deze titel zeer subtiel gekozen want Kooijman is een cryptisch, zeg maar vrij hermetisch dichter, en de meeste van zijn gedichten zijn geschreven voor een afwezige, maar het gemis wordt rechtstreeks gecompenseerd door het taalgebruik. Woorden dienen de afwezige te vervangen en dat met zo’n doeltreffendheid dat het gedicht volmaakt moet zijn. Afgerond als een cirkel, gebald als een kei. Geen gemakkelijke opdracht, maar de auteur slaagt wonderwel in zijn bedoelingen.
In de inleiding tot de verzamelbundel wordt een puntje van de sluier opgelicht. De dichter verloor zijn moeder toen hij nog geen drie jaar was en dat drukte een enorme stempel op zijn poëzie. Telkens gaat hij naar haar op zoek, zonder haar echter te vernoemen. Ze is een onbekende, een beminde, een geliefde. Ver van alle belijdenispoëzie kapt de dichter woorden uit de rotsen en polijst ze tot kunstvoorwerpen. Zijn gedichten worden verrassend geconstrueerde geheimen. In de verzamelbundel werden 175 gedichten opgenomen, waarvan er 33 nog niet werden gepubliceerd. Naar mate de jaren vorderen lijkt het alsof de poëzie van Bert Kooijman een opener karakter krijgt, maar inderdaad, dat lijkt maar zo, de woordkeuze wordt wat eenvoudiger maar het mysterie blijft. De bundel eindigt als volgt: HET afvallig woord / zal zijn mond niet / laten branden / als een ketter. // Open ligt het nu / om gevierendeeld te worden / in de kerker van dit gedicht. // Een wind van ijs / zal het besnijden. // Maar een lezer / kan het bevrijden / wanneer het zingt.
In Aanwezig licht, de bundel die onlangs zeer mooi werd uitgegeven bij Kleinood & Grootzeer, is de taal nog eenvoudiger en rechtstreekser geworden. Het licht is alom aanwezig, maar de geheimzinnigheid evenzeer: Het gedicht rilt / van betekenis, nu het / transparant te drogen ligt / in zijn voorlopige naam. Waren de gedichten van Bert Kooijman vroeger keien in een heldere rivier, dan zijn zij nu zuivere parels geworden geregen tot een snoer rond de hals van de afwezige. En parels dienen alleen maar mooi te zijn. Niemand moet hun betekenis tot in de verste verte raden.

Wat afwezig blijft, gedichten 1957-2007, Bert Kooijman, Poëzie-uitgeverij WEL, Bergen op Zoom, 2008, ISBN 90 6230 093 6

Aanwezig licht, Bert Kooijman, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2011, ISBN 978 90 76644 54 7

(Tony Rombouts)

Bewaar altijd een stukje brood

Gelukkig bestaan er veel boeken die de ervaringen van overlevenden van nazikampen uit de doeken doen. De slachtoffers van toen hebben, vaak na ettelijke jaren van traumaverwerking, eindelijk de moed gevonden om deze gruwelijke bladzijde terug te draaien. Het is belangrijk dat zij hun waarheid blijven verkondigen. Elke auteur doet zijn hoogst persoonlijke verhaal en daarom zijn dergelijke boeken steeds weer nieuw, nooit overbodig, altijd waardevol. Het blijven unieke getuigenisdocumenten. Zo ook Bewaar altijd een stukje brood van Patricia De Landtsheer. De auteur verwerkte de herinneringen van de Hongaarse Dov Nasch die samen met zijn moeder, broer Emil en zijn drie zussen in Auschwitz-Birkenau belandde. Zijn vader stierf tijdens een van de beruchte dodenmarsen.
Het werk is de herwerkte versie van een eerder uitgegeven boek (2001). In het boek vertelt Dov Nasch hoe hij in zijn geboortedorp Nové-Zamky wordt gearresteerd en samen met zijn moeder, zussen en broer drie dagen en drie nachten onderweg is naar het vernietigingskamp. Hij is dan 14 jaar oud. Op een zeer gevoelige manier is Patricia De Landtsheer zijn spreekbuis. Het boek leest als een trein en zou verplichte lectuur moeten zijn voor jongeren, maar ook volwassen zullen dit boek niet naast zich kunnen leggen. Aan de nieuwste versie werden nieuwe gegevens toegevoegd. Na lang zwijgen vond Dov Nasch eindelijk de moed om over deze gevangenisperiode te praten en de auteur heeft dat handig verwerkt tot een zeer interessant boek. Dat is heel belangrijk, want ooit zal de laatste getuige voorgoed verdwijnen en dan…
Ik zal mijn plicht blijven doen zolang ik daartoe fysisch en mentaal in staat ben. Getuigen over mijn verleden betekent voor mij een soort bedevaart maken, maar ook een ode brengen aan mijn overleden familie, vrienden en zoveel anderen die hun leven lieten in de kampen, zegt Dov. Een citaat:
"Het wordt Kerstmis. Ter ere van dit feest krijgen we een beetje meer eten. Er zit wat spek in de soep en er zitten wat meer groenten in. Joden eten nooit varkensvlees, al is het een noodzaak dit wel te doen, zo krijgen we tenminste een klein beetje vet naar binnen. De winter is streng en het is verschrikkelijk koud. De ijzige wind die soms over het werkterrein blaast, verscherpt het gevoel van honger nog meer. De zondag na Kerstmis is er een theaterstuk aangekondigd dat door enkele gevangenen zal worden opgevoerd. De acteurs repeteren naarstig, een welgekomen afleiding in dit oord van verderf. De gevangenen die niet meespelen, mogen het stuk gaan bekijken. Tijdens de voorstelling wemelt het van de Duitse autoriteiten. De voorste rijen zijn natuurlijk voor hen gereserveerd. Op een bepaald ogenblik, ongeveer in het midden van het stuk, krijgen de dialogen een politiek tintje, hier en daar met ironie en sarcasme doorspekt. De SS-ers reageren verbolgen op die brutaliteit. Onmiddellijk wordt de vertoning afgebroken en moet iedereen naar zijn barak."

Bewaar altijd een stukje brood, Patricia De Landtsheer, Uitgeverij C de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2011, ISBN 978 90 5927 368 9

(Frank Decerf)

Een heidens requiem

In de loop der jaren bouwde Rudy Witse (º 1944) een bescheiden maar eigenzinnig poëtisch oeuvre uit. Deze eeuw zette hij qua publicaties in 2000 in met de kwantumsprong. In 2003 volgde afscheid, dat veel van zijn lezers deed denken dat hij zijn lier in de wilgen hing maar dat toch geen afscheid bleek. In 2005 volgde (gelukkig maar!) immers Père Lachaise-Schoonselhof - Een confrontatie. Ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag deelde hij in 2009 onder zijn vrienden mijn plekken uit.
En dan is er nu een heidens requiem. De reeks is losjes gebaseerd op de teksten van het Requiem van Mozart en op de ideeën die ze vertolken. Vanaf het Kyrie eleison tot en met het Agnus Dei volgt Witse Mozart, de gedichten dragen dezelfde titels als die van het Requiem. Alleen het slotstuk Lux aeterna, het eeuwige licht, liet hij voor wat het is, om het te vervangen door zijn éigen finale (toegevoegd) requiem. Maar al schreef Rudy Witse een domine jesu christi, een sanctus en een benedictus: deze reeks draagt - de titel doet zulks reeds vermoeden - een ferm anti-religieuze inslag. Dat moge niet verbazen, want Rudy Witse is een atheïst. Toch duiken god en geloof regelmatig op in zijn werk. In afscheid bijvoorbeeld geloof is gave, Heer, voorwaar, het weze u vergeven (in albert szukalski, 1945-2000, waarin hij Heer zelfs met hoofdletter schrijft!).
De Van Dale omschrijft atheïsme als 'de ontkenning van het bestaan, de bestaanbaarheid of bewijsbaarheid van een al dan niet persoonlijke God.' Als je leest god gaf en geeft om niemand iets, dan is er geen sprake van ontkenning. God ís er daar, want hij dóet iets, namelijk om niemand iets geven. Misschien was de dichter in die vorige bundels nog niet helemaal toe aan de godloochening, vertrouwde hij het zaakje toch niet helemaal en gebruikte hij zijn naam af en toe als een soort bezweringsritueel.
In een heidens requiem is Witse een pak stelliger. Al bestaat god ook hier toch ook nog wel een klein beetje getuige god is klein, en onbehaard. Voor het overige zijn er in dit verband vooral pejoratieve woordcombinaties: god verdomme, in de gore wilde waan van het goddelijk bestaan, gods molensteen, nergens brandt het goddelijk licht, het goddelijk domme schaap en het goddeloze schaap.
een heidens requiem is gesteld in pregnante verzen, die een bijzonder functioneel ritme hebben. Dit is poëzie die tot denken aanzet, die niet alleen de liefhebbers van de schone letteren prikkelt maar ook filosofen, en theologen. Want: is volharden in ongeloof niet óók een vorm van geloof? In mijn eigen vorige bundel, Andere taal, staat de cyclus Gelovige gedichten. Hoewel je die titel natuurlijk op allerlei manieren uit kunt leggen had Rudy daar instinctief niet zo veel mee, liet hij me weten. Maar één zin eruit sprak hem wel aan: de grandeur van geloven is het kunnen weigeren ervan. En dát heeft hij als dichter met grandeur gedaan.

een heidens requiem, Rudy Witse, eigen beheer, Antwerpen, 2011


(Bert Bevers)

Nieuwe roman van Marc Andries

Met de roman Vossenjong publiceerde Marc Andries dit najaar zijn vijfentwintigste boek, bij Zorro Uitgeverij in Damme. Het lijkt wel of hij met zijn jongste publicaties de historische roman een nieuw leven wil inblazen. Hij schrijft ogenschijnlijk een uit zijn verbeelding ontsproten verhaal en plaatst dat in een context met historisch controleerbare feiten. Zo lijkt het een beetje, maar het kan ook anders zijn. Verschillende personen met familiale connecties van het Belgisch vorstenhuis kwamen reeds in zijn boeken aan bod. Ik denk hier aan Monseigneur met in de hoofdrol niemand minder dan prins-regent Karel (een uitverkocht boek dat dringend dient herdrukt te worden!) en aan Mijn Max, dat het rampzalig Mexicaanse avontuur verhaalt van Charlotte, dochter van Leopold I, en haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk. In de huidige roman verschijnt Albert I ten tonele, maar laten we niet op de gebeurtenissen vooruitlopen.
Het boek gaat over de geschiedenis van de familie Vos. Camille Vos werd een vrij beroemd luministisch schilder, die woonde in oude boerderij met een brede hofgracht. De buurtbewoners noemden het gebouw al snel Het Vossenhol en intellectuelen uit de omgeving kwamen er graag op bezoek om te praten, van mening te wisselen en hun ideeën te verkondigen. Die liepen nogal wat uit elkaar want er waren Orangisten, Belgicisten en Flaminganten bij. In 1896 werd in dat Vossenhol een eeneiige tweeling geboren: Anatole en Ferdinand Vos. Ze leken zo op elkaar dat niemand hen uit elkaar kon houden. Zoals dat meer gebeurt bij tweelingen deelden de broers alles met elkaar, ze werden zelfs verliefd op hetzelfde meisje. Totaal onverwacht werden zij echter uit elkaar gedreven: bij de keuring voor militaire dienst werd Ferdinand afgekeurd wegens platvoeten. Anatole werd ingelijfd bij het leger terwijl de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Na een aantal verschrikkelijke ervaringen kwam hij terecht als tolk en verpleger in een lazaret achter de loopgraven aan de IJzer in de Westhoek. Daar werd hij permanent geconfronteerd met taalconflicten door officieren, die hun bevelen aan Vlamingen enkel in het Frans gaven en zo ontelbare slachtoffers maakten. Uiteraard werd Anatole daardoor een overtuigde Vlaming. Anders verliep het met Ferdinand die in het bezette gedeelte van het land in een Belgicistische industrieel milieu terecht kwam. Door omstandigheden buiten hun wil werden de tweelingbroers dus ook intellectueel uit elkaar gedreven.
Om als achtergrond de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, met het ontstaan van de Frontpartij te schetsen heeft Marc Andries bijzonder veel opzoekingswerk verricht en hij heeft dat verwerkt in een spannend verzonnen verhaal. Of zitten er nog meer geheimpjes in deze roman verborgen? Een voorvader langs moederkant heette Reynaert. Dat doet wel heel sterk aan Vos denken, vooral als je weet dat diens dochter getrouwd was met de luministische schilder Edmond Verstraeten. Maar dat zijn als weetjes natuurlijk maar details. Het tijdsbeeld is echter vlijmscherp weergegeven, waardoor het boek leest als een trein. De moeite van het lezen zeker waard!

Vossenjong, Marc Andries, Zorro Uitgeverij, Damme, 2011, ISBN 978 94 6168 0051

(Tony Rombouts)